vrijdag 7 maart 2014

Klap

Op een gewone doordeweekse nacht fietste ik naar huis. Na een lange en plezante date met een lieve jongen had ik besloten te vertrekken – ik was moe en ondanks dat ik mijn date mocht, waren er wat woorden gevallen. Het was zo laat dat het weer vroeg was en de wegen waren gehuld in diepe rust. Er hing een dikke, ondoordringbare mist. Bij een rood stoplicht checkte ik of mijn fietslicht aanstond, want ik was al menigmaal verrast door een tegenligger die ik pas op drie meter afstand zag aankomen. Je zag letterlijk geen hand voor ogen en vanuit de auto is het zicht slechter en de botsschade groter. Naast mij stond een zwarte, kleine auto.

Hoe kon ik weten dat de milde quarrel die ik met mijn date had gehad in het niet zou vallen bij het angstige halfuur dat ik nu mee zou maken?

Ik fietste verder op een separaat fietspad, naast een autoweg. Aan mijn rechterhand lag een sportveld. Aan mijn linkerhand lagen huizen. Ik vervolgde rustig mijn weg – de route was niet nieuw voor me. Na een paar minuten zag ik een zwarte Golf (?) met knipperende waarschuwingslichten stilstaan op 50 meter van mij vandaan. 'Waarom zou die auto daar staan?', vroeg ik me af. Voor ik kon bedenken waarom zag ik hoe er een groteske figuur vanuit de mist op me af kwam stormen. Hij droeg een zwarte pet, een zwarte sjaal en daar tussenin een grote skibril met zilveren rand. Hij was klein, ongeveer 1.70. En in zijn hand droeg hij een honkbalknuppel.
Die knuppel zwaaide hij met grote kracht richting mijn hoofd. Het was duidelijk dat hij me neer zou slaan als ik me niet zou verzetten. Om me daarna te beroven, te verkrachten, of allebei.

Tijd om verbijsterd te zijn was er niet. Ik weet wat mensen altijd zeggen: Krab hem. Pak wat van zijn haar. Spuit deo in zijn gezicht. Trap hem in zijn ballen. Geef niet op. Maar lieve lezer, dat werkt misschien als je opgesloten zit in een kofferbak en tijd hebt om na te denken over wanneer je dat voor elkaar gaat krijgen. Tegen de tijd dat ik de deo – die ik niet bij me had – van zijn dopje zou hebben ontdaan zou hij me allang een verbrijzeld heupbeen, een dwarslaesie of een schedelbasisfractuur hebben geslagen. Er was geen tijd voor wat dan ook. Dus deed ik wat ik kon: ik trapte mijn pedalen in of mijn leven er vanaf hing. En ik schreeuwde. Tegen een honkbalknuppel was ik zo goed als weerloos. Maar mocht hij me te pakken krijgen dan zou ik me niet in stilte gewonnen geven.

Hij rende me achterna en sloeg me met de knuppel. Dankzij God, extra ijzerpillen, God, extra spinninglessen, adrenaline en God had ik al wat vaart en daarom raakte hij mijn schouder in plaats van mijn hoofd. Zelfs na die klap bleef hij me achterna rennen en ik zette er nog een tandje bij. Ondanks de pijn fietste ik door en ik zag hem even later over de brug scheuren. Zijn kentekenplaat was geel maar te ver weg om te kunnen lezen. En hoewel ik overstuur was en trilde was ik nog altijd niet veilig. Ter plekke stilstaan om het alarmnummer, mijn date of andere hulptroepen in te schakelen was misschien niet verstandig – als hij me op een separaat fietspad op kon wachten had ik geen garantie dat hij de klus niet op een ander punt op de route af kwam maken. Ik moest eerst naar binnen.

Eenmaal thuis zochten hete angsttranen hun weg naar buiten en ik besloot - met nog altijd van angst knikkende knieën - alles op te schrijven wat ik me herinnerde. Gelukkig had ik niet gedronken – dat had de avond in termen van reactietijd ongetwijfeld een andere wending gegeven.
De bestuurder van de Golf had me bij het stoplicht al in het vizier gehad, zoveel was duidelijk. Maar waar ik het meest van schrok was de planning achter de daad - tegen zoveel agressie is mijn brein niet opgewassen.
Natuurlijk heb ik aangifte gedaan en de vriendelijke agent zei wel dat het verstandiger was geweest metéén na het ongeval aangifte te komen doen – dan hadden ze 'm klemgereden.

De littekens, zowel lichamelijk als geestelijk, zullen mettertijd wel helen. Voorlopig bel ik mijn taximannetje als ik 's avonds naar huis wil. Het is die meerprijs echt wel waard.