Na lang twijfelen ben ik begonnen in Robert Vuijsjes Alleen maar nette mensen. Ik had de achttienhonderdste druk al wel in mijn Albert Heijn zien liggen, maar vond €12.50 wat teveel voor een boek dat ongetwijfeld iets vervelends zou losmaken in mijn vrouwenhoofd. Wat ik er van gehoord had, was dat het een zeer stigmatiserend, koloniaal boek was dat zich wentelde in sterotypen over zwarte mensen die al veel te lang de ronde doen.
In kleine hoofdstukjes wordt het leven van David Samuels beschreven, die op zoek is naar een negerin van het zuiverste water. Geen bounty, die zijn te aangepast, en ze moet zeer zwart zijn, maar wel toegankelijk. (Dit zijn niet mijn termen, lieve lezer, dat mag duidelijk zijn.) David zoekt in de Bijlmer. Die, in allerlei opzichten, mijlenver verwijderd ligt van zijn eigen vertrouwde omgeving; het kakkineuze Oud-Zuid.
Mijn eerste indruk? Vlot geschreven, vermakelijk bij vlagen, en een beetje net-niet. Dat wil zeggen: ik denk dat Vuijsje een wat Blauwe Maandagen-achtige stijl probeerde te handhaven, en ik vind dat dat hem net niet gelukt is. Vuijsjes karakters zijn zo stereotype dat het onrealistisch wordt: hij legt het er te dik bovenop.
Davids grootste probleem schijnt te zijn dat hij een Jood is die op een Marokkaan lijkt (en als een Marokkaan behandeld wordt) en daarom de aandacht van zichzelf probeert af te leiden door zich te verschuilen achter (of in) een grote negerin. Hij ontmoet Rowanda en haar familie, maar die relatie strandt. Hij zet zijn zoektocht voort in Amerika, maar komt daar tot de conclusie dat de intellectuele zwarte vrouw die hij ontmoet, saaier is dan Rowanda. Bij terugkeer wil noch Rowanda, nog zijn Oud-Zuid-vriendin Naomi nog iets met hem te maken hebben. Daarom legt hij zich neer bij Naima, de Marokkaanse caissière van zijn plaatselijke, door Joden drukbezochte Albert Heijn.
Ik ben er ook nog niet achter wat Vuijsje met dit boekje duidelijk wil maken. Stereotypen zijn er in alle soorten en maten: over kakkers, over Marokkanen, over Joden, over witte mensen, over zwarte mensen en over tokkies. Ieder stereotype heeft een kern van waarheid. Vuijsjes karakterschetsen zijn echter zo absurd dat ze bij hen die dieper nadenken geen spoor zullen achterlaten en bij hen die hun waarheid op het stereotype baseren, die waarheid slechts zullen bevestigen.
Davids drang om zich af te zetten, liefst zo ver mogelijk van zijn eigen milieu, past goed bij een puber van vijftien. Maar David is geen puber, hij is eenentwintig. En hij denkt zijn oplossing niet te vinden in drank en drugs, nee, een dikbillige negerin moet zijn leven een nieuwe impuls verschaffen. Tsja. Wat zal ik er eens van zeggen.
Zijn proloog vond ik nog wel het vermakelijkst van alles van wat ik tot nu toe gelezen heb, vanwege de waarheid die er voor mij in school. Wat mij betreft had dit als column in de Volkskrant prima volstaan. De rest van het boek leest makkelijk weg, maar is qua stijl niet vernieuwend en dat kunstje met die hyperbolen heb je na vijf karakters ook wel door. Best grappig, maar traditioneel literair zou ik het niet noemen. Al was dat misschien zijn intentie niet. Al weet ik niet wiens intentie zwaarder telt.
Wat ik wel weet, is dat Vuijsje door verschillende groepen veel is verweten. De eerste druk dateert uit 2008, toen kaboelafeesten nog hoogtij vierden in Bijlmerse garageboxen. De stofwolken zijn nu wel gaan liggen. Wat waar is, is dat hij zich niet positief uitlaat over vrouwen (zijn moeder is een zweverige, nuffige dame, zijn vriendin Naomi een verwend tutje met een Hello Kitty-obsessie) of mannen (score; één emotioneel gesloten vader, een werkloze karakteracteur, twee opgeschoten jeugdvrienden die elkaar napraten en een schoonbroer die hem onderdeel laat zijn van een towerbridge. (ook héél erg 2008.) Verder spaart hij ook Joden (textiel- of anderszins) en zwarten niet. De enige 'groep' van wie hij geen stereotype schetst zijn de Marokkanen, maar tussen die regels door komen die er ook bekaaid af. Het lijkt wel alsof ze geeneens een stereotype waard zijn.
Over de vraag of Vuijsjes boek racistisch genoemd kan worden, wil ik me hier slechts lichtjes buigen. Racisme heeft te maken met persoonlijke beleving en het is daarom niet zo makkelijk om iets als wel of juist niet racistisch te bestempelen. Het argument dat het boek niet racistisch zou zijn omdat hij allerlei bevolkings/geloofs/kleur/culturele groepen op de hak neemt wil ik hier wél even ontkrachten: dat legitimeert de zaken namelijk nog niet en breit ze evenmin recht. Als jij op het schoolplein een schop krijgt, doet dat toch ook niet minder zeer als de rest van de klas er ook een ontvangt? Nou dan.
Bovendien vind ik dat het stereotype beschrijven van een bepaalde groep aan de ene groep meer (diepere, meer permanente) schade kan toebrengen dan aan de andere. Dat heeft, in mijn opinie, te maken met startblokken. En niet elke groep die hij op de hak neemt, staat op dezelfde positie in het startblok.
En dan nu: Rowanda. Een vierentwintigjarige, pikzwarte, laagopgeleide ex-tienermoeder (getuige Tyrell, zeven jaar, en zijn halfzuster Chanel) uit de Bijlmer. Rowanda heeft twee gouden tanden (ROW en ANDA) twee broertjes (Clifton en Delano) en significant overgewicht, vandaar haar cup 95F. Haar voorliefde voor glimmende spandex, zwart nephaar en panterprint is groot en omgekeerd evenredig aan haar woordenschat en grammatica. Ze aarzelt niet om David geld te vragen voor rijlessen of ondergoed. Hij heeft het, zij wil het: probleem opgelost, toch? Met Tyrells vader ging het uit omdat hij teveel bijvrouwen had. Ze gooide kokend water over hem heen en toen is hij vertrokken. Nu woont ze bij haar moeder.
(Snapt u zo zoetjesaan wat ik bedoel met 'er te dik bovenop liggen'?)
Tuurlijk, de Rowanda bestaat. Er bestaan vrouwen die zich zo kleden en gedragen als zij. Maar toch lijkt het me sterk dat alle Rowanda's in de Bijlmer (ja, laten we daar beginnen) én pikzwart zijn, én een pruik dragen, én al jong kinderen zonder man grootbrengen, én laagopgeleid zijn, én het pikken dat hun man er andere vrouwen op nahoudt, én zich gedragen als hoertjes, én gewelddadig zijn, én graag zuurstokroze leggings dragen. De stereotypering is zo absurd dat bijna iedereen begrijpt dat zulke extremen niet voor niets extreem zijn.
Toch doet Vuijsje een suggestie die een stuk serieuzer van toon is: dat er zoiets bestaat als 'authentieke zwartheid'. Rowanda classificeert hij bovendien als 'authentiek zwart'.
'Authentieke zwartheid' verwordt dan tot een paar kernwaarden: pikzwart, voor alles in, laagopgeleid, gewelddadig, vraatzuchtig, kenauerig in haar doen en laten. Zoals de vakliteratuur beschrijft: een black bitch, opvliegend, 'krachtig' en grof in de mond. Op het moment dat een zwarte vrouw niet aan deze beschrijving voldoet, is ze een bounty met kapsones en een identiteitscrisis. Aan één ei is geen ei doet David overigens niet: halfbloeden noemt hij ook negers.
De tweede suggestie die hieruit voortvloeit, is dat er onder zwarte mensen geen sociale klasse bestaat behalve de lage. Als een witte vrouw zich stelselmatig overeet, kinderen van verschillende kerels heeft, geld vraagt voor seks en zich gedraagt als een bouwvakker, plakken we daar het woord 'tokkie' op – het is het type mensen waar Davids moeder haar Joodse gok voor op zou halen. Bij zwarte vrouwen heet dat echter 'authentiek'.
Voor zwarte mannen is Vuijsje niet vriendelijker. Zwarte mannen zijn onverantwoordelijk, promiscue, lui, dom en gewelddadig. Deze onverantwoordelijke houding is een gevolg van de erfzonde van de slavernij (met een grote D en een grote S) en een generationeel probleem: de zwarte man had namelijk zelf geen vader die het goede voorbeeld gaf en hij is te achterlijk om zelf uit te zoeken, hoe het ook anders kan. Het zit, zogezegd, in zijn natuur.
De quasi-meelijwekkende taferelen van David die wordt geweigerd in een club, raar wordt aangekeken in de tram of tegen wie kwetsende dingen worden gezegd op basis van een verkeerde aanname, doen niets aan de ernst van de zaak af. Als ik een goede dag had, zou ik zijn stereotypering afdoen als een manier om mensen aan het denken te zetten. Showing, not telling. Maar terwijl David voortdurend herhaalt dat hij Joods is, zodat je als lezer het misverstand en de ironie herhaaldelijk doorkrijgt, spreekt niemand de beweringen over zwarte mannen echter tegen of houdt er het 'juiste' voorbeeld naast.
Het is vervelend voor David dat hij als een Marokkaan behandeld wordt terwijl hij het niet is en niet wil zijn, en juist daarom is het opvallend dat hij er zelf nog zo'n hokjesmentaliteit op nahoudt. Ik denk dat het boek minder oppervlakkig was geweest als David niet zo'n flat character was gebleven maar was gegroeid in zijn aannames en gedachten. In plaats daarvan wil hij bij Naomi blijven (krijgen wat je wilt en willen wat je hebt) en als dat niet meer gaat, probeert hij het bij Naima. Dat is een vreemde plotwending. David bedenkt plotseling dat hij zich onder Marokkanen (met een grote M) wil begeven omdat hij toch al als Marokkaan wordt gezien. Nou kijk, dáár had ik nou wel een roman over willen lezen. Daar waren al die stereotypen niet voor nodig geweest. Nu heeft de meest voor de hand liggende conclusie minder met authenticiteit te maken en meer met snelle wip. Ik vind het een goede grap, maar meer ook niet.
Dat hij Naima afschildert als second best – ze lijkt genoeg op een negerin om het ermee te doen – is niet erg vleiend. Bovendien is Naima ook een bounty, anders zou ze niet op het Olympiaplein wonen. Al die heisa over negerinnen en zelfs een reis naar Amerika konden er niet voor zorgen dat David zijn eisen bijstelde. En nu huppelt er een bountymarokkaan voorbij en hij legt 't met d'r aan. Zwak hoor. Zwart of niet; zo'n man zou ik ook niet hoeven...
donderdag 26 mei 2011
dinsdag 17 mei 2011
Violen
Je hoeft niet ver te lopen om gekke dingen mee te maken. En de wereld komt je des te vreemder voor als je je niet lekker voelt. Afgelopen maandag was ik ziek. Mijn hoofd bonsde, ik was misselijk als een hond en het leek wel alsof er in mijn achterhoofd een paukenspeler heel fanatiek aan het oefenen was op een fanfarestuk. Ik wilde eigenlijk het liefste mijn bed in duiken, de lichten uit doen en mijn ogen sluiten. Maar als je ziek bent en je eet niet goed, duurt het herstel nog vele malen langer. En ik had niets in huis. Bovendien dacht ik dat een beetje frisse lucht en een onderbreking in de voortdurende stroom van alfagolven waarin ik mij bevind als ik achter mijn computer zit, me goed zou doen. Misschien zou het mijn murvgetobde, gestresste geest wat afleiden. Dus stiefelde ik naar het plaatselijke winkelcentrum om daar mijn gedachten eens lekker in de vrije loop te laten. Het was regenachtig weer maar niet koud – zoals dat vaak zo is als het regent – dus ik droeg een jackje, maar ook een dikke sjaal, om mijn keel wat te ontzien. Omdat ik ziek was zag ik bleek en ik had me niet opgemaakt. Soms is zelfs het gewicht van een streep eyeliner al teveel. Toch deed het gefluit van een paar vuilnismannen uit een passerende wagen me goed. Ik kan mijn cynisme hierover uitsmeren, maar mijn hoofd doet nog steeds zeer en ik ben moe. En op dagen als deze kan ik alle aandacht gebruiken die ik krijgen kan. Ook vuilnismannelijke.
Eenmaal bij het winkelcentrum ergerde ik me aan alles. Ik geef het toe, aanhoudende hoofdpijn maakt mij onredelijk en ongeduldig en ik verdraag niets, zelfs geen zonlicht. Grote kinderwagens versperden me de weg, besluiteloze stellen bleven staan waar ik moest zijn, het TL-licht maakte mijn zicht of humeur er niet beter op en ik voelde me hoe langer hoe kregeliger worden. Een en ander werd nog versterkt door de troela bij de Douglas die het cadeautje voor mijn jarige huisgenote eerst af-re-ken-de en daarna i-i-n-n-p-p-p-p-a-a-a-k-k-t-t-t-e-e-e-e-e. Ook nu schoten allerlei gemene, vervelende gedachten door mijn hoofd, achter de pijnscheuten aan. Als ik zo traag zou inpakken, zou ik ontslagen worden. Gemene dingen passeerden de revue. Ik weet dat je hart bij dure make-up en bevergeil in een flesje ligt, maar zou je kunnen opschieten? Tempo, zus. Ik begrijp wel dat inpakken lastig is met zulke lange tengels, maar ik heb nog meer te doen. Je hoeft dat ding niet met net zoveel tierlantijnen te omhangen als jezelf. Ik zie je uitgroei en geloof me, die tong uit je mond laat je er niet charmanter uitzien. Schiet verdorie op, het is toch geen octaëder? Laat die sfeerimpressie met dat lint maar achterwege, het is zo al genoeg vernacheld, verfpalet. En dan krijg ik nog zo'n sloeberaal wit plastic tasje ook. Dan had je niet zoveel moeite hoeven doen. Jij ook een fijne dag, hoor. Dat je nog maar weinig klanten helpen mag.
Natuurlijk zei ik geen van deze dingen. Maar ik dacht ze des te harder. In de AH waren ook allemaal vervelende mensen en gillende en jankende kinderen en de speculoos was op. Met een humeur zwaar beneden peil nam ik plaats in de te lange rij en zuchtte nog maar eens. Ik wist heus dat het aan mij lag, maar het leek wel alsof kindergehuil nog nooit zo penetrant schel had geklonken en de handen van de caissière nog nooit zo traag hadden gewerkt. Hoe doen ouders dat toch? Voor me stond een meisje dat onophoudelijk 'mama! Mama! Mama! MAMA!'gilde en haar moeder luisterde niet, waardoor het kind nog harder begon te gillen. Ik wilde het wicht het liefst door elkaar schudden en haar vertellen dat ze haar grote tochtgat moest houden omdat ze niet de enige persoon in de winkel was. (Mocht ik ooit een kind krijgen dan zou ik er in de eerste plaats voor zorgen dat het zich betamelijk gedroeg. Aandacht vragen is één ding, gillen géén tweede.)
Maar wie ben ik? Een toevallige voorbijgangster met een gigantische migraineaanval. Dus ik hield mijn mond. Ik laadde mijn boodschappen op de band en de vrouw achter me ving mijn gepijnigde, geërgerde blik onbedoeld op. De paukenspeler op de achtergrond werd nu vergezeld door een vioolspelende slager die zijn snaren, gemaakt van hersendraden in mijn hoofd, leek te bewerken met een bot fileermes als strijkstok. Wat ik voelde leek op het geluid in die douchescene uit Psycho en dat dan een keer of zestig achter elkaar. Ik voelde me dan ook in staat tot het plegen van douchescenes. De vrouw kuchte en ik keek haar aan met een onderkoelde ja-wat-nu-dan-weer-blik. Als ze maar niet dacht sympathie van mij te krijgen over dat afgrijselijk schreeuwende kind. Luister, miss Daisy, vandaag niet, okee?
'Nou, ik vind in ieder geval dat je héél mooi haar hebt,' zei ze.
Ahum. Uhm, oh. Als mijn schaamrood niet druk bezig was mijn hart draaiende te houden, was het zeker naar mijn wangen gestegen. Op momenten als deze weet ik weer waarom beleefd zijn – inclusief niet het slechtste over mensen denken – zo cruciaal is. Het simpele compliment verlichtte mijn slechte gemoed een beetje en daar was ik dankbaar voor. Ik kreeg het voor elkaar om mijn verticaal splijtende schedel even te negeren en een horizontale splijting op mijn gezicht te laten verschijnen. 'Dank u, dat is erg lief,' zei ik vanuit de grond van mijn hart. Op de weg naar huis brak de zon even door de wolken. Het leven was zo slecht nog niet. De paukenspeler ramt er nog steeds op los, maar ik hoop dat ik hem met de twee paracetamolpillen die ik dadelijk ga eten het zwijgen op kan leggen. Het is tijd voor het echte werk, en daar kan ik geen paukenspelers of slagers zonder muzikaal talent bij gebruiken. Lammetjes, gemberthee, rijstewafels, rust en zacht licht. Dat heb ik nodig. Zachte kussens, hete kippensoep en een zalig lange rugmassage met patchouli-olie. Maar een compliment van een vreemde vrouw op leeftijd is een goed begin. Wie het kleine niet eert, zal het grote niet waarderen...
Eenmaal bij het winkelcentrum ergerde ik me aan alles. Ik geef het toe, aanhoudende hoofdpijn maakt mij onredelijk en ongeduldig en ik verdraag niets, zelfs geen zonlicht. Grote kinderwagens versperden me de weg, besluiteloze stellen bleven staan waar ik moest zijn, het TL-licht maakte mijn zicht of humeur er niet beter op en ik voelde me hoe langer hoe kregeliger worden. Een en ander werd nog versterkt door de troela bij de Douglas die het cadeautje voor mijn jarige huisgenote eerst af-re-ken-de en daarna i-i-n-n-p-p-p-p-a-a-a-k-k-t-t-t-e-e-e-e-e. Ook nu schoten allerlei gemene, vervelende gedachten door mijn hoofd, achter de pijnscheuten aan. Als ik zo traag zou inpakken, zou ik ontslagen worden. Gemene dingen passeerden de revue. Ik weet dat je hart bij dure make-up en bevergeil in een flesje ligt, maar zou je kunnen opschieten? Tempo, zus. Ik begrijp wel dat inpakken lastig is met zulke lange tengels, maar ik heb nog meer te doen. Je hoeft dat ding niet met net zoveel tierlantijnen te omhangen als jezelf. Ik zie je uitgroei en geloof me, die tong uit je mond laat je er niet charmanter uitzien. Schiet verdorie op, het is toch geen octaëder? Laat die sfeerimpressie met dat lint maar achterwege, het is zo al genoeg vernacheld, verfpalet. En dan krijg ik nog zo'n sloeberaal wit plastic tasje ook. Dan had je niet zoveel moeite hoeven doen. Jij ook een fijne dag, hoor. Dat je nog maar weinig klanten helpen mag.
Natuurlijk zei ik geen van deze dingen. Maar ik dacht ze des te harder. In de AH waren ook allemaal vervelende mensen en gillende en jankende kinderen en de speculoos was op. Met een humeur zwaar beneden peil nam ik plaats in de te lange rij en zuchtte nog maar eens. Ik wist heus dat het aan mij lag, maar het leek wel alsof kindergehuil nog nooit zo penetrant schel had geklonken en de handen van de caissière nog nooit zo traag hadden gewerkt. Hoe doen ouders dat toch? Voor me stond een meisje dat onophoudelijk 'mama! Mama! Mama! MAMA!'gilde en haar moeder luisterde niet, waardoor het kind nog harder begon te gillen. Ik wilde het wicht het liefst door elkaar schudden en haar vertellen dat ze haar grote tochtgat moest houden omdat ze niet de enige persoon in de winkel was. (Mocht ik ooit een kind krijgen dan zou ik er in de eerste plaats voor zorgen dat het zich betamelijk gedroeg. Aandacht vragen is één ding, gillen géén tweede.)
Maar wie ben ik? Een toevallige voorbijgangster met een gigantische migraineaanval. Dus ik hield mijn mond. Ik laadde mijn boodschappen op de band en de vrouw achter me ving mijn gepijnigde, geërgerde blik onbedoeld op. De paukenspeler op de achtergrond werd nu vergezeld door een vioolspelende slager die zijn snaren, gemaakt van hersendraden in mijn hoofd, leek te bewerken met een bot fileermes als strijkstok. Wat ik voelde leek op het geluid in die douchescene uit Psycho en dat dan een keer of zestig achter elkaar. Ik voelde me dan ook in staat tot het plegen van douchescenes. De vrouw kuchte en ik keek haar aan met een onderkoelde ja-wat-nu-dan-weer-blik. Als ze maar niet dacht sympathie van mij te krijgen over dat afgrijselijk schreeuwende kind. Luister, miss Daisy, vandaag niet, okee?
'Nou, ik vind in ieder geval dat je héél mooi haar hebt,' zei ze.
Ahum. Uhm, oh. Als mijn schaamrood niet druk bezig was mijn hart draaiende te houden, was het zeker naar mijn wangen gestegen. Op momenten als deze weet ik weer waarom beleefd zijn – inclusief niet het slechtste over mensen denken – zo cruciaal is. Het simpele compliment verlichtte mijn slechte gemoed een beetje en daar was ik dankbaar voor. Ik kreeg het voor elkaar om mijn verticaal splijtende schedel even te negeren en een horizontale splijting op mijn gezicht te laten verschijnen. 'Dank u, dat is erg lief,' zei ik vanuit de grond van mijn hart. Op de weg naar huis brak de zon even door de wolken. Het leven was zo slecht nog niet. De paukenspeler ramt er nog steeds op los, maar ik hoop dat ik hem met de twee paracetamolpillen die ik dadelijk ga eten het zwijgen op kan leggen. Het is tijd voor het echte werk, en daar kan ik geen paukenspelers of slagers zonder muzikaal talent bij gebruiken. Lammetjes, gemberthee, rijstewafels, rust en zacht licht. Dat heb ik nodig. Zachte kussens, hete kippensoep en een zalig lange rugmassage met patchouli-olie. Maar een compliment van een vreemde vrouw op leeftijd is een goed begin. Wie het kleine niet eert, zal het grote niet waarderen...
woensdag 11 mei 2011
Prijs
Ik heb hier al veel geschreven over liefde, lust en het vinden van de juiste man. Vandaag is geen uitzondering. Bij toeval kreeg ik de titel van een boek onder ogen. Het boek, geschreven door een sekstherapeut (en belangrijker: een man) draagt de naam Be honest: You're not that into him, either. Voor de kenner: dit is een niet te missen verwijzing naar het verfilmde boek He's just not that into you van Greg Behrendt en Liz Tucillo. Een groot deel van de lezers (ik zeg bewust niet 'lezeressen') is dolenthousiast en zweert bij dit tweede boek, een ander deel veroordeelt het als stigmatiserend en denigrerend, vooral omdat het vrouwen voorstelt als afhankelijke, imbeciele wezens zonder enige realiteitszin. Ik hoor bij dat deel dat de aanbevelingen met een flinke schep zout neemt, maar zich toch even achter de oren krabt.
Ik geef het toe, ook ik voel me ongemakkelijk en onzeker als een man niet op tijd belt of me laat bengelen. Mijn intuïtie vertelt me dat hij me niet leuk genoeg vindt, maar uit valse hoop negeer ik dit gevoel altijd. (Zal ik deze zin even vet afdrukken? We hebben hem later nog nodig.) Vervolgens belt hij a) toch, en dan ben ik zo opgelucht dat ik al mijn zorgen vergeet, b) niet, en daar kom ik dan ook wel overheen, al duurt het soms lang en beïnvloedt het mijn zelfvertrouwen of c) te laat, en dan hangt het van mijn hormonale gesteldheid af hoe ik daarop reageer.
Het is mijn hang naar aandacht, het verlangen naar liefde en seks en genegenheid die maakt dat ik bereid ben mijn principes te verraden en mijn intuïtie terzijde te schuiven. Als een junk in rehab houd ik mezelf voor dat ik het deze keer anders aanpak, dat ik nu 'Koele Vrouw' zal spelen (met dank aan Eric Berne) dat deze man 'vast anders is' en dat ik hem niet zal veroordelen op of hij al dan niet belt en het tijdstip, want dat is zo 2001...
Ik kan de overheid, Betty Friedan en Mattel hier de schuld van geven, maar dat zou in alle drie de gevallen onterecht zijn. Ja, een slimme meid is op haar toekomst voorbereid. Als je iets wil, moet je het pakken. Als je maar hard genoeg werkt, zul je het krijgen. Net als Barbie een Ken, een Parijse buldog, een roze cabrio en een baan heeft en tijd vindt om naar de kapper te gaan voor een kleurbeurt. Maar waar het bij mij vaak misgaat, is dat ik het vinden van een man op een bepaalde manier precies zo aanpak als het voltooien van mijn studie, terwijl dat averechts werkt. Het is niet de man die een project moet zijn, ik ben het project. Ik steek de moeite in mijzelf en leer van mijzelf te houden zonder daar een man voor nodig te moeten hebben. Barbie kan dan misschien niet staan zonder Ken om op te steunen, ik kan dat wel.
Volgens mijn grote vriendin Patti S. vallen mannen op vrouwen die hun eigen leven leiden en hoewel ik het pijnlijk vind om toe te moeten geven draait een stukje van mijn leven wel om de man die ik leuk vind, als ik hem echt leuk vind. De belofte van aandacht en mogelijke liefde reduceert mij tot een kirrende bakvis. Een giechelende, onzekere puber. Een, pom-pom-pom, afhankelijk hoopje vrouw. En vele vrouwen met mij. Vandaar dat Behrendt en Tucillo vijf keer per jaar op vakantie kunnen.
Maar ik ben me bewust van dit patroon. Ik ben niet achterlijk, en ik heb noch hun boek, noch een film nodig om me in te laten zien wat er aan de hand is. Ik zou meer aan tips hebben die me vertellen hoe ik die cirkel kan doorbreken. Hun boek, en ook dat van Patti S., propageert een passiviteit waarvan ik altijd heb geleerd dat het iets negatiefs is. Ik ben opgevoed met het idee dat passief zijn verkeerd en non-productief is. Ik ben er zelfs voor in therapie geweest.
Ik zal niet beweren dat ze me vertellen dat ik mijzelf moet verloochenen om een man te vinden. De regels zijn duidelijk: je hoeft jezelf niet te verloochenen, je moet alleen wel je eigen leven blijven leiden. Alle Amerikaanse trouwringgerichtheid daargelaten, zit er wel wat in, maar ik mis praktijktips.
Waarom denk ik nieuwe informatie te vinden in Be honest: you're not that into him either? Omdat de schrijver het heeft over standaarden. Ian Kerner spreekt over het niet verlagen van je standaarden uit wanhoop, maar rustig wachten tot de juiste man langskomt. Dat is een ander soort afwachten dan Patti, Greg en Liz voorstellen. En wat mij door mijn hoofd schoot was de grote waarheid in deze woorden. Ik wacht op mijn prins op het witte paard, maar als er een pukkelige dwergnar op een kreupele ezel langskomt die interesse toont, vind ik het eigenlijk ook al goed. Ik ben zo moe, bang, onzeker gemaakt en murwgeslagen door alle slechte ervaringen dat ik het criterium verliefd allang niet meer op één heb staan. Als hij maar lief is, aardig, leuk, niet al te afstotelijk en een beetje ambitieus. Vervolgens eindig ik met een man waarvan ik nog vóór het eerste contact al wist dat ik hem niet wilde. Ik maak mijzelf verliefd op hem en vergoelijk al zijn eigenschappen die me tegenstaan uit hoofde van oppervlakkigheid. (Het zogenaamde Quasimodo-syndroom.) Ik verlaag mijn standaarden, pas me aan, maak er het beste van en negeer het knagende gevoel, tot het me op een gegeven moment toch opbreekt. Of erger, hij dumpt mij. En dan voel ik me natuurlijk dubbel in mijn bek gescheten. (Pas d'excusez lets mots, dat nare gevoel is wel drie nog grotere grofheden waard.)
Heeft u de nuance nog nodig? Moet ik mij weer van mijn beste kant laten zien, zoals lieve meisjes doen? Goed. Als mijn prins op een ravenzwart paard komt, een elfde teen heeft, rancuneus is of een tikkeltje verwend, zal ik hem niet door laten rijden. Concessies doen is mij niet vreemd. Maar het punt is dat ik teveel, te vaak en te graag concessies doe op cruciale punten. Ik breng graag valse offers, in de hoop dat het me iets oplevert. Iets: waardering, liefde, geluk. Maar het levert me niets op en eigenlijk weet ik dat ook wel. Het levert me heel even iets op, maar niet genoeg en niet de juiste dingen. Het levert me vaker niets op: ongenoegen, tranen, meer wanhoop, onbegrip, zelfhaat en een hol, verscheurd gevoel, omdat ik niet trouw ben gebleven aan mijn idealen maar het gevoel heb, niet meer terug te kunnen. Als het om de liefde gaat, ben ik een luciferkathedraal.
Maar hoop doet leven, stelt de uitdrukking. Voor mij geldt dat zeker, want als ik me ergens geen voorstelling van kan maken, kan ik er niet in geloven – metaforisch gezien dan. Ik kom graag goed beslagen ten ijs – op welk ijs dan ook – en kan niet mét, maar ook niet zonder verwachtingen leven. En daarom zal ik deze persoonlijke noot afsluiten met woorden van hoop en verwachting.
Dus ja, ik hoop dat Ian Kerner me kan vertellen, wat ik moet doen. Ik hoop dat hij me kan vertellen, of mannen net zo onzeker zijn als ik soms ben, (want dat stelt me gerust) en wat ik moet doen als ik mijn zesde pak dubbellikkers heb doorgebeten en er een Bily Wirth, Gijs Staverman of Wentworth Miller voor me staat. (Jaaahaaa, Patti? Wat nu?) Ik hoop dat ik door zijn tekst het inzicht krijg wat ik nodig heb om niet toe te geven aan de gevolgen van een korte-termijn keus, die zo tegengesteld zijn aan de gevolgen voor de lange termijn. Ik hoop dat dit het laatste zelfhulpboek is dat ik hoef te lezen. Ik hoop dat hij me kan triggeren om voor mijzelf te kiezen, vóór ik voor een ander kies.
En als zijn tekst me niet genoeg helpt, bel ik Patti wel. Ik heb dat kwart miljoen dollar lidmaatschapsgeld niet, maar het schijnt dat vrouwen gratis in het bestand mogen. Zonder garantie op een date, maar ach. Als er maar één man met me wil daten die daar ingeschreven staat, weet ik tenminste zeker dat zijn bedoelingen oprecht zijn. Money can't buy love, but it can guarantee sincerity.
Ik geef het toe, ook ik voel me ongemakkelijk en onzeker als een man niet op tijd belt of me laat bengelen. Mijn intuïtie vertelt me dat hij me niet leuk genoeg vindt, maar uit valse hoop negeer ik dit gevoel altijd. (Zal ik deze zin even vet afdrukken? We hebben hem later nog nodig.) Vervolgens belt hij a) toch, en dan ben ik zo opgelucht dat ik al mijn zorgen vergeet, b) niet, en daar kom ik dan ook wel overheen, al duurt het soms lang en beïnvloedt het mijn zelfvertrouwen of c) te laat, en dan hangt het van mijn hormonale gesteldheid af hoe ik daarop reageer.
Het is mijn hang naar aandacht, het verlangen naar liefde en seks en genegenheid die maakt dat ik bereid ben mijn principes te verraden en mijn intuïtie terzijde te schuiven. Als een junk in rehab houd ik mezelf voor dat ik het deze keer anders aanpak, dat ik nu 'Koele Vrouw' zal spelen (met dank aan Eric Berne) dat deze man 'vast anders is' en dat ik hem niet zal veroordelen op of hij al dan niet belt en het tijdstip, want dat is zo 2001...
Ik kan de overheid, Betty Friedan en Mattel hier de schuld van geven, maar dat zou in alle drie de gevallen onterecht zijn. Ja, een slimme meid is op haar toekomst voorbereid. Als je iets wil, moet je het pakken. Als je maar hard genoeg werkt, zul je het krijgen. Net als Barbie een Ken, een Parijse buldog, een roze cabrio en een baan heeft en tijd vindt om naar de kapper te gaan voor een kleurbeurt. Maar waar het bij mij vaak misgaat, is dat ik het vinden van een man op een bepaalde manier precies zo aanpak als het voltooien van mijn studie, terwijl dat averechts werkt. Het is niet de man die een project moet zijn, ik ben het project. Ik steek de moeite in mijzelf en leer van mijzelf te houden zonder daar een man voor nodig te moeten hebben. Barbie kan dan misschien niet staan zonder Ken om op te steunen, ik kan dat wel.
Volgens mijn grote vriendin Patti S. vallen mannen op vrouwen die hun eigen leven leiden en hoewel ik het pijnlijk vind om toe te moeten geven draait een stukje van mijn leven wel om de man die ik leuk vind, als ik hem echt leuk vind. De belofte van aandacht en mogelijke liefde reduceert mij tot een kirrende bakvis. Een giechelende, onzekere puber. Een, pom-pom-pom, afhankelijk hoopje vrouw. En vele vrouwen met mij. Vandaar dat Behrendt en Tucillo vijf keer per jaar op vakantie kunnen.
Maar ik ben me bewust van dit patroon. Ik ben niet achterlijk, en ik heb noch hun boek, noch een film nodig om me in te laten zien wat er aan de hand is. Ik zou meer aan tips hebben die me vertellen hoe ik die cirkel kan doorbreken. Hun boek, en ook dat van Patti S., propageert een passiviteit waarvan ik altijd heb geleerd dat het iets negatiefs is. Ik ben opgevoed met het idee dat passief zijn verkeerd en non-productief is. Ik ben er zelfs voor in therapie geweest.
Ik zal niet beweren dat ze me vertellen dat ik mijzelf moet verloochenen om een man te vinden. De regels zijn duidelijk: je hoeft jezelf niet te verloochenen, je moet alleen wel je eigen leven blijven leiden. Alle Amerikaanse trouwringgerichtheid daargelaten, zit er wel wat in, maar ik mis praktijktips.
Waarom denk ik nieuwe informatie te vinden in Be honest: you're not that into him either? Omdat de schrijver het heeft over standaarden. Ian Kerner spreekt over het niet verlagen van je standaarden uit wanhoop, maar rustig wachten tot de juiste man langskomt. Dat is een ander soort afwachten dan Patti, Greg en Liz voorstellen. En wat mij door mijn hoofd schoot was de grote waarheid in deze woorden. Ik wacht op mijn prins op het witte paard, maar als er een pukkelige dwergnar op een kreupele ezel langskomt die interesse toont, vind ik het eigenlijk ook al goed. Ik ben zo moe, bang, onzeker gemaakt en murwgeslagen door alle slechte ervaringen dat ik het criterium verliefd allang niet meer op één heb staan. Als hij maar lief is, aardig, leuk, niet al te afstotelijk en een beetje ambitieus. Vervolgens eindig ik met een man waarvan ik nog vóór het eerste contact al wist dat ik hem niet wilde. Ik maak mijzelf verliefd op hem en vergoelijk al zijn eigenschappen die me tegenstaan uit hoofde van oppervlakkigheid. (Het zogenaamde Quasimodo-syndroom.) Ik verlaag mijn standaarden, pas me aan, maak er het beste van en negeer het knagende gevoel, tot het me op een gegeven moment toch opbreekt. Of erger, hij dumpt mij. En dan voel ik me natuurlijk dubbel in mijn bek gescheten. (Pas d'excusez lets mots, dat nare gevoel is wel drie nog grotere grofheden waard.)
Heeft u de nuance nog nodig? Moet ik mij weer van mijn beste kant laten zien, zoals lieve meisjes doen? Goed. Als mijn prins op een ravenzwart paard komt, een elfde teen heeft, rancuneus is of een tikkeltje verwend, zal ik hem niet door laten rijden. Concessies doen is mij niet vreemd. Maar het punt is dat ik teveel, te vaak en te graag concessies doe op cruciale punten. Ik breng graag valse offers, in de hoop dat het me iets oplevert. Iets: waardering, liefde, geluk. Maar het levert me niets op en eigenlijk weet ik dat ook wel. Het levert me heel even iets op, maar niet genoeg en niet de juiste dingen. Het levert me vaker niets op: ongenoegen, tranen, meer wanhoop, onbegrip, zelfhaat en een hol, verscheurd gevoel, omdat ik niet trouw ben gebleven aan mijn idealen maar het gevoel heb, niet meer terug te kunnen. Als het om de liefde gaat, ben ik een luciferkathedraal.
Maar hoop doet leven, stelt de uitdrukking. Voor mij geldt dat zeker, want als ik me ergens geen voorstelling van kan maken, kan ik er niet in geloven – metaforisch gezien dan. Ik kom graag goed beslagen ten ijs – op welk ijs dan ook – en kan niet mét, maar ook niet zonder verwachtingen leven. En daarom zal ik deze persoonlijke noot afsluiten met woorden van hoop en verwachting.
Dus ja, ik hoop dat Ian Kerner me kan vertellen, wat ik moet doen. Ik hoop dat hij me kan vertellen, of mannen net zo onzeker zijn als ik soms ben, (want dat stelt me gerust) en wat ik moet doen als ik mijn zesde pak dubbellikkers heb doorgebeten en er een Bily Wirth, Gijs Staverman of Wentworth Miller voor me staat. (Jaaahaaa, Patti? Wat nu?) Ik hoop dat ik door zijn tekst het inzicht krijg wat ik nodig heb om niet toe te geven aan de gevolgen van een korte-termijn keus, die zo tegengesteld zijn aan de gevolgen voor de lange termijn. Ik hoop dat dit het laatste zelfhulpboek is dat ik hoef te lezen. Ik hoop dat hij me kan triggeren om voor mijzelf te kiezen, vóór ik voor een ander kies.
En als zijn tekst me niet genoeg helpt, bel ik Patti wel. Ik heb dat kwart miljoen dollar lidmaatschapsgeld niet, maar het schijnt dat vrouwen gratis in het bestand mogen. Zonder garantie op een date, maar ach. Als er maar één man met me wil daten die daar ingeschreven staat, weet ik tenminste zeker dat zijn bedoelingen oprecht zijn. Money can't buy love, but it can guarantee sincerity.
maandag 9 mei 2011
Hemd (2)
Lieve lezer, ik zal dit verhaal beginnen met een suggestieve kop, ver weg van al het fietsenmakersleed, buschaffeurssores of slecht verlopen dates:
Iedereen die mij kent, weet dat ik een zwak heb voor kleine jongetjes.
(Zo, dat is eruit! U zult begrijpen dat ik dit met opzet zo suggestief opteken – zodat u benieuwd wordt naar de nuancering en de motivatie erachter. Luistert en huivert, lezer, en trek uw smurfblauwe of karmijnrode Snuggie nog wat strakker om uw schouders. Hier komt het.)
Ik zal het niet ontkennen, lezer, ieder schattig joch van onder de zeven maakt iets in mij los. Is het pre-existentieel moederinstinct? Gemis van een klein rouwdouwertje om mee te stoeien? Ik weet het niet. Maar zodra mijn oog valt op het nog kinderlijk ronde hoofd van een mannelijke kleuter, kun je me opvegen. Kleine 'Clarks' maat 26, een spencer en overhemdje maat 112, een workerbroek met binnenbeenlengte 30: het doet wat met me. Hoe kleiner, hoe beter, maar iets grotere kereltjes vind ik nog steeds heel charmant. Helemaal omdat het dan al zichtbaar is wat voor hartenbrekers het later gaan worden. Vooral als ze dik, donker haar hebben, of krullen. (Blondjes zijn ook leuk, maar die hebben vaak niet zulk dik haar.) Met hun nog kinderlijke stemmen en donsloze wangen zijn het al echte kleine mannetjes – ik denk het dat tussenstadium is wat me aantrekt.
Voor gekleurde jongetjes is mijn zwak nog veel groter. Zo kwam ik in de supermarkt een moeder en haar zoontje tegen. Het kind, aan de wagen gegespt, was lichtbruin en had kleine krulletjes. Hij kraaide en lachte vol plezier naar me en hoewel ik kinderen van vreemden meestal niet aanraak, zwaaide ik even terug. Dit was voor de trotse moeder het teken om de wagen zo te draaien dat ik niet verder kon en toen moest ik wel even naar hem kijken. Zijn ogen waren glanzend donkergrijs met een glimp van groen en hazelnootbruin en hij lachte de paar tanden die hij had schaterend bloot, terwijl hij zijn handjes naar me uitstak. Ja, ik had hem mee naar huis genomen als het kon. Direct. Om u een idee te geven, lezer, van hoe snel zoiets gaan kan.
De hoofdpersoon in mijn verhaal is ook bruin, en ik schat hem een jaar of tien. Ik kwam hem tegen in een outlet van de Hunkemoller. Hij was daar samen met twee vriendjes en een bruine vrouw van een jaar of vijfendertig. De vrouw kon zijn moeder zijn, maar het kon ook best van niet. Onze blikken kruisten elkaar in het gangpad met risky hoisery en we namen elkaar op met de wederzijdse belangstelling van krullenhouders en jongetjes-die-net-zo-gevoelig-zijn-voor-knappe-oudere-meisjes-als-andersom.
Hij maakte met zijn vriendjes grapjes over al het pikante ondergoed wat er hing: doorzichtige jarretelles, balconetbeha's, kousenbanden, G-strings, hipsters met i'm your cookie erop en doorzichtige ik-heb-wat-goed-te-maken-slipjes die het cruciale lichaamsdeel met strategisch geplaatste polkadots aan het oog onttrekken. Ik kon hem geen ongelijk geven. Maar het grappigst was nog wel de sectie met corrigerend ondergoed: immense slips en waspies die nip, suck en tuck beloven aan de ijdele vrouw met het verkeerde lichaam voor de juiste jurk. Frappant is dat je je ijdelheid juist moet laten varen om zoiets aan te trekken: sexy of doorzichtig zijn die dingen namelijk nooit. Geen polkadots, pakkende teksten (pun intended) balkonuitzicht of uitzicht waar dan ook op bij zo'n slip. No sir. Dan hadden vrouwen het in voorgaande eeuwen toch beter getroffen: korsetten zijn namelijk wel sexy, en onverdeeld corrigerend.
De vrouw neust wat tussen de degelijke slips en haar drie metgezellen pluizen de winkel uit. Het joch is verdacht vaak in het gangpad waar ik ben. Ik zal mijn ego niet strelen door te beweren dat hij me volgt, maar ik zie dat hij wel kijkt naar wat ik uit het rek trek. Dat is niet zo mooi, want naast de hold-ups en de twee spannende setjes die ik mijn handen heb (je moet het ijzer smeden als het heet is) moet ik eigenlijk ook langs het correctieschap. Volgende week heb ik een bruiloft en als ik op het feest zeker wil zijn van een onberispelijk voorkomen kan ik de nodige temporarily nip, suck en tuck wel gebruiken. Ja, ik heb een jurk die bij mijn lichaam past, en het zou prettig zijn als ik nog iets kon eten op de avond zonder dat die hors d'oeuvre direct zichtbaar is in mijn buikwand. In tijden van fotografie van voor na twintig jaar is alles geoorloofd. En hoewel ik dit joch niet ken, en hem zeker niets verplicht ben, wil ik de indruk die ik op hem gemaakt heb niet verpesten met zo'n onzalig besluit als een thigh minimizer net voor zijn neus. Je kunt beweren wat je wil maar het blijft een man. Al is het dan een kleine.
Kan het me werkelijk schelen wat een knap achtjarig jongetje van me denkt? Nee. Ja. Nee. Hij is slechts de catalisator van het heimelijke gevoel dat ik iets heel fouts en gênants doe. Dat komt door het oma-achtige stigma dat aan correctieondergoed hangt. En daar heeft de Hunkemoller dan wel weer een (verkoop)punt. Omdat dat specifieke model slip (non-correctie) vooral in trek is bij vrouwen boven de zeventig (die dit hooggeheupte model gewend zijn vanuit de jaren vijftig) en zij niet aan de hipster willen, laat staan de string, is de connectie 'omaslip' snel gemaakt.
Maar ik heb nog nooit een oma een correctieslip zien kopen. Pantybroekjes, dat wel. Onderrokken, dat ook. Maar verder dan een licht vormende bustier of een borstminimalizeerder gaat het niet. Correctieondergoed draait immers om seksualiteit en dat wordt oma's met het klimmen der jaren ontnomen. Oma's (met of zonder kleinkinderen) zijn de enige vrouwen die zich, vanuit cosmetisch oogpunt tenminste, kunnen laten gaan. Eigenlijk wordt het zelfs van ze verwacht.
Dan is er nog het oma-achtige aan de slip, gedragswijs. Slome, dikke, cellulitelijdsters die niet kunnen plannen en nog lui zijn bovendien. Dat is de associatie die men, ik, men, heeft bij het woord 'correctieondergoed.' Daarom moet je je ook schamen om het te kopen. Want door je eraan te conformeren, geef je toe dat je het nodig hebt. En dat wil natuurlijk niemand.
Ik haal maar eens diep adem. Stigma of niet, ik wil mijn perky bottom en flat tummy accentueren met een slip. Beide zijn verkregen door vele uren in de sportschool. Ik ben allesbehalve lui en sloom. Ik wil me alleen verzekeren van een flawless appearance. En een ontspannen avond zonder zorgen over de hoek van waaruit ik gefotografeerd word of de alcohol die mijn zelfbewustzijn en mijn buikspieren doet verslappen.
Vlug schuif ik langs het joch richting de kassa, terwijl ik de onooglijke slip aan zijn zicht onttrek met een semi-doorzichtige body. Hij weet waarschijnlijk niet eens in welk gat je benen moeten, maar zijn aandacht is afgeleid en dat was de bedoeling. Ik zucht opgelucht. Operatie NipSuckTuck is voorlopig geslaagd. Operatie Blijf Vrouwelijk voor de Prepuber ook.
Het jongetje is, geheel naar verwachting, alweer bezig met de siliconen kipfiletjes die ze daar ook verkopen. Jong als hij is, heeft hij helemaal geen weet van de verleidings – en oplossingsstrategieën die het vrouwelijk ondergoedscala rijk is. En terecht. Mannen hoeven niet alles te weten van hoe vrouwen aan hun uiterlijk komen. Het is beter als dat soort vrouwelijke rituelen mysterieus blijven. Zodat naast het vrouwenlichaam ook het liefdesleven gladjes en zonder kuiltjes of hobbels verloopt. Omwille van de lust. Wat een beetje nip, suck en tuck al niet kan doen....
Iedereen die mij kent, weet dat ik een zwak heb voor kleine jongetjes.
(Zo, dat is eruit! U zult begrijpen dat ik dit met opzet zo suggestief opteken – zodat u benieuwd wordt naar de nuancering en de motivatie erachter. Luistert en huivert, lezer, en trek uw smurfblauwe of karmijnrode Snuggie nog wat strakker om uw schouders. Hier komt het.)
Ik zal het niet ontkennen, lezer, ieder schattig joch van onder de zeven maakt iets in mij los. Is het pre-existentieel moederinstinct? Gemis van een klein rouwdouwertje om mee te stoeien? Ik weet het niet. Maar zodra mijn oog valt op het nog kinderlijk ronde hoofd van een mannelijke kleuter, kun je me opvegen. Kleine 'Clarks' maat 26, een spencer en overhemdje maat 112, een workerbroek met binnenbeenlengte 30: het doet wat met me. Hoe kleiner, hoe beter, maar iets grotere kereltjes vind ik nog steeds heel charmant. Helemaal omdat het dan al zichtbaar is wat voor hartenbrekers het later gaan worden. Vooral als ze dik, donker haar hebben, of krullen. (Blondjes zijn ook leuk, maar die hebben vaak niet zulk dik haar.) Met hun nog kinderlijke stemmen en donsloze wangen zijn het al echte kleine mannetjes – ik denk het dat tussenstadium is wat me aantrekt.
Voor gekleurde jongetjes is mijn zwak nog veel groter. Zo kwam ik in de supermarkt een moeder en haar zoontje tegen. Het kind, aan de wagen gegespt, was lichtbruin en had kleine krulletjes. Hij kraaide en lachte vol plezier naar me en hoewel ik kinderen van vreemden meestal niet aanraak, zwaaide ik even terug. Dit was voor de trotse moeder het teken om de wagen zo te draaien dat ik niet verder kon en toen moest ik wel even naar hem kijken. Zijn ogen waren glanzend donkergrijs met een glimp van groen en hazelnootbruin en hij lachte de paar tanden die hij had schaterend bloot, terwijl hij zijn handjes naar me uitstak. Ja, ik had hem mee naar huis genomen als het kon. Direct. Om u een idee te geven, lezer, van hoe snel zoiets gaan kan.
De hoofdpersoon in mijn verhaal is ook bruin, en ik schat hem een jaar of tien. Ik kwam hem tegen in een outlet van de Hunkemoller. Hij was daar samen met twee vriendjes en een bruine vrouw van een jaar of vijfendertig. De vrouw kon zijn moeder zijn, maar het kon ook best van niet. Onze blikken kruisten elkaar in het gangpad met risky hoisery en we namen elkaar op met de wederzijdse belangstelling van krullenhouders en jongetjes-die-net-zo-gevoelig-zijn-voor-knappe-oudere-meisjes-als-andersom.
Hij maakte met zijn vriendjes grapjes over al het pikante ondergoed wat er hing: doorzichtige jarretelles, balconetbeha's, kousenbanden, G-strings, hipsters met i'm your cookie erop en doorzichtige ik-heb-wat-goed-te-maken-slipjes die het cruciale lichaamsdeel met strategisch geplaatste polkadots aan het oog onttrekken. Ik kon hem geen ongelijk geven. Maar het grappigst was nog wel de sectie met corrigerend ondergoed: immense slips en waspies die nip, suck en tuck beloven aan de ijdele vrouw met het verkeerde lichaam voor de juiste jurk. Frappant is dat je je ijdelheid juist moet laten varen om zoiets aan te trekken: sexy of doorzichtig zijn die dingen namelijk nooit. Geen polkadots, pakkende teksten (pun intended) balkonuitzicht of uitzicht waar dan ook op bij zo'n slip. No sir. Dan hadden vrouwen het in voorgaande eeuwen toch beter getroffen: korsetten zijn namelijk wel sexy, en onverdeeld corrigerend.
De vrouw neust wat tussen de degelijke slips en haar drie metgezellen pluizen de winkel uit. Het joch is verdacht vaak in het gangpad waar ik ben. Ik zal mijn ego niet strelen door te beweren dat hij me volgt, maar ik zie dat hij wel kijkt naar wat ik uit het rek trek. Dat is niet zo mooi, want naast de hold-ups en de twee spannende setjes die ik mijn handen heb (je moet het ijzer smeden als het heet is) moet ik eigenlijk ook langs het correctieschap. Volgende week heb ik een bruiloft en als ik op het feest zeker wil zijn van een onberispelijk voorkomen kan ik de nodige temporarily nip, suck en tuck wel gebruiken. Ja, ik heb een jurk die bij mijn lichaam past, en het zou prettig zijn als ik nog iets kon eten op de avond zonder dat die hors d'oeuvre direct zichtbaar is in mijn buikwand. In tijden van fotografie van voor na twintig jaar is alles geoorloofd. En hoewel ik dit joch niet ken, en hem zeker niets verplicht ben, wil ik de indruk die ik op hem gemaakt heb niet verpesten met zo'n onzalig besluit als een thigh minimizer net voor zijn neus. Je kunt beweren wat je wil maar het blijft een man. Al is het dan een kleine.
Kan het me werkelijk schelen wat een knap achtjarig jongetje van me denkt? Nee. Ja. Nee. Hij is slechts de catalisator van het heimelijke gevoel dat ik iets heel fouts en gênants doe. Dat komt door het oma-achtige stigma dat aan correctieondergoed hangt. En daar heeft de Hunkemoller dan wel weer een (verkoop)punt. Omdat dat specifieke model slip (non-correctie) vooral in trek is bij vrouwen boven de zeventig (die dit hooggeheupte model gewend zijn vanuit de jaren vijftig) en zij niet aan de hipster willen, laat staan de string, is de connectie 'omaslip' snel gemaakt.
Maar ik heb nog nooit een oma een correctieslip zien kopen. Pantybroekjes, dat wel. Onderrokken, dat ook. Maar verder dan een licht vormende bustier of een borstminimalizeerder gaat het niet. Correctieondergoed draait immers om seksualiteit en dat wordt oma's met het klimmen der jaren ontnomen. Oma's (met of zonder kleinkinderen) zijn de enige vrouwen die zich, vanuit cosmetisch oogpunt tenminste, kunnen laten gaan. Eigenlijk wordt het zelfs van ze verwacht.
Dan is er nog het oma-achtige aan de slip, gedragswijs. Slome, dikke, cellulitelijdsters die niet kunnen plannen en nog lui zijn bovendien. Dat is de associatie die men, ik, men, heeft bij het woord 'correctieondergoed.' Daarom moet je je ook schamen om het te kopen. Want door je eraan te conformeren, geef je toe dat je het nodig hebt. En dat wil natuurlijk niemand.
Ik haal maar eens diep adem. Stigma of niet, ik wil mijn perky bottom en flat tummy accentueren met een slip. Beide zijn verkregen door vele uren in de sportschool. Ik ben allesbehalve lui en sloom. Ik wil me alleen verzekeren van een flawless appearance. En een ontspannen avond zonder zorgen over de hoek van waaruit ik gefotografeerd word of de alcohol die mijn zelfbewustzijn en mijn buikspieren doet verslappen.
Vlug schuif ik langs het joch richting de kassa, terwijl ik de onooglijke slip aan zijn zicht onttrek met een semi-doorzichtige body. Hij weet waarschijnlijk niet eens in welk gat je benen moeten, maar zijn aandacht is afgeleid en dat was de bedoeling. Ik zucht opgelucht. Operatie NipSuckTuck is voorlopig geslaagd. Operatie Blijf Vrouwelijk voor de Prepuber ook.
Het jongetje is, geheel naar verwachting, alweer bezig met de siliconen kipfiletjes die ze daar ook verkopen. Jong als hij is, heeft hij helemaal geen weet van de verleidings – en oplossingsstrategieën die het vrouwelijk ondergoedscala rijk is. En terecht. Mannen hoeven niet alles te weten van hoe vrouwen aan hun uiterlijk komen. Het is beter als dat soort vrouwelijke rituelen mysterieus blijven. Zodat naast het vrouwenlichaam ook het liefdesleven gladjes en zonder kuiltjes of hobbels verloopt. Omwille van de lust. Wat een beetje nip, suck en tuck al niet kan doen....
zondag 1 mei 2011
Gesmeerd
Na een paar jaar trouwe dienst begaf mijn fiets het plotseling. Ik was op weg naar huis na het boodschappen doen en wilde net damesachtig mijn stalen ros bestijgen, toen ik merkte dat de trappers niet meer wilden draaien. Dus toog ik met tegenzin naar de fietsenmaker.
Die tegenzin, lieve lezer, was door de fietsenmaker in kwestie zelf veroorzaakt. Net vóór mijn fietsval in november (Scheur) had ik mijn fiets bij deze charlatan afgegeven voor een onderhoudsbeurt. Dat grapje kostte mij de lieve som van vijfenveertig euro. Ik zal het ook voor u in het Arabisch weergeven: €45. Bij aanvang van de onderhoudsbeurt gaf ik de mankementen aan mijn fiets aan – de rem stond niet meer strak, de stand van het stuur gaf mij langzaamaan scoliose, het zadel wiebelde op en neer, wat niet altijd even comfortabel reed (oe! ah! hmp!) en mijn kettingkast raggelde – een onomatopee van het zuiverste water. Hoog tijd voor een check-up.
Na een dag of twee (het had één dag kunnen zijn als ik tussen negen en tien uur 's ochtends gekomen was, maar helaas, het was nu elf uur, dus dat ging zeker een dag extra kosten) ging ik mijn fiets ophalen. De totale rekening bedroeg echter niet vijfenveertig, maar zevenveertig-en-een-halve euro. Die twee euro vijftig waren apart in rekening gebracht voor, let wel, smeerolie. Hij moet bijkans de hele fles hebben leeggespoten om aan een bedrag van €2,50 te komen en dat bovenop een reguliere onderhoudsbeurt. Ik vroeg me dan ook af, wat hij dan wél had verzet voor die vijfenveertig euro. Toen ik ernaar vroeg ('zeg meneer, wat hebben jullie eigenlijk gedáán aan mijn fiets?') mompelde hij iets waar ik maar niet verder op inging. Als ik het beter had gekund, had ik het zelf moeten doen en ik was van tevoren akkoord gegaan met de prijs.
(Al had ik het dan beter gevonden als hij de prijs naar boven had afgerond (zeg, vijftig euro) en ik de oliedruppels niet per milliliter in rekening gebracht had hoeven zien. Heikneuter.)
Maar niets fietst nou eenmaal lekkerder dan een goed afgestelde fiets. En vergeleken bij de kosten van het gebit dat ik naar de knoppen zou helpen als ik over de kop zou vliegen waren die vijftig euro peanuts. Ik besloot er niet meer aan te denken en me te verheugen op een soepele rit naar huis. Al was de raggel gebleven, hij leek zachter, en mijn stuur stond recht. Het herfstzonnetje scheen lekker in mijn gezicht en bats! Daar gleed het zadel langs mijn kruis met de punt omhoog. Wie zegt dat je niet aangerand kunt worden door een fiets?
Op hoge poten – en niet alleen van boosheid – liep ik terug naar de fietsenmaker. Ik legde hem uit dat ik zojuist mijn fiets had opgehaald, vers van de fietsenoplegger af, en dat het mankement waarvoor ik hem in eerste instantie gebracht had, er nog steeds was. Potverdorie.
Een collega van de fietsenmaker die mij had geholpen, keek mij grijnzend aan. Ik had een nieuwe zadelkroon nodig (houd me ten goede) van drie euro vijftig. Voor u arabierenlezers: €3,50. Nominaal een klein bedrag natuurlijk. Voor mijn bezwaar hiertegen kan ik u naar zo'n twee alinea's hierboven verwijzen.
Ook dit bedrag betaalde ik zuchtend en onder protest. En besloot om nooit meer terug te keren naar deze muggenzifterige spijkers-op-laag-water-zoeker. Een kleine week later was ook de raggel keihard terug. Het was de fietsenmaker blijkbaar niet gelukt 'm te verdrinken in derailleurolie. Opportunistische woekeraar...
Nu was mijn fiets weer kapot en hoewel ik voor een schmutzig klusje mijn hand niet omdraai, zou het de eerste keer worden dat ik een ketting verving. En het vooruitzicht van zwarte nagels en smeerolie in mijn haar sprak me nou niet bijzonder aan. Als ik voor een schappelijk prijsje ook direct m'n gescheurde kettingkast kon laten vervangen, zou dat helemaal mooi zijn. En met een beetje mazzel had ik mijn fiets dan binnen een dag of twee weer terug.
De fietsenmaker deed eerst alsof hij me niet zag, en toen ik hem uitlegde wat er aan de hand was, verklaarde hij zonder te kijken dat hij 'dacht dat ik wasschijnlek een nieuwe kettink moestebbe' en dat dat me 'oggeveer zo rond de dettig euro zou gaan kosten'. Maar dan zou ik wel de dag erop de fiets even langs moeten brengen, tussen, jawel, negen en tien uur 's ochtends, want hij 'kwam óm in het werrek' en had het 'vreselijk druk, er was heul veel aanbod!'
Goed, vader. Dan toch niet. Met je smeernagels. Waarschijnlijk had hij mijn gescheurde kettingkast gezien en gewoon niet zoveel trek in mijn op het eerste gezicht niet zo vreselijk rendabele klus. Blijkbaar vond hij mijn geld niet goed genoeg, of kon hij zich, dankzij zijn grote, grote werkaanbod, veroorloven om me af te wijzen. Maar ik wilde in eerste instantie toch al niet naar hem toe, dus ik maakte rechtsomkeert naar de Halfords en sloeg daar de benodigde spullen in. Bas.Ta.
Eenmaal thuis bleek dat ik er toch niet zelf uitkwam en dat ondanks instructievideo´s op youtube. (wát losdraaien? wélk pinnetje?) Na een halfuur wrikken en trekken kreeg ik een ingeving: ergens moest er nog een folder zwerven die ik bewust niet had weggegooid maar wel te goed had opgeborgen. Het grote zoeken kon beginnen en na een belletje kon ik met mijn fiets terecht bij een buurman op loopafstand met een hobby en een fietsfixset. Hij verving zonder morren mijn ketting en kettingkast. Direct - dus niet tussen 9.00 en 10.00 uur 's ochtends. Nee. Nu. Voor een prikkie. Zonder gezeik. En bij het afrekenen wilde hij mijn opgeluchte fooi niet eens aannemen.
Hoe simpel kan het zijn? Voortaan bel ik 1bike2fix als er iets aan de hand is op het fietsig vlak. Met de Raconteurs uit de twee witte dopjes is mijn oren vervolg ik mijn weg naar waar ik dan ook heen wil. Een fiets betekent vlotte vrijheid waarvan je je past bewust wordt als je het niet meer hebt. En omdat ik zo blij ben, zal ik Jack White quoten:
Why don't you turn it around, it might be easier to please me.
Die tegenzin, lieve lezer, was door de fietsenmaker in kwestie zelf veroorzaakt. Net vóór mijn fietsval in november (Scheur) had ik mijn fiets bij deze charlatan afgegeven voor een onderhoudsbeurt. Dat grapje kostte mij de lieve som van vijfenveertig euro. Ik zal het ook voor u in het Arabisch weergeven: €45. Bij aanvang van de onderhoudsbeurt gaf ik de mankementen aan mijn fiets aan – de rem stond niet meer strak, de stand van het stuur gaf mij langzaamaan scoliose, het zadel wiebelde op en neer, wat niet altijd even comfortabel reed (oe! ah! hmp!) en mijn kettingkast raggelde – een onomatopee van het zuiverste water. Hoog tijd voor een check-up.
Na een dag of twee (het had één dag kunnen zijn als ik tussen negen en tien uur 's ochtends gekomen was, maar helaas, het was nu elf uur, dus dat ging zeker een dag extra kosten) ging ik mijn fiets ophalen. De totale rekening bedroeg echter niet vijfenveertig, maar zevenveertig-en-een-halve euro. Die twee euro vijftig waren apart in rekening gebracht voor, let wel, smeerolie. Hij moet bijkans de hele fles hebben leeggespoten om aan een bedrag van €2,50 te komen en dat bovenop een reguliere onderhoudsbeurt. Ik vroeg me dan ook af, wat hij dan wél had verzet voor die vijfenveertig euro. Toen ik ernaar vroeg ('zeg meneer, wat hebben jullie eigenlijk gedáán aan mijn fiets?') mompelde hij iets waar ik maar niet verder op inging. Als ik het beter had gekund, had ik het zelf moeten doen en ik was van tevoren akkoord gegaan met de prijs.
(Al had ik het dan beter gevonden als hij de prijs naar boven had afgerond (zeg, vijftig euro) en ik de oliedruppels niet per milliliter in rekening gebracht had hoeven zien. Heikneuter.)
Maar niets fietst nou eenmaal lekkerder dan een goed afgestelde fiets. En vergeleken bij de kosten van het gebit dat ik naar de knoppen zou helpen als ik over de kop zou vliegen waren die vijftig euro peanuts. Ik besloot er niet meer aan te denken en me te verheugen op een soepele rit naar huis. Al was de raggel gebleven, hij leek zachter, en mijn stuur stond recht. Het herfstzonnetje scheen lekker in mijn gezicht en bats! Daar gleed het zadel langs mijn kruis met de punt omhoog. Wie zegt dat je niet aangerand kunt worden door een fiets?
Op hoge poten – en niet alleen van boosheid – liep ik terug naar de fietsenmaker. Ik legde hem uit dat ik zojuist mijn fiets had opgehaald, vers van de fietsenoplegger af, en dat het mankement waarvoor ik hem in eerste instantie gebracht had, er nog steeds was. Potverdorie.
Een collega van de fietsenmaker die mij had geholpen, keek mij grijnzend aan. Ik had een nieuwe zadelkroon nodig (houd me ten goede) van drie euro vijftig. Voor u arabierenlezers: €3,50. Nominaal een klein bedrag natuurlijk. Voor mijn bezwaar hiertegen kan ik u naar zo'n twee alinea's hierboven verwijzen.
Ook dit bedrag betaalde ik zuchtend en onder protest. En besloot om nooit meer terug te keren naar deze muggenzifterige spijkers-op-laag-water-zoeker. Een kleine week later was ook de raggel keihard terug. Het was de fietsenmaker blijkbaar niet gelukt 'm te verdrinken in derailleurolie. Opportunistische woekeraar...
Nu was mijn fiets weer kapot en hoewel ik voor een schmutzig klusje mijn hand niet omdraai, zou het de eerste keer worden dat ik een ketting verving. En het vooruitzicht van zwarte nagels en smeerolie in mijn haar sprak me nou niet bijzonder aan. Als ik voor een schappelijk prijsje ook direct m'n gescheurde kettingkast kon laten vervangen, zou dat helemaal mooi zijn. En met een beetje mazzel had ik mijn fiets dan binnen een dag of twee weer terug.
De fietsenmaker deed eerst alsof hij me niet zag, en toen ik hem uitlegde wat er aan de hand was, verklaarde hij zonder te kijken dat hij 'dacht dat ik wasschijnlek een nieuwe kettink moestebbe' en dat dat me 'oggeveer zo rond de dettig euro zou gaan kosten'. Maar dan zou ik wel de dag erop de fiets even langs moeten brengen, tussen, jawel, negen en tien uur 's ochtends, want hij 'kwam óm in het werrek' en had het 'vreselijk druk, er was heul veel aanbod!'
Goed, vader. Dan toch niet. Met je smeernagels. Waarschijnlijk had hij mijn gescheurde kettingkast gezien en gewoon niet zoveel trek in mijn op het eerste gezicht niet zo vreselijk rendabele klus. Blijkbaar vond hij mijn geld niet goed genoeg, of kon hij zich, dankzij zijn grote, grote werkaanbod, veroorloven om me af te wijzen. Maar ik wilde in eerste instantie toch al niet naar hem toe, dus ik maakte rechtsomkeert naar de Halfords en sloeg daar de benodigde spullen in. Bas.Ta.
Eenmaal thuis bleek dat ik er toch niet zelf uitkwam en dat ondanks instructievideo´s op youtube. (wát losdraaien? wélk pinnetje?) Na een halfuur wrikken en trekken kreeg ik een ingeving: ergens moest er nog een folder zwerven die ik bewust niet had weggegooid maar wel te goed had opgeborgen. Het grote zoeken kon beginnen en na een belletje kon ik met mijn fiets terecht bij een buurman op loopafstand met een hobby en een fietsfixset. Hij verving zonder morren mijn ketting en kettingkast. Direct - dus niet tussen 9.00 en 10.00 uur 's ochtends. Nee. Nu. Voor een prikkie. Zonder gezeik. En bij het afrekenen wilde hij mijn opgeluchte fooi niet eens aannemen.
Hoe simpel kan het zijn? Voortaan bel ik 1bike2fix als er iets aan de hand is op het fietsig vlak. Met de Raconteurs uit de twee witte dopjes is mijn oren vervolg ik mijn weg naar waar ik dan ook heen wil. Een fiets betekent vlotte vrijheid waarvan je je past bewust wordt als je het niet meer hebt. En omdat ik zo blij ben, zal ik Jack White quoten:
Why don't you turn it around, it might be easier to please me.
Abonneren op:
Posts (Atom)