donderdag 30 juni 2011

Stroop

Ik wist dat dit moment ging komen en nu is het onvermijdelijk: ik ben op zoek naar nieuwe woonruimte. Deze tocht, lieve lezer, gaat niet over rozen. Ik ben nog niet aan mijn woonplaats gebonden door werk, een manspersoon of zware nostalgische gevoelens. Evenmin is er de noodzaak te verhuizen naar een andere stad. Het ontbreekt mij net zo hard aan pull- als aan pushfactoren.
Wat ik wél weet, is dat ik het liefste geen huisgenoten meer wil. Ik ben bereid in te leveren op afstand naar de stad, en zelfs op prijs, als ik niets meer in mijn huis hoef te delen en zelf kan bepalen hoe ik de boel inricht.
Mijn huidige huisgenoot is een zeer bescheiden, beschaafde dame – wij hebben het met elkaar getroffen. Ik geloof dat ik ook wel een pauze verdiende na anderhalf jaar met een huisgenoot from hell – nee, beyond hell, als daar nog iets is – opgescheept te hebben gezeten.

Huisgenootschap is geven en nemen. Dat wil zeggen: rust geven en verantwoordelijkheid nemen. Als je maar één huisgenoot hebt, gelden die regels nog veel steviger. In mijn opinie sluiten goed huisgenootschap en vriendschap elkaar niet uit, maar het eerste is een voorwaarde voor het laatste, en zeker niet andersom. Nu gaat het goed, maar ik zie het niet zitten om die hele koorddans nog een keer te moeten maken. Met zijwind. Zonder vangnet.

En dan is er nog het fysieke aspect. Ik vertrok uit mijn ouderlijk huis naar een kamer van vijftien vierkante meter, met een bed, een tafel en een stoel. Ik vertrok uit mijn eerste kamer met een bed, twee tafels, een stoel, drie boekenkasten en een Senseo. Uit mijn derde kamer zal ik vertrekken met een bed, twee tafels, vier stoelen, mijn boekenkasten, een bank en een halve keuken. Ik ga op reis en ik neem mee is er niets bij. Ik kan niet meer op een kamertje van 12m2 zitten en mijn douche en keuken delen met nog veertien anderen. No way.

Het huis waar ik uit vertrek was ook al twee jaar op. Het is een slooppand en ik weet, na twee jichtopwekkende ongediertewinters, heel goed waarom. Kieren, gaten, enkel glas, vreemde luchtjes en de permanente aanwezigheid van een dikke laag stof maakten dat ik weliswaar blij was met het dak boven mijn hoofd, maar ook wist dat dit niet tot in lengte van dagen moest gaan duren, tenzij ik extra premie af wilde gaan dragen voor mijn COPD- en gewrichtsklachtenvoorzieningenfonds. Maar van verhuizen word ik zeer onrustig. Het kost bovendien tijd en geld dat ik liever aan andere dingen besteed.
En er zaten ook pluspunten aan dit huis: een aparte eigen studeerkamer, slaapkamer en woonkamer doen wonderen voor je concentratie. Maar zo'n rare buurt als deze, daar hoop ik nooit meer in terecht te komen. De tuin moest ik helaas 'delen' met de aangrenzende bewoners die letterlijk geen blad voor de mond namen. Ik weet nu letterlijk alles over hun laatste vakantiebestemming, het 'gewèèèèèeldig leuke feestje waar ze zijn geweest, die ontzeéééttend te gék gaaf goede hippe toffe coole band die ze hebben gezien en die enige zalige superrelaxete!! ubergeile echt héél fijne onwijs mooie koffie' die ze hebben geproefd. Vooral de buurvrouw Miss Knot, door mij zo gedoopt omdat ze altijd zo'n 'handige', 'hippe' knot op het midden van haar hoofd droeg, had lak aan de decibelgrenzen van het betamelijke. Ze was bovendien behept met een bijzonder rare intonatie – haar stem klonk als die van een jongen aan het begin van de puberteit, overslaand van laag naar hoog en traag zangerig zonder charmant te zijn, meer alsof ze ergens een chromosoom miste, of teveel had. Waarschijnlijk dacht ze dat het chic was om zo te praten – die mening deelde ik niet. Het was vooral ergerlijk om haar te horen praten. Haar belachelijke haardracht maakte het geheel nog lachwekkender.
(Ik zag haar echter één keer zonder knot – haar dunne slappe haar viel steil langs haar gezicht en ik zag dat ze een nogal frankensteinachtig voorhoofd had, groot en vierkant met twee bobbels, alsof ze de hoorns die er eerst zaten had laten amputeren. Wat ik toen dacht? Goeie god. Nee dame, ga maar weer terug naar de knot. )

Omdat onze voordeuren niet naast elkaar lagen, voelde ik niet echt de behoefte om kennis te maken. Dat werd nog versterkt door haar luidruchtige schijt-aan-de-buren-houding. Zoals gezegd grensden onze tuinen aan elkaar. Mijn relatie met mijn indirecte buren is beter dan die met mijn directe, en zij was daar geen uitzondering in. Als ik in de tuin zat, kon ik bij haar naar binnen kijken en andersom. Ik had echter zon in mijn tuin en zij slechts op bepaalde uren. Zodra het eerste straaltje zon zich liet zien sleepte ze een stoel naar het uiterste puntje van haar tuin (zo dicht mogelijk bij de mijne) en ging dan pontificaal liggen zonnen. Dat is haar volste recht, ik ben niet eens een zonliefhebber, maar de wil om naast haar in mijn eigen tuin te gaan ontbijten verdampte op zulke momenten. En en ander werd nog erger als ze luidkeels de buurvrouw ging roepen wiens tuin aan de andere kant aan de mijne grensde en ze even ongegeneerd en hard hun fantastische goede enige hete superinteressante week al schreeuwend doornamen. Of erger: barbecues voor de hele straat op woensdagen tot twee uur 's nachts – of tot de politie kwam.
Credit, ik mocht dan natuurlijk ook komen (al kreeg ik nooit een uitnodiging) Geef de vijand vlees en haar mond is te vol om te klagen. Maar het was dan ook moeilijk om niet 'te komen' op een barbecue die tot laat voor je huisdeur gehouden wordt en die je letterlijk in geuren, kleuren en het gitaargepingel van de buurjongen meekrijgt. Het enige positieve hieraan was dat de rookgeur in mijn kussen me op een gegeven moment vanzelf bedwelmde.

Ik herinner me een weekend waarin Miss Knot luidkeels verkondigde dat ze 'een brauwtjah' had gesmeerd voor mijn buurvrouw Judith. Ze schreeuwde dit over straat en wel zo hard en lang dat ze mijn eigen muziek overstemde. Ik verwachtte daarom een bagel met roomkaas, zalm en bieslook of een triangelbroodje filet americain met roerei, of een driedubbeldeluxe clubsandwich BLT met rosbief en een glas verse jus. Maar nee.

'Juud! Juuuuuuuuhuuuud, joeoeoeohoee!!! Ik heb een lekkar brauwtje voor je! Ik legget hier neer, jaa?? Juud? Juuuud? Een brauwtje! Jaa! Bruin! Met appelstraup!! Appelstraup!! Lèèèèkurrr!!'

Zorgzaamheid is natuurlijk een goed ding, lieve lezer. Maar het waren ordinaire bruine boterhammen met stroop, geen gepocheerde kwarteleieren met mierikswortel en tortilla van geraspte pastinaak. Ik weet ook niet uit welk deel van Nederland ze kwam, maar het is het deel waar ze een dubbele o als een au uitspreken en zich bovendien niet schamen om een broodje appelstroop aan te bieden alsof het een hemelse delicatesse was. Maar misschien zien ze appelstroop daar ook wel zo, dat weet ik niet.
(Juud reageerde overigens een beetje lauw. En terecht. )

Naast huisgenootschap vereist ook buurschap meer geven dan nemen. Als onze wegen gaan scheiden zal ik haar lijzig gekakel misschien nog missen; zoiets als een weggehaalde moedervlek, of een drastisch kappersbezoek vol dooie punten. Ben ik soms jaloers omdat ze voor mij geen brauwtjes appelstraup smeert? Niet echt, ik houd alleen van appelstroop op roggebrood, of toast, zonder boter. Had ze mij echter een broodje pastrami met kappertjes en aioli aangeboden, dan had ik haar haar vreselijk geschal misschien vergeven. Ik geef het toe, ik had haar ook een broodje aan kunnen bieden. Misschien had ze dan meer rekening met me gehouden. Maar op haar affectie, kleverig van de appelstroop, zat ik sinds die eerste zonnige dag steeds minder te wachten.

Als ik mag kiezen, is mijn volgende woonruimte zelfstandig en niet op dat overbekende studentencomplex. Ik heb daar nooit gewoond, ben er zelden geweest en dat mag zo blijven. Gisteren nog ben ik er wezen hospiteren en toen daagde het me weer: die omgeving is ver van alles wat ik belangrijk vind. Een supermarkt, een sportschool, bomen op straat, een Marokkaanse bric-a-brac-winkel en een markt. Kortom: het stadse leven. Als mijn levensonderhoud maar niet teveel hoeft te kosten, ik maar één soort haar uit het doucheputje hoef te halen en ik 's nachts rustig kan slapen, ben ik helemaal tevreden. En dan wil ik best stroop smeren bij de buren. Een stille buur is tenslotte fijner dan een luidruchtige vriend.

maandag 27 juni 2011

Foto

Zaterdag stond ik voor het eerst sinds tijden weer eens in de kroeg. Het was zalig. Ik was vergeten hoe leuk het is om uit te gaan, althans, de herinnering aan de laatste keer vervaagde steeds meer en dat knaagde aan me. Ik ben in mijn aantrekkelijke leeftijd. Ik zou iedere week liefst twee keer moeten gaan dansen. Maar lange health kicks (ik reageer bijna allergisch op alcohol en tot vier uur uitgaan shockt je ritme) en drukke bezigheden overdag (ik kan me niet altijd veroorloven, kostbaar weekend te verliezen aan uitbrakken en werken met wallen tot onder je knieën is ook onprettig) maakten dat ik mijn danslust even opzij had gezet.
Tot zaterdag. Met een paar vriendinnetjes dook ik een plaatselijke kroeg in. Na een bezoek aan de garderobe liepen we door naar de achterkant van het pand. Op de weg daarnaartoe werd ik gespot door een blonde man. Hij leek een beetje op de zanger van Van Dik Hout: dezelfde haardracht, dezelfde gelaatstrekken. Hij zou het kaarslichtstadium weldra bereiken, maar dat gaf niet. Vanuit mijn ooghoeken hield ik hem een beetje in de gaten, en zorgde ervoor dat hij me kon aanspreken. Dat deed hij niet, maar hij keek wel onophoudelijk en lachte naar me. Dat onophoudelijke was nogal vervelend en ik voelde me bekeken. Ik begrijp dat het eng of lastig kan zijn om een vreemd meisje aan te spreken, maar als ik je lachje beantwoord, mag je er van uitgaan dat ik je hoofd op je romp zal laten zitten. Als je me leuk vindt, kun je daar iets mee doen. Of niet.
Verlegen mannen bestaan, maar ik verlang wel een beetje daadkracht van een man, hoor. Je vraagt me niet om een van mijn nieren, je vraagt me hoe het met me gaat. Da's alles. Ik hem aanspreken? Nee. I'm a pretty girl and I don't wanna.

In de hoek waar we stonden viel het met de mannen sowieso tegen. Na een loos gesprek met een man die me verzekerde dat ik zijn pretty boy vriend knapper zou vinden, besloten mijn vriendinnetjes een rondje te gaan lopen, op zoek naar beter gezelschap. De blonde staarder pakte mijn arm. 'Mag ik alsjeblieft je nummer? Je hebt iets magisch, ik word er helemaal wild van!' riep hij in mijn oor. Lieve lezer, het kan best zijn dat hij het meende. Ik heb in mijn leven al heel wat versierzinnen mogen horen, en daarom klonk dit me wat onoprecht in de oren. Misschien benevelde de alcohol mijn gemoed een beetje, maar ik kon niets anders dan suggestief joelen, omdat het zo opgeprikt klonk. Vooral dat ik word er helemaal wild van.... vader, ik zie het hoor, vandaar dat je zo lang wachtte zeker.... Maar goed. Moed verdient aandacht, en het was duidelijk dat hij me vanaf binnenkomst al in het vizier had gehad. Misschien was hij echt zo overrompeld door mijn krullenpracht dat hij me niet eerder kon aanspreken. Ik vroeg hem zijn naam, hij heette Barry. Ik vroeg hem zijn leeftijd, hij was te oud. Als ik het achteraf bekijk weet ik niet precies meer hoe ik gereageerd heb, maar ik zei hem dat ik gevleid was door zijn aandacht, en dat ik weg moest. Hij was best leuk en als hij iets eerder initiatief had genomen had ik het wellicht leuk met 'm kunnen hebben, maar zo'n aarzeling op zo'n leeftijd maakte hem erg onaantrekkelijk.

Mijn clan was ik door dit oponthoud al kwijt en na even zoeken vond ik ze terug. We stonden inmiddels bij een groepje mannen dat foto's aan het nemen was. Jolig trokken ze ons telkens mee op de foto. Met een van hen klikte het letterlijk wel en we raakten aan de praat. Net op het moment dat zijn lippen de mijne raakten, zag ik vanuit mijn ooghoeken Barry naast ons staan. Dat was een beetje lullig. Ik was hem niets verplicht, maar toch had ik hem dit zicht liever bespaard. Ik stel me voor dat hij al zijn moed bij elkaar had geraapt om me nog eens aan te spreken en om dan hierop op te stuiten is natuurlijk vervelend. Of misschien wilde hij me even vertellen dat ik helemaal niet zo magisch was als hij dacht. Hoe dan ook, ik denk dat de magie die hij ervoer verdween als sneeuw voor de zon.
Ik ben niet te beroerd om toe te geven dat hij mijn sympathie had – ik weet uit andere ervaringen dat je niet te lang moet wachten met werken voor wat je wilt, en daarbij je angsten te negeren. Ik ben niet te beroerd om toe te geven dat ik het vervelend vond dat hij me zag, omdat ik bang was dat hij me goedkoop zou vinden. De keerzijde hiervan is dat mijn fotojongen vele malen knapper, initiatiefrijker en een cruciaal aantal jaren jonger was dan Barry. Hij had hier kunnen staan, maar nee, hij wilde de magie van een afstand beleven. Tsja. Daar kan ik verder ook niets aan doen.

Barry heb ik niet meer gezien. Van de fotojongen heb ik wél meer gezien.

En de moraal van dit verhaal? Kansen moet je pakken, anders gaat een ander er met ze vandoor. Niet geschoten is altijd mis, maar te laat geschoten is dubbel klote. Beter een vogel in de hand, dan tien in de regenboogkleurige lucht. En de laatste, speciaal voor Barry:
gelukkig hebben we de foto's nog.

vrijdag 10 juni 2011

Spijtig

Soms komen er in het leven van die situaties voorbij die met recht het predicaat spijtig of ronduit spijtig mogen dragen. Zoals ik op de site van dehorecamedewerker.nl las dat gasten het zelden meer kunnen opbrengen om beleefd te zijn tegen obers en serveersters. Deze nieuwe trend, onhebbelijkheid tegen personeel-waarvan-dan-ook, is iets waar ook ik regelmatig mee te maken krijg. Gelukkig streeft het aantal beleefde, prettige, spannende ontmoetingen het aantal nare nog altijd ruimschoots voorbij, maar zo nu en dan zitten er mensen bij die mij het bloed onder den nagels vandaan trekken.
Zo zijn daar de dames, meestal van middelbare leeftijd, die, als ze iets willen weten, zich niet introduceren met een simpel goedemiddag of, hemel verhoedde, mag ik u iets vragen? (en dan ook écht wachten op antwoord...) Neen. De Guurtjes van deze wereld stevenen op hun doel af en weten piekfijn de medewerker te spotten in een kudde vol klanten. Er is geen tijd te verliezen en dus vat zij de koe bij de horens. Of je met iemand bezig bent of niet maakt haar niet uit: ze wil aandacht en ze zal het krijgen, nu. Vanuit haar goudbecollieerde keel, langs de aardappel en eindigend in haar roodgestifte dunne lippen met vakkundig weggewerkte groefjes, komen de woorden:

Zeg luister eens even, leg mij eens wat uit over de snijplanken!

U ziet, lieve lezer, de zin wordt afgesloten met een uitroepteken. Het is dan ook geen vraag, eerder een eis. Waar zou je winkelbediendes anders voor moeten gebruiken? Beleefdheid geeft maar onnodige amicaliteit en dat is aan Guurtje niet besteed. Zij denkt eigenlijk al te weten hoe den vork in den steel zit en luistert daarom ook maar met een achtste oor, éénmaal doorboord voor een zwaar gouden creool, naar wat de winkelbediende haar vertelt.
Zeg luister eens even, en kan deze houten snijplank in de vaatwasser? Aha. En die van kunsstof? Jaja.
Om aan mij duidelijk te maken dat ze heus van wanten weet, krijg ik een recapitulatie van mijn eigen woorden.
Zeg maar luister eens even: dat hout, dat is dus géén kunsstof?! En die houten, die kan niét in de vaatwasser?!! Aha, aha. Maar die van kunsstof dus wel? Jaja. Jaja. Maar ik vind die houten mooier, maar hij moet wél in de vaatwasser kunnen, hoor. Zeg luister eens even: je kunt me dus niet helpen aan een houten snijplank die in de vaatwasser kan? Niet dat geperste, dat vind ik lelijk. Nee, dat is niks. Zeg luister eens even: die planken van plastic, die kunnen er dus wel in? Weet je dat zeker?

Ja, lieve lezer, het Guurtje-gehalte is op sommige dagen pijnlijk hoog. Hier kan met recht het label beetje spijtig op worden geplakt. En door de Guurtjes van deze wereld moet ik denken aan andere spijtige situaties. Zoals die keer dat ik met een van mijn ex-huisgenoten sprak over zwangerschap en seks.
Ik had toen net een verzekering afgesloten bij CZ en bij dat specifieke pakket kreeg je honderd condooms gratis. Helaas bleken ze van en voor Chinese makelaardij – dat hoef ik vast niet voor u uit te spellen. Laat ik het erop houden dat de Hollandse jongens met wie ik zo nu en dan het bed deelde te zeer Hollandse welvaart hadden genoten om te matchen met de Chinese preservatieven (oh, heerlijk woord.) Ik deelde het huis met drie meiden. Eén daarvan was min of meer anti-seksueel, twee hadden er een vast vriendje maar slikten pilbeïnvloedende medicatie. Ik was single en had seriële minglars.
In het huis was de angst voor zwangerschap best groot. Een ongeluk zit in een klein gaatje...Geen van allen zaten we te wachten op een kleine en af en toe hoorden we opgelucht gejuich van ergens uit een kamer, gevolgd door het haastig geritsel van een pakje tampons en het uitdelen van dropsleutels en chocola aan de rest.
Ons gesprek vond plaats in een periode dat mijn laatste minnaar het pand alweer een flinke tijd niet had betreden. We dronken thee en aten snoep. Ik verzuchtte dat ik niet goed wist, wat ik met al die condooms aan moest. Mijn huisgenoot, die met haar toenmalige vriendje regelmatig de kalk van het plafond trilde, stopte haar dropsleutel in haar wang en merkte daarover meesmuilend op:

Ze hebben wel een houdbaarheidsdatum, hè?

Echt aardig was dat natuurlijk niet. Ze wist niets van de welvaart van mijn minnaars af en ik liet dat zo – discretie is een groot goed. Als huisgenoten deel je lief en leed, en haar lief bezorgde mij regelmatig leed, aan mijn oren, welteverstaan. Hij bezorgde ook bij haar dingen: amper een jaar later bleek ze zwanger. Blijkbaar stond de houdbaarheidsdatum van haar eigen condooms haar minder goed bij dan die van de mijne. Of had ik haar er een paar toe moeten schuiven.
Het kind was allerschattigst en voor zover ik weet is ze nog steeds met de vader samen. Ik was toentertijd erg op haar gesteld het is fijn dat het goed is afgelopen. Maar die opmerking... Zuur, en een beetje spijtig? Wie zal het zeggen.

Mijn laatste spijtig heb ik gereserveerd voor de ijdelheid. Of verlegenheid, net hoe je het noemen wilt. Eén van de eerste lessen die je als kind leert is dat je dankjewel moet zeggen als iemand je iets geeft. Een compliment is ook een gift. Maar er zijn vrouwen die het lastig vinden om een compliment te accepteren. Deze vrouwen komen in twee categorieën. De eerste groep verontschuldigt zich. Behoor je tot deze groep, lees dan verder.
Als ik tegen je zeg: 'Wat heb je jij een mooie tas!' hoef je me niet te vertellen a) dat 'ie niet duur was b) dat 'ie heel goedkoop was c) dat 'ie heel oud of in ieder geval niet nieuw is d) waar je 'm hebt gekocht.
Het is spijtig als je een compliment niet kunt accepteren en het teniet doet door het af te zwakken met redenen waarom ik het niet zou moeten geven die eigenlijk nog vileiner zijn dan op het eerste gezicht blijkt ('een oude tas kan niet mooi zijn/ jij vindt mij mooi, en ik heb er niet eens moeite voor gedaan')

Nog veel groter is mijn ergernis bij groep twee. Dit, lieve lezer, is de groep die de dochters van Guurtje hadden kunnen zijn. Maak hen een compliment en u krijgt een respons in deze trant:

'Goh, wat een mooie jas heb jij aan!' 'Ja hè, dat vond ik zelf nou ook!'

Op het moment dat ik dát hoor, slaat de spijt bij mij toe en wenste ik dat ik het compliment nooit gemaakt had. Zo'n reactie dempt al mijn enthousiasme. Als je het zo roerend met me eens bent, zeg je: dankjewel, ik ben er zelf ook erg blij mee. Maar Ja hè?! maakt dat je van mij in ieder geval nooit meer een compliment zal krijgen. Ontkrachten is ergerlijk, overdrijven zo mogelijk nog erger.
Ik heb zelfs een keer gezegd: 'Nou, nu ik beter kijk maakt dat groen het wel erg protserig! Zo bijzonder is het eigenlijk niet, hmmm?' Waarop de jasdraagster al begon: 'Nou, ik vinnum wel mooi!' en ik erachteraan zei: 'Het is dan ook jouw jas, dus ik hoef 'm ook helemaal niet mooi te vinden! Over goede smaak valt niet te twisten, ahahahahaha!' (Kent u die scene uit Blackadder met Lord Flashheart? Zou wel moeten... )

Als ik iets leuks zeg over je tas, jas, kapsel of sieraden voldoet een simpel 'dankjewel'. Hij was heel goed goedkoop is een beetje jammer, Ja hè maakt de boel ronduit spijtig. Ik geloof namelijk heus dat als je iets niet mooi vindt, je het niet aanschaft. Die bevestiging is dus echt niet nodig. Toch denk ik dat ook 'ja hè' voortkomt een een bepaald soort verlegenheid – het idee dat je een compliment niet mag accepteren. Laat dat idee varen. Vertrouw mij, lezer, als ik zeg dat het mag. Zodat ik geen spijtigheden meer hoef op te dissen, althans, niet hierover. Met een beetje mazzel heb ik in mijn volgende woning geen huisgenoten...