woensdag 16 november 2011

Bad

Vandaag, reader-dear, het vervolg op de mijmering uit mijn adolescentie. Maakte ik u in een vorig stuk (Douche) nog deelgenoot van een wreed verstoorde pubermeisjesdroom, het volgende relaas is minder nostalgisch en meer liefdevol.

Op de weg naar school kwam ik altijd langs een veldje waar ezels stonden. U weet, ik ben helemaal geen dierenliefhebber, maar deze beesten trokken mij toch aan. Het weilandje bevond zich op een kwart van de route terug en vaak stopte ik even om de ezels te aaien voor ik aan het leeuwendeel van de reis begon. Soms regende het en had ik geen zin om naar huis te fietsen. Soms voelde ik me naar en zocht ik de ezels op om mijn gedachten af te leiden. Soms had ik iets te vieren en voerde ik de ezels naast gras een stukje liefde en geluk. Zoals gezegd, ik houd niet van dieren, maar hun onvoorwaardelijke aanwezigheid maakte dat ik af en toe zelfs tegen ze kletste en als ze er eens niet waren, vond ik dat oprecht jammer.
Dat er bij de weide ook een huis hoorde zag ik wel, en het voelde daarom een beetje stiekem en clandestien om ze te voeren. Ik verwachtte soms een standje van de bewoners van het huis. Maar ik voerde ze niets dan gras – wreedheid jegens dieren vind ik dan weer onnodig – en het waren doodgewone ezeltjes, een tikje suffig en blij met mijn aandacht. En ik dacht dat de mensen van het huis vast leuk zouden zijn - ze hadden een Alfa Romeo, wat getuigt van goede smaak. Rrrrrr.
(Ja, we bevinden ons nog steeds in de vijtienjarigenjarigen-modus. Werkt u even mee...)

Op een regenachtige middag was ik uit verveling de ezels aan het voeren toen er een mevrouw uit het huis kwam. Ze was slank, keurig gekapt, droeg een zwierige rok en haar hele voorkomen straalde klasse en rust uit. Ik schatte haar een jaar of zestig, haar haar was heel mooi bruinrood, ze had een klassiek gezicht en ze had de gezonde teint van iemand die actief is. Ze vroeg of ik een kopje thee wilde. U kan zich mijn aarzeling indenken: een halfjaar daarvóór was er een meisje van mijn leeftijd vermoord in de bossen en ik heb altijd geleerd dat je niet bij vreemden naar binnen moet stappen, al lijken ze nog zo aardig en zijn ze vrouwelijk en in de nazomer van hun leven. Moord komt in vele vormen, op dat vlak ben ik nooit naïef geweest. Maar de vrouw leek zo oprecht dat ik besloot het te doen. En tien minuten later dronk ik zalige thee uit een china-kopje en at ik een choconelly.

De dame, Willy, vertelde dat ze met haar man in het huis woonde en mij wel vaker had zien staan en het heel schattig vond dat ik de ezels voerde. Langzaamaan kon ik me ontspannen en we spraken over koetjes en kalfjes. Na een uurtje vertrok ik weer, helemaal tot rust gekomen en blij dat ik op mijn intuïtie vertrouwd had. Wat wel vaststond, was dat ik dit niet met mijn ouders kon delen. Op die leeftijd wilde ik sowieso niets met mijn ouders delen, maar ik had het gevoel dat ze dit niet zouden begrijpen. Achteraf vraag ik me af waarom dat gevoel zo sterk was, maar ik dacht oprecht dat ze boos zouden worden als ik ze zou vertellen dat ik thee had gedronken met een vreemde mevrouw en nog een koekje had gegeten ook. Iets waarvan ze mij op het hart hadden gedrukt het nooit en te nimmer te doen – ondanks dat ik een hele fijne middag had gehad, voelde het dus verkeerd. (Stom eigenlijk, want als Willy me na de derde keer wél wilde vermoorden, hadden mijn ouders een idee gehad van waar ze zouden kunnen beginnen met zoeken. Het puberbrein kent vele kronkels...)

Natuurlijk kreeg deze theesessie een vervolg. Ik ging niet wekelijks, maar toch wel vrij frequent naar Willy, Berry en hun prachtige huis met de superfragiele china-kopjes. Die hadden wij thuis niet, en choconelly's evenmin. Theedrinken deden we niet op die manier, tenzij er bezoek kwam. En het huis van mijn gastvrouwe was veel romantischer dan het huis van mijn ouders. Ze hadden een Friese staartklok die rustig tikte en een hond. (Ik ben bang voor honden, maar probeerde dat niet te laten merken aan mijn gastvrouw en heer.) Wat me opviel was de enorme rust en sfeer dat het huis uitstraalde. Als ik er vandaan kwam voelde ik me nog de hele avond mellow. Heerlijk.
U moet begrijpen, op die leeftijd is alles wat je ouders doen slecht en lelijk en alles wat zij mooi vinden en nastreven stom en oud. Ik heb het al eerder gezegd: je bent zestien (okee, vijftien) of je bent het niet. Achteraf kan ik het natuurlijk relativeren maar deze lieve, hartelijke mensen boden mij precies wat ik nodig had in die periode: een luisterend oor, een warm kopje thee en hun al even warme harten. Iets waarvan ik, als de wispelturige, chagrijnige, ietwat kortzichtige en vooral verwarde puber die ik was, niet zag dat ik dat ook van mijn ouders kreeg.
Ik werd dan ook snel verliefd op hen, hun huis, hun servies, hun auto en hun hond, die ik op een gegeven moment zelfs durfde te aaien.
Een keer had ik een lekke band. Willy leende me zonder aarzeling haar fiets en toen ik 's middags de fiets terugbracht, had Berry 'm voor me geplakt. Hij was inmiddels gepensioneerd maar hij had de gaafste baan op aarde: reclamejinglebedenker. ('Wasmachines leven langer met Calgon!' komt mede uit zijn pen. Ain't that the coolest?!!)
Toen ik tweede werd bij een dichterswedstrijd, had Willy het artikel voor me uit de krant geknipt. Toen ik aanwezig was bij een symposium over onderwijs, had diezelfde krant een en profil van mijn gezicht pontificaal op de voorpagina gezet. Ook toen kreeg ik van haar het artikel, keurig in een mapje. (Zelf woonde ik in een ander gebied, dus wij ontvingen die krant niet eens. Ik schrok dan ook een beetje toen ik mijzelf zo groot afgebeeld zag.) Ik voelde me geliefd, wat op die leeftijd en misschien op iedere leeftijd belangrijker is dan geliefd zijn.

Maar aan alle mooie dingen komt een eind, en daarbij was het unheimische gevoel dat ik tegen de wil van mijn ouders inging nooit helemaal verdwenen. Ik voelde me niet schuldig over mijn bezoekjes, dat zeker niet, maar wel over het gegeven dat ik ze geheim hield. Ondanks alles wilde ik geen geheimen hebben voor mijn ouders. Eén triljoenste deel van mijn geest was daarom opgelucht toen ik slaagde voor mijn eindexamen en niet meer langs die route hoefde te fietsen. Maar op de laatste dag – ik had een lief kaartje en een blikje drop voor mijn weldoeners gekocht – waren ze er niet. Ik liet het blikje achter bij de voordeur en heb ze nooit meer gezien.

Wat, lieve lezer, is dan de moraal van dit verhaal? Wat voor de een een ogenschijnlijk klein gebaar is, kan voor een ander zoveel betekenen. Wat ik op het kaartje schreef, Ik zal jullie nooit vergeten, is waar. Zij maakten mijn leven een stuk dragelijker op een simpele manier, misschien zonder het zelf te weten. En ik hoop dat als ik straks tegen de zestig loop, ik de wereld een wederdienst kan bewijzen door mijn huis en hart open te stellen voor zo'n zelfde verwarde puber. Ik denk met heel veel liefde en genegenheid terug aan deze mensen. Vandaag geen douche, maar een liefdevol, warm bad.

dinsdag 15 november 2011

Douche

Tijd voor een nieuw stukje blog, reader-dear. Vandaag een stuk vol liefde, waardering en nostalgie. Uit een nachtelijke mijmering kwamen twee dingen naar voren die ik mij herinner uit mijn adolescentie. Laat ik met de gekste beginnen: die is minder liefdevol, en meer nostalgisch.

Mijn gehele schooltijd heb ik doorgebracht in een andere stad dan mijn woonplaats. De eerste tien jaar werd ik gebracht, maar zodra ik mijn basisschool verruilde voor de middelbare, was ik oud genoeg om de drie kwartier per rit met de fiets af te leggen. Het hield me fit en mijn benen hebben er de vruchten van geplukt. Natuurlijk vond ik het niet altijd leuk, maar het wende snel en de weg was lang en recht. Het fietspad was bovendien secundair en er waren weinig stoplichten of interactie met ander verkeer. Met Eddie Vedder, Laurent Wolf of wat bijeengesprokkelde pretentieloze pop in mijn discman (ja!) legde ik de rit zes jaar lang twee keer per dag af, soms vaker. Ondanks deze muzikale bijstand was het wel vaak een saai stuk fietsen. Wat me opviel was dat er wel meer mensen waren die hetzelfde stuk aflegden. Waarmee ik natuurlijk bedoel: ik spotte 'bekenden'. Afgezien van de grote groep revo's die met een enorm tempo voorbij zoefden (als ik achter ze aanfietste verkortte het mijn reistijd met een kwartier) waren er meer eigenaardige types op de weg. Zo was daar de Snotterige Wielrenner. Op welk punt op de weg ik me ook bevond en welk seizoen het ook was, een meter nadat hij me had ingehaald, maakte hij zijn neus leeg op die kenmerkende wielrennersmanier die u vast bekend is. Smerig. Hoeft niet, vader. Smeerkees.
Ook was daar het elfenmeisje, dat ik alleen in de zomer zag en dat altijd op blote voeten fietste. Verder herkende ik ook van veraf de rode scooter van Jeroen K., een jongen die bij mij in de buurt woonde en waar ik al jaren in stilte verliefd op was. Hij was lang, had dik, golvend ravenzwart haar en een mooie neus, en hij zat op het categoraal gymnasium. Mijn broer en hij waren vrienden. Zucht... Jeroen had echter geen belangstelling voor me – althans, ik geloof niet dat hij me op die manier beschouwde. Ik denk niet dat ik überhaupt op zijn mental map voorkwam maar als hij al iets van me vond, zal dat schattig geweest zijn. Dat was geheel in lijn met zijn rechtschapen en ridderlijke opvoeding – en ik zal niet ontkennen dat ik dat jammer vond, alle ridderlijkheid ten spijt.

Een andere groep waren de revo's. Lezer, vergeeft u mij mijn revo-bashing van de laatste tijd. Ik heb niets tegen Hen, met een grote H. Maar toentertijd hebben ze zich tegenover mij van hun gekste en vreemdste kanten laten zien. Net zoals ik iedere dag naar school fietste, kwamen ook zij iedere dag op hetzelfde stuk weg. En waar ik bij slecht weer nog wel eens een lift bij mijn ouders kon loskrijgen of de bus nam, kwamen zij iedere dag op de fiets, sneeuw of geen sneeuw. Ik vond drie kwartier fietsen al lang, maar sommigen onder hen hadden er al een uur op zitten vóór ze langs mijn vertrekpunt kwamen en waren nog niet op punt van bestemming als ik dat wel was. Vandaar ook dat tempo. Als ik er achter aan fietste en contact legde met de achterste regionen vroegen ze me honderduit over mijn school. De jongetjes vroegen naar mijn nog niet bestaande seksleven, in niet mis te verstane termen. Niet verwonderlijk, want onder revo's is slechts sprake van voortplantingsseks. Genot is onkuis, is hun credo. Maar de hormonen razen natuurlijk net zo hard door het revopuberlijf als door ieder ander, en zonder uitlaatklep zelfs nog harder. De meisjes hielden zich in, zoals het meisjes betaamt, maar giechelden als een Bert, Hendrik of Hans heel hard (en herhaaldelijk!) vroeg of ik wilde neuken, waar ik naar toe ging, en of ik 'm in mijn kont wilde in het nabijgelegen bosje. Gelukkig duurde dit altijd maar even, want als de branie was weggeëbd (vaak stak ik mijn niet-revoneusje in de lucht, of ik reageerde helemaal niet) fietsten ze snel weer naar hun vrienden.
Alle meisjes droegen rokken, altijd. Sommigen hadden merkkleding (Esprit, Mexx, BirdDog, pareloorbelletjes, voorzichtige make-up) en anderen waren armer. Velen hadden lang haar, vaak in één of twee vlechten. De jongens droegen immer spijkerbroeken, Gaastra-jassen (rijk) Lidl-jassen (arm) Hush Puppies en bordeelsluipers nieuwe stijl – geen Todds of andere hete loafers maar slip-ins zonder veters, van het soort dat ook wel gedragen wordt door telefoonverkopers en McDonald's-medewerkers. Ze zouden verboden moeten worden, het is een smet op de esthetiek. Maar dat terzijde.

Een andere persoon die mij in die zes jaar opviel was een man die ik Zwalker heb gedoopt. Hij had een witte mountainbike, brede armen en als hij fietste bewoog hij zijn bovenlichaam van links naar rechts. Wat de balans van de fiets niet ten goede kwam. Zijn haar, dat tot over zijn schouders viel, zwiepte mee. In de zomer droeg hij hemden, in de winter sweaters. Van veraf leek het alsof een kruising tussen Kevin Sorbo en Spartacus op me af kwam fietsen. Als onze wegen elkaar kruisten verscheen er een glimlach van oor tot oor op zijn gezicht en hij grijnsde: 'Hoi!!'
Lieve lezer, wat ik nu ga vertellen is een onopgesmukte, onverdraaide versie van de waarheid. Luistert en huivert.
Na hem zo'n vier jaar maandelijks te hebben gespot, ging deze Zwalker een eigen leven leiden in mijn hoofd. Ik was nieuwsgierig naar wat hem dreef, en wist tegelijkertijd heel goed dat het weleens tegen zou kunnen vallen. Ook ik was onder invloed van hormonen. Fantasieën over romantische thee- en wijnsessies in het kasteel dat nabij lag en waar hij wel moest wonen waren mij niet vreemd. Toch deed ik ze af als nonsens. 'Deirdre, stel je niet zo aan,' zei ik tegen mijzelf. Ik weet nog precies wat ik dacht: 'Het feit dat hij overdag zulke lange fietstochten kan maken en nooit een jas aanheeft betekent niet dat hij een vrije geest is. Het betekent dat hij waarschijnlijk werk- en kansloos is. Hij heet helemaal geen Alain of Francois maar gewoon Bertram, Herman of Frithjof en hij woont niet in een kasteel. Op z'n best is hij de stalknecht met scoliose. Als hij hier in de buurt woont is dat in een papieren tochtige hut en plakt hij shampoosamples in damestijdschriften voor zijn brood. Laat. Het. Gaan.'
In mijn nog ongenuanceerde puberhoofd was thuiswerken en een oubollige naam hebben het toppunt van kansloosheid, dat begrijpt u. Je bent zestien of je bent het niet. Ik probeerde me er nog van te weerhouden, maar de nieuwsgierigheid won. Dus toen hij op een mooie dag weer langsfietste, hield ik hem staande.
Ik vond het heel spannend. Mijn hart klopte in mijn keel. 'Hoe heet je eigenlijk?' vroeg ik hem. Hij kwam een stukje dichterbij en ik zag dat wat ik altijd voor een gezonde tint had gehouden, een lappendeken van sproeten en uitslag was. Zijn gezicht, dat van veraf knap en gebruind had geleken, was onregelmatig en hij had een hele rare neus. Hij keek me nog altijd guitig aan, maar hij moet iets van afschuw op mijn gezicht hebben gezien. Ik was toen minder getraind in het vasthouden van een pokerface dan nu. En toen barstte de bom.
'Ik heet Herman, aangenaam!' Oh God. Nee toch. 'Mooie dag om te fietsen, hè?' Ik zei hem dat mijn tocht niet echt recreatief was. 'Maar jij fietst wel graag, toch?' Ik was vastbesloten me niet uit het veld te laten slaan door zijn naam. Daar kan hij toch niets aan doen. We kunnen niet allemaal Alastair heten, en hij was vast toch een prins.... 'Nou jah, ik werk thuis, dus ik heb veel tijd over, hè. Dus dan maar fietsen, hahaha!' Oh God. Oh, God.

Hij was eigenlijk best groezelig. Zijn witte sweater was niet wit, om over zijn tanden nog maar te zwijgen. Zijn haar hing in ongewassen slierten langs zijn gezicht en toen hij het achter zijn oor streek, zag ik dat hij een oorbel had – alweer een deceptie. Hoe langer ik met hem sprak, hoe meer hij weg had van Meneer Griezel, minus de baard. Maar nog gaf ik me niet gewonnen, nog wilde ik er niet aan geloven.
'Jeetje,' piepte ik. 'Dus je bent...schrijver?' Laatste hoop. 'Schrijver! Haha, nee hoor! Ik werk thuis! Ik ben thuiswerker!'

Ik geloof dat ik iets heb gestameld over haast en afspraken. Ik kan me niet meer herinneren dat ik afscheid heb genomen. Verdwaasd legde ik de rest van de weg naar huis af. Was dit het, was dit het echt? Was dit alles? Ondanks mijzelf moest ik wel lachen: hij was de belichaming van mijn ultieme angst, mijn nuffig dédain. Hoe groot was de kans dat hij daadwerkelijk Herman zou heten en écht thuiswerker zou zijn? Dat komt er nou van, zei ik tegen mijzelf, dat komt er nou van als je teveel dagdroomt over mannen en kastelen. Dit is je straf.
Daarna ben ik hem, opvallend genoeg, ook niet meer tegengekomen. En de moraal van dit verhaal? Is dat dan niet duidelijk? Kunt u dat zelf niet bedenken? Verwachting is een groot goed, dat is wat ik hier nog nog eens bevestigd zag. Wat niet wil zeggen dat ik niet meer geloof in een leven met een prins. Maar alles begint met een goede douche: al word je van een warme beter schoon.