dinsdag 21 september 2010

Fris

Als ik nergens meer heen hoef, de avond is gevallen en ik slechts mijn eigen adem hoef te verdragen gedurende de nacht, doe ik graag aioli op mijn broodje. Het spul is vreselijk calorierijk (erger dan pinda's, chocolade en reuzel bij elkaar) maar je hebt er maar een heel dun laagje van nodig. Het is precies zijn meest stinkende ingrediënt – knoflook – dat de heftige smaak veroorzaakt. Aioli is snel gemaakt, maar ik heb zelfs daar het geduld niet voor. Gelukkig hebben ze bij de Albert Heijn van die kleine gele potjes met het spul.
Zoals ik dat weleens gedaan heb bij alle verpakkingen van de spullen die ik gebruik, keek ik op het potje. En de claim die ik daar zag, verbaasde mij nogal. Frisse knoflookcreme.
Ik houd oprecht van aioli. Ik vind het lekker, fijn, chique, goed-mooi-en-lief als je wilt. Maar fris, nee, dat nou net niet. En ik weet zeker dat 99 procent van de aioli-eters (en hun partners) dat met mij eens is. Aioli kan van alles zijn, werkelijk. Maar niet fris.
Zo'n zelfde contradictio in terminis hoorde ik in een reclamespot. (Bij mijn ouders gaat het geluid tijdens de reclame steevast uit – ik zou er goed aan doen die regel voort te zetten.)
Ik zie hoe een jongetje bovenaan een glijbaan overvallen wordt door een niesbui. Godzijdank houdt hij nog net zijn hand voor zijn mond. Diezelfde hand gebruikt hij om de glijbaan af te komen. Zijn zusje legt haar hand op dezelfde plek op de glijbaan en krijgt zo van boven naar beneden de snotterie van broerlief aan haar handen. Dat zal lekker glijden, zeg. Een flash forward. Het gezin gaat aan tafel. Schmutzi en zijn zuster willen aanvallen op een schaal patat, zonder hun handen te wassen. Hun moeder, die klaarblijkelijk een heks is, knipt met haar vingers en de schaal verdwijnt direct. Schmutzi en zus moeten eerst hun handen wassen, waarbij bacteriën, gesymboliseerd door witte staafjes gehuld in een paarse wolk, in aantal afnemen. Verantwoordelijk daarvoor is de zeep. Een zoete voice-over kirt: Deze zeep helpt tegen onhygiënisch vuil!
Wat is dat nou weer voor onzin?! Het zou er nog bij moeten komen dat het een zeep was die bacterieverspreiding in de hand werkt! (Al bestaat daar weer iets anders voor: Yakult... )
Een beetje snotterie zo nu en dan is overigens juist goed voor je weerstand: met al die viesfobie kweek je alleen maar rijstwafelkinderen. U weet welk soort ik bedoel.

Lieve lezer, ik moet de eerste brok hygiënisch vuil nog tegenkomen. Ik wist tot voor kort niet dat er, naast groezelige, smerige, ranzige, vieze vuiligheid ook hygiënisch vuil bestond, net zo min als ik afwist van een wasmethode die onhygiënisch schoon wast. Ik werd erop gewezen door een wanhopige poedermoeder op tv, die hulp kreeg van een roze substantie die haar kleren 'hygiënisch schoon' wast. Zij vond de toevoeging nodig, dus blijkbaar staat er iets naast waar ik het bestaan niet van had kunnen vermoeden. Je kleren mogen na een wasje dan wel schoon zijn, dat wil blijkbaar nog niet zeggen dat dat hygiënisch gebeurd is. Maar nu valt het edele geluk van het hygiënisch schoon wassen ook ons ten deel. Lucky me. Pfieuw. Net op tijd. Godzijdank.
Een laatste voorbeeld dan. Ik zie een vrouw met een sip gezicht, het haar in een staart. Ze kijkt zo ongelukkig, omdat haar haar dof en glansloos is. (ja, dof en glansloos!) Zonder Cashmere Proteine, Shea Butter en Argan Olie zal ze nooit meer het ware geluk bereiken, niemand zal van haar houden, en ze zal eenzaam sterven in een koud bed.
Blij toe dat ze de drie onontbeerlijke dingen in één potje kan vinden bij de plaatselijke drogist. Want pas als de Cashmere Proteine, Argan Olie en Shea Butter haar haarschacht zullen binnendringen – een en ander wordt mij even simplistisch duidelijk gemaakt in een 'close-up' animatiefilmpje – ziet zij de zin van het leven weer in. De drie Feeën van het Glanshaar zijn absoluut noodzakelijk voor een bevredigend bestaan. En dit miljoenenproduct is getest in een zelfevaluatie onder zesentwintig vrouwen, staat er in te kleine letters te kort in beeld. Prozac, lichttherapie, Seroxat, duurbetaalde gesprekken, Stichting Korrelatie? Neen, Cashmere Proteine! Simpel als een kindervers.

In deze tijden van spendingsdrang en schuldenaren is het meer dan ooit van belang te bedenken wat je écht nodig hebt om door te leven. Natuurlijk kan een antibacteriële wasgel bacterieverspreiding tegengaan, wat je een sessie spetterkak kan besparen. En natuurlijk kan de zekerheid die glanzend haar je geeft, zorgen dat je je prettiger voelt. Ik begrijp heel goed dat het juist de kracht van reclame is, je een zonder-dit-product-is-je-leven-niet-meer-goed-mogelijk-beeld te schetsen. Dat geldt voor de Foremangrill net zo goed als voor Quick 'n Brite. Maar een remedie tegen 'onhygiënisch vuil', en 'parelproteine in je shampoo'? Laat me niet lachen...

Net zo min als knoflookcreme fris kan zijn, kan er proteïne mijn haarschacht binnendringen en mijn haar 'herstellen', zelfs niet 'van binnenuit'. Net zo min als een zelfevaluatie onder krap dertig mensen representatief is, schiet mijn huidige wasmethode in hygiëne tekort. Shampoo en geluk hangen niet samen, tenzij je een clochard bent. Geluk zit niet in een flesje, al draagt de reclameboodschap dat nog zo hard uit. En wie daar wel in trapt, zou na moeten denken over de aanschaf van een CommonSensolator©. Dé oplossing waar je nog nooit van gehoord hebt, voor problemen waarvan je niet wist dat je ze had.

dinsdag 14 september 2010

Euvel

Van alle gekke mensen die ik heb ontmoet, is de man in mijn onderstaand relaas één van de gekste, en in ieder geval de meest vrijpostige. Dit verhaal is zo absurd dat ik zou wensen dat ik het verzonnen had, maar helaas is dat niet zo. Zet u dus maar schrap.
Laat me eerst iets uitleggen. Ik woon bij een brug, en als ik ergens heen wil, moet ik eerst de heuvel over. Het is geen steile heuvel, maar zoals iedereen fiets ik het laatste kwart vóór de top altijd langzamer dan het eerste kwart. Om het eerste kwart vanaf de top natuurlijk razendsnel af te dalen.
Zoals in iedere buurt gebruikelijk is, kom ik regelmatig dezelfde mensen tegen op straat, in de sportschool of tijdens het boodschappen doen. Met sommigen van hen heb ik ooit kennis gemaakt, anderen kom ik alleen maar tegen, terwijl ik verder niets van hen weet, en zij niet van mij.

Een van die nietkennissen die ik vaak, en altijd op de heuvel tegenkom, is een man die ik de billenfluisteraar heb gedoopt. Dat komt hierdoor: hij mompelt iedere keer als ik hem tegenkom iets obsceens dat slechts door mij wordt gehoord. Wij komen elkaar immer tegen op verschillende punten op de heuvel. Soms ben ik aan het klimmen, soms ben ik aan het dalen en soms zien we elkaar op de top, maar er komt altijd iets onbetamelijks uit zijn mond. De man is een jaar of vijftig, heeft rossig-blond haar en een vlekkerige huid. Voor zover ik kan inschatten is hij ook niet al te groot. Hij heeft een Gaastrajas en een dure fiets met veel versnellingen, ongetwijfeld Batavus Citytrip Pro genaamd. Wij zien elkaar al een jaar, maar zijn uitroepen zijn iets van de laatste maanden. Ik houd mijn gezicht echter altijd in de plooi, ongeacht wat hij roept.
De eerste keer was ik bijna boven en hij was net begonnen aan zijn afdaling. Ik probeerde mijn ademhaling weer onder controle te krijgen, toen hij me passeerde. 'Knap meisje!' riep hij in het voorbijgaan. In de anderhalve seconde dat wij elkaar passeren kan er niet veel gezegd kan worden. 'Knap meisje!' is nog best een leuke invulling van dat korte tijdsbestek, daar het niet obsceen of beledigend is. Bovendien kent hij mij niet; hij is mij niets verschuldigd en hoeft hij dit niet te zeggen. Maar ja, dit is een grote stad vol vrijpostige mannen, dus ik zocht er niet teveel achter.
Op een schone zondagmorgen fietste ik weer eens nietsvermoedend over de brug. Ons tête-a-tete vond ditmaal anders plaats: ik fietste naar boven, hij haalde mij van achteren in, en riep: 'Mooie billen!' Eerst moest ik een beetje giechelen (hoe kun je mijn billen nou goed zien als ik op mijn zadel zit?) en daarna zag ik, dat het de billenfluisteraar was. Een paar weken gingen voorbij vóór ik hem weer zag, wederom op de top. Deze keer was ik voorbereid. Ik keek hem recht aan en trok mijn wenkbrauwen op. Het hield hem niet tegen. 'Ik wil met je afspreken!' Verbluft fietste ik door. Er volgen nog een paar ontmoetingen, waarin hij alleen maar dingen over mijn billen zei, ook als ik hem frontaal naderde.

Wat denkt hij nou, dat ik zal afstappen, hem zal omhelzen en zal zeggen: 'Oh, heerlijke Gaastradwerg, ik dacht dat je het nooit zou vragen! Kom hier en leg je vlekkerige handen op mijn Maagdenburger Bollen, jij zalige dekhengst!!!' Helaas voor hem. Op een tochtige romance met een overjarige psoriasisplayboy zit ik niet te wachten. Maar wat drijft hem dán?
Die vraag, lieve lezer, werd zojuist luid en duidelijk beantwoord.
Op weg naar mijn spinningklasje kruisten onze wegen elkaar weer. Wat ik toen te horen kreeg was zo expliciet dat ik me afvraag waar ik het aan verdiend heb, daar ik nooit heb gereageerd op zijn eerdere leuzen. (Misschien was dat het juist.)
Wat hij precies riep kan ik hier uit fatsoen en afschuw niet herhalen. Laat ik volstaan met te zeggen, dat hij slechts het vleselijke deel van een romance in gedachten had, en me dat in niet mis te verstane bewoordingen te kennen gaf, door gebruik van een woord dat rijmt op keuken. De rest kunt u vast zelf invullen. Een taak die mij welwillend uit handen is genomen...

Ik maak heel wat mee in mijn leven, maar dit gaat echt ver. So much voor 'knap meisje!' Wát een goorlap! Het moet gezegd worden, als hij me had willen verrassen, is dat gelukt. Zoveel lef van het verkeerde soort zie ik zelden in één persoon. Ik ben benieuwd waar hij de volgende keer mee komt: het glazuur is immers al vergeven. Erger dan dit kan eigenlijk niet. Ik denk eraan om iets obsceens terug te roepen, maar voor je 't weet pikt 'ie dat op als een hint. Bovendien moet ik me niet zo verlagen.
(Al heb ik dat een keer gedaan, maar dat was bij een hitsig jongetje van vijftien, in Canal Island. Kies iemand van je eigen leeftijd gold voor ons allebei – maar het werkte.)
Ik denk dat ik mijn stoïcijnse houding maar gewoon door ga zetten. Op die manier houd ik de eer tenminste aan mijzelf. Ik zal hem zó ijzig aankijken dat hij de ijspriemen tot in zijn eigen schonkige achterwerk voelt, dwars door zijn City Pro-zadel heen. Zitten zal hij, de schurftige hond... Tot hij roept: genade, heer! Oh, wat doet mijn gatje zeer!

maandag 13 september 2010

Carbon

Recentelijk heb ik mijn kast opgeruimd. Ik bewaar graag dingen voor je-weet-maar-nooit, maar opruimen is bevrijdend. Bovendien ben ik kleinbehuisd en komen er nog steeds dingen bij. Om te voorkomen dat mijn kamertje dichtslibt met spullen, moet er af en toe wat weg.
Mijn broer stuurde me vorig jaar een link met een sketch van komiek George Carlin. Ik kende hem alleen als Rufus uit Bill & Ted's Excellent Adventures, maar hij was blijkbaar ook comedian. In het stuk spreekt hij over de waarde van stuff en ik moet zeggen, hij heeft een punt. Ik heb veel spullen, maar de dingen die er echt toe doen zijn op één hand te tellen. Okee, vier handen dan...
(Voor de liefhebber: http://www.youtube.com/watch?v=MvgN5gCuLac)

Naast een hoop dingen die ik beter nog niet weg kan gooien (recente studieaantekeningen, readers die nog van pas kunnen komen, teksten waarvoor ik naar Amsterdam moest reizen, rekeningafschriften) heb ik een hoop dingen waarvan ik het niet zeker weet (aantekeningen van vakken uit mijn eerste jaar, foto's met inmiddels ex-vrienden m/v, vergeelde krantenartikelen, bewaartijdschriften uit 2008) en artikelen die zeker weg mogen (voor 5/6 opgebruikte te dure en niet-werkende conditioner, afgedragen maar zeer mooie slippers, armbandjes met kapotte sluiting, postzegels in guldenvaluta, verdroogde nagellak, de gebruiksaanwijzing van mijn vóórvóórlaatste printer.) Voor kleren geldt hetzelfde: alles wat té versleten is gooi ik weg, de rest gaat in de zak van Max. Te groot, te klein, verkeerde kleur, verkeerde snit, verschoten: ik haal het voorgoed uit m'n kast. Opzouten met die hap. Mijn kamertje is echt klein, maar ik sta versteld over hoeveel meuk zich kan herbergen op die paar vierkante meter. En ik woon er nog niet eens zo lang. Ik kan sommige van mijn spullen op marktplaats zetten, maar 1) ik heb geen camera en 2) dan moet ik ze toch weer herbergen tot ik een koper vind. En ik wil het juist NU kwijt, weg, uit mijn blikveld, optieven, schuif, pleite. De enige oplossing: een paar vuilniszakken (en een witte van humanitaritas kledinginzameling) en ik ben weer gelukkig.
Net zo gelukkig als ik was toen ik al die spullen kocht. Want ooit was ik dolblij met mijn te dure conditioner, kon mijn dag niet meer stuk na het kopen van dat bleekroze heb-je-griepvest, die veel te hoge hakken, die afschuwelijke paarse sjaal, en voelde ik me de koning te rijk met mijn plastic Titanic-hartketting. Ooit heb ik ze aan mijn boezem gedrukt, maar nu wil ik ze uit mijn leven, en liever vandaag dan morgen.
Als kinderen krijgen zo'n zelfde illusie herbergt, moet ik misschien maar kinderloos blijven. Met als verschil dat kinderen meegroeien met hun ouders, terwijl de meeste spullen niets méér kunnen herbergen dan herinneringen. Herinneringen die met de tijd vervagen of juist beter, zoeter of bitterder kunnen worden.
Wat moet ik bijvoorbeeld doen met mijn eerste paar Dr. Martens, die hun gelijke in comfort tot op de dag van vandaag nog niet hebben gevonden? Ik kreeg ze voor de eerste dag op de middelbare school. Ze waren duur, maar hebben hun waarde zowel nominaal als emotioneel ruimschoots bewezen. Op deze schoenen liep ik talloze kilometers, ze hebben schoolkampen meegemaakt, hete zomers, natte winters en maar liefst tien van mijn verjaardagen, waarvan vijf op mijn schoenenkastplank. De zolen zijn afgesleten naar mijn specifieke looppatroon en voetstand, de stiksels laten los. De veters rafelen. Ik pas ze nog weleens, maar ze zijn niet meer representatief, noch waterdicht.
(Dat eerste waren ze na drie jaar al niet meer, maar dat hield me toen niet tegen.)

Ik heb, jawel, van deze schoenen gehouden, en er een hoop op beleefd. Dag en nacht droeg ik ze, met zwarte veters erin, met elastiek en hartjeskralen, zonder veters, onder broeken, onder rokjes, op scouting, tijdens het uitgaan, tijdens het winkelen, naar familie. Zomer of winter: ik droeg ze. Uit mijn klas en jaar was ik één van de eersten die ze had en de connotatie met het altodom was mij nog onbekend. Ik had licht glimmende zwarte in het klassieke halfhoge laarsmodel en die waren nog redelijk normaal: om mij heen zag ik limited editions met de Union Jack erop, en iemand die ik kende had de hare zelfs goud geverfd. Na een jaar kreeg ik nieuwe, maar die liepen niet zo lekker, dus ik trok ze niet aan. Het jaar erop kreeg ik blauwe, maar ook die haalden het niet bij mijn eerste paar. De pogingen van mijn moeder ten spijt, hield ik vast aan mijn afgetrapte, heerlijke laarzen.
Waarschijnlijk zal ik nooit meer een paar vinden dat even lekker loopt. En dat hoeft ook niet. Inmiddels ben ik de Dr. Martens als schoensoort ontgroeid. Weggooien, dat gaat echter te ver. Maar wat moet ik er dan mee? Ik had ooit bedacht dat ik ze wilde laten vergulden. Misschien moet ik eens achter die mogelijkheid aan. Want als er één voorwerp verbonden is met mijn acht jaar durende rite de passage van kind naar volwassene, zijn het die schoenen.
Ik heb twee vuilniszakken vol gesprokkeld, tjokvol met meuk. Kralen, hotelzeepjes, afgedragen gympies, halflege deoflessen, haarproducten die mijn haar kroes en stug maken, oude bonnetjes van apparaten die het al hebben begeven. Uitgebeten sportshirtjes, hoe-word-ik-gelukkig-gidsjes (ik wéét inmiddels waar ik gelukkig van word –schoon schip maken) oude verjaardags – en ansichtkaarten, een kaart van Den Haag, een verloren waxinelichtje zonder huls, kerstverlichting met kapotte lampjes, een frisbee en een make-uptasje zonder spiegel. WEG ERMEE, en snel.

Mijn Dr. Martens, die blijven. Ze hebben me letterlijk op de voet gevolgd, overal naartoe en vooral weg van alles, en die herinnering is sterker dan opruimdrang en schoonschipperij samen. Dat ik inmiddels relativeringsvermogen heb verkregen en zij niet, is geen reden om ons verbond te verbreken. Wij zijn samen ouder geworden, wij zijn samen gegroeid, en zij hebben de barsten en rimpels gekregen. Zij zijn voor mij gestorven, samen met mijn puber-ik. En nu zijn het slechts twee gehavende herinneringen aan een zware, mooie, zware tijd.
Ik kan ze niet weggooien. Zij zorgden voor mij, nu zorg ik voor hen. Ik zal ze koesteren als waren het mijn eerstgebore. Al worden die tegenwoordig bij bosjes de zolder op geslingerd en rücksichtslos begraven, ik zal de mijne inbakeren en vertroetelen. Een likje ledervet, naald en draad, een dotje schoensmeer, een paar nieuwe veters en ik kan ze met trots tentoonstellen naast de hooggehakte Louboutins die ik nog niet heb. In schoonheid doen zij in mijn ogen niet voor elkaar onder; vinden moeders hun eigen baby´s niet altijd het mooiste?

woensdag 8 september 2010

Doop

De auteur is dood. Eén van de eerste lessen binnen de literatuurwetenschap, gemeengoed sinds 1968. Met dank aan Roland Barthes, die stelt dat de betekenisgeving van een tekst bij de lezer ligt en niet bij de auteur. Het gaat er dus niet om wat een auteur met een tekst bedoelt, maar wat de lezer er uit opmaakt. Bevrijdend, voor beide partijen, want nu hoeft de auteur zijn intenties niet meer uit te leggen en kan de lezer interpreteren wat hij wil.
Ik pas er voor op, een auteur te vereenzelvigen met zijn werk: dat kan gevaarlijk zijn, omdat je dan je ogen sluit voor de fictie en de opsmuk van een tekst. Narratief maakt een tekst leesbaar. Op het moment dat je een ervaring optekent, pas je er al kunstgrepen op toe die de ervaring-op-schrift en de werkelijke ervaring uit elkaar drijven. Dat is niet erg, maar het worden daarmee wel twee verschillende dingen.
En dan is er nog de persoon achter de tekst. Hoe harder een auteur roept dat hij zijn hoofdpersonage niet is, hoe minder we ervan geloven. Als Barthes' theorie echt postgevat zou hebben, zouden auteurs in interviews namelijk niet meer vragen krijgen als: 'wat heeft je doen besluiten om dit boek te schrijven?' 'je protagonist heeft zijn moeder verloren. In hoeverre is het overlijden van je eigen moeder van invloed geweest op...' 'al je personages hebben geldingsdrang, heeft de slechte band met je vader daarmee te maken?'
Wij willen jus. Wij willen sappige, borrelende details. Wij willen weten waar de wegen 'auteur' en 'tekst' samenkomen en divergeren. Een boek over een gruwelijke kindermoord is pas geoorloofd als de auteur de moord zelf gepleegd heeft. Anders -en alleen dán - vinden we hem ziek en luguber. Een jonge, vrouwelijke auteur die als hoofdpersoon een man van middelbare leeftijd heeft, verdenken wij van Electracomplex en hechtingsproblemen. Tien tegen één dat ze een affaire heeft met een oudere man. En natuurlijk schrijft Leon de Winter over Joodse identiteit. Wie heeft er meer recht van spreken dan een Jood? Sterker, het is alleen aan hem toegestaan. Een goj die dat probeert zal worden weggehoond en verguisd, al is hij misschien beter op de hoogte van de wetten van de Thora dan de meest fanatieke Chassied. Kijk naar wat er met de reputatie van Jeroen Brouwers gebeurde toen de waarheid van Bezonken Rood werd onderzocht. Zijn tekst, die voor het gemak tot getuigenis werd verklaard, klopte niet met verifieerbare feiten, dus was hij een sensatiezoekende leugenaar. Terwijl hij toch nooit beweerd heeft, een 'waarheidsgetrouw' verslag te hebben gedaan.

Biografische informatie kan er wel toe dóén – de auteur hoeft niet helemaal buiten beschouwing te worden gelaten. Zoals ik in een Franse bistro het liefst geholpen wordt door een klein gebruind mannetje met een dunne snor, vlugge manieren en een licht accent, is een semi-fictief boek over een persoonlijke ervaring voor mij geloofwaardiger als ik weet dat het is geschreven door iemand die de ervaring zelf heeft gehad. Dat de 'fransoos' eigenlijk een Pool is met een mantan, een spraakgebrek en een zwarte viltstift, maakt me niet uit. Ik wil graag geloven dat hij alles weet van slakken en stokbrood, méér dan de gemiddelde Spanjaard, omdat hij fransig aandoet. Dat komt door mijn aangeleerde hang naar causaliteit en narratief– en velen delen dit met mij.
Dit is ook de reden dat veel debuutromans autobiografisch zijn: het is makkelijker om inspiratie op te doen in je directe omgeving. Veel schrijvers komen vervolgens dan ook niet over hun debuut heen: de autobiografische bron is immers niet onuitputtelijk. Toch denk ook ik, dat de beschreven ervaring van het missen van een been accurater beschreven wordt door iemand die zijn been inderdaad verloren heeft. Ik heb het nu niet over de waarheid van de narratie zelf, maar over de stilzwijgende neiging de auteur en zijn tekst op één lijn te zetten.
Mensen met twee benen kunnen geen waarheidsgetrouw verslag doen van het leven met één been, is de gedachte. Maar als lezen om de beleving van de lezer draait, en de auteursintentie en de persoonlijke historie van de één- danwel tweebenige auteur buiten beschouwing moet worden gelaten, waarom zou dat dan niet kunnen?

Wij draaien de auteur met liefde een dikke Bram. De auteur is helemaal niet dood, de auteur zit, dankzij de lezer, vast in het voorgeborchte. Als hij weigert interviews te geven, worden zijn boeken niet verkocht en is hij een pretentieuze kwast. Als hij ontkent dat zijn protagonist op hem gebaseerd is, geloven we dat niet. Als hij het niet ontkent, verwijten wij hem een groot ego en one-trick-pony-ness. De lezersverwachting ontziet niemand. Boudewijn Büch zou zich omdraaien.