woensdag 31 oktober 2012

Rover

'Mag ik u vervoersbewijzen zien alstublieft!' Ik weet uit ervaring dat dit een vraag zou moeten zijn, maar zo klinkt het niet. Zelfs conducteurs maken van deze zin intonatiegewijs nog half een vraag, al is het zien van dat blauwe uniform met rode accenten voor de meeste reizigers al genoeg signaal. Als de vrouw bij mij is vraagt ze mij hetzelfde. 'Uw vervoersbewijs. Reizigersonderzoek. Uw kaartje graag. Uw kaart.'

Lieve lezer, ik ben weliswaar moe, maar haar niet slecht gezind. Niettemin is dit de zoveelste keer dat mij om mijn gegevens wordt gevraagd – ik ben benieuwd naar wie ik die informatie verstrek. Dus ik vraag het.
'Waar is dit voor?' De vrouw kijkt me geërgerd, aan en geeft me een blik alsof ik heb gezegd dat ze naar rotte eieren stinkt. 'Ik scan alléén de code!' snibt ze. Dit is in geen enkel opzicht antwoord op mijn vraag. 'Ja, en wat gaat u met deze gegevens doen?' waag ik het nog eens. 'Ik kán uw gegevens niet ziehien, ik scan alléén de code op uw kaart, dusss....' De vrouw is duidelijk ontstemd en heeft plotseling vreselijke haast om weg te komen. Maar toen ze mijn kaart scande, had ze die haast nog niet, dus ik denk dat ze nog wel even een minuut voor me op kan brengen. 'Voor welk onderzoek gaat u de gegevens gebruiken?' varieer ik maar. 'Ik heb alleen uw code gescand,' sist ze tussen haar tanden, en haar ogen beginnen uit te puilen. Het lijkt me stug dat ik in al die treinen waar zij loopt de enige passagier ben die een vraag stelt, en geeneens een kritische, maar een belangstellende. Het lijkt me stug dat ze dat op de herintrederstraining niet behandeld hebben, de reden van deze dataverzameling.

De vrouw blijft echter doen alsof ik niet mee wil werken aan het onderzoek, waarmee zij mij op haar beurt ergert. 'Er is niets van u bekend, ik kan uw persoonlijke gegevens niet inzien, dusssss....' Ik heb mijn medewerking echter al verleend en bovendien heb ik een abonnement: de NS weet allang wanneer ik op welke trein stap, hoe laat ik reis, welk traject ik het vaakst afleg, en waar ik in- en uitcheck. Als ik niet mee had willen werken met het onderzoek, had ik gewoonweg vriendelijk bedankt. (Je kunt je afvragen waar zo'n onderzoek, zogenaamd anoniem, overigens überhaupt dan nog voor nodig is, aangezien ze, met een grote Z, reisgewijs alles al weten. Maar 'anonimiteit' is een geruststellend woord.)

Punt is wel dat ik mijn kaart, die bij tijd en wijle in contact staat met mijn bankrekening en veel van mijn andere persoonlijk gegevens, nu heb laten scannen door een vrouw van in de zeventig die zich niet legitimeert, geen herkenbare Rover-, NS- of Prorail-poncho draagt en daarnaast ook nog eens onvriendelijk is, terwijl zij het is die iets van mij nodig heeft. Ik sta mijn gegevens af en krijg daar geen vergoeding, noch informatie voor terug. Wie deze persoon is, wat zij precies heeft afgelezen, wat de vervolgstappen hierop zullen zijn, van wie het onderzoek uitgaat en wie haar de autoriteit heeft verschaft om mijn kaart min of meer op te eisen zijn vragen die door haar slechts met een paar rollende ogen en houd toch je KOP!!!-blikken worden beantwoord.

'U weet het niet,' stel ik nu maar een 'vraag' vast. 'Nee,' geeft de vrouw toe. 'Het is voor onderzoek,' gooit ze er triomfantelijk uit. Bedankt, zo ver waren we al, zus. 'Welk onderzoek?' Ik krijg een zucht. De vrouw begint kreten te spuien. 'Onderzoek. Onder reizigers. Reizigersonderzoek. Het Ministerie, het Ministerie van Verkeer en Waterstaat!' Oh, dáár kom ik verder mee. Het is niet dat ik zo graag wil zeiken, maar ik stel een doodnormale vraag en haar vaagheid ergert me. Ik snap best dat ze niet voor de lol op haar vrije woensdagmiddag die forensentrein induikt, maar als zij al niet weet wat ze doet, waarom zou ik er dan aan meewerken? Coherentie en causaliteit zijn blijkbaar niet de speerpunten van de training geweest. 'Wat onderzoeken ze dan?' 'Het is voor onderzoek,' herhaalt de vrouw. 'Het wordt óók gepubliceerd!'

Godsammezegenen, zeg. Het wordt ook gepubliceerd...nou, dolletjes! Blijkbaar boezemt dat haar ontzag en troost in, maar ik ben er niet van onder de indruk. 'Wáárrrr. Dan?' vraag ik haar scherp. Ik zie wel dat ze het helemaal gehad heeft met me, maar er is geen weg terug. Nu wil ik het weten ook. 'Dat weet ik niet!', krijst ze. 'Op internet!'

Okee. Ik geef het op, nu is het mijn beurt om te zuchten. Wat ik vooralsnog heb laten roven, lezerlief, is mijn gemoedsrust.

donderdag 18 oktober 2012

Parel (2)

(De aanleiding van dit verhaal? Lees Parel (1), de prequel)

Nog steeds hoeft een man maar een stem als een klok te hebben of een goede volle haardos en mijn baarmoeder maakt een sprongetje. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat ik al twintig jaar intens verliefd ben op Eddie Vedder. There, I said it.
Is hij de oorzaak van mijn voorliefde, de aanstichter of het meest sprekende voorbeeld? Ik weet wel dat toen ik het lastig had, Ten de enige cd was die in mijn discman zat (mijn discman, u weet wel) en ik vurig bad tot een god en alle amoureuze beschermheiligen om me een Eddie te zenden. Hoewel Eddie al vroeg van de markt was (ik wil niet zeggen gelukkig getrouwd, maar toch) en vooralsnog geen drank- of drugsverslaving heeft moeten overwinnen vind ik hem toch heet. Hij moet het, eerlijkheidshalve, niet hebben van zijn geweldige gitaarspel. (Daar hebben we namelijk John Frusciante voor, die zelfs als bleke, hologigie junk of hell, als vrouw, nóg briljant is.)
Hij moet het niet hebben van zijn statueske postuur of gave capriolen on stage. En dat hoeft misschien ook niet: Eddie heeft aan zijn stem genoeg.

In dat opzicht heeft Pearl Jam met het label grungeband misschien geluk gehad; in het begin van de jaren negentig was zwarte nagellak en mannenkohl nog echt iets uit de metal-hoek en niet bedoeld voor mainstreambands-die-niet-mainstream-wilden-zijn. De meeste grungers (vergeef me, ik ben eigenlijk te jong hiervoor) waren daarnaast te druk bezig met boos en ongewassen zijn om hun nagels te lakken. Maar toen ik de beelden van Pinkpop '92 nog eens bekeek vroeg ik me af hoe het kon dat Eddie, langharig en jongensachtig, zo'n stem uit zijn longen kon persen. Hij zag er bovendien helemaal niet ongewassen uit.
Damn. Het zal maar de man zijn die je slaapliedjes zingt...en wás hij dat maar.... Duidelijk is dat hij zich in ieder geval meer met muziek dan met z'n imago bezig lijkt te houden en al is dat iets wat ieder bandlid zegt ( 'het ging ons altijd alleen maar om de muziek, we waren bekend voor we het wisten, we konden er eigenlijk niet zo goed mee omgaan, roem heeft bij ons nooit op één gestaan, we wilden gewoon goede platen maken, kweel, kweel, kweel') ik ben toch geneigd het van hem te geloven. Over zijn privéleven is niet zo vreselijk veel bekend, en ook de rest van Pearl Jam is zelden in opspraak geraakt. Geen drugs, precies genoeg politieke voorkeur, geen drank, geen pijpbeurten in auto's of overspelige schandalen.
Sommigen noemen dat saai. Anderen consistent. Maar de glans van die l'oreallokken moet ergens door in stand worden gehouden; bovendien is een drugsdood vréselijk seventies.

Toen een man in een kroeg mij vroeg wat ik op mijn Ipod heb staan, moest ik hem teleurstellen – die bezit ik namelijk niet. En ergens was ik bang dat hij me gek, een vieze alto en te nostalgisch zou vinden als ik 'Pearl Jam' zou zeggen. Zou het tot verder contact komen, dan zou dat toch niet lang geheim blijven, dus ik besloot het toch maar te zeggen. Het is ook niet alsof ik alleen maar Ten luister. Maar het is wel een album waar ik telkens bij terug kom, of ik nou verdrietig, boos, hitsig of blij ben. En stiekem vind ik Ten een album wat het best tot zijn recht komt als je alleen bent, zodat je mee kunt grommen. Hij had best mee mogen luisteren, hoor. Maar dan had ik wellicht minder van Eddie genoten.

Dus tot PJ Nederland weer een keer aandoet draai ik Ten grijs, terwijl ik uitkijk naar mannen met stemmen als klokken maar ongetroebleerde geesten. Het muzikantenleven is tenslotte één grote farce, en hoewel die crazy funky style gemakkelijk te romantiseren is, wil ik niet eindigen als Amy Winehouse. Of Jeremy.

(Een dergelijk einde was ook voor John Frusciante nabij. Benieuwd waar dit heengaat? Lees het, vrees het, in Parel (3)

woensdag 10 oktober 2012

Mo(n)sterd

Als fervent lezer en taalliefhebber doen sommige woorden mij pijn. Ik begrijp heel goed dat taal leeft en zoals veel levende dingen daarom verandert, maar aan sommige veranderingen kan ik niet wennen.
Ik heb begrepen dat toen de vroege voorloper van het Groene Boekje en de allereerste Van Dale nog niet waren verschenen, men zelf mocht bepalen hoe men het Hollandsch neerpende – of ganzeveerde, of liet optekenen, enfin, afijn... Het lijkt erop dat we terugkeren naar die tijd – zij het sneller in woord dan in geschrift. Ik kan daarnaast dan weer niet begrijpen hoe het komt dat hele volksstammen het traditionele (maar misschien is dat juist het struikelblok) Nederlands verlaten en massaal voor zichzelf bepalen (ja, dat kan dus, iets massaal voor jezelf bepalen) welke woorden ze willen gebruiken. Het onderscheid tussen straattaal, patois, pingtaal, streekuitdrukkingen, bargoens en Engels vervaagt, zeker waar het vervoegingen betreft. En omdat niemand meer schijnt te weten hoe het zou moeten – volgens het boekje – weet ik dat zo langzamerhand ook niet meer.

Wel erger ik me aan mensen (of moet ik personen zeggen?) die iets dat verkeerd (fout?) is gegaan nog een keertje overdoen en het resultaat nachecken, mensen die ergens aangeland zijn (om met een anglicisme aan te komen: wtf?) of met enorme zevenmijlslaarzen ergens doorheen fietsen. Ook van gezamenlijke collectieven en mensen die zich dingen beseffen word ik moe. Om maar te zwijgen over oneigenlijk gebruik van interpunctie en de apostrof (s'ochtends, gaan we weer s' iets drinken? me moeder heb gezegd beter niet) en personen die irriteren gebruiken waar ze ergeren bedoelen. Ook de heisa omtrent het koppel shock naast het perfect voldoende Nederlandse schokken kost mij hoofdbrekens: geschokt zijn verwordt tot in shock zijn (van: in shock verkeren) en vanaf daar de glijbaan af het moeras in:

het shockt me/ het is shockking (of erger: het is shockkend, Godbewaarme!)/ dat was me een shock!/ik was geshockt toen ik het hoorde.

Wát een woordenpoep. De nagel aan mijn doodskist, verdorie....

Andere fouten begrijp ik beter. Zambak, paddestoel, poszegel, schilpad, symptonen en zelfs percies zijn dingen die op papier niet snel verkeerd zullen gaan. (Het woord 'dingen' staat hier stilistisch, dat begrijpt u.) Maar sinds sjaal naast shawl mag en kado naast cadeau – een overblijfsel uit de jaren taggetig – moet ik over de spellingswijze van chagrijnig ook even nadenken. Gelukkig is het al snel goed: sjaggerijnig mag, chaggo kan ook, ontstemd is natuurlijk helemaal top en als ik sjagrijnig of zwaar klote neerzet weet óók iedereen wat ik bedoel. Maar gaat het daar om?

Hierover zijn de meningen wederom verdeeld. Natuurlijk begrijp ik de persoon die vertelt het enigste meisje uit de klas die geen laarzen had naar huis te hebben gebracht omdat hun geen soortement van laarzen te leen hadden. Ook kan ik wel wijs worden uit de bedoeling achter het schaamrood op de lippen hebben staan, ergens geen poot in zien, niets in de pap te brokkelen hebben of de ballen van de hoed weten. Maar duidelijker wordt er er niet van.

Eén troostrijk doembeeld: door dat niemand straks meer weet hoe het traditioneel gezien moet, kan en mag straks alles op het gebied van taal. Door de totale (en vooral complete) taalanarchie kan het spelen van de bereidwillige betweter je lelijk in den bil bijten. Daar kan geen Yellow Claw tegen op. Diegenen die hopen dat het Hollands blijft zoals het anno 1996 is vastgelegd, kunnen hun hart ophalen met de nog immer in trek zijnde papieren Van Dale. Voor andere kalveren is deze bron van kennis reeds een gedempte put. De mooiste verhaspeling om deze ontwikkeling te beschrijven las ik echter ergens op een forum (je zou wél en toch weer niet willen dat je haar had bedacht):

Maar dat is Abraham na de mosterd.

maandag 1 oktober 2012

Wol

Het bontkragenseizoen is weer geopend! dacht ik toen een sprietige Noord-Afrikaan me al zonnebloempitten kanend passeerde. Het was een dikke zestien graden – de jongen zou wel zweten – maar ik snap heel goed dat hij zoveel mogelijk profijt wil trekken uit zijn jas die hij vorig jaar voor veel geld heeft gekocht. Of daar ga ik dan maar vanuit.

Het toeval wil, lieve lezer, dat ik bijna nog doller ben op de winter dan op de zomer. Tegenover eindeloze zomeravonden vol rosé staan namelijk ik-wil-nog-niet-door-de-sneeuw-avonden vol rosé, de kans om ongemerkt in shape te komen en de tweede helft van december, waarin aan een stuk door wordt gefeest. Héérlijk.

De jongen met zijn krullen en zijn Woolrich-jas doet me denken aan mijn eigen winterjas, die na drie lange winters zijn beste tijd heeft gehad. Ik heb wat bij-jassen, maar mijn echte jas is nu werkelijk aan vervanging toe. En dat vind ik vervelend.
Net als bij je paar lievelingslaarzen ben ik er van overtuigd dat ik geen jas zal vinden die deze evenaart, en tegelijkertijd ga ik er toch maar naar op zoek. Bitter moet ik bekennen dat ik de collecties al angstvallig in de gaten hield. Het is niet zo dat de jas die ik wil zo opvallend of uitzonderlijk hoeft te zijn – ik wil juist graag een hele simpele, zodat hij overal bij past, stemmig is en ik kan variëren met accessoires. En juist dat, lieve lezer, is nog al een opgave.

Mijn ideale jas hoeft maar aan een paar eisen te voldoen. Hij moet van wol zijn. Hij moet single-breasted zijn. Ik raad iedereen met borsten boven een cuppie B aan om naar hetzelfde model te kijken, want double-breasted modellen maken gehakt van je taille (gesteld dat je die hebt, maar met een double-breasted is alle hoop sowieso verloren) en je lengte. (dito, en je hoeft maar naar Beth te kijken om te zien dat ik de waarheid spreek.
Hieruit vloeit natuurlijk voort dat hij goed getailleerd moet zijn – dat er überhaupt nog ongetailleerde jassen op de markt komen is te wijten aan de kindervingertjes van Rajesj, Yasmina en Laila die hun ogen al hebben verpest met werken in de fabriek, en bovendien niet weten wat een taille is, omdat die van henzelf naar buiten steekt als gevolg van rachitis, ze overdag niet buiten komen en hun eigen moeder altijd een nieuw kind in haar buik heeft.
Alleen voor vrouwen met een taille-heup-ratio van 1 of hoger maakt dit gebrek aan snit in een jas niet uit, maar dan nog verwijs ik naar het argument hierboven. Als je een bitterbal op stokjes bent – en met gewicht heeft dit niet per se te maken – betekent dat nog niet dat je er zo uit hoeft te zien.

Mijn jas moet niet te opvallend zijn: antraciet, marineblauw, mosgroen, in het ergste geval zelfs zwart. Fuchsiaroze, grasgroen of stemmig doch ziekelijk mosterd zijn aan mij niet besteed.(Ik ben bereid een uitzondering te maken voor kobaltblauw.)
Belangrijker: hij moet tot mijn knieën vallen.

(Dat is dus: niet tot op mijn billen (varkenspoten! dragonder-alert! om over dat optische achterwerk nog maar te zwijgen... ) niet tot halverwege mijn dij (drumstickbenen!) en niet tot halverwege mijn kuit (Summer Darkness, Blade). Tot op mijn knie.)

De revers moeten rustig zijn, in een V lopen en niet te kort zijn. Geen smerige Peter Pan-kragen, ouwelijke colkragen, kraagloze jassen, winterjassen met een boxing jacket-bovenkant, en absoluut géén ronde hals. Bontrandjes zijn al riskant. Ook asymmetrische lengten (achter langer dan voor, links-kort-rechts-lang of een kekke quasi-chique maar dodelijk onhandige overslag in terugvallende driehoek (met grote speld: BAH!) zijn uit den boze. Ik wil een symmetrische jas.

Verder wil ik zo min mogelijk opvallende details. Een fijne jaquard-print kan nog net, maar je bent al snel het meisje met die jas. Geen grove stiksels, contrastvlakken, geen grote zakken – en, nu we het er toch over hebben, by Jove, géén borstzakken. (Zal ik dat herhalen? Géén, géén borstzakken.)

Zo moeilijk is dat dus niet... U kunt zich de blijdschap voorstellen, reader-dear, die ik voelde toen ik twee jaar geleden een jas vond die aan dit alles voldeed. Hij was zo perfect dat ik vergat er twee te kopen. Een goede winterjas is een investering voor een jaar of drie als je geluk hebt en daarom het investeren waard, naar mijn idee. Voor de prijzen vans sommige jassen kan ik echter een heel schaap kopen en vervolgens de binnenkant nog verwerken tot tahine, koteletten, pittige worstjes, drankhoorns, waxinelichtjeshouders, haggis en wat dies meer zij. Ja, ik ben best bereid flink te dokken voor een goede jas, maar sommige winkels maken het bont, excusez les mots.

En nu moet ik dus toch voor de bijl. Ik heb nog even, kan nog een maandje toe met mijn zomerjas, maar dan begint de tijd echt te dringen. Ik ga vol goede moed op zoek, want ik weet dat het kan. En anders is het hopen dat het een Siberische winter wordt, zodat ik, met pijn in mijn al langzamer kloppend hart, comfort boven stijl kan laten gaan en een Woolrich-jas kan kopen. Die zijn toch al een beetje uit, dus dat scheelt weer in prijs. En ik kan mijn gezicht, mocht dat nodig zijn, altijd verbergen in die bontkraag.