dinsdag 31 augustus 2010

Stuifmeel

Waarom zeggen mensen hatsjie als ze niezen? Omdat ze niet meer terug kunnen naar het punt waarop ze niet wisten dat een nies zo moest klinken. Baby's niezen zoals ze willen niezen, daar komt geen hatsjie aan te pas. Ik hoor ook regelmatig niezen die worden ingeleid met de ha en dan komt de nies: tsjie!! Zoals het voor sommige mensen gemeengoed is geworden om te pas en te onpas sorry te zeggen (vooral vrouwen hebben daar een handje van, gatverdamme!) zonder er bij na te denken dat de verontschuldigende kracht van dit woord heus niet verloren gaat als je het heel vaak zegt. Zich verontschuldigend ook als er niets te spijten valt (waarmee ik verontschuldiging en spijt even op één lijn zet) sorriën zij zich door het leven. Als er iemand tegen hen aanbotst, zeggen zij sorry. Als ze iets niet weten: sorry. Als ze iets willen vragen, begint die vraag met: 'Sorry, weet jij...' en als ze ergens hun mening over geven zwakken ze die van tevoren af met: 'Ja, sorry hoor! Ik vind...'
De enige die niet zo goed in dit rijtje thuishoort is de 'Sorry, weet jij....?' Een verbasterd anglicisme, en daarmee eerder een beleefdheidsfrase dan een verontschuldiging. Per slot van rekening val je iemand misschien wel lastig met je vragen over het dichtstbijzijnde treinstation. En in deze tijden van zinloos geweld (want zinvol geweld bestáát!) kan het lonen, je bij voorbaat te verontschuldigen.
Lieve lezer, ik hoor u denken: wat heeft niezen met oververontschuldigen te maken? Simpel: je door het leven verontschuldigen is voor sommige mensen net zo'n gewoonte geworden als hatsjieën als ze moeten niezen. De sorryconnotatie heeft voor hen natuurlijk allang aan kracht ingeboet, wat haar in mijn opinie alleen nog maar versterkt. Hoe vreselijk moet het zijn, je voor alles wat je doet, zegt, denkt en bent, voortdurend te verontschuldigen – en dan nog onbewust ook! Hetzelfde geldt voor het woord maar en het woord gewoon die heel vervelend gebruikt kunnen worden. De sorriër die een punt (niet) wil maken, zal starten met: 'Ja, sorry, maar ik vind dus dat het gewoon moet kunnen...' (Let ook op de puntjes in plaats van een punt aan het einde van deze zin.)
De kracht van gewoon, gebruikt op die manier, ligt in zijn sluipdenigratie. Zonder het te weten, zonder het misschien te willen, is het woord gewoon meer bagatelliserend dan het woord maar verdedigend is. Ik ben geen taalkundige, en heb zeker oog voor de afwisselend stop/vulwoord-, verontschuldigings-, en tegenwerpingsfunctie die maar en gewoon kunnen hebben. Het zou ongenuanceerd zijn, krampachtig vast te houden aan een ooit-vastgestelde definitie van een woord en vervolgens mensen te veroordelen die met hun tijd meegaan. Spreektaal is aan minder regels gebonden, arbitrair en dus aan verandering onderhevig: niettemin dient het Groene Boekje als basis voor schrijf-en spreektaal. En – nu komt het – hoe kun je het met iets eens zijn en er vervolgens talig een tegenwerping ingooien? Ik ben het met je eens, maar het is wel zo dat...´
Muggenzifterij? Welnee. Ik pleit gewoon voor zorgvuldig taalgebruik. Taal is al genoeg vervuild met loze leenwoorden en uitdrukkingen (´toen had ik toch zoiets van ja´) en ik ben niet de eerste die dat opvalt. Vanuit bepaalde feministische kringen wordt gezegd dat het bestaan van vrouwen zoveel mogelijk moeten worden ontkend: ze mogen zich niet laten horen, zien, ruiken of gelden. ´Nette´ meisjes zijn inderdaad niet te aanwezig, hebben geen heftige mening, ruiken immer naar lavendel of vanille en zijn geduldig op het lethargische af. De vrouw die zich te weinig zo gedraagt, is een kenau, een manwijf, een pot of, erger nog, een ´stoer wijf/vrouw met ballen´ (gruwel!!) wat een zielige poging is om het traditioneel-stereotype vrouwbeeld te verenigen met het minstens net zo intrinsiek foutieve idee dat ´mannelijkheid´ en ´vrouwelijkheid´ in één persoon elkaar niet uitsluiten. Nogmaals: gatverdamme. De reden dat meer dan de helft van de sorriësten vrouw is, kun je hierin terugvinden.
Ik denk te zien dat een deel van dit talige probleem in sekse ligt, en ik ben niet eens een feminist. Ik ben niet tegen rolpatronen, en ik pleit voor gelijkheid tussen man en vrouw, op ieder vlak behalve het biologische. Tegelijkertijd doe ik moeite om een net meisje te zijn omdat ik onder meer zo ben opgevoed – en dat brengt, spijtig genoeg, bepaalde sociaal geaccepteerde ongelijkwaardigheden met zich mee. Tel daar nog bij op dat ik professioneel getraind ben in deconstructie (en verliefd ben geweest op Frantz Fanon en Michel Foucault) en u kunt zich mijn punt moeiteloos voorstellen. Het leven van een net meisje gaat niet altijd over rozen. Maar me excuseren voor mijn wezen, dat weiger ik gewoon te doen. Ik ben geen sorriëst en zal dat ook nooit worden. Voor valse verontschuldiging ben ik hoegenaamd allergisch. Hatsjie.

maandag 30 augustus 2010

Toergenjew

Afgelopen zaterdag ging ik weereens naar de Ekko. Na een encounter met een Bart, die naar een andere kroeg moest maar beloofde me te bellen, viel mijn oog op een groepje mensen. De meest opvallende twee van de groep waren lekker vrij aan het dansen – niet van dat laffe heupgeschud waar ik me schuldig aan maak, nee, Dansen met een grote D, dat deden ze. De jongen vond ik knap. Hij was lang en had een grote neus. En omdat ik Vaders en Zonen net uit heb, dacht ik onwillekeurig aan Basarov. De twee gingen in elkaar op. Ik nam aan dat ze een stel waren. Ik richtte mijn aandacht dus ergens anders op. Prompt kwam ik oud-klasgenoot Olivier tegen. Ik vond het oprecht leuk om hem weer te zien en groette hem enthousiast. Toen hij weg was kreeg ik van Basarov een blik die het midden hield tussen verontwaardiging en onbegrip. 'Hij is een oud-klasgenoot!' brulde ik ter verklaring in zijn oor. We raakten aan de praat. We spraken over filosofie, zelfmoord, en, hoe kan t ook anders, Russische literatuur. Het hart van Basarov lag bij muziek, zo zei hij. Mijn hart maakt muziek. Ik mocht er even naar luisteren en hij luisterde ook even naar het mijne. (volgens mij ligt zijn hart bij lyriek - dit terzijde.)
Na een hoop geschreeuwde conversatie en veel geknik en gelach (we stonden nog altijd op die drukke dansvloer in plaats van een rustigere plek op te zoeken) volgde een keurige liplock. Ik ben zuinig op mijn lippen, en hij was het waard. Toen de avond afliep en we besloten er een einde aan te breien verwachtte ik de geijkte uitwisseling van nummers. Ik vond hem leuk. Hij was slim, knap en had een stralende glimlach. Kortom, koffiesessiewaardig. Mijn hart maakt muziek; veeg me op!
De gelijkenis met hoe ik me Toergenjews Basarov voorstel lag in zijn grote neus (bref!) zijn kalme gelaatstrekken, zijn gentlemanachtige voorkomen, zijn intelligente antwoorden en zijn overweldigende persoonlijkheid. Niets dan positiefs dus. Ik wilde Basarov mijn nummer geven, maar hij weigerde. 'Ik vind je wel weer,' zei hij.
Liefste lezer, recentelijk heb ik verzucht dat ik graag gevonden wil worden. Echter, ik ben door schade en schande wijs geworden – voor sommige dingen krijg je maar één kans, en daarna is het echt over. Ook hier heb ik reeds over betoogd. Ik waardeerde het oprecht dat hij niet probeerde in mijn broek te komen (ja, tegenwoordig moet je zoiets waarderen als was het geen vanzelfsprekendheid) maar hoe groot zou de kans zijn dat we elkaar nog eens zouden treffen als hij de kans die ik aanbood niet pakte? Ik begon al aan mijzelf te twijfelen toen ik plotseling dacht: ach, waarom ook niet? Ik propageer het jagermodel eigenlijk al jaren: ik ben geëmancipeerd, heus, maar een beetje rolpatroon op z'n tijd is niet bah. Hoofse liefde is een groot goed. Nu staat er een jager voor mijn neus en het enige wat ik hoef te doen is als een dartele hinde weg te springen tussen de bomen. Maar ik wil blijkbaar niet springen. Ik blijf liever staan en laat me schieten als een sappige gazelle met glanzend traagbruine oogopslag en drumstickbenen.
Ik vraag u: sinds wanneer is jagen zo makkelijk? Hij heeft verdorie gelijk - het is ergens zelfs gênant dat hij het nog uit moet spellen. Ik doe er beter aan, me niet te gedragen alsof hij me afwijst. Het enige wat hij hiermee zegt, is dat hij bereid is, van de moderne conventies omtrent dit soort zaken af te zien en ze, voor de verandering, weer eens om te draaien. Basarov is niet voor niets een onderzoeker en nihilist - nogal wiedes dat hij de onconventionele aanpak prefereert. En dat zou mij, als zelfbenoemd opportuun postkolonialist, toch aan moeten spreken. In plaats van deze frisse benadering toe te juichen, laat ik me aan het twijfelen brengen. Terwijl hij daar toch allerminst aanleiding toe geeft.
Ik heb je vóór maandag gevonden. Ongeacht of hij dit waar kan en wil maken, word ik voor de zoveelste keer met mijn neus op de feiten gedrukt. No expectations, positief noch negatief, hoe moeilijk kan het zijn? Als hij goed genoeg zoekt, vindt hij me inderdaad wel.


(En voor de zekerheid zet ik mijn facebook tijdelijk op zichtbaar voor iedereen die lezen kan. Zelfs prins Charles jaagt met een scherpschuttersvizier.)

woensdag 25 augustus 2010

Roes

Van jongs af aan heb ik een zwak voor mooie teksten. Ik las en lees nog altijd graag, en al dat lezen heeft mijn rijke fantasie in de hand gewerkt. Ik kan me helemaal in vervoering laten brengen en zie, net zoals Susan Sonntag, het verband tussen tekst en erotiek. Zij stelt, dat als je een tekst leest, je er helemaal in mee moet gaan, je moet laten raken, en niet alleen moet lezen met je ogen, maar met je hele lichaam. (Voor de liefhebber: volg eens een college bij Hans van Stralen. Een erotische ervaring op zich, zo je wilt.)
Ik was altijd al aanhanger van die theorie, maar lees soms ook haastig. En net zoals bij een vluggertje, schiet de uitgesponnen sensualiteit er dan bij in. Tot het moment dat ik weer zo'n zwaar erotische tekst onder ogen kreeg. Een paar maanden geleden las ik Hafid Bouzza's De Voeten van Abdullah (1996) en Abdelkader Benali's Laat het morgen mooi weer zijn. (2005) Beide worden zij gerekend tot migrantenschrijvers, waar ik het als rechtgeaard postkolonialist niet mee eens ben. Hafid verhuisde op zijn zevende van Marokko naar Nederland en groeide op in Arkel. Niet in Amsterdam. Niet in Rotterdam. Niet, lieve lezer, in Dordrecht, die wereldstad. Neen, in Arkel. Als je spreekt over polderglamour, krijg je het vanuit Arkel toch in volle glorie mee. The next best thing is Spakenburg. Hafid loopt nu tegen de veertig en heeft in Amsterdam Arabische Taal- en Letterkunde gestudeerd. Zijn werk is bekroond met diverse Nederlandse literatuurprijzen. Belangrijker: hij heeft zijn puberteit in Nederland gehad. Migrant? Mais non.

(Breek me de bek niet open over Benali. Hij loopt hopelijk beter hard dan dat hij schrijft, en daar wil ik het bij laten.)

Omdat ik Benali en Bouazza naast elkaar las, viel het me op hoezeer Hafid de taal uitdiept. Ik praat graag over hem alsof ik hem persoonlijk ken, omdat ik graag zou willen dat dat zo was. De erotiek van zijn werk schuilt mijns inziens niet zozeer in de soms zeer impliciet expliciete seksscènes die hij beschrijft (degenen die Abdullah hebben gelezen weten waar ik het over heb) maar in de manier waarop hij schrijft. Ik denk zijn arabistenachtergrond duidelijk terug te lezen in de sensuele, erotische schetsen van een vol bord eten, een stuk groente of het een fles water. Ze hebben inderdaad wat weg van de oriëntalistische 1000-en-1-nacht-verhalen uit de sprookjesboeken uit mijn jeugd. Uiteraard werden daar geen seksuele handelingen in beschreven. Toch was er wel erotiek aanwezig, onstoffelijk natuurlijk, en onzichtbaar voor het kwetsbare kinderoog, dat zo'n kracht niet gewend is.
Ach, ik kan nog wel zestig verklaringen verzinnen voor mijn absolute adoratie, maar eigenlijk doen die er geen van allen toe. Ik ben verliefd op een briljante man van veertig, zo simpel is het. Na het lezen van zijn boek – slechts één boek was nodig, lieve lezer – wilde ik zo graag met hem slapen dat het pijn deed. Dat hij twee keer zo oud is als ik, geen rijbewijs heeft, kleiner is dan ik, loenst, en dat alcohol zijn spraak lijkt te hebben aangetast, kan me niet schelen. Dat de persoon achter de auteur, als je die twee wil scheiden, misschien niet lijkt op de auteur (acteur is dan misschien een beter woord) kan me evenmin schelen. Lieve moeder, ik had nooit gedacht dat ik een alcoholprobleem sexy zou vinden, maar Hafid...hij kan het hebben. Het maakt 'm eigenlijk alleen nog maar aantrekkelijker.
Ik ben geen bakvis, maar als ik hem op een borrel zou tegenkomen, zou ik al mijn principes overboord zetten en me zonder aarzelen aanbieden, in al mijn veelbelovende voluptueusheid. Ik heb nog nooit iemand gelezen die taal zo kan manipuleren als hij doet. En dat is vreselijk aantrekkelijk. Hij heeft ook veel poëzie en toneel geschreven (niet verbazingwekkend!) en ik zou hem mijn eerste salaris geven als hij me voor kwam lezen uit eigen werk. Gewoon een half uurtje, hij op een stoel, ik op een chaise longue, dertig minuten naar de hemel en terug.

Ik blijf het zeggen: ik houd van mannen die dingen goed kunnen. De link naar vleselijke lust is gauw gelegd, omdat veel van Hafids boeken seks bevatten. Het is echter niet de seks an sich die me aantrekt, maar de manier waarop hij taal sexy maakt. Hij kneedt, hij schaaft, hij laat de woorden door zijn mond lopen als een vinoloog op dreef. Het is makkelijk om hem af te doen als een Arabisch georiënteerde Anais Nin. Daarmee doe je hem geen recht. De kern van zijn briljantie ligt niet in seks, maar in de erotiek van de woorden eromheen.
Verheven boven de Dimitri Verhulstachtige explicietheid van aardse, stinkende lichamen en rottende voortplanting. Verheven boven de verplichtende, bijna dwangmatige Giphart-seks. Het gáát niet om seks. Het gaat om de erotiek van taal, lijven en mensen staan daar los van. Het spel dat hij met taal speelt is zo doordacht en schijnbaar zo moeiteloos pákkend, bref, mon Dieu, dat ik geen schijn van kans maak als ik me ertegen probeer te verzetten. Hafid schrijft letterlijk in erotiek van het zuiverste water en ik til mijn voeten maar al te graag op. Ik ben verliefd, verliefd op deze heerlijke auteur, die mij met één pennenstreek tot grote hoogten brengt. Het topje van mijn linkerpink voor een half uur met Hafid...

dinsdag 24 augustus 2010

Vandaag

Zondag hadden we een neven- en nichtendag gepland in restaurant Vandaag. Het concept wat daar beproefd wordt is dat je twee uur lang toegang krijgt tot allerlei soorten eten – nouveau cuisine – en dat je daarna volgevreten je auto inrolt en naar huis gaat. Mijn broertje en ik gingen ook. We waren aangewezen op de bus. Tel daar bij op dat ik nooit precies weet hoe laat het is, en je kunt je voorstellen hoe ik haastig op hakken over het ribbelige station stiefelde, op weg naar het trefpunt. (wat móeten al die stomme ribbels daar eigenlijk? Zelfs geleidehonden hebben er toch niet zoveel nodig?) Uiteindelijk zaten we in de bus op weg naar Leidsche Rijn. Er ging een hele nieuwe wereld voor me open. De brug die Leidsche Rijn van de Vleutenseweg scheidde gaf zicht op een troosteloos, verlaten geheel. Het was natuurlijk zondag en deze ministad is nog in ontwikkeling, maar het zag er nogal spookachtig uit. Mooie appartementen, midden op braakliggende terreinen. Weinig groen, geen auto's, geen fietsers. Geen geluid. Chique, maar uitgestorven. De buschauffeur, een onwillige, niet al te snuggere Pool, zette ons een halte te vroeg uit de bus. Daar staan we dan, op een T-splitsing, vlakbij een industrieterrein. Blik naar links: snelweg. Blik naar rechts: snelweg! Wat nu?
Gelukkig zien we in de verte drie stipjes. Het zijn locals, en ze hebben een hond. Opgelucht lopen we ze tegemoet. Ze wijzen ons vriendelijk de juiste richting. We beginnen met lopen. De paar auto's die ons tegemoet komen, kijken naar ons, en draaien hun hoofden om tot we niet meer te zien zijn. Wij kijken zo goed en zo kwaad als we kunnen terug. Blijkbaar is dat hier gebruikelijk, en wij zijn niet te beroerd om ons aan te passen.
Na een minuut of tien zijn we er dan. We hebben gereserveerd, maar dat zie je aan de rij voor de kassa niet af. Om in het restaurant te komen, moet je een statige trap op, van ongeveer honderd treden. Vanaf tree vijftig staan er mensen te wachten. Gelukkig is er al familie binnen en kunnen we de rij omzeilen. Als we eenmaal een tafel toegewezen hebben gekregen, kan het Grote VoedselFest een aanvang nemen. Het is een soort van La Place, maar dan afgekocht, en niet alleen Europees georiënteerd – eerder oosters. Sushi en saté kunnen naast elkaar op je bord. Het restaurant zit bomvol en het eten wordt bereid waar je bij staat. Hetgeen rijen oplevert, gevuld met boos kijkende mensen die je hoofd zullen wokken als je voordringt. Iedereen die hier komt, heeft gereserveerd, maar sommige mensen zijn blijkbaar bang dat er voor hen niet genoeg eten zal zijn. Mijn eerste honger stil ik, duizelig van de massa, alle verschillende voedselsoorten en de vermoeiende reis, met wat simpele Belgische patat en een klein stukje kip. Voor de tweede ronde neem ik een stukje brood en verschillende oosterse liflafjes. Mijn maagwand begint al te protesteren – normaal eet ik niet zoveel. Maar mijn Hollandse geest fluistert me in: je hebt er voor betaald! Haal het eruit!!! Ik wip van mijn stoel en houd angstvallig mijn buik in, terwijl ik langs de etende gezinnen naar het dessertbuffet loop. Mijn bord hoef ik niet mee te nemen; als het leeg is, wordt het weggehaald door een ober. De jongen die onze tafel opruimt, is leuk en goed in zijn werk. Ik heb een zwak voor hem. We kletsen even en hij laat zich vaker zien dan strikt noodzakelijk – hij imponeert me met zijn behendigheid. Hij ruimt de tweede gang enthousiast in één keer af. We kijken elkaar aan met een als-dat-maar-goed-gaat-spannend-zeg!-blik. Ik zeg bemoedig-grappend tegen hem: 'Ik geloof in je, hoor!' Net als ik terugkeer van mijn tochtje, en mijn mond gevuld is met een flinke hap nougatine-ijs, duikt hij plotseling achter me op en grijnst: 'Ik heb niets laten vallen, dankzij jou!' Heel fijn, hot blondie. Good for you.
Een lichte pijn in mijn middenrif komt op, en ik besluit tot een kopje muntthee, voor ik mijzelf een maagruptuur bezorg. De vrouw vóór mij in de rij werpt haar koffie zonder scrupules over de man die haar per ongeluk aanstoot en vraagt daarna met quasiverschrikte ogen om een nieuwe koffie en een ober voor het opruimen. Met diezelfde blik kijkt ze mij aan als ze een nieuw kopje krijgt, en ik doe uit voorzorg een stap achteruit. Met een grote boog loop ik om haar heen, terug naar de tafel.
We zijn om kwart voor zes begonnen met eten: het is nu 19.44. Voor de tweede keer die dag schrik ik me wild als ik plotseling een stem bij mijn oor hoor bulderen. 'TOT WANNEER hadden jullie eigenlijk gereserveerd?!!!!!!!!!! Alsof je een oud boek openslaat, met zo'n door monniken versierde hoofdletter op iedere bladzijde. BAF!! Een blonde gastvrouw op leeftijd kijkt me met samengeknepen ogen en een bevroren glimlach aan. Ik zeg: 'Tot kwart voor acht. We vertrekken dan ook zometeen.' De vrouw snoeft, en zegt: 'Ja, graag, want weet u, de volgende groep staat alweer te wachten.... we willen afruimen en de tafel schoonmaken! De volgende groep.... ' Ze geeft een vage blik naar het buffet. Ik verwacht een dranghek vol dikbuikige rachitisbleekscheten met moordlustig hongerige ogen vol vliegen, maar de enige mensen die ik zie moeten óók binnen vijf minuten weg en proberen de kok nog even voor zijn centen te laten werken. Leidsche Rijn is de groeikern van de tweeverdieners, maar dat zie je er niet aan af. De gastvrouw kijkt naar mij, en dan naar haar horloge. Ze grimlacht. (= kruising tussen glimlach en grimas) De boodschap is duidelijk. We vertrekken. Broerlief en ik strompelen naar de bus, bij de juiste halte dit keer. Hoewel ik er geen bezwaar tegen gehad zou hebben om nu een stukje te lopen. Mijn broek knelt en mijn voeten zijn gezwollen. We ploffen neer op de stoelen en kunnen niet eens meer praten, zo vol zitten we. Ik fiets naar huis, rol op de bank en val in een diepe slaap onder het kijken van Lipstick Jungle. Nu weet ik wat leeuwen voelen als ze hebben gegeten. Vandaag is veel, heel veel.

maandag 16 augustus 2010

Dickens

Zojuist heb ik een borrel gedronken bij café de Poort. Mijn gezelschap was een zeer aimabele man, die mij een dag eerder vol durf zijn nummer subtiel toespeelde. Ik vind dat iedere man die zulk lef toont, een kans moet krijgen (grenzen bestaan uiteraard, maar hij viel er niet overheen) dus ik ging in op zijn voorstel. Ik was nog nooit bij De Poort geweest, ik moest het zelfs googlen.
Vol goede moed ging ik, frisbeokseld, subtiel geparfumeerd en gescrubd op weg. Om na een paar straten en een enkel stoplicht subiet rechtsomkeert te maken. Wat was er zo dringend? Deo in mijn oksels, serum in mijn haar, ringen om mijn vingers, maar ach, lieve lezer, geen make-up op mijn gezicht. Na een minuutje twijfelen besloot ik toch maar terug te gaan en de oh zo onontbeerlijke streep eyeliner langs mijn wimpers te smeren. Een wereld van verschil, al was het psychisch. Ik heb aan zelfvertrouwen geen gebrek, maar zonder make-up verschijnen op een eerste koffiesessie, nee, dat durf ik niet aan. Ik smste mijn date, en kwam uiteindelijk drie minuten te laat en lichtelijk verhit aan.
Na twee kopjes twee was t tijd voor een wijntje. Ik voelde me best op mijn gemak, de man in kwestie was zeer hoffelijk en deed zijn best, een goed gesprek op gang te houden. Ik was oprecht door hem geboeid en kromp slechts ineen bij de vraag 'waar kom je vandaan'. Hij meende het niet slecht, en stelde de vraag bovendien pas na twee uur praten. Niettemin vond ik het vervelend zoals altijd, temeer omdat ik hem had verteld waar ik vandaan kom. Ik kon mijn korzeligheid niet zo goed verbergen en voelde me tegelijk schaamschuldig over mijn reactie - hij kon niet weten dat het onderwerp 'waar vandaan' bij mij gevoelig ligt en ik het een irrelevante en impertinente vraag vind. Fijngevoelig als hij was, bemerkte hij mijn agitatie en stapte vlug over op een ander onderwerp. Opgelucht nam ik die uitgang aan, en probeerde hem erin te steunen. Helaas verbruidde hij het een nanoseconde later voor zichzelf door te zeggen dat ik 'leek op de Arubaanse vrouw van zijn collega', en dat hij daarom dacht dat ik 'misschien Arubaans was'. Poging mislukt. Ik nam nog maar een slokje van mijn wijn en lachte in schaapachtige ontkenning. Het is niet eerlijk mensen te pakken op iets wat ze onmogelijk kunnen weten. Ik probeerde over mijn griefje heen te stappen en het hem niet kwalijk te nemen. Ik had sinds het middaguur niets meer gegeten en ben geen drank gewend, dus het tweede wijntje steeg vrij snel naar mijn hoofd. Hij was oprecht onderhoudend, gezellig en charmant. Ik besloot mijn energie te steken in conversatie met enkele tong, in plaats van zinloos en onaardig gekaffer – excusez le mot. We spraken nog wat over koetjes en kalfjes, tot ik vreesde hem te schokken met mijn wat onsamenhangend verwoorde mening over arthouse – en dan vooral de onsamenhangendheid ervan.
Ik moest eigenlijk plassen, maar wilde hem niet laten wachten. Het idee was dat onze wegen zouden scheiden, ik de dichtstbijzijnde Mac zou opzoeken, mijn blaas zou ledigen en opgelucht naar huis zou gaan na een prima borrel met een prima man. Een van mijn vriendinnen raadt mij in dit soort kwesties vaak aan: no expectations. Wel, het werkte. Ik heb een hele fijne zondagmiddag gehad, een goed gesprek, een beetje zon en precies genoeg wijn. Mijn blaas werd danig op de proef gesteld toen hij me tot aan de Bijenkorf vergezelde, maar ook dit nam ik hem niet kwalijk. Er zijn belangrijkere dingen in het leven dan instant bevrediging van lichamelijke behoeften en ik voel me zelden zo op mijn gemak tijdens een eerste middag. Vergeleken met de blonde jongelingen waar ik mij recentelijk mee placht te omringen, was dit een welkome verademing. Geen inhaligheid, geen pressie, geen vrekkigheid, geen stekeligheden, geen seksuele toespelingen, niets van dat alles. Was het het leeftijdsverschil van ruim tien jaar, dat de druk van de ketel haalde? Was het de herfstachtige sfeer die om het terras heen hing? Was het de totale en oprechte onschuld waarmee hij me benaderde, of mijn verbazing over een man zonder zichtbaar Leitmotiv? Vaststaat dat ik het oprecht gezellig vond. Al zal hier verder niets amoureus uit ontspruiten, ontspanning zonder hoger doel is ook wat waard. Ik houd van mannen die dingen goed kunnen, zeker als ze uitblinken in conversatie. Gentleman-ness makes D. a happy girl.

vrijdag 6 augustus 2010

Blauw

Zoals ik al eerder heb verteld, was mijn eerste baantje verkoopster in een gegoede dameskledingzaak. Ik begon daar toen ik amper zestien was, jong en onbedorven. Mijn lijf had zich harder ontwikkeld dan mijn geest. Ik was niet achter of dom, maar wel naïef, met een kinderlijk groot moreel besef, vol extremen. Dat moreel besef kreeg een flinke opdoffer toen ik voor het eerst de man zag die me voor altijd zal bijblijven. Hij had de mooiste ogen die ik ooit had gezien, en de meest aimabele grijns die ik ooit had aanschouwd. Hij was van gemiddelde lengte, zijn ogen waren sprankelend donkerblauw, en zijn volle, donkere haar viel goedgeknipt langs zijn hoofd. Hij trok met zijn been. Vandaar mijn liefkozende bijnaam: Scheve Been. Wij zijn elkaar 'uit het oog verloren', en zou hem graag nog een keer tegenkomen, om bij te kletsen. Het punt was namelijk dat hij en ik elkaar troffen in de kledingzaak, en hij vaak een hoogblonde, wat vadsige vrouw bij zich had: zijn vriendin. Ze was klein, en had een wat gedrongen lichaamsbouw. Ze had best een knap gezicht, maar zou knapper zijn als ze dunner was en ze zag eruit alsof ze niet zo goed zonder make-up kon. Ze was ook weleens zonder hem in de winkel. Ooit hoorde ik een vriendin haar 'Lot' noemen. Mijn ietwat denigrerende geuzennaam voor haar werd dan ook Lottepof.
Inmiddels ben ik een hele goede verkoopster. Na een paar jaar daar te hebben gewerkt, weet ik alles van dikke en dunne stoffen, optische slankmakers, snitten, enzovoort. Helaas voor Lottepof kwam zij bij mij op mijn eerste dag. Mijn eerste, nerveuze, beangstigende dag. Haar wens: een zwarte broek. Had ik toen de ervaring gehad die ik nu heb, dan had ik haar gevraagd: netjes of casual? Met liflafjes of strak? Ruimvallend of aansluitend? Kort of lang? In plaats van dit alles sleepte ik naar beste eer en geweten alle zwarte broeken maat 44 en 46 naar beneden, in de hoop dat er iets tussen zat. Dat deed ik blijkbaar niet goed genoeg. Lottepof, die toen nog niet zo heette, keek me vorsend aan. Naast de opwinding die acht keer achter elkaar een trap op en aflopen met zich meebracht, raakte ik ook danig van mijn apropos van Scheve Been, die naast haar stond en grijnsde, en me spottend aankeek met die vreselijk blauwe ogen.
Maar, lieve lezer, misschien begrijpt u nog niet ten volle wat ik bedoel. Ik kon geen adem meer halen als hij naar me keek. Hij bracht bij mij een lichamelijke reactie teweeg waar ik zelf van schrok. Ik was zestien, misschien was het daar hoe dan ook wel tijd voor en was hij slechts aanzwengelaar van een hormonale storm, geen factor. Maar vanaf die eerste ontmoeting viel ik bijna flauw, iedere keer als ik hem zag. En zoals dat gaat, gedroeg ik me ook als een kluns in zijn bijzijn. Ik struikelde, liet dingen vallen, ik heb hem, mon Dieu, zelfs een keer gevraagd of er niets voor hem bij zat. (mind you, in een dameskledingzaak....) Mijn hart klopte wild, het bloed steeg naar mijn wangen, borsten en geslacht en heel mijn lichaam schreeuwde: HIJ IS HET!!!!! Lieve lezer, zelfs nu ik dit neertyp voel ik hoe mijn lichaam reageert, zo'n zeven jaar na dato.

De verhouding tussen Lottepof en mij was vanaf het begin verziekt. Ik voelde me, met mijn grote moreel besef, schuldig. Verliefd zijn op iemand die al bezet is, dat hoort niet. Tegelijkertijd kon ik niet tegenhouden wat mijn lichaam doormaakte. Hoe kon iets wat zo fantastisch aanvoelde zo fout zijn? Tot op de dag van vandaag weet ik niet hoe hij dit ervoer, maar ik had het idee dat hij het wel leuk vond, mij, de puber, totaal van slag te zien raken door zijn komst. Volgens mij lachte hij me toe en uit. Ik flirtte niet eens met hem, dat ging niet, want ik kon geen woord uitbrengen, druk als ik was met niet flauwvallen. Het was adoratie in alle onschuld. Lottepof vond het beduidend minder leuk. Mijn sympathie lag, vanuit mijn kinderlijkheid, nog altijd bij haar, hoewel ze me nooit groette en ook niet leuk tegen me deed. Als ik in de paskamer naden hoorde kraken kuchte ik zelfs voor haar. Immers, ik vond hem leuk, en zij was zijn vriendin. Ze verdiende dus het voordeel van de twijfel. En ik deed mijn best om hem niet leuk te vinden. Ik probeerde van alles; ik heb hem zelfs genegeerd, uit schuldgevoel. Daar heb ik nu spijt van, maar ik vond dat ik loyaal moest zijn aan haar.
Tot het moment dat ze me uitschold op straat. Ik liep met mijn broertje, die toen al langer was dan ik, en voor het ongeoefend oog misschien ook mijn vriendje had kunnen zijn, over de Langestraat, toen ik haar zag. Haar volle figuur – ze was een SpongeBob/Bitterbal op stokjes – in een zwarte broek (aha!) en witte blouse. Ik concludeerde dat ze serveerster was. Haar gezelschap was hetzelfde gekleed. Voor een groet ben ik nooit te beroerd, mits ik je op tijd herken. Bij Lottepof was dat laatste geen punt. Ik lachte al een beetje, ik 'kende' haar immers.
Ze liep vlak langs me, keek me vuil aan en siste: 'Bitch!'
Ik was verbijsterd. Ik was gekwetst. Ik was verbaasd, en ik besefte toen pas echt dat ze me als een bedreiging zag. Ik schatte haar een jaar of dertig, en als ze regelmatig samen winkelden, dan zou het met de relatie wel snor zitten. Als ik zo oud zou zijn, een vriendje zou hebben en een net-puber zou helemaal van slag raken, zou ik dat schattig vinden, en het hem gunnen. Of in het ergste geval hem niet meer meenemen naar de winkel. Maar dit... Lottepof liet zich zo wel vreselijk kennen. Toegegeven, ik mocht dan in ontwikkeling zijn, mijn lichaam was beter, (toen al!) mijn haar mooier, mijn blik intelligenter en ik was jonger. Maar zij had hem, en het kwam niet echt bij me op om daar tussen te gaan zitten, ofzo. Ik zou niet weten hoe, bovendien is dat mijn eer te na.

Ik ging studeren, verhuisde en nam ontslag. Ik dacht hem nog één keer te zien op het station, maar het was donker, ik was dronken en ik heb hem niet zien lopen. Inmiddels zijn we zo'n zeven jaar verder en ik zou Scheve Been dolgraag weer eens zien. Om te kijken of hij nog altijd diezelfde magische aantrekkingskracht op me uitoefent, of dat het een eigen leven is gaan leiden in mijn hopende, puberale, van hormonen gierende lichaam en geest. Om te kijken of hij single is, wat ik voor ons beiden hoop. Om hem te vragen, wat hij er nou van vond, en wat zijn echte naam is. Om hem te vertellen dat ik echt dacht dat ik van hem hield, al hebben we slechts vier woorden gewisseld. Om hem te vragen of hij in de soulmatestheorie gelooft.
Om hem te vertellen, dat ik wil kijken of ik de zijne ben.

woensdag 4 augustus 2010

Pindakaas

Sinds een tijdje bezoek ik mijn sportschool frequent. Dit om de tien centimeter rug die ik dagelijks krimp weer terug te halen. Ondanks mijn goed ingerichte, ergonomische werkplek (zachte, echte bureaustoel, laptopstandaard en extern toetsenbord) gaat het leven van mijn rug niet over rozen. Ik ben soms ernstig gefrustreerd en wil dat niet vasthouden in mijn lichaam. Bovendien wil ik voorkomen dat mijn spieren afsterven (okee, okee, ik overdrijf...) en ben ik geneigd meer koffie te drinken (met de bijbehorende koekjes) louter omdat ik in tijden van stress eten als buffer wil gebruiken. (´oh, het gaat niet. Mmh, dan eerst maar een ´kop koffie´...')
Om ervoor te zorgen dat ik en twintig kilo extra straks mijn diploma in ontvangst moeten gaan nemen (´het was een hele strijd, en je kunt de volgende alweer aangaan, zien we´ ) bezoek ik dus de sportschool. Toch ben ik er niet zo vaak als de stamgasten. Klef als ze zijn, praten ze met ieder meisje, maar ze zijn meestal veel te oud, hebben een oranje mantan of meer spieren dan hersens.

Meer in my league valt Bruine David. Hij is zeker niet knap, maar het beste van een hoop kwaden. Deze jongen (hemel ja, het is een jongen, ondanks zijn wat fatterige maniertjes) valt tussen de wal en het schip. Hij traint zelf niet, en geeft geen reguliere lessen, maar mag wel achter de personeelsbalie komen. Blijkbaar is hij personeel, maar niet in functie. Ik was wel benieuwd naar wat hij precies deed. Tijdens een hijgend gesprek – ik op de loopband, hij naast mij – verhelderde hij het een en ander; hij werkt als los-vaste fysiotherapeut-in-opleiding en helpt op individuele basis mensen bij het trainen. We spraken over koetjes en kalfjes. Bruine David ziet eruit alsof hij etnisch gezien Aziatische inmenging heeft: zeer bruine huid, laag neusbeen, schuine spleetogen, hoge jukbeenderen, volle lippen, klein postuur. Vandaar mijn bijnaam Bruine David. Maar ach, van mij wordt ook wel gedacht dat ik Marokkaans of Braziliaans ben. Er is op dat soort dingen tegenwoordig geen peil meer te trekken. En dat hoeft ook niet. Ik had nog nooit zo over Bruine Davids etniciteit nagedacht, maar schatte hem in als half Indonesisch, half Koreaans, ofzo. De kans dat hij uit een geslacht kwam dat sinds de 12e eeuw slechts uit Ariërs heeft bestaan leek mij significant klein.
Afgelopen vrijdag had Bruine David, die mij sinds dat eerste gesprek stelselmatig negeerde, weer zin om te kletsen. Na de gebruikelijke vragen ('wat ga je in je weekend doen? 'hoe gaat het?') hadden we het over zijn op stapel staande vakantie. Samenvattend: hij ging een zeer sportieve vakantie tegemoet in Italië. Waarop ik reageerde: ik wil op mijn vakantie ook méér doen dan uitbrakken en feesten, maar een zeer sportieve vakantie, nee, dat trekt mij niet zo. Zelfs wintersport niet, al heb ik dat nog nooit gedaan. Ik zou het best een keer kunnen proberen.

'Ja,' zei Bruine David, 'nou, zo'n neger in de sneeuw, dat vind ik er altijd zo raar uitzien. Het is zo, ik weet niet, misplaatst. Die hele witte sneeuw en dan zo'n neger erin, ik vind het toch maar raar.'

Misschien was het omdat ik al ruim drie kwartier sport erop had zitten, dat ik minder heftig reageerde dan zou kunnen. Misschien was het het de gedachte dat Bruine David, bruin als hij is, wellicht zelf was weggepest van de piste of dat hij anderszins een complex had. Het enige wat ik kon opmerken was: 'Ja, dat kan ik me heel goed voorstellen, ik heb hetzelfde met polsstokspringende Japanners of Shauni Davis. Het is even wennen om een niet-Fries in zo'n schaatspak te zien. Maar op wintersport doen mensen juist hun best om zo bruin mogelijk te worden, dus zoveel verschil zal er wel niet zijn. Bovendien is 'het staat zo raar' geen reden om niet op wintersport te gaan. Ik denk niet dat Shauni 's ochtends opstaat, in de spiegel kijkt en denkt: het staat wel wat raar, maar ik ga toch maar voor de bijl. Jij wel? ' Bruine David kijkt me aan en zegt: 'Daar heb je gelijk in. Maar dat is toch anders. Zo'n neger in de sneeuw, geen gezicht.' Waarop ik zei: 'Ik weet niet waar je heen wilt. Ik denk bovendien niet dat jouw redenatie mensen tegenhoudt.' Bruine David: 'Je bent misschien geen neger, maar je bent wel gekleurd!' Ik: 'Jij toch ook?' Bruine David: 'Ja, dat is wel zo, ja. Nou, ga jij even lekker verder trainen...'

Ach. Ik kan deze CIOS-jongen ook niets kwalijk nemen. Ik was verbaasd door zijn vrijelijk gebruik van het sinds 1830 uit de mode geraakte woord 'neger' en weet ook nog niet, of hij daarmee zichzelf of mij bedoelde. Eigenlijk had ik hem moeten vragen: 'dus jij bent nog nooit op wintersport geweest?'
Ik kan Bruine David hier helemaal neersabelen. Ik kan doen alsof ik me persoonlijk aangevallen voel door zijn opmerking. Maar ik weet werkelijk niet, waar hij heen wilde. Wat had hij verwacht? ('Oh ja, dat vind ik ook altijd zoooo'n vreemd, raar, gezicht, ja, tis toch vreemd, ál die negers, en dat in die sneeuwwitte sneeuw, dat is toch vreselijk raar...?? ') Als hij me uit mijn tent had willen lokken is dat niet gelukt: ik voel me niet aangesproken door het woord 'neger' – ik denk dat niemand zich daardoor aangesproken voelt. Hij mag negers in de sneeuw vreemd vinden, ik vind hém vreemd. Waarschijnlijk gaat Bruine David op skivakantie in een gifgroen skipak en voelt hij zich unheimlich tussen álle negers die hij daar spot. Waarschijnlijk heeft hij het zo druk met negers kijken dat hij hij tegen een boom aan skiet. Ik weet niet wat Bruine David bezighoudt als hij op skivakantie is. Maar ik mag hopen dat hij op zijn aanstaande vakantie zijn aandacht bij het klimmen houdt. Want Indonesisch-Koreaanse pindakaas uit de Toscaanse vallei, nee, dat wil echt niemand eten. Het ziet er zo raar uit...

Bill

Omdat het vakantie is, werkte ik naast mijn reguliere dagen van de week ook eens op maandag. Maandag is schoonmaakdag, das ook weleens leuk. Omdat ik 's avonds thuis mensen te eten zou krijgen werkte ik een superkort dagje, van twaalf tot half vier. De dag begon zonnig, maar na een uurtje leek het wel een vooravond in november, zo donker werd t plotseling. Bovendien begon het met horten en stoten te regenen. Vanuit die regen kwamen drie mensen de winkel binnen. Een smal meisje, haar vriendje of broer, en haar (hun) vader. Een reusachtige man in een marineblauwe trenchcoat en camel broek, die naar mij brulde: 'BETSIEHIEHIE!!!' (en na het zien van mijn ontstelde blik) 'Hahaha, ik weet wel dat jij geen Betsie heet, hoor! Ik weet wel dat jij niet zo heet!!' 'Inderdaad, zo heet ik niet,' zei ik. 'Hoe denkt u dat ik heet?' De man, die er uitzag als een William-op-het-certificaat,-Bill-voor-intimi, kwam dichterbij, keek mij goed aan, en zei: 'Je ziet er nogal Caraïbisch uit. Ik denk dat jij Charlene heet. Of anders Wilma.' Op zaterdagen krijg ik minder goedgeluimde mensen voor mijn kiezen. Dit was vreemd, maar niet vreselijk hinderlijk. Ik vertelde hem mijn naam maar niet, ik denk niet dat hij daar overheen was gekomen. Bill wilde graag een theezeef, en die gaf ik hem. Einde verhaal.
Grappen in de stijl 'Wie van jullie is Betsie?/'Waar kan ik Betsie vinden?'/'Betsie is zeker aan het koken?'/'Is Betsie thuis?'hebben allemaal een baard. De winkel bestaat krap dertig jaar en hoewel ik pas anderhalf daarvan achter de toonbank sta, denk ik dat de pioniers vanaf dag één dit soort grappen hebben moeten aanhoren. Het zijn waarschijnlijk dezelfde vragenstellers die in de Mac vragen waar Old McDonald blijft, of de Bijenkorf niet ingaan zonder imkerpak. Vooralsnog heb ik liever Bills in de winkel dan Mevrouw Daadkracht. (lees hiervoor mijn eerdere blog Sjerp.) Ik kon er dan ook wel lachen. En de moraal van mijn korte verhaal? Nou, als iets voor de hand ligt, betekent nog niet dat je het moet pakken. Take note, Bill. Soit...