woensdag 29 mei 2013

Taboe

Al sinds jaar en dag heb ik een semi-beschaamde zwak voor de black slave narrative als genre. Als de petit beslommeringen van mijn eigen leventje me teveel worden heb ik behoefte aan perspectief en niets loutert meer dan een black slavery novel. Intermenselijke relaties boeien me sowieso enorm, en de op de spits gedreven machtsverhoudingen binnen een slavernij-achtig plot doen me huiveren en doorlezen tegelijk. Rrrrr. Bah.

Sluimerend was het me altijd wel duidelijk dat de vertelperspectieven grote invloed hadden op het verloop van het verhaal, maar pas na het lezen van Wide Sargasso Sea, met bijbehorende colleges, wist ik hoe dat kwam. Sindsdien heb ik al vele (black) slavery novels gelezen – eerst al te kritisch, en later met willing suspense of criticism. Ik smul ervan. Beloved, Gulliver's Reizen, Hoe duur was de suiker?, Uncle Tom's cabin, De vrije negerin Elizabeth, A Mercy, The Bluest Eye, Goulds book of Fish, Mulattin Solitude, The book of Negroes – noem je machtsrelatie en ik denk haar te kennen. Niet in elk boek staat slavernij centraal, maar de (cultureel bepaalde) verhouding tussen man, vrouw, vrije wil, kleur en seksualiteit wel.

Afgelopen weken kwamen daar nog Incidents in the life of a free black, Celia, a slave, Our Nig, Sacred Hunger, John Crow's Devil en The book of Night Women bij. En de boeken die mij het meest verrasten waren Incidents in the life of a free black en The book of Night Women.

Zowel TBONW als Incidents hebben als protagonist een mulattin: nakomeling van een witte slavenmeester en een zwarte slavin (zelden andersom). Bij TBOWN's Lilith uit zich dit niet zozeer in haar huidskleur, maar wel in haar smaragdgroene ogen. Incidents Linda is licht van kleur en heeft krullend haar, in tegenstelling tot de zwarte slaven in het huis waar ze werkt. Haar meester is ongebruikelijk coulant en toegeeflijk naar wat ik eufemistisch zijn 'semivrijwillig dienstdoend personeel' zal noemen. Als dank voor generaties trouwe dienst (blerghhh...) worden Linda noch haar familie geslagen en genieten privileges die anderen niet gegund zijn. Als Linda veertien wordt trekt haar ontluikende lichaam de aandacht van het onderlichaam van haar meester en vanaf daar wordt het verhaal bijster ongeloofwaardig.

Linda weerstaat haar belager iedere dag; gelukkig heeft hij aan de totale macht over haar genoeg. Hij vertelt haar dat hij niet zal toestaan dat ze verkocht wordt. Het genot haar in zijn macht te hebben en over haar te beschikken, al is het dan vooral geestelijk, is afdoende. Tenslotte laat hij haar 'overplaatsen' naar een buitengebied. De moraal van het verhaal is vooral dat je niet moet opgeven en voet bij stuk moet houden als het om je eigen belangen gaat, maar dat kan in dit verhaal ook alleen maar omdat de condities voor deze dappere zinsnede sowieso al ongeloofwaardig waren. (Ik denk namelijk dat er geen enkele slavenbezitter was, op Thomas Jefferson na, die met zijn slaven onderhandelde over het afgeven van hun vleselijk geneugten.)

Dan The Book of Night Women. Goed geschreven, met aandacht voor het zogenaamde slavenpatois dat bijvoorbeeld in Beloved ook terugkomt. Auteur Marlon James is daarnaast een meester in het beschrijven van de dunne lijn tussen seksueel verlangen en macht. In mijn opinie is seks een vorm van macht: om je te kunnen gaan tussen de lakens moet je de macht over je zelfbeheersing afstaan en dat kan heel eng zijn.

Lilith-met-de-groene-ogen, nakomeling van een slavin en de plantageopzichter, is verliefd op haar roodharige meester Humprey, plantagebezitter. Ze verafschuwt hem en zijn gebrek aan decorum, maar wil niets liever dan dat hij tussen haar benen neerdaalt. Hij keurt haar echter geen blik waardig en zijn gebrek aan schaamte omtrent zijn adamskostuum wordt mede mogelijk gemaakt door het feit dat hij haar niet als begeerlijk, noch als vrouw ziet. Deze onverschilligheid resulteert in wrede mishandeling: hij laat haar genadeloos zwepen, laat haar mede-slaven opeten door mieren, met gloeiende poken anaal en vaginaal verkrachten en hakt tenen, borsten en hoofden af naar willekeur. Dit maakt dat Liliths liefde voor hem bekoelt.
Gelukkig heeft massa Humprey een vriend; massa Robert Quinn. Een expat-Ier die een half-caste status geniet in de koloniën – op eenzelfde wijze als Lilith-met-de-groene-ogen in een slavinnenlimbo verkeert. Niet zo'n limbo dat ze niet aan massa Quinn kan worden toegewezen.
De dunne lijn waar ik zojuist over sprak komt naar voren in de manier waarop James Quinn en Lilith lichamelijk laat worden: Quinn geeft Lilith te eten, naast hem aan tafel, en neemt haar vervolgens mee naar bed. Hij verkracht haar niet, maar ze is zijn bezit.
Lilith krijgt, omdat hij haar niet zo hard mishandelt als Massa Humprey, ontzettende last van vagijnverraad. Ze wordt verliefd maar ze blijft zijn huishoudster, en hoewel hij haar aanspreekt met 'Lilith' blijft zij hem aanspreken met massa Quin en later massa Robert – óók tussen de lakens en in haar gedachten.
Zelfs de passage waarin Lilith Quinn fellatio verschaft spreekt over een mogelijke machtsverschuiving door deze van oudsher door taboe geplaagde en meest intieme daad – een verschuiving die niet komt. Quinn pakt haar wanneer hij wil, valt nog steeds tegen haar uit, behandelt haar nog steeds bits en wil haar zelfs, vanuit de goedheid van zijn met white man's burden bezwaarde Ierse hart, leren lezen. Dat ze dat allang kan, houdt ze voor het gemak maar voor hem verborgen.

Zolang ik niet te hard nadenk, kan ik van de stijl van het boek genieten. Het romantische verhaal is sexy en erotisch en de spanningsboog is goed: ik zat op het puntje van mijn stoel en rechtop in bed tijdens het lezen. Schrijven is iets wat Marlon James heel goed kan: dit boek is zelfs beter dan John Crow's Devil, waarin religie en het occulte een grotere rol hebben. Hij beeldt Liliths dubbelleven heel goed uit: ze is wit noch zwart, slavin, maar geprivilegieerd, geen incrowd, maar ook geen outcast.
Daarnaast weet hij heel goed in te spelen op heimelijke seksuele verlangens van de personages – want is het niet uit den boze om verliefd te zijn op de hand die je slaat? Een liefde te koesteren voor de man die je met zoveel machtsvertoon laat weten dat hij je kan vermorzelen als een pissebed? Je zou de macht over jezelf met hand en tand moeten verdedigen, in plaats van je zo makkelijk over te geven. Maar omdat hij Lilith's twijfel zo geloofwaardig maakt, leef je met haar mee. En juist die identificatie maakt haar karakter zo sterk. Taboe dus.

Het einde is er een zoals te verwachten viel, omdat slavery novels het in dit opzicht nooit kunnen winnen. Of de meester verlaat zijn zure, witte vrouw en haar kinharen voor zijn sappige, liefhebbende slavin-maitresse om met haar in vrede en zonde te leven (niet waarschijnlijk)
of hij verwekt kinderen bij zijn minnares en laat haar vervolgens terechtstellen terwijl hij toch echt van haar hield (maar de maatschap, Mon Dieu, de maatschap!) – nog onwaarschijnlijker, en laf bovendien.

James vindt een tussenweg: als de slavenopstand op haar plantage uitbreekt, na tien jaar plannen, verdooft Lilith haar massa Quinn in plaats van hem te vermoorden, zoals haar peer group haar opdraagt. Hij ontwaakt echter te vroeg, is teleurgesteld en rent vervolgens alsnog zijn dood tegemoet – maar haar handen zijn schoon. Ze heeft noch de slaven, noch haar geliefde verraden. Everybody happy.

De moraal van dit verhaal? Zoek je een goed en sexy boek, lees dan The Book of Night Women. Niet analyseren, gewoon lezen, gelijk aan de slaven in het boek: bukken, buigen & bek houden. Twee pagina's zijn eigenlijk te kort om een gedegen onderbouwing te geven, maar als ik meer vertel, verpest ik de clou. Mijn taboezucht is inmiddels weer gelest – ik kijk reikhalzend uit naar James' derde roman.

dinsdag 28 mei 2013

Brand new

Een sappige manstory, lieve lezer, voor de dinsdagavond? Elke keer als iemand mijn nummer vraagt moet ik denken aan vriendin R., die mij een hele belangrijke les meegaf: no expectations.

No expectations had ik, op een vrijdagavond in mijn plaatselijke kroeg. Vanaf de andere kant van de ruimte – een afstand van zo'n dertig meter – zag ik iemand naar me lachen. De kans is groot dat als dat gebeurt, de lach bedoeld is voor iemand achter je, dus ik lachte zachtjes en onopvallend terug, just in case, en opvallend genoeg, voor het geval dát. Binnen een minuut stond de man in kwestie naast me. We raakten aan de praat en de avond eindigde een paar uur later met een langdurige liplock. Hij had mijn nummer toen al, en we smsten wat over en weer. Ik word achterdochtig van mannen die smssen in plaats van bellen, maar hee, no expectations, toch? Omdat hij een weekje op reis moest, had ik geen verwachtingen – afstand en verloop van tijd kunnen de doodsteek zijn voor zulke dingen en daarbij betekent een uurtje tongen helemaal niets.

Toch was ik blij dat hij na anderhalve week smste dat hij me nog niet vergeten was: hij leek me oprecht leuk en we konden allicht gaan daten. Op een donderdag maakten we een halve afspraak voor de zondag erop en dat was dat.
Zondag brak aan en omdat ik niet graag moeilijk doe, vroeg ik hem tegen de middag hoe laat we elkaar zouden zien. Rond drieën, nog altijd zonder antwoord, had ik al besloten dat we elkaar niet zouden zien die dag – er is een grens aan mijn flexibiliteit. Toen moest ik denken aan een jongen met wie ik ooit wat gedronken had en waarbij ik niets meer van me had laten horen. Na drie maanden kreeg ik van hem een lief bericht, met de vraag waarom ik nooit meer gebeld had. Het bericht was niet zó leuk dat ik nog eens met hem uit wilde, maar ik legde hem uit dat ik een 'het lijkt me beter om het hierbij te laten'-berichtje nog veel aanmatigender vond dan stilte. En dat dat dus een verkeerde inschatting was geweest. Ik had hem laten boeten voor wat zo'n dertig mannen bij mij hadden gedaan en dat was inderdaad niet eerlijk.

Het punt was dat hij het gewoon gevraagd had. En dat vond ik heel leuk. Dus ik besloot mijn gemoed te sussen – wat had ik te verliezen? – en zo'n zelfde trucje uit te halen bij mijn faaldate. Ik kreeg donderdag namelijk niet de indruk dat hij niet wilde, maar er kan veel gebeuren in twee dagen. Als geen van beide partijen de stilte doorbreekt kom je in een doolhof van interpretaties, onzekerheden, invullen en zezalwel/hijzalwels terecht en dat kan het zinloze einde betekenen van iets wat misschien heel leuk had kunnen zijn.
Er kwam snel een antwoord: hij was ziek geworden en verontschuldigde zich voor het uitblijven van een reactie. Waarop ik hem beterschap wenste. Hij schreef terug dat hij mensen niet graag aan het lijntje hield, en dat hij onlangs iemand had ontmoet die hij ook heel leuk vond, en dat hij, ik quote, 'een beetje in dubbio [sic] was'.

Bitch please. Dit is De Bachelor niet, hoor. Ja, ik waardeerde zijn eerlijkheid, en het verklaarde het uitblijven van een sms op zaterdagmiddag – blijkbaar vond hij me niet eens de moeite waard om af te bellen, pardon, smssen.
Maar niemand dwong hem om op me af te stappen, mijn nummer te vragen, zijn tong in mijn mond te steken, en na anderhalve week radiostilte opnieuw contact op te nemen als hij al die tijd al iemand anders op het oog had.
Hoe zag hij dit voor zich: met ons allebei op date en dan het lekkerste mokkel kiezen? Catfight op straat? Tong tegen tong: de playoffs? De Pfeiffermonologen? Kookwedstrijden, schoonouderbezoek, en daarna een finale eliminatie, met stemmen van het publiek?

Wie wil hier nou wie, vraag ik u?

Natuurlijk, liefde (of zal ik zeggen: lust?) laat zich niet dwingen en je hoeft niet op één paard te wedden. Juist omdat we nog geen dates hadden gehad, stond alles nog open. Een beetje te open.

Wat hebben we hiervan geleerd? Dat afwachten misschien damesachtig is, maar niet per sé handig. Ik ben blij dat ik het gewoon gevráágd heb, het is fijn om te weten hoe ik ervoor sta. Liefde is al lastig zat zónder extra pakket. Ik kan noch wil concurreren in de liefde (of lust): de keus is niet mij of haar, maar mij of mij niet.
Tot mijn spijt – hij leek me echt leuk – denk ik niet dat ik hem nog wel wil, mocht hij nog contact opnemen. En dan vooral omdat hij me heeft verteld dat hij me tegen iemand anders af zal zetten. Het is niet eens de daad op zichzelf die ik hem kwalijk neem, maar dat 'ie me erover inlicht, nog vóór de eerste date. Eerlijkheid is goed, maar dit is gewoon lomp.

Je bent best een optie, maar ik heb nog een andere chick die minstens nét zo leuk is. Dus spring! en heel misschien sms ik je nog eens...


Hij mag dan drie keer ziek zijn, dit valt lastig recht te breien. Hoe langer ik er over nadenk, hoe meer ik er van overtuigd raak dat ik dit niet moet willen. Liefde is net als groente: vers, fris, knapperig en vurig groen of rood is ze op haar best. De rest is brand new second hand: stukken minder lekker en funky in the bad way.

zondag 12 mei 2013

Huisje

Ooit toen ik heel jong, naïef en onbedorven was, maakte ik er een sport van om overal in te klimmen. Geen boom of struik was veilig voor me. Vlak bij mijn ouderlijk huis was een speelhuisje waar ook altijd op geklommen werd. Het vereiste behendigheid: je moest lang genoeg zijn om je vingers om het randje van het dak te krijgen, sterk je genoeg om je eigen lichaamsgewicht omhoog te trekken en slim genoeg om te bedenken op welk punt je de ribbels van het dak als voetsteun kon gebruiken. Eenmaal bovenop moest je er dan ook weer af, ruggelings, wat meestal gepaard ging met een meter of anderhalf aan onprettige sensatie kontglijden over datzelfde onregelmatige oppervlak van het schuine dak.
In andere speeltuintjes hadden ze die huisjes ook. Op een mooie, bloedhete dag was ik alleen op stap en ik zag zo'n huisje. Vol goede moed kroop ik er bovenop. Eenmaal boven kwam de herinnering van de laatste keer afglijden me wat al te levendig voor ogen, dus ik besloot nog even te blijven zitten. Zó leuk is het niet in je eentje bovenop een speelhuisje, en na een tijdje sloeg de paniek toch wel toe. Ik durfde niet om hulp te roepen: tenslotte was ik er zelf opgeklommen en zou het de duizendste keer zijn dat ik er ook weer af moest. Niets nieuws, maar ik kon mijzelf er niet toe zetten. Mijn keel schroefde dicht, mijn mond werd droog en ik had geen idee hoe ik nu weer van het huisje af ging komen.
Na wat hete wanhoopstranen (in stilte geplengd) en een tijd die gevoelsmatig uren duurde kwam een buurvrouw die ik vaag kende op het huisje af. Ze stak haar armen uit en hielp me het huisje af. De vrouw, toen al in de zestig, is nu in de tachtig en herkent me niet meer, maar ik herken haar wel. De opluchting die ik voelde toen mijn gympies de grond bereikten was onbeschrijfelijk: ik kon de vrouw wel zoenen! Voor haar betekende het misschien niets, maar voor mij betekende het alles.

Aan dat gevoel, lieve lezer, moest ik denken toen ik zaterdag in de kassarij stond. De klant vóór mij was een jongen met wat spullen: vier petit pains in een zakje, een blik poedermelk, een pak soep, een pak rijst, wat snoepjes en een fles wasmiddel. Het was druk en de rij was lang. Hij had geen tasje, dus hij nam een shopper om te includeren bij zijn boodschappen. Groot gelijk, aan die stomme plastic tasjes heb je toch niets. Toen de caissière eindelijk klaar was met afrekenen, begon hij te sputteren. 'Heb je een goedkoper tasje?' Min-blieb. 'Ehm, mag het pakje rijst er af?' Min-blieb. 'Misschien de broodjes ook nog?' Zucht, gedoe, min-blieb. Ik zag dat de jongen nu was toegekomen aan wat hij echt nodig had en zijn voorhoofd begon te glimmen van de stress. Een roze briefje flitste in zijn handen en hij zocht naarstig in de zakken van zijn versleten joggingbroek. Het bedrag op de display was €10.68.
Mijn zaterdag was kostbaar, de jongen had waarschijnlijk echt niet meer geld bij zich en het ging om zo'n klein bedrag. Op dezelfde manier als dat ik twintig jaar geleden boven op dat huisje had gefantaseerd over sterven – niemand wist waar ik was en ze zouden me niet zien, aangezien niemand naar boven zou kijken, ik zou langzaam verdrogen (dorst!) met mijn benen aan weerszijden van de nok – bedacht ik me nu dat hij misschien geslagen zou worden als hij niet met de juiste spullen thuis kwam. Hij was heel stil, behoorlijk bleek, zijn oorlellen waren niet doorboord, hij rook naar lentebries en hij was goedgeknipt. Waarschijnlijk was de poedermelk voor zijn zusje dat net van de borst af was en zou zijn moeder het niet leuk vinden als hij zonder thuis zou komen. Het aanhoudende gehuil van de hongerige baby zou haar bovendien nog prikkelbaarder maken en de kans bestond dat hij een klap voor den bek zou krijgen waar hij van uit zijn scapinogympen zou vliegen.
'Gaat het om zeventig cent?' vroeg ik de caissière. Ze knikte, en ik diste het bedragje op uit mijn portemonnee. Of ik nou een daklozenkrant koop, iets doneer aan de KWF of een jongen uit de brand help – het is me om het even.

De opluchting stond op zijn gezicht te lezen en plotseling leek het scenario van den klap niet meer zo vreemd. Hij bedankte me kort maar gemeend – precies zoals ik het graag heb – en liep door.
Was mijn daad werkelijk onzelfzuchtig? In zekere zin wel, in andere zin ook weer niet, want ik hoop dat als de jongen ooit iemand ziet die vastzit op een speelhuisje, waar dat op dat moment ook een metafoor voor mag zijn, hij zijn armen uitsteekt. Tenslotte zijn we op de wereld om elkaar te hellepe, niewaar?