Toen ik laatst in mijn bedje lag, moest ik denken aan een verhaal wat ik weleens in mijn kinderbijbel heb gelezen: de parabel van de verloren zoon.
Dit verhaal draait om een ruraal eenoudergezin bestaande uit een vader en twee zonen. De oudste is heel plichtsgetrouw, staat altijd voor zijn vader klaar, werkt hard en gedraagt zich netjes. De tweede zoon heeft zijn zaken niet op orde. Hij heeft weinig dagbesteding en hij profiteert eigenlijk alleen maar van zijn oude vader. Het is nogal een klaploper.
De bengel vraagt op een schone dag alvast zijn erfdeel op bij zijn vader. Paps gaat akkoord en verdeelt zijn liquide bezit zo goed en zo kwaad als 't kan onder zijn twee zonen. De oudste zoon pot het geld op en gaat door met zijn werk op het land. De jongste zoon trekt naar de stad, maakt plezier, eet een paar keer goed en geeft wat feestjes. Maar daarna is het geld op.
Wat nu? Bengel vraagt alle gasten op zijn feest om hulp of werk, maar niemand kan hem helpen. De honger holt hem van binnen uit en, zo stond er expliciet in mijn verhaal, hij had zo'n honger dat hij zelfs varkens het spreekwoordelijke brood uit de mond zou stoten! (Neeeeeh, zó erg? Ja, echt!!)
Honger scherpt het brein, zo zegt men, en Bengel krijgt het briljante idee om het boetekleed aan te trekken (bijbels pendant la lettre) en zijn vader om hulp te vragen. Met neerhangend hoofd keert hij terug naar zijn vader en begint alvast stof te happen als zijn vader hem tegenhoudt, optilt, knuffelt en kust. Hij laat een groot feest organiseren en de vetste geitenbok slachten, omdat zijn zoon terug is.
Oudste zoon Engel is ondertussen teruggekeerd van de akker en ziet alle festiviteiten. Briesend trek hij zijn vader mee naar buiten en schreeuwt dat hij dit heel oneerlijk vindt. Zijn harde werk blijft ongezien en klaploperij wordt blijkbaar beloond! Zijn vader brengt daar tegenin, dat hij niet het gedrag van zijn jongste viert, maar het feit dat hij weer gezond en wel thuis is.
(Voor de liefhebber: ik moest er een 'echte' bijbel op naslaan, maar deze parabel is te vinden in Lucas 15: 11-32. In Lucas 15: 1-10 zijn soortgelijke verhalen te vinden: dat van het verloren schaap en dat van de verloren penning.)
Waarom dacht ik aan deze sage toen ik in mijn bedje lag? Wel, die bedderij volgde op een feestje waar ik geweest was. Het feestje werd gegeven in Canal Island en mijn jaarclub en ik togen er met de tram naar toe, zoals vaak. Ik heb me beurtelings verbaasd en geërgerd over hoeveel tijd het kan kosten om met veel mensen van de ene naar de andere locatie te komen. Dit betreft iedere groep en dus niet specifiek mijn JC. Toch vind ik het soms vervelend dat er tussen de eerste geopperde 'kom, laten we gaan!' en de laatste persoon die de deur dichtdoet zomaar drie kwartier kan verstrijken.
Na twintig minuten wachten bij een ijskoude tramhalte stapte ik met een petit mauvais hum' in de tram en een paar haltes verderop er weer uit. Toen ik wilde uitchecken, merkte ik dat ik mijn OV-chipkaart niet meer in mijn zak had. Omdat het koud was, de groep waarmee ik was plotseling wél tempo maakte en ik mijn spullen altijd zorgvuldig wegberg maar nooit vóórdat ik uitgecheckt ben, beschouwde ik dit als een verloren strijd. Op het feest was vriend R. nog zo lief om mij het blokkeringsnummer voor OV-chipkaarten te geven, maar de OV-blokkeerlijn bleek slechts op kantooruren geopend. Vrijdagavond rond tienen was er niet veel meer wat ik kon doen.
Welnu. Ik had nog een beetje cash geld, en zou het wel redden tot thuis. Op die OV-kaart stond nog maar een klein bedrag, bovendien staat er een foto op. Als iemand hem echt gestolen had, zou hij er niet lang plezier van hebben. Wel baarde het me zorgen dat mijn naam, pasfoto en IB-correspondentienummer erop stonden, maar goed, een kaart verliezen kan iedereen overkomen. Beter deze dan mijn pinpas.
Nu ik er alles aan gedaan had om te regelen wat er geregeld moest worden en er niet méér mogelijk was, besloot ik het los te laten. Het feestje werd gezelliger en fijner, ik zag mannen met mooie schoenen, maar op een gegeven moment was t tijd om huiswaarts te gaan; ik moest de laatste bus nog halen. Ik zocht of er in mijn portemonneetje niet nog een strippenkaart zwierf toen ik hem zag: mijn OV-chipkaart!!
Een kleine vreugd'kreet ontsnapte aan mijn keelgat. De terugkeer van mijn OV betekende een zorgeloos weekend, een zorgeloze kerst (want reizen met korting) en verlossing van een hoop administratieve rompslomp (pas blokkeren, nieuwe aanvragen, mugshot-achtige pasfoto's maken (vier stuks, die ik niet aan mijn mama kan slijten), foto's inleveren bij postkantoor, aangifte doen bij de politie, IB-groep bellen, bewijzen zoeken, wachten op nieuwe kaart, reisproduct uploaden, pas in gebruik nemen. Als ik niet zo'n dame was zou ik zeggen: Téring.)
Mijn eigen voorkomendheid heeft me dit bespaard. Ik denk dat ik de kaart tijdens het wachten op de tram in mijn portemonnee heb teruggestopt, uit angst hem kwijt te raken. Ik ben mijzelf dus vóór geweest en hoewel het op zijn plek zitten van mijn reispas op zichzelf geen verdienste vormt, was ik vreselijk opgelucht en blij. Ik vond het feestje direct een stuk leuker en ben ook wat langer gebleven, nu ik geen tijd kwijt zou zijn aan het kopen van een kaartje.
Natuurlijk, ik was mijn pinpas, Hunke membercard, ICI Privilegepas, BonusAirmilespas, visitekaartjes en kleingeld dankbaar dat ze waren blijven zitten waar ze zaten. Maar die ene kaart betekende op dat moment heel veel. De pas mag dan mijn zoon niet zijn, plotseling begreep ik de rurale vader beter.
Het is dat m'n OV-chipkaart in veel van mijn zakken zit, weleens op de grond valt en door veel handen gaat, anders had ik 'm gepamperd en er kleine kusjes op gegeven. En daar ben ik heel bedreven in, kleine kusjes geven. Bijna net zo goed als in geitenbokken slachten. Bèèèèèèèh....
donderdag 16 december 2010
maandag 15 november 2010
Zeep
Gisteren keek ik weer eens naar een aflevering van mijn favoriete serie van dit moment: The Tudors, gemaakt door Michael Hirst. De afleveringen worden uitgezonden door RTL8, dat restkanaal van RTL. Ik was al zondagavondfan sinds ze dubbele afleveringen van Lipstick Jungle uitzonden, maar sinds The Tudors wil ik stiekem iedere zondag thuisblijven tussen acht en negen.
De kracht van Lipstick Jungle zat ´m vooral in zijn gelijkenis met Sex and the City, alleen was dit concept ietsje anders en de hoofdrolspelers iets ouder. Wat de volwassenheid van de serie ten goede is gekomen. Hoewel ik me eigenlijk meer kon identificeren met het drama in SATC (de TOVTJAP, de eeuwige onbeantwoorde liefde, mooi-zijn-mag-pijn-doen, de sores en mores van het single bestaan) was Lipstick Jungle net een tandje realistischer, zonder daarbij aan glamour in te leveren.
Maar goed. Aan Lipstick Jungle kwam een eind, en toen waren daar de Tudors. Een soort As the World Turns, maar dan historisch, met mooiere mannen en meer vaart. In drie seizoenen heb ik een redelijke indruk gekregen van het reilen en zeilen van de manke koning Hendrik de Achtste (1491-1547) en enkele van zijn hovelingen, waaronder zijn zwager Charles Brandon (1484-1545). (Waar Wikipedia al niet goed voor is...)
Het helpt dat de rol van Henry VIII vertolkt wordt door Jonathan Rhys Meyers (naast acteur ook verdienstelijk Hugo Boss-model) en die van Charles Brandon door Henry Cavill. (geboortejaar 1983 – er is hoop!) Hun quasi-middeleeuwse pompoenbroeken, onflatteuze camisa´s met leren veters op de borst, ongebreidelde vechtlust en opmerkelijke manieren leiden mij niet af van hun mooiheid en ik kon niet anders dan verlangend zuchten toen ik Charles Brandon zijn française zag verleiden.
Dat ging ongeveer zo: Brandon hield de vader van de française in krijgsgevangenschap, maar ruilt hem om voor zijn dochter. De dochter, Brigitte, heeft haar hart inmiddels reeds verpand aan deze van hartstocht zinderende, donders knappe edelman. Een nachtje of wat later staat ze bij zijn bed en probeert een wondje aan zijn hoofd te deppen met een sjaal, nog warm van haar eigen hals. Door dit liefdevolle gebaar ontsteekt bij Brandon de vlam en vervolgens bedrijven ze smeulende liefde op z'n Frans. Brandon neemt haar mee naar Groot-Brittannië en ze leven nog kort en gelukkig, want Brandon sterft al snel, nat van de tranen van zijn exotisch lispelende love interest. Van zijn vrouw was hij gemakshalve nog vóór de intocht bij Boulogne vervreemd geraakt.
(Voor de liefhebber: http://www.youtube.com/watch?v=1ysnvqmqBAQ&feature=related)
Stereotype? Onrealistisch? Erger dan je je ooit kan voorstellen. Maar ook vreselijk romantisch. Zoiets gebeurt alleen maar in damesromannetjes en in historische drama's zoals deze. Er is bovendien geen aandacht voor de smerigheid van de Middeleeuwen: de vrouwen hebben mooie, rechte, witte tanden, schone nagels, hagelwitte hemden, smetteloze, volumineuze kapsels vol parels en iedere dag een andere, schone jurk, mét decolleté, ook als er niets te decolleteren valt. Hun dagbesteding bestaat uit dineren, bidden en een enkele dansles zo nu en dan, gegeven door (jawel!) een fairy queen.
Natuurlijk richt de serie zich op de bourgeoisie en de adel en dus niet op de viezige onderlaag van burgers, maar luizen maken geen onderscheid tussen het bloed van een koningskind en een armoedzaaier, althans, niet op grond van het jaarinkomen. Historisch accuraat is dan ook niet het label wat ik hierop zou plakken, maar ach. Voor een realistischer beeld kijk ik wel naar een Discovery-documentaire.
Voor de zondagavond is deze zwijmelzwendel in ieder geval perfect. Ik kijk het liefst alleen, want dan kan ik hardop zuchten. Een en ander wordt ook getriggerd door de muziek: zwellende violen en een langgerekt, dramatisch aangezet motief maken dat ik ademloos kijk naar onthoofdingen, veldslag, bedscènes en woede-uitbarstingen. Heerlijk.
Had ik in die tijd geleefd (een oriëntalistische onmogelijkheid, maar hee, daar zijn er wel meer van) en had ik tot die klasse behoord dan had ik me prima vermaakt. Helaas. Mijn eeuw is de eenentwintigste, niet de zestiende. Al had ik die jurken beter op kunnen vullen dan menig jonkvrouw, zij hadden dan weer geen vloeibare zeep.
Voorlopig kan ik alleen maar dromen van een hoffelijke Fransoos die niet de wetten van de hygiëne maar wel die van de hoofse liefde heeft geërfd uit de Middeleeuwen. En ik zal met liefde mijn sjaal van mijn hals trekken om zijn nietbestaande wondje te deppen. Om na een hartstochtelijke amour fou te sterven aan een gebroken hart of zo'n makkelijk te romantiseren ziekte als de tering, mijn huid bleek, zijdeachtig met koortsblossen, schattige zweetdruppels op mijn edele voorhoofd, mijn kusbare lippen uitgedroogd en snakkend naar vocht. Natuurlijk ruik ik niet naar pus en verrotting maar naar YSL-parfum. Mijn liefste fransoos staat handenwringend naast mijn bed terwijl ik de zijden lakens onderzweet en ze in een ijldroom verkreukel. Mijn ooit zo weelderige lichaam is nu vermagerd en zwak, maar dat deert mijn minnaar niet. Hij omhelst me en pakt mijn handen, terwijl hij tot zijn zeventien Franse goden (dix-sept!) bidt om herstel. Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen, maar gezien zijn Franse inborst sliepen wij toch al niet veel. Als ik tenslotte huiverend de geest geef plengt hij bittere tranen en na mijn plechtige begrafenis raakt hij aan de drank. En binnen het jaar liggen we weer naast elkaar. Oh ja, romantiek op z'n best.
Ah, de charme van het kostuumdrama! Onder ons gezegd: mocht Henry Cavill bij mij aanbellen, dan doe ik open, al is hij niet Frans maar Brits. Mijn suspension of disbelief wordt plotseling vréselijk willing. (Over de Ierse Jonathan Rhys Meyers zou ik wat langer nadenken – die schijnt al drankproblemen te hebben.)
En de moraal van dit verhaal?
Mannen aller Europese landen, houdt den pleisterbox gevuld!
Een enkele schram, opgemerkt door een welwillende vrouw, kan zomaar het einde inluiden.
De kracht van Lipstick Jungle zat ´m vooral in zijn gelijkenis met Sex and the City, alleen was dit concept ietsje anders en de hoofdrolspelers iets ouder. Wat de volwassenheid van de serie ten goede is gekomen. Hoewel ik me eigenlijk meer kon identificeren met het drama in SATC (de TOVTJAP, de eeuwige onbeantwoorde liefde, mooi-zijn-mag-pijn-doen, de sores en mores van het single bestaan) was Lipstick Jungle net een tandje realistischer, zonder daarbij aan glamour in te leveren.
Maar goed. Aan Lipstick Jungle kwam een eind, en toen waren daar de Tudors. Een soort As the World Turns, maar dan historisch, met mooiere mannen en meer vaart. In drie seizoenen heb ik een redelijke indruk gekregen van het reilen en zeilen van de manke koning Hendrik de Achtste (1491-1547) en enkele van zijn hovelingen, waaronder zijn zwager Charles Brandon (1484-1545). (Waar Wikipedia al niet goed voor is...)
Het helpt dat de rol van Henry VIII vertolkt wordt door Jonathan Rhys Meyers (naast acteur ook verdienstelijk Hugo Boss-model) en die van Charles Brandon door Henry Cavill. (geboortejaar 1983 – er is hoop!) Hun quasi-middeleeuwse pompoenbroeken, onflatteuze camisa´s met leren veters op de borst, ongebreidelde vechtlust en opmerkelijke manieren leiden mij niet af van hun mooiheid en ik kon niet anders dan verlangend zuchten toen ik Charles Brandon zijn française zag verleiden.
Dat ging ongeveer zo: Brandon hield de vader van de française in krijgsgevangenschap, maar ruilt hem om voor zijn dochter. De dochter, Brigitte, heeft haar hart inmiddels reeds verpand aan deze van hartstocht zinderende, donders knappe edelman. Een nachtje of wat later staat ze bij zijn bed en probeert een wondje aan zijn hoofd te deppen met een sjaal, nog warm van haar eigen hals. Door dit liefdevolle gebaar ontsteekt bij Brandon de vlam en vervolgens bedrijven ze smeulende liefde op z'n Frans. Brandon neemt haar mee naar Groot-Brittannië en ze leven nog kort en gelukkig, want Brandon sterft al snel, nat van de tranen van zijn exotisch lispelende love interest. Van zijn vrouw was hij gemakshalve nog vóór de intocht bij Boulogne vervreemd geraakt.
(Voor de liefhebber: http://www.youtube.com/watch?v=1ysnvqmqBAQ&feature=related)
Stereotype? Onrealistisch? Erger dan je je ooit kan voorstellen. Maar ook vreselijk romantisch. Zoiets gebeurt alleen maar in damesromannetjes en in historische drama's zoals deze. Er is bovendien geen aandacht voor de smerigheid van de Middeleeuwen: de vrouwen hebben mooie, rechte, witte tanden, schone nagels, hagelwitte hemden, smetteloze, volumineuze kapsels vol parels en iedere dag een andere, schone jurk, mét decolleté, ook als er niets te decolleteren valt. Hun dagbesteding bestaat uit dineren, bidden en een enkele dansles zo nu en dan, gegeven door (jawel!) een fairy queen.
Natuurlijk richt de serie zich op de bourgeoisie en de adel en dus niet op de viezige onderlaag van burgers, maar luizen maken geen onderscheid tussen het bloed van een koningskind en een armoedzaaier, althans, niet op grond van het jaarinkomen. Historisch accuraat is dan ook niet het label wat ik hierop zou plakken, maar ach. Voor een realistischer beeld kijk ik wel naar een Discovery-documentaire.
Voor de zondagavond is deze zwijmelzwendel in ieder geval perfect. Ik kijk het liefst alleen, want dan kan ik hardop zuchten. Een en ander wordt ook getriggerd door de muziek: zwellende violen en een langgerekt, dramatisch aangezet motief maken dat ik ademloos kijk naar onthoofdingen, veldslag, bedscènes en woede-uitbarstingen. Heerlijk.
Had ik in die tijd geleefd (een oriëntalistische onmogelijkheid, maar hee, daar zijn er wel meer van) en had ik tot die klasse behoord dan had ik me prima vermaakt. Helaas. Mijn eeuw is de eenentwintigste, niet de zestiende. Al had ik die jurken beter op kunnen vullen dan menig jonkvrouw, zij hadden dan weer geen vloeibare zeep.
Voorlopig kan ik alleen maar dromen van een hoffelijke Fransoos die niet de wetten van de hygiëne maar wel die van de hoofse liefde heeft geërfd uit de Middeleeuwen. En ik zal met liefde mijn sjaal van mijn hals trekken om zijn nietbestaande wondje te deppen. Om na een hartstochtelijke amour fou te sterven aan een gebroken hart of zo'n makkelijk te romantiseren ziekte als de tering, mijn huid bleek, zijdeachtig met koortsblossen, schattige zweetdruppels op mijn edele voorhoofd, mijn kusbare lippen uitgedroogd en snakkend naar vocht. Natuurlijk ruik ik niet naar pus en verrotting maar naar YSL-parfum. Mijn liefste fransoos staat handenwringend naast mijn bed terwijl ik de zijden lakens onderzweet en ze in een ijldroom verkreukel. Mijn ooit zo weelderige lichaam is nu vermagerd en zwak, maar dat deert mijn minnaar niet. Hij omhelst me en pakt mijn handen, terwijl hij tot zijn zeventien Franse goden (dix-sept!) bidt om herstel. Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen, maar gezien zijn Franse inborst sliepen wij toch al niet veel. Als ik tenslotte huiverend de geest geef plengt hij bittere tranen en na mijn plechtige begrafenis raakt hij aan de drank. En binnen het jaar liggen we weer naast elkaar. Oh ja, romantiek op z'n best.
Ah, de charme van het kostuumdrama! Onder ons gezegd: mocht Henry Cavill bij mij aanbellen, dan doe ik open, al is hij niet Frans maar Brits. Mijn suspension of disbelief wordt plotseling vréselijk willing. (Over de Ierse Jonathan Rhys Meyers zou ik wat langer nadenken – die schijnt al drankproblemen te hebben.)
En de moraal van dit verhaal?
Mannen aller Europese landen, houdt den pleisterbox gevuld!
Een enkele schram, opgemerkt door een welwillende vrouw, kan zomaar het einde inluiden.
maandag 8 november 2010
Scheur
Toen ik op de basisschool zat, had ik een jongetje in mijn klas, Jacob, die drie broers had. Op sommige van zijn broeken zat een Batman-embleem van leer, ter hoogte van zijn knieën. Pas later begreep ik dat die hoogte en de patch strategisch waren geplaatst: Jacob was de jongste en ik denk dat zijn moeder, na drie zonen, wel doorhad hoe ze het leven van een jongensspijkerbroek moest verlengen. Ik vond zijn lapje wel wat bevreemdend, maar ook wel interessant. Hij viel om de haverklap, wat ik van mijzelf niet zeggen kon.
In de winter viel ik zelden, en in de zomer zat er geen batman tussen de tere huid van mijn knieën (die steeds minder teer werd) en het grijze grind waarover ik een sliding maakte. Maar kinderen hebben – net als moeders! – geen geheugen voor pijn en een grote, bloedende wond, weggeschaafd tot op het wit, was eigenlijk griezelig stoer. Gefascineerd keek ik als het dan een keer zover was naar mijn knie, de minutieuze reepjes huid, aan elkaar gestikt en wreed opengereten door G-kracht, een paar grindsteentjes en wat zand.
Parbleu, lieve lezer, ik kreeg spontaan last van het Dinand-syndroom als ik ernaar keek. Vernoemd naar Kane-frontman Dinand Woesthoff, die, zo heb ik me laten vertellen, helemaal niet zo heet.
Ik vind wat ik van hem heb gezien op tv (wat natuurlijk gekleurd en selectief is) niet bijster inspirerend, maar zijn stem vind ik zeer prettig. Dat afgrijselijke Haagse accent, dat laagkaakse gemompel, die stomme stopwoorden en dat gígántische voorhoofd maken dat ik rillend naar hem zit te kijken als hij voor de camera verschijnt en zijn diepkelige mening spuwt. Negen van de tien keer versta ik hem niet eens, maar dat geeft niet – wat hij zegt snijdt toch geen hout, althans geen hout waar ik een tuinhuis van wil bouwen.
Adoratie en afschuw strijden om voorrang in mijn lijf, want de stem van die man maakt iets in me los, zoals je soms geraakt kunt zijn door een dissonante toon in een muziekstuk. Als hij praat, trilt het in mijn middenrif, maar ik ben er niet over uit, hoe ik die emotie moet noemen. Inmiddels loopt meneer tegen de veertig en teert samen met de rest van Kane (of eigenlijk vooral met Dennis van Leeuwen, het enige overgebleven originele bandlid naast D. zélf) op een kreunformule van zo'n tien jaar oud.
Add lips ahoy. Maar eerlijk is eerlijk, dat is ook waar Dinand in uitblinkt. Hij eet er in ieder geval goed van, met dat tweede huis op Ibiza. Ook ik ben daar debet aan: ik heb enkele (ja, meer dan één!) van zijn cd's.
Als ik hem zie wil ik wegzappen, maar tegelijkertijd kan ik mijn ogen en oren niet van hem afhouden. Ja, ik huiver, van vervoering, van afgrijzen. Bah. Rrrr. Bah. Rrrr.
En hetzelfde, lieve lezer, geldt voor zo'n pijnlijke grindwond. Na de eerste schrik en de gedroogde tranen heb ik tijd voor fascinatie. Mijn knie doet zeer, maar ik kan niet ophouden er naar te kijken, moet me bedwingen mijn vuile vingers er niet in te steken, pulk de korst van geronnen bloed er af, zodat er dikke, trage rode druppels onder vandaan wellen, tot mijn bloeddorst gelest is en mijn aandacht verschuift. De wond heelt geruisloos en vlot, en ik kijk er niet meer naar om. Net zoals ik Dinand en consorten over een aantal jaar als jeudgzonde hoop te kunnen bestempelen, zijn valpartijen iets van het verleden, waar slechts verkleurde littekens nog aan herinneren.
Maar zoals ik stiekem altijd wel een beschaamde zwak voor D.W. zal blijven behouden, zit ook een ongeluk nog altijd in een klein hoekje. Op de hoek van de straat viel ik zeer recent keihard en lelijk van mijn fiets. Mijn mooie, pas opgeknapte fiets lag bovenop mij. Inventaris: één doorgefietste boosdoener die zich van de prins geen kwaad wist. Eén broek met scheur, onherstelbaar beschadigd. Eén knie met scheur, waarvan we het herstel nog afwachten. En een geschrokken meisje, dat voor het eerst in zo'n vijftien jaar weer eens genadeloos op haar plaat ging. Achter mij stopte een vrouw die vroeg hoe ik me voelde. (Een unicum, en erg lief!)
Ik had haast, want ik moest naar mijn werk. Mijn hart en hoofd deden het nog, mijn fiets ook. Ik bedankte haar, en ging verder. Pas nadat ik mij op mijn werk in mijn in allerijl aangeschafte broek had gehesen kwam het besef: ik ben gevallen, en hard. De schrik zocht zijn uitweg en dikke tranen rolden over mijn wangen. Ongegeneerd huilde ik twee minuten als een kleuter. Daarna was 't natuurlijk uit met de pret, of beter, het leed.
Het was zeker niet de eerste keer dat ik viel, maar wel de eerste keer dat ik mijn broek kapot viel. Zonde van de broek, maar gezien de grootte van de scheur ben ik blij dat t mijn broek was, in plaats van mijn been, waaraan de schade nog wel meevalt. Later, thuis, bekeek ik de wond eens goed.
Op dat moment verlangde ik intens naar mijn vader, die, als hij in de buurt was, de wonden op mijn knieën placht schoon te maken met een schone zakdoek en wat geblaas. Helaas, ik zou t alleen moeten doen. Hinkend stiefelde ik naar de Kruidvat, op zoek naar wat pleisterlijk gerief. Schaafwonden hoef je niet af te dekken, maar ik vreesde dat ik mijn broek na verloop van tijd van mijn wond af zou moeten trekken als ik 'm niet afdekte. Het is immers geen zomer. Een pluiswond is geen fijn gezicht, om over het gevoel van een wreed meegetrokken korst nog maar te zwijgen. Zonder veel plichtplegingen plakte ik een pleister op de schaaf. En dat was dat.
Maar 's avonds, als ik de pleister verwissel, kijk ik onder het mom van het controleren van de progressie nog even aandachtig naar mijn knie. Pulken doe ik niet. Poken evenmin. Nee, ik voel het kloppen van mijn bloed door de wond, en blaas er zachtjes op, bijna genietend van de licht pijnlijke sensatie die dat teweegbrengt. Bah. Rrrr. There's something 'bout your smile, there's something 'bout the way you mááke me feeheel...
In de winter viel ik zelden, en in de zomer zat er geen batman tussen de tere huid van mijn knieën (die steeds minder teer werd) en het grijze grind waarover ik een sliding maakte. Maar kinderen hebben – net als moeders! – geen geheugen voor pijn en een grote, bloedende wond, weggeschaafd tot op het wit, was eigenlijk griezelig stoer. Gefascineerd keek ik als het dan een keer zover was naar mijn knie, de minutieuze reepjes huid, aan elkaar gestikt en wreed opengereten door G-kracht, een paar grindsteentjes en wat zand.
Parbleu, lieve lezer, ik kreeg spontaan last van het Dinand-syndroom als ik ernaar keek. Vernoemd naar Kane-frontman Dinand Woesthoff, die, zo heb ik me laten vertellen, helemaal niet zo heet.
Ik vind wat ik van hem heb gezien op tv (wat natuurlijk gekleurd en selectief is) niet bijster inspirerend, maar zijn stem vind ik zeer prettig. Dat afgrijselijke Haagse accent, dat laagkaakse gemompel, die stomme stopwoorden en dat gígántische voorhoofd maken dat ik rillend naar hem zit te kijken als hij voor de camera verschijnt en zijn diepkelige mening spuwt. Negen van de tien keer versta ik hem niet eens, maar dat geeft niet – wat hij zegt snijdt toch geen hout, althans geen hout waar ik een tuinhuis van wil bouwen.
Adoratie en afschuw strijden om voorrang in mijn lijf, want de stem van die man maakt iets in me los, zoals je soms geraakt kunt zijn door een dissonante toon in een muziekstuk. Als hij praat, trilt het in mijn middenrif, maar ik ben er niet over uit, hoe ik die emotie moet noemen. Inmiddels loopt meneer tegen de veertig en teert samen met de rest van Kane (of eigenlijk vooral met Dennis van Leeuwen, het enige overgebleven originele bandlid naast D. zélf) op een kreunformule van zo'n tien jaar oud.
Add lips ahoy. Maar eerlijk is eerlijk, dat is ook waar Dinand in uitblinkt. Hij eet er in ieder geval goed van, met dat tweede huis op Ibiza. Ook ik ben daar debet aan: ik heb enkele (ja, meer dan één!) van zijn cd's.
Als ik hem zie wil ik wegzappen, maar tegelijkertijd kan ik mijn ogen en oren niet van hem afhouden. Ja, ik huiver, van vervoering, van afgrijzen. Bah. Rrrr. Bah. Rrrr.
En hetzelfde, lieve lezer, geldt voor zo'n pijnlijke grindwond. Na de eerste schrik en de gedroogde tranen heb ik tijd voor fascinatie. Mijn knie doet zeer, maar ik kan niet ophouden er naar te kijken, moet me bedwingen mijn vuile vingers er niet in te steken, pulk de korst van geronnen bloed er af, zodat er dikke, trage rode druppels onder vandaan wellen, tot mijn bloeddorst gelest is en mijn aandacht verschuift. De wond heelt geruisloos en vlot, en ik kijk er niet meer naar om. Net zoals ik Dinand en consorten over een aantal jaar als jeudgzonde hoop te kunnen bestempelen, zijn valpartijen iets van het verleden, waar slechts verkleurde littekens nog aan herinneren.
Maar zoals ik stiekem altijd wel een beschaamde zwak voor D.W. zal blijven behouden, zit ook een ongeluk nog altijd in een klein hoekje. Op de hoek van de straat viel ik zeer recent keihard en lelijk van mijn fiets. Mijn mooie, pas opgeknapte fiets lag bovenop mij. Inventaris: één doorgefietste boosdoener die zich van de prins geen kwaad wist. Eén broek met scheur, onherstelbaar beschadigd. Eén knie met scheur, waarvan we het herstel nog afwachten. En een geschrokken meisje, dat voor het eerst in zo'n vijftien jaar weer eens genadeloos op haar plaat ging. Achter mij stopte een vrouw die vroeg hoe ik me voelde. (Een unicum, en erg lief!)
Ik had haast, want ik moest naar mijn werk. Mijn hart en hoofd deden het nog, mijn fiets ook. Ik bedankte haar, en ging verder. Pas nadat ik mij op mijn werk in mijn in allerijl aangeschafte broek had gehesen kwam het besef: ik ben gevallen, en hard. De schrik zocht zijn uitweg en dikke tranen rolden over mijn wangen. Ongegeneerd huilde ik twee minuten als een kleuter. Daarna was 't natuurlijk uit met de pret, of beter, het leed.
Het was zeker niet de eerste keer dat ik viel, maar wel de eerste keer dat ik mijn broek kapot viel. Zonde van de broek, maar gezien de grootte van de scheur ben ik blij dat t mijn broek was, in plaats van mijn been, waaraan de schade nog wel meevalt. Later, thuis, bekeek ik de wond eens goed.
Op dat moment verlangde ik intens naar mijn vader, die, als hij in de buurt was, de wonden op mijn knieën placht schoon te maken met een schone zakdoek en wat geblaas. Helaas, ik zou t alleen moeten doen. Hinkend stiefelde ik naar de Kruidvat, op zoek naar wat pleisterlijk gerief. Schaafwonden hoef je niet af te dekken, maar ik vreesde dat ik mijn broek na verloop van tijd van mijn wond af zou moeten trekken als ik 'm niet afdekte. Het is immers geen zomer. Een pluiswond is geen fijn gezicht, om over het gevoel van een wreed meegetrokken korst nog maar te zwijgen. Zonder veel plichtplegingen plakte ik een pleister op de schaaf. En dat was dat.
Maar 's avonds, als ik de pleister verwissel, kijk ik onder het mom van het controleren van de progressie nog even aandachtig naar mijn knie. Pulken doe ik niet. Poken evenmin. Nee, ik voel het kloppen van mijn bloed door de wond, en blaas er zachtjes op, bijna genietend van de licht pijnlijke sensatie die dat teweegbrengt. Bah. Rrrr. There's something 'bout your smile, there's something 'bout the way you mááke me feeheel...
woensdag 3 november 2010
Cake
De dag vóór mijn verjaardag stond ik ingeroosterd op mijn werk. En zoals 't een enthousiaste bijna-jarige betaamt, kon ik het niet laten om in vrijwel elke conversatie 'ik ben morgen jarig!' te gooien. Om vervolgens voorbarige maar zeer gewenste (en geviste) felicitaties in ontvangst te nemen. Een felicitatie is een felicitatie, al komt hij van een vreemde, en verheugt voor mij de voorpret.
Halverwege de dag sloeg een after lunch-dip toe. Na een minder plezierige scene met een collega – het ging om iets heel kleins, maar het was groot genoeg om mijn enthousiasme te temperen - zakte mijn humeur beneden peil. Vermoeidheid en spanning eisten hun tol en ik bleef beleefd zoals altijd, maar had de tweede helft van de dag minder plezier dan de eerste. En hoewel ik mijn best deed om vrolijk te blijven, merkte ik aan mijzelf dat ik de uren aftelde die mij scheidden van mijn vrije avond. Geconcentreerd richtte ik mij op mijn taken en was in gedachten verzonken, toen er plotseling een man voor mijn toonbank verscheen.
(Alweer een man? U denkt te kunnen raden waar dit heengaat? Ik denk van niet.)
Ik kende deze man al een beetje. Hij had ongeveer een halfjaar geleden gebruik gemaakt van een aanbieding voor een pannenset, maar vóór hij tot aankoop overging twijfelde hij vreselijk. Hij is wel vijf keer teruggeweest, om te kijken, te voelen en een heel arsenaal aan vragen op ons af te vuren. We moesten de pannenset voor hem reserveren. Toen hij vervolgens uiteindelijk tot aankoop overging, bleek er na een aantal weken iets mis te zijn gegaan met een van zijn pannen. Er was vet ingebrand op de buitenkant en de binnenkant was ook heel smerig, de pan was drooggekookt. Hij kwam bij mij met de vraag of we er iets aan konden doen. Ik gaf hem een pannenspons. Ondanks zijn intense manier van aankopen doen was het best een aardige man. Ik kende zijn achternaam inmiddels van de bestelbon en sprak hem daarbij aan. Hij op zijn beurt wilde graag mijn naam weten, 'voor de eerlijkheid'. We gingen amicaal uit elkaar en hij kwam daarna nog één keer terug. Sinds die keer en de meest recente is wel een kwartaal verstreken.
Ik was verrast toen hij ineens weer voor mijn neus stond (ja, ik laat mij vaak verrassen door de wereld en haar bewoners) en reageerde iets te vrolijk op zijn komst, vergetend dat hij geen oude vriend is, maar een klant. Zijn naam wist ik inmiddels niet meer, maar hij de mijne wel. Mijn pesthumeur was direct vergeten. Hij vroeg me hoe het ging, ik vertelde hem dat ik morgen jarig was. Hij kocht wat hij nodig had, wenste me een fijne verjaardag en vertrok.
Een uurtje later sprak ik met een collega over dit voorval en hoe toevallig het was dat hij juist op deze dag de winkel had bezocht. Net toen ik uitlegde wie hij ook alweer was, riep iemand me. Het was de man, de man van de pannenset, wiens naam ik niet meer wist. Hij keek me stralend aan en drukte een tasje van de Sissy Boy in mijn handen. 'Alsjeblieft, een cadeautje! Omdat je morgen jarig bent!!'
Met een minstens zo brede glimlach maakte ik het pakketje open. Meneer was helemaal naar de Sissy Boy gelopen (niet de Hema, niet de V&D, nee, de Sissy Boy!!) om een cadeautje te kopen voor een verkoopster in een winkel waar hij maar zeer sporadisch komt, alleen maar omdat ze jarig is. Het toppunt van schattig, toch? Ik was echt een beetje ontroerd.
In het pakketje zat een receptenschriftje. Superleuk natuurlijk, ik kon die man wel zoenen! Ik was echt even sprakeloos, het was werkelijk een héél lief gebaar. Mijn eerste impuls was om hem om de hals te vliegen, maar toen bedacht ik me dat ik aan het werk was, er een collega naast me stond, en ik me uit het oogpunt van de betamelijkheid een beetje in moest houden.
Ik gaf hem drie echte, dikke zoenen op zijn wangen en bedankte hem hartelijk. Het sneue was dat ik zijn naam nog altijd niet wist, terwijl hij de mijne zong in iedere zin die hij met me sprak. Nu zou ik hem nooit meer naar zijn naam kunnen vragen, want dat zou het cadeau ondermijnen. Ik zin nog op een manier om erachter te komen, hoe hij heet. Misschien moet ik hem maar naar zijn voornaam vragen, de volgende keer dat hij in de winkel is. Tenslotte weet hij ook alleen mijn voornaam.
Meneer Sissy Boy. Mmh. Dat voldoet voorlopig. Tien tegen een dat hij binnen een maand weer verschijnt, en dan verzin ik wel een smoes om het uit hem te krijgen. En dan zal ik 't opschrijven, in mijn schriftje, onder het recept voor chocoladebrownies. Suikerzoet, maar oh, zo lekker!!!
Halverwege de dag sloeg een after lunch-dip toe. Na een minder plezierige scene met een collega – het ging om iets heel kleins, maar het was groot genoeg om mijn enthousiasme te temperen - zakte mijn humeur beneden peil. Vermoeidheid en spanning eisten hun tol en ik bleef beleefd zoals altijd, maar had de tweede helft van de dag minder plezier dan de eerste. En hoewel ik mijn best deed om vrolijk te blijven, merkte ik aan mijzelf dat ik de uren aftelde die mij scheidden van mijn vrije avond. Geconcentreerd richtte ik mij op mijn taken en was in gedachten verzonken, toen er plotseling een man voor mijn toonbank verscheen.
(Alweer een man? U denkt te kunnen raden waar dit heengaat? Ik denk van niet.)
Ik kende deze man al een beetje. Hij had ongeveer een halfjaar geleden gebruik gemaakt van een aanbieding voor een pannenset, maar vóór hij tot aankoop overging twijfelde hij vreselijk. Hij is wel vijf keer teruggeweest, om te kijken, te voelen en een heel arsenaal aan vragen op ons af te vuren. We moesten de pannenset voor hem reserveren. Toen hij vervolgens uiteindelijk tot aankoop overging, bleek er na een aantal weken iets mis te zijn gegaan met een van zijn pannen. Er was vet ingebrand op de buitenkant en de binnenkant was ook heel smerig, de pan was drooggekookt. Hij kwam bij mij met de vraag of we er iets aan konden doen. Ik gaf hem een pannenspons. Ondanks zijn intense manier van aankopen doen was het best een aardige man. Ik kende zijn achternaam inmiddels van de bestelbon en sprak hem daarbij aan. Hij op zijn beurt wilde graag mijn naam weten, 'voor de eerlijkheid'. We gingen amicaal uit elkaar en hij kwam daarna nog één keer terug. Sinds die keer en de meest recente is wel een kwartaal verstreken.
Ik was verrast toen hij ineens weer voor mijn neus stond (ja, ik laat mij vaak verrassen door de wereld en haar bewoners) en reageerde iets te vrolijk op zijn komst, vergetend dat hij geen oude vriend is, maar een klant. Zijn naam wist ik inmiddels niet meer, maar hij de mijne wel. Mijn pesthumeur was direct vergeten. Hij vroeg me hoe het ging, ik vertelde hem dat ik morgen jarig was. Hij kocht wat hij nodig had, wenste me een fijne verjaardag en vertrok.
Een uurtje later sprak ik met een collega over dit voorval en hoe toevallig het was dat hij juist op deze dag de winkel had bezocht. Net toen ik uitlegde wie hij ook alweer was, riep iemand me. Het was de man, de man van de pannenset, wiens naam ik niet meer wist. Hij keek me stralend aan en drukte een tasje van de Sissy Boy in mijn handen. 'Alsjeblieft, een cadeautje! Omdat je morgen jarig bent!!'
Met een minstens zo brede glimlach maakte ik het pakketje open. Meneer was helemaal naar de Sissy Boy gelopen (niet de Hema, niet de V&D, nee, de Sissy Boy!!) om een cadeautje te kopen voor een verkoopster in een winkel waar hij maar zeer sporadisch komt, alleen maar omdat ze jarig is. Het toppunt van schattig, toch? Ik was echt een beetje ontroerd.
In het pakketje zat een receptenschriftje. Superleuk natuurlijk, ik kon die man wel zoenen! Ik was echt even sprakeloos, het was werkelijk een héél lief gebaar. Mijn eerste impuls was om hem om de hals te vliegen, maar toen bedacht ik me dat ik aan het werk was, er een collega naast me stond, en ik me uit het oogpunt van de betamelijkheid een beetje in moest houden.
Ik gaf hem drie echte, dikke zoenen op zijn wangen en bedankte hem hartelijk. Het sneue was dat ik zijn naam nog altijd niet wist, terwijl hij de mijne zong in iedere zin die hij met me sprak. Nu zou ik hem nooit meer naar zijn naam kunnen vragen, want dat zou het cadeau ondermijnen. Ik zin nog op een manier om erachter te komen, hoe hij heet. Misschien moet ik hem maar naar zijn voornaam vragen, de volgende keer dat hij in de winkel is. Tenslotte weet hij ook alleen mijn voornaam.
Meneer Sissy Boy. Mmh. Dat voldoet voorlopig. Tien tegen een dat hij binnen een maand weer verschijnt, en dan verzin ik wel een smoes om het uit hem te krijgen. En dan zal ik 't opschrijven, in mijn schriftje, onder het recept voor chocoladebrownies. Suikerzoet, maar oh, zo lekker!!!
maandag 1 november 2010
Hof (2)
Wederom Zondag. Het zou de titel kunnen zijn van een EO-programma, maar nee. Het is wederom zondag en ik ben wederom in opkalefatertenue als er wordt aangebeld. Voor mijn neus staat de liefdesbriefschrijver. Hij zegt niets, kijkt me alleen maar aan, ik zie de spanning op zijn gezicht. Een week is verstreken sinds ik zijn brief te lezen kreeg, en ik heb hem nog niets laten weten. Om precies te zijn: ik heb de energie nog niet gevonden om hem vriendelijk en resoluut op schrift te vertellen dat ik zijn affectie niet wil beantwoorden. Hoe pak je zoiets ook aan? Ik waardeer zijn brief, maar heb er niet om gevraagd. Hij hoeft niet nodeloos gekwetst te worden, maar dat geldt voor mij ook.
Het valt me op dat hij er heel netjes en een beetje koloniaal-pooierachtig uitziet. Zijn pak is donkerbruin en te goedkoop om echt mooi te zijn, maar met zorg uitgezocht en onderhouden. De das vloekt nét bij het off-crème -want wit is het toch echt niet - overhemd. Zijn schoenen zijn veterloos en goed gepoetst, maar passen er evenmin helemaal bij. Het is een vermoeiende combinatie, vermoeiend voor het oog, uitzicht- en moedeloos verkeerd. Hij lijkt zo uit een roman gestapt, ieder moment kan een blootvoetige waaikoelie hem een groezelig glas kwast met vliegen erin aanreiken. Het begint me te dagen: dit is een patroon.
De ordentelijkheid van zijn brief en zijn verschijning trekken mij niet over de streep. Hij heeft dit pak waarschijnlijk aangetrokken om mij te imponeren, maar het goud in zijn mond blinkt nog altijd sterker. Hij bezit een deerniswekkende netnietheid, een negatief je ne sais quoi... Sommige mensen hebben 'het', 'hét!', moeiteloos en charismatisch. Bij deze man is het precies omgekeerd.
Ik heb al eens eerder zo'n man gedate, en de vonk sloeg ook toen niet over. Hij bracht me cheesecake, rozen, een teddybeertje, oprechte aandacht en een hoop welwillendheid. Hij was de hoffelijkheid zelve en deed zijn best om het mij naar de zin te maken. Ik vond op mijn beurt dat omdat hij zo lief was, ik mijn zoeken naar een vonk moest staken. Ik deed mijn intuïtie af als nuffigheid en kieskeurigheid. Zoveel leuke mannen die rozen meenemen zijn er namelijk niet. Hij deed alles goed, maar het kwam niet goed.
Uiteindelijk gingen we als vrienden uit elkaar, nog vóór we goed en wel bij elkaar waren gekomen. Ik denk dat hij ook doorhad dat het niet zou werken. En dit was dan nog een jongen zonder gouden tand, slim en veelbelovend, hoffelijk en onderhoudend. Geen onvertogen woord kwam over zijn lippen bij ons scheiden, geen sneer, geen onhebbelijkheid, niets. Ik had hem wat rancune niet kwalijk genomen, maar zelfs daar was hij te lief en te mans voor.
Wat heb ik hiervan geleerd? 1) ze bestaan dus wel, mannen die aan hoofse liefde doen en 2) als ik ondanks alle hoofse liefde toch niet gelukkig ben, heeft het weinig zin om er omwille van de conventie in te volharden als blijkt dat 't niet werkt. Nog geen duizend rozen kunnen een gebrek aan vonk vervangen. Dat maakt mij niet kieskeurig of verknipt, ik bespaar een leuke man en mijzelf graag de teleurstelling en de ingeslagen ruiten van hoop die we samen langzaamaan in het huis van de opbloeiende liefde plaatsen. Ik was blij verrast en gevleid door de mooie brief die ik vorige week kreeg, en ik voel een gebrek aan vonk.
In plaats van mijzelf te sussen ('hij verdient toch een kans? Je hoeft niet met 'm te trouwen? Wie weet wat hij je te bieden heeft? Hij heeft zijn nek uitgestoken, het zou eerlijk zijn om dat te belonen? Er is toch niets mis met hem? (Okee... er is toch niet zovéél mis met hem?) Hij vindt je overduidelijk leuk, what the fuck is your problem, moet hij soms op zijn hoofd gaan staan?') herken ik het gebrek aan charisma nu eerder en ga er dan ook meteen beter mee om. Weg met de lapzwans, hallo Adonis. Wel, dit is niet mijn Adonis. Ik ben hem niets verschuldigd behalve misschien wat beleefdheid en sterker, het zou zelfs onbeleefd zijn om hem aan het lijntje te houden. Bovendien is dit geen goede basis voor een gelijkwaardige relatie. Ik verdien beter, hij ook. Nu moet ik dit alleen nog aan hem kenbaar maken.
Zijn nette pak, hoe koloniaal ook, maakt me bewust van mijn joggingbroek en rommelige wenkbrauwen. Deze keer troost ik me er mee: ik hoop dat hij op me afknapt, nu hij me voor de tweede keer 'zeer blanco' aantreft. Moet 'ie ook maar niet op zondagmiddag aanbellen. Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets – hij heeft mazzel dat ik geen avocado op mijn gezicht heb..... Hij kijkt me nog altijd aan, en ik begin te praten. Ik vertel hem dat ik zijn brief waardeer, en dat ik net zo open en eerlijk tegen hem zal zijn als hij tegen mij is geweest. En dat ik zijn gevoelens niet kan beantwoorden.
Ik houd het kort en neem opgelucht afscheid. Mocht hij dat pak echt voor mij hebben aangetrokken, dan kan hij het uitdoen voor er zweetplekken in het hemd komen. Uit een vals gevoel van veiligheid zou ik een smoes kunnen verzinnen, maar eigenlijk ben ik ook daar te moe voor. De dag is nog niet om, maar ik ben geneigd te geloven dat hij me nu met rust laat.
Het is alles goud wat er blinkt, en dat is onderdeel van het probleem. Misschien eindig ik met de page van mijn prins, maar voorlopig zet ik hoger in dan de staljongen.
Het valt me op dat hij er heel netjes en een beetje koloniaal-pooierachtig uitziet. Zijn pak is donkerbruin en te goedkoop om echt mooi te zijn, maar met zorg uitgezocht en onderhouden. De das vloekt nét bij het off-crème -want wit is het toch echt niet - overhemd. Zijn schoenen zijn veterloos en goed gepoetst, maar passen er evenmin helemaal bij. Het is een vermoeiende combinatie, vermoeiend voor het oog, uitzicht- en moedeloos verkeerd. Hij lijkt zo uit een roman gestapt, ieder moment kan een blootvoetige waaikoelie hem een groezelig glas kwast met vliegen erin aanreiken. Het begint me te dagen: dit is een patroon.
De ordentelijkheid van zijn brief en zijn verschijning trekken mij niet over de streep. Hij heeft dit pak waarschijnlijk aangetrokken om mij te imponeren, maar het goud in zijn mond blinkt nog altijd sterker. Hij bezit een deerniswekkende netnietheid, een negatief je ne sais quoi... Sommige mensen hebben 'het', 'hét!', moeiteloos en charismatisch. Bij deze man is het precies omgekeerd.
Ik heb al eens eerder zo'n man gedate, en de vonk sloeg ook toen niet over. Hij bracht me cheesecake, rozen, een teddybeertje, oprechte aandacht en een hoop welwillendheid. Hij was de hoffelijkheid zelve en deed zijn best om het mij naar de zin te maken. Ik vond op mijn beurt dat omdat hij zo lief was, ik mijn zoeken naar een vonk moest staken. Ik deed mijn intuïtie af als nuffigheid en kieskeurigheid. Zoveel leuke mannen die rozen meenemen zijn er namelijk niet. Hij deed alles goed, maar het kwam niet goed.
Uiteindelijk gingen we als vrienden uit elkaar, nog vóór we goed en wel bij elkaar waren gekomen. Ik denk dat hij ook doorhad dat het niet zou werken. En dit was dan nog een jongen zonder gouden tand, slim en veelbelovend, hoffelijk en onderhoudend. Geen onvertogen woord kwam over zijn lippen bij ons scheiden, geen sneer, geen onhebbelijkheid, niets. Ik had hem wat rancune niet kwalijk genomen, maar zelfs daar was hij te lief en te mans voor.
Wat heb ik hiervan geleerd? 1) ze bestaan dus wel, mannen die aan hoofse liefde doen en 2) als ik ondanks alle hoofse liefde toch niet gelukkig ben, heeft het weinig zin om er omwille van de conventie in te volharden als blijkt dat 't niet werkt. Nog geen duizend rozen kunnen een gebrek aan vonk vervangen. Dat maakt mij niet kieskeurig of verknipt, ik bespaar een leuke man en mijzelf graag de teleurstelling en de ingeslagen ruiten van hoop die we samen langzaamaan in het huis van de opbloeiende liefde plaatsen. Ik was blij verrast en gevleid door de mooie brief die ik vorige week kreeg, en ik voel een gebrek aan vonk.
In plaats van mijzelf te sussen ('hij verdient toch een kans? Je hoeft niet met 'm te trouwen? Wie weet wat hij je te bieden heeft? Hij heeft zijn nek uitgestoken, het zou eerlijk zijn om dat te belonen? Er is toch niets mis met hem? (Okee... er is toch niet zovéél mis met hem?) Hij vindt je overduidelijk leuk, what the fuck is your problem, moet hij soms op zijn hoofd gaan staan?') herken ik het gebrek aan charisma nu eerder en ga er dan ook meteen beter mee om. Weg met de lapzwans, hallo Adonis. Wel, dit is niet mijn Adonis. Ik ben hem niets verschuldigd behalve misschien wat beleefdheid en sterker, het zou zelfs onbeleefd zijn om hem aan het lijntje te houden. Bovendien is dit geen goede basis voor een gelijkwaardige relatie. Ik verdien beter, hij ook. Nu moet ik dit alleen nog aan hem kenbaar maken.
Zijn nette pak, hoe koloniaal ook, maakt me bewust van mijn joggingbroek en rommelige wenkbrauwen. Deze keer troost ik me er mee: ik hoop dat hij op me afknapt, nu hij me voor de tweede keer 'zeer blanco' aantreft. Moet 'ie ook maar niet op zondagmiddag aanbellen. Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets – hij heeft mazzel dat ik geen avocado op mijn gezicht heb..... Hij kijkt me nog altijd aan, en ik begin te praten. Ik vertel hem dat ik zijn brief waardeer, en dat ik net zo open en eerlijk tegen hem zal zijn als hij tegen mij is geweest. En dat ik zijn gevoelens niet kan beantwoorden.
Ik houd het kort en neem opgelucht afscheid. Mocht hij dat pak echt voor mij hebben aangetrokken, dan kan hij het uitdoen voor er zweetplekken in het hemd komen. Uit een vals gevoel van veiligheid zou ik een smoes kunnen verzinnen, maar eigenlijk ben ik ook daar te moe voor. De dag is nog niet om, maar ik ben geneigd te geloven dat hij me nu met rust laat.
Het is alles goud wat er blinkt, en dat is onderdeel van het probleem. Misschien eindig ik met de page van mijn prins, maar voorlopig zet ik hoger in dan de staljongen.
donderdag 21 oktober 2010
Rails
Leer mij de conducteurs kennen. Eens, toen de Coffee Company net geopend was, zat ik daar koffie te drinken met een vriendinnetje. De tent is relatief lang en smal, zoals veel van die panden aan de gracht. Het was hoogzomer en we zaten lekker te kletsen. Er kwam een man binnen, netjes gekleed, wit overhemd, strakke spijkerbroek, laarzen. (Voor wie het nog niet wist: ik heb een zwak voor mannen met mooi schoeisel.) Verder sloeg ik geen acht op hem, maar wij hadden zijn aandacht wél getrokken. Hij stapte op ons af en vroeg mij of ik een keer iets met hem wilde drinken. Dat wilde ik wel.
Tijdens de date bleek dat hij wat ouder was dan ik dacht (tweeëndertig) en dat hij een zoon had die óók wat ouder was dan ik dacht (Veertien. Ja, u leest het goed.)
Ieder zijn geschiedenis, dáár veroordeelde ik hem niet om. Ik vond het eigenlijk wel geinig, al had ik wel m'n twijfels bij zijn uiterlijk. Onder dat mooie hemd zaten een flink aantal lichaamsbedekkende tatoeages verstopt, waarvan enkele al zichtbaar op zijn armen. Naar de rest kon ik alleen maar gissen, maar het begon al in zijn hals. Daar hij me alleen te drinken en niet ten huwelijk had gevraagd, zag ik echter geen reden om hem direct af te wijzen. En die laarzen werkten in zijn voordeel, natuurlijk.
Hij bleek conducteur. Logisch eigenlijk, want alleen bij de NS nemen ze je nog aan mét lichaamsversieringen als deze. Na een aftandse roos in knop en twee cola bleek dat hij toch vooral erg graag zijn trein in mijn remise wilde rijden, en dat dan liefst herhaaldelijk, tijdens een doelmatige logeerpartij. Ik was niet zo in voor kedeng-kedeng met deze bekladde klojo, dus ik bedankte vriendelijk. We zaten, zogezegd, niet op hetzelfde spoor. Ik kom hem soms nog tegen, en dan knik ik altijd maar. Wat moet je anders...
Zag ik hem, toen ik hollend mijn trein probeerde te halen? Nee. Ik zag wel een groepje conducteurs staan, maar hij was daar niet bij. Rennend bereikte ik mijn perron. Expres hard stommelend spoedde ik mij de roltrap af. De weg naar de trein werd mij versperd door een corpulente man met een nog corpulentere tas. Helaas is het Britse systeem voor roltraplopen niet ingeburgerd in Nederland, alle verf op treden ten spijt. Zachtzinnig en beslist duwde ik hem opzij. Eenmaal beneden bleek dat ik mij voor niets gehaast had: mijn trein was vertraagd. Toen hij eindelijk kwam zeeg ik neer op de eerste de beste bank die ik vinden kon. Knie aan knie met een man op leeftijd, in een vierzitscoupeetje.
De man wenste mij goedenavond. In dat deel van het land waar de trein naar op weg was, is het begroeten van vreemden nog gemeengoed. De man haalde edities van de NRC-next uit zijn tas en legde die naast zich. Vervolgens ging hij in de zaterdageditie van de Volkskrant zitten lezen. Ik wilde hem vragen of hij het NRC van zaterdag had gelezen en of hij ook zo verrast was door wat er op pagina elf van de Wetenschapsbijlage stond, maar ik bedacht me. 'Goedenavond' legitimeert niets, en iedereen heeft het recht op lezen in alle rust. Zonder gepook, hoe semi-intellectueel ook.
In het coupeetje naast ons zaten een man en een meisje van een jaar of zeven. Het meisje droeg laarsjes met hakken, wat ik striking vond voor een zevenjarige, maar ook heel nostalgisch-herkenbaar. Ik bezat ook haklaarsjes op mijn zevende, maar die waren van leer en niet van plastic. Bovendien waren het enkellaarzen met gespen en een ritsje, geen knielaarzen met stretch. Maar ach. Vroeger kon ik mijn moeder herkennen aan het patroon waarmee haar schoenen tikten, schraapten, stokten, klikten. Het verlangen om dat loopgeluid na te doen kan heel groot zijn, zeker als je zeven bent en je voeten niet groot genoeg voor je moeders afdankertjes.
De moeder van het meisje was echter ver te zoeken. De vader was zo drukdoenerig met zijn dochter dat ik hem ervan verdacht een scheidvader te zijn, die het beste had gemaakt van het maandelijkse weekend met zijn kind. De laarzen waren duidelijk vanmiddag aangeschaft, en de tassen naast het meisje op de bank wezen op nog meer materiële verwennerij. Als klap op de vuurpijl werden we nog ongewenst getrakteerd op een zevenjarige-meisjesversie van de WK-hit Waka Waka, die heupschuddend en al op film naar de afwezige moeder werd verstuurd. Blijkbaar was het huwelijk nog intact.
De man tegenover mij zuchtte misprijzend. En terecht. Het was vertederend geweest als het meisje niet zo in your face uitsloverig was geweest. Een liedje zingen is één ding, rondkijken of iedereen je ziet dansen is een tweede. En dan die misselijke vader erbij, die van pure adoratie zijn dure nokiaatje bijna te pletter liet vallen. Yuk.
Ik ging eens bij mijzelf te rade. Mijn vader houdt ook van mij, maar hij was eigenlijk altijd drukker met lol maken met mij dan het vastleggen van die lol. Ik was bovendien niet uitsloverig. Ook wij hebben flink wat winkel- en wandeltripjes achter de rug: kastanjes zoeken, poppetjesslingers knippen, sieraden maken, origamibeesten vouwen, schelpen zoeken, halve Hema-worst eten... Op een gegeven moment lieten mijn ouders een kleed knopen door een kledenmaker ergens bij de Belgische grens. Deze man maakte het kleed knoopje voor knoopje volgens een patroon dat mijn vader graag in het kleed wilde. Af en toe ging hij de vorderingen bekijken en dan ging ik vaak mee, achter in de auto, met mijn lievelingsboek. Eén keertje werd ik onderweg ziek en kotste ik mijzelf en mijn dierbare boek onder. Hij trok mijn kotskleren uit en ik mocht zijn trui aan. De beste terugrit ever, i dare say.
Afijn, ik dwaal af. Het meisje doet haar best om haar vader te behagen, zoals dochters dat kunnen doen. De man naast mij kucht waarschuwend als het meisje haar volume nog een tandje opschroeft en ook aan mijn geduld komt langzaam maar zeker een einde.
Ik heb altijd gezegd dat je kinderen niet mag afrekenen op hun uiterlijk. Feit is wel dat mooie kinderen meer kunnen maken. Dit kind is niet mooi. Goed beschouwd is ze net zo lelijk als haar pa en dat zal alleen maar erger worden. Gelukkig is er tenminste één man die van haar houdt. En het is niet de man tegenover me.
'Pardon,' barst hij uit, het meisje negerend, 'zou u het volume van uw kleine metgezel een beetje in kunnen dammen?' De vader kijkt hem verwonderd aan, gestoord in de adoratie van zijn kind, de sterren in zijn ogen doven. 'Ja, u heeft wel een beetje gelijk. Sienna, hoor je dat? Die meneer naast jou heeft last van jou! Beetje zachtjes doen dus hè?!' Het is me nu duidelijk waar het kind haar uitsloverigheid vandaan heeft. Sienna knikt gedwee en klikt vervolgens stoïcijns haar hakken tegen elkaar, terwijl ze in haar adem op het raam tekent. Nu voel ik met beide partijen mee, ondanks mijn eerdere ergernis. Maar er komen voor Sienna nog genoeg gelegenheden om haar creativiteit in de vrije loop te laten. Straks bijvoorbeeld, als ze aan haar moeder alle versverworven kleren laat zien. Ze pruilt niet eens, haar kleine hersens alweer druk bezig met andere zaken.
De vijftiger zoekt mijn goedkeurende blik, die ik hem, halfgemeend, gun. Nauwelijks merkbaar knikken wij naar elkaar. Uiteindelijk wint mijn volwassenheid het van de nostalgie: de leeftijdsband is sterker dan die van de vagijn. Ik wil me niet eens identificeren met dit veel te drukke, slierterige kind, hoe aandoenlijk haar zelfvertrouwen ook is.
De vijftiger bromt zachtjes tegen mij: 'Er worden hier treinkaartjes geknipt, geen circuskaartjes!' Ik reageer niet, ik heb net zo weinig met knorrige vijftigers als met slierterige zevenjarigen. In zelfovertuiging doen ze in ieder geval niet voor elkaar onder. Tegenover mij zit een sikkeneurige clown, naast mij een danseres in spé. Nu nog een zebra en de act is compleet...
Tijdens de date bleek dat hij wat ouder was dan ik dacht (tweeëndertig) en dat hij een zoon had die óók wat ouder was dan ik dacht (Veertien. Ja, u leest het goed.)
Ieder zijn geschiedenis, dáár veroordeelde ik hem niet om. Ik vond het eigenlijk wel geinig, al had ik wel m'n twijfels bij zijn uiterlijk. Onder dat mooie hemd zaten een flink aantal lichaamsbedekkende tatoeages verstopt, waarvan enkele al zichtbaar op zijn armen. Naar de rest kon ik alleen maar gissen, maar het begon al in zijn hals. Daar hij me alleen te drinken en niet ten huwelijk had gevraagd, zag ik echter geen reden om hem direct af te wijzen. En die laarzen werkten in zijn voordeel, natuurlijk.
Hij bleek conducteur. Logisch eigenlijk, want alleen bij de NS nemen ze je nog aan mét lichaamsversieringen als deze. Na een aftandse roos in knop en twee cola bleek dat hij toch vooral erg graag zijn trein in mijn remise wilde rijden, en dat dan liefst herhaaldelijk, tijdens een doelmatige logeerpartij. Ik was niet zo in voor kedeng-kedeng met deze bekladde klojo, dus ik bedankte vriendelijk. We zaten, zogezegd, niet op hetzelfde spoor. Ik kom hem soms nog tegen, en dan knik ik altijd maar. Wat moet je anders...
Zag ik hem, toen ik hollend mijn trein probeerde te halen? Nee. Ik zag wel een groepje conducteurs staan, maar hij was daar niet bij. Rennend bereikte ik mijn perron. Expres hard stommelend spoedde ik mij de roltrap af. De weg naar de trein werd mij versperd door een corpulente man met een nog corpulentere tas. Helaas is het Britse systeem voor roltraplopen niet ingeburgerd in Nederland, alle verf op treden ten spijt. Zachtzinnig en beslist duwde ik hem opzij. Eenmaal beneden bleek dat ik mij voor niets gehaast had: mijn trein was vertraagd. Toen hij eindelijk kwam zeeg ik neer op de eerste de beste bank die ik vinden kon. Knie aan knie met een man op leeftijd, in een vierzitscoupeetje.
De man wenste mij goedenavond. In dat deel van het land waar de trein naar op weg was, is het begroeten van vreemden nog gemeengoed. De man haalde edities van de NRC-next uit zijn tas en legde die naast zich. Vervolgens ging hij in de zaterdageditie van de Volkskrant zitten lezen. Ik wilde hem vragen of hij het NRC van zaterdag had gelezen en of hij ook zo verrast was door wat er op pagina elf van de Wetenschapsbijlage stond, maar ik bedacht me. 'Goedenavond' legitimeert niets, en iedereen heeft het recht op lezen in alle rust. Zonder gepook, hoe semi-intellectueel ook.
In het coupeetje naast ons zaten een man en een meisje van een jaar of zeven. Het meisje droeg laarsjes met hakken, wat ik striking vond voor een zevenjarige, maar ook heel nostalgisch-herkenbaar. Ik bezat ook haklaarsjes op mijn zevende, maar die waren van leer en niet van plastic. Bovendien waren het enkellaarzen met gespen en een ritsje, geen knielaarzen met stretch. Maar ach. Vroeger kon ik mijn moeder herkennen aan het patroon waarmee haar schoenen tikten, schraapten, stokten, klikten. Het verlangen om dat loopgeluid na te doen kan heel groot zijn, zeker als je zeven bent en je voeten niet groot genoeg voor je moeders afdankertjes.
De moeder van het meisje was echter ver te zoeken. De vader was zo drukdoenerig met zijn dochter dat ik hem ervan verdacht een scheidvader te zijn, die het beste had gemaakt van het maandelijkse weekend met zijn kind. De laarzen waren duidelijk vanmiddag aangeschaft, en de tassen naast het meisje op de bank wezen op nog meer materiële verwennerij. Als klap op de vuurpijl werden we nog ongewenst getrakteerd op een zevenjarige-meisjesversie van de WK-hit Waka Waka, die heupschuddend en al op film naar de afwezige moeder werd verstuurd. Blijkbaar was het huwelijk nog intact.
De man tegenover mij zuchtte misprijzend. En terecht. Het was vertederend geweest als het meisje niet zo in your face uitsloverig was geweest. Een liedje zingen is één ding, rondkijken of iedereen je ziet dansen is een tweede. En dan die misselijke vader erbij, die van pure adoratie zijn dure nokiaatje bijna te pletter liet vallen. Yuk.
Ik ging eens bij mijzelf te rade. Mijn vader houdt ook van mij, maar hij was eigenlijk altijd drukker met lol maken met mij dan het vastleggen van die lol. Ik was bovendien niet uitsloverig. Ook wij hebben flink wat winkel- en wandeltripjes achter de rug: kastanjes zoeken, poppetjesslingers knippen, sieraden maken, origamibeesten vouwen, schelpen zoeken, halve Hema-worst eten... Op een gegeven moment lieten mijn ouders een kleed knopen door een kledenmaker ergens bij de Belgische grens. Deze man maakte het kleed knoopje voor knoopje volgens een patroon dat mijn vader graag in het kleed wilde. Af en toe ging hij de vorderingen bekijken en dan ging ik vaak mee, achter in de auto, met mijn lievelingsboek. Eén keertje werd ik onderweg ziek en kotste ik mijzelf en mijn dierbare boek onder. Hij trok mijn kotskleren uit en ik mocht zijn trui aan. De beste terugrit ever, i dare say.
Afijn, ik dwaal af. Het meisje doet haar best om haar vader te behagen, zoals dochters dat kunnen doen. De man naast mij kucht waarschuwend als het meisje haar volume nog een tandje opschroeft en ook aan mijn geduld komt langzaam maar zeker een einde.
Ik heb altijd gezegd dat je kinderen niet mag afrekenen op hun uiterlijk. Feit is wel dat mooie kinderen meer kunnen maken. Dit kind is niet mooi. Goed beschouwd is ze net zo lelijk als haar pa en dat zal alleen maar erger worden. Gelukkig is er tenminste één man die van haar houdt. En het is niet de man tegenover me.
'Pardon,' barst hij uit, het meisje negerend, 'zou u het volume van uw kleine metgezel een beetje in kunnen dammen?' De vader kijkt hem verwonderd aan, gestoord in de adoratie van zijn kind, de sterren in zijn ogen doven. 'Ja, u heeft wel een beetje gelijk. Sienna, hoor je dat? Die meneer naast jou heeft last van jou! Beetje zachtjes doen dus hè?!' Het is me nu duidelijk waar het kind haar uitsloverigheid vandaan heeft. Sienna knikt gedwee en klikt vervolgens stoïcijns haar hakken tegen elkaar, terwijl ze in haar adem op het raam tekent. Nu voel ik met beide partijen mee, ondanks mijn eerdere ergernis. Maar er komen voor Sienna nog genoeg gelegenheden om haar creativiteit in de vrije loop te laten. Straks bijvoorbeeld, als ze aan haar moeder alle versverworven kleren laat zien. Ze pruilt niet eens, haar kleine hersens alweer druk bezig met andere zaken.
De vijftiger zoekt mijn goedkeurende blik, die ik hem, halfgemeend, gun. Nauwelijks merkbaar knikken wij naar elkaar. Uiteindelijk wint mijn volwassenheid het van de nostalgie: de leeftijdsband is sterker dan die van de vagijn. Ik wil me niet eens identificeren met dit veel te drukke, slierterige kind, hoe aandoenlijk haar zelfvertrouwen ook is.
De vijftiger bromt zachtjes tegen mij: 'Er worden hier treinkaartjes geknipt, geen circuskaartjes!' Ik reageer niet, ik heb net zo weinig met knorrige vijftigers als met slierterige zevenjarigen. In zelfovertuiging doen ze in ieder geval niet voor elkaar onder. Tegenover mij zit een sikkeneurige clown, naast mij een danseres in spé. Nu nog een zebra en de act is compleet...
dinsdag 19 oktober 2010
Hof
Zondag is voor mij een opkalefaterdag. Ik begin met een spinninglesje en daarna drink ik koffie en lees ik de krant, terwijl een avocadomasker mijn porien reinigt en Royal Jelly mijn haar verzorgt, de hele dag lang. Afgelopen zondag stond er echter nog een verjaardag op de planning, dus mijn schoonheidsrituelen moesten even in de derde versnelling worden gezet. Toen slechts een handdoek om mijn haar nog bewees dat ik het gewassen had, werd er aangebeld.
Ja, ik heb scrupules om de deur open te doen met een handdoek om mijn haar, maar ik verwachtte dat het vriendin N. was, die mijn handdoek en make-uploze want net gezuiverde porem wel zou begrijpen. Ik deed de deur open, maar ze stond er niet.
Voorzichtig stak ik mijn hoofd om de hoek, en ik zag een man staan in een oranjeachtig shirt en een plastic mapje met een papier erin. Hij was een jaar of dertig, en leek vertwijfeld. Ik dacht hij verdwaald was: het papiertje was vast een routebeschrijving. Hij keek aarzelend maar zeer aandachtig naar me. Ik vroeg hem: 'Kan ik je helpen?' Hij kwam dichterbij en zei: 'Niet schrikken, niet schrikken. Je moet niet schrikken, hoor, maar ik heb iets voor je.' In het mapje bleek een brief te zitten, die hij aan mij gaf. Aan: Flower Black Bike. Hij sprak met rustige, zachte stem, drong zich niet op, zag er netjes uit. Als hij mij een brief wilde geven, wilde ik die best lezen. Waarom ook niet: ik maak wel vreemdere dingen mee. Uit zijn shirt stak een kettinkje met zijn naam en onwillekeurig moest ik aan Carry Bradshaw denken. Plotseling werd ik me weer bewust van de handdoek op mijn hoofd en het bloed steeg naar mijn wangen. 'Wel, je treft me op een goed moment,' bracht ik schaapachtig uit. 'Oh, nee, dat geeft niet, dat geeft niet. Je ziet er heel fris uit.... Ben je Spaans? Braziliaans dan?' We kletsten heel even maar ik was wel een beetje van mijn apropos en had haast, dus ik beloofde hem de brief te lezen en nam afscheid.
In de trein op weg naar de verjaardag opende ik de brief. Het was een nette envelop, groot, schoon en wit. De brief was al even onberispelijk: handgeschreven, vol zorg en aandacht opgesteld.
Lieve lezer, ik dacht dat hoofse liefde een stille dood was gestorven, maar niets is minder waar. Omwille van de romantiek zal ik 'm hier neertypen:
[...], 15 oktober 2010.
Hallo there, alles kids?
Hai Flower, toen ik je zag voor het eerst voor de deur zag staan, had ik gelijk kriebel in mijn buik. Het was toen in de zomer, met een mooi weer. Het was july. Mijn hart ging tekeer en klopte zo snel. Je hebt me zo snel in mijn hart geraakt. Ik verlang toen om jouw nog een keer te zien. Ik zag jouw voor de tweede keer op vrijdag 15 oktober 2010 om 12.40.
Ik wil alleen mijn gevoelens voor je uiten. Maar wel niet overdreven.
Je bent zo mooi en prachtig om naar te kijken. Ik wil zo gouw bevriend met je zijn.
Ik zou je trateren als een roze bloem. Je hoeft niet bang voor te zijn, want ik ben een gewoone rustige jonge. Half Spaans, Half Antilliaans. Ik weet nog niet hoe je heet. Ik heb alleen een naam verzonnen. (Flower)
Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets. (Black Bike) Ik denk zelf dat je een kleinbeetje op me lijkt. Ik woon 2 minuten van je huis. […] Je mag ook voor de deur komen of sms'en. Stel me niet teleur. Niet lang duren!! […]
Wauw. Ik was even sprakeloos. Inderdaad, ik had op de vijftiende naar iemand teruggezwaaid die zijn hand bedeesd opstak. Blijkbaar heeft hij dat als een fiat voor hofmakerij opgevat. Schattig.
Aan de ene kant vind ik het licht beangstigend dat hij weet waar ik woon. Aan de andere kant komt hij uit de brief niet naar voren als een obsessieveling met verrekijker. Ik wil gewoon mijn gevoelens voor je uiten. Maar wel niet overdreven. Al was die opmerking over onze tweede 'ontmoeting' wel wat al te gedetailleerd, ik heb zijn adres óók. Hoe dan ook vind ik de brief heel vertederend, en al die spelfouten dragen daar aan bij. Je bent zo mooi en prachtig om naar te kijken. […] Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets. Hoe hoofs wil je het hebben?
Ik vraag me af, waar hij vandaan komt. De opbouw van zijn zinnen en zijn spelfouten maken dat ik denk dat hij het Nederlands in schrift niet machtig is. Hij sprak echter accentloos en vlot. Hij brengt de oriëntalist in mij naar boven, ik geeft het toe. Maar nu ik weet wat er in de brief staat, is mijn nieuwsgierigheid stiekem wel gewekt. Ik kan hem niet plaatsen. Hij is zo op 't eerste gezicht mijn type niet en als taalpurist verbind ik allerlei conclusies aan zijn brief (met als belangrijkste dat hij vast laagopgeleid is, en het subtiele gouden randje om zijn tand werkt daar aan mee) terwijl dat on-Nederlandse taalgebruik net zo goed veroorzaakt kan zijn door zijn mogelijk Spaanse dan wel Antilliaanse opvoeding. Toch zijn er foutjes die zelfs daardoor niet verklaard worden. Bovendien is dat mijn invulling: misschien is hij geboren en getogen in Makkum uit twee migrante ouders.
Zijn bedoeling is zeker duidelijk, en hij heeft ook rekening gehouden met het verrassingselement van de brief. Je hoeft niet bang voor te zijn, want ik ben een gewoone rustige jonge. Hij is onthutsend openhartig, en ook daarvan weet ik niet wat ik ervan zeggen moet. Die eerlijkheid is bijna kinderlijk, en tegelijkertijd heel doelgericht. Was hij echt dóm of een beetje achterlijk, dan was de brief toch minder genuanceerd geweest. (op dat laatste, bijna dreigende Stel me niet teleur. Niet lang duren!! na dan.)
Hij heeft het voor elkaar: ik ben geïntrigeerd.
Hoewel ik niet op zijn vriendschap zit te wachten zal ik hem een brief terug schrijven, handgeschreven, op een onberispelijk blocnotevelletje. Ik denk al een nachtje na over wat ik erop ga zetten en hoe. Buiten kijf staat dat mijn romantische gemoed dit wel heel leuk vindt! Het vereist moed en lef om zoiets te doen, en dat is alvast bewonderenswaardig.
Zo'n hoofse liefdesbrief op zondag, daar wil ik er iedere week wel eentje van. :-)
Ja, ik heb scrupules om de deur open te doen met een handdoek om mijn haar, maar ik verwachtte dat het vriendin N. was, die mijn handdoek en make-uploze want net gezuiverde porem wel zou begrijpen. Ik deed de deur open, maar ze stond er niet.
Voorzichtig stak ik mijn hoofd om de hoek, en ik zag een man staan in een oranjeachtig shirt en een plastic mapje met een papier erin. Hij was een jaar of dertig, en leek vertwijfeld. Ik dacht hij verdwaald was: het papiertje was vast een routebeschrijving. Hij keek aarzelend maar zeer aandachtig naar me. Ik vroeg hem: 'Kan ik je helpen?' Hij kwam dichterbij en zei: 'Niet schrikken, niet schrikken. Je moet niet schrikken, hoor, maar ik heb iets voor je.' In het mapje bleek een brief te zitten, die hij aan mij gaf. Aan: Flower Black Bike. Hij sprak met rustige, zachte stem, drong zich niet op, zag er netjes uit. Als hij mij een brief wilde geven, wilde ik die best lezen. Waarom ook niet: ik maak wel vreemdere dingen mee. Uit zijn shirt stak een kettinkje met zijn naam en onwillekeurig moest ik aan Carry Bradshaw denken. Plotseling werd ik me weer bewust van de handdoek op mijn hoofd en het bloed steeg naar mijn wangen. 'Wel, je treft me op een goed moment,' bracht ik schaapachtig uit. 'Oh, nee, dat geeft niet, dat geeft niet. Je ziet er heel fris uit.... Ben je Spaans? Braziliaans dan?' We kletsten heel even maar ik was wel een beetje van mijn apropos en had haast, dus ik beloofde hem de brief te lezen en nam afscheid.
In de trein op weg naar de verjaardag opende ik de brief. Het was een nette envelop, groot, schoon en wit. De brief was al even onberispelijk: handgeschreven, vol zorg en aandacht opgesteld.
Lieve lezer, ik dacht dat hoofse liefde een stille dood was gestorven, maar niets is minder waar. Omwille van de romantiek zal ik 'm hier neertypen:
[...], 15 oktober 2010.
Hallo there, alles kids?
Hai Flower, toen ik je zag voor het eerst voor de deur zag staan, had ik gelijk kriebel in mijn buik. Het was toen in de zomer, met een mooi weer. Het was july. Mijn hart ging tekeer en klopte zo snel. Je hebt me zo snel in mijn hart geraakt. Ik verlang toen om jouw nog een keer te zien. Ik zag jouw voor de tweede keer op vrijdag 15 oktober 2010 om 12.40.
Ik wil alleen mijn gevoelens voor je uiten. Maar wel niet overdreven.
Je bent zo mooi en prachtig om naar te kijken. Ik wil zo gouw bevriend met je zijn.
Ik zou je trateren als een roze bloem. Je hoeft niet bang voor te zijn, want ik ben een gewoone rustige jonge. Half Spaans, Half Antilliaans. Ik weet nog niet hoe je heet. Ik heb alleen een naam verzonnen. (Flower)
Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets. (Black Bike) Ik denk zelf dat je een kleinbeetje op me lijkt. Ik woon 2 minuten van je huis. […] Je mag ook voor de deur komen of sms'en. Stel me niet teleur. Niet lang duren!! […]
Wauw. Ik was even sprakeloos. Inderdaad, ik had op de vijftiende naar iemand teruggezwaaid die zijn hand bedeesd opstak. Blijkbaar heeft hij dat als een fiat voor hofmakerij opgevat. Schattig.
Aan de ene kant vind ik het licht beangstigend dat hij weet waar ik woon. Aan de andere kant komt hij uit de brief niet naar voren als een obsessieveling met verrekijker. Ik wil gewoon mijn gevoelens voor je uiten. Maar wel niet overdreven. Al was die opmerking over onze tweede 'ontmoeting' wel wat al te gedetailleerd, ik heb zijn adres óók. Hoe dan ook vind ik de brief heel vertederend, en al die spelfouten dragen daar aan bij. Je bent zo mooi en prachtig om naar te kijken. […] Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets. Hoe hoofs wil je het hebben?
Ik vraag me af, waar hij vandaan komt. De opbouw van zijn zinnen en zijn spelfouten maken dat ik denk dat hij het Nederlands in schrift niet machtig is. Hij sprak echter accentloos en vlot. Hij brengt de oriëntalist in mij naar boven, ik geeft het toe. Maar nu ik weet wat er in de brief staat, is mijn nieuwsgierigheid stiekem wel gewekt. Ik kan hem niet plaatsen. Hij is zo op 't eerste gezicht mijn type niet en als taalpurist verbind ik allerlei conclusies aan zijn brief (met als belangrijkste dat hij vast laagopgeleid is, en het subtiele gouden randje om zijn tand werkt daar aan mee) terwijl dat on-Nederlandse taalgebruik net zo goed veroorzaakt kan zijn door zijn mogelijk Spaanse dan wel Antilliaanse opvoeding. Toch zijn er foutjes die zelfs daardoor niet verklaard worden. Bovendien is dat mijn invulling: misschien is hij geboren en getogen in Makkum uit twee migrante ouders.
Zijn bedoeling is zeker duidelijk, en hij heeft ook rekening gehouden met het verrassingselement van de brief. Je hoeft niet bang voor te zijn, want ik ben een gewoone rustige jonge. Hij is onthutsend openhartig, en ook daarvan weet ik niet wat ik ervan zeggen moet. Die eerlijkheid is bijna kinderlijk, en tegelijkertijd heel doelgericht. Was hij echt dóm of een beetje achterlijk, dan was de brief toch minder genuanceerd geweest. (op dat laatste, bijna dreigende Stel me niet teleur. Niet lang duren!! na dan.)
Hij heeft het voor elkaar: ik ben geïntrigeerd.
Hoewel ik niet op zijn vriendschap zit te wachten zal ik hem een brief terug schrijven, handgeschreven, op een onberispelijk blocnotevelletje. Ik denk al een nachtje na over wat ik erop ga zetten en hoe. Buiten kijf staat dat mijn romantische gemoed dit wel heel leuk vindt! Het vereist moed en lef om zoiets te doen, en dat is alvast bewonderenswaardig.
Zo'n hoofse liefdesbrief op zondag, daar wil ik er iedere week wel eentje van. :-)
dinsdag 21 september 2010
Fris
Als ik nergens meer heen hoef, de avond is gevallen en ik slechts mijn eigen adem hoef te verdragen gedurende de nacht, doe ik graag aioli op mijn broodje. Het spul is vreselijk calorierijk (erger dan pinda's, chocolade en reuzel bij elkaar) maar je hebt er maar een heel dun laagje van nodig. Het is precies zijn meest stinkende ingrediënt – knoflook – dat de heftige smaak veroorzaakt. Aioli is snel gemaakt, maar ik heb zelfs daar het geduld niet voor. Gelukkig hebben ze bij de Albert Heijn van die kleine gele potjes met het spul.
Zoals ik dat weleens gedaan heb bij alle verpakkingen van de spullen die ik gebruik, keek ik op het potje. En de claim die ik daar zag, verbaasde mij nogal. Frisse knoflookcreme.
Ik houd oprecht van aioli. Ik vind het lekker, fijn, chique, goed-mooi-en-lief als je wilt. Maar fris, nee, dat nou net niet. En ik weet zeker dat 99 procent van de aioli-eters (en hun partners) dat met mij eens is. Aioli kan van alles zijn, werkelijk. Maar niet fris.
Zo'n zelfde contradictio in terminis hoorde ik in een reclamespot. (Bij mijn ouders gaat het geluid tijdens de reclame steevast uit – ik zou er goed aan doen die regel voort te zetten.)
Ik zie hoe een jongetje bovenaan een glijbaan overvallen wordt door een niesbui. Godzijdank houdt hij nog net zijn hand voor zijn mond. Diezelfde hand gebruikt hij om de glijbaan af te komen. Zijn zusje legt haar hand op dezelfde plek op de glijbaan en krijgt zo van boven naar beneden de snotterie van broerlief aan haar handen. Dat zal lekker glijden, zeg. Een flash forward. Het gezin gaat aan tafel. Schmutzi en zijn zuster willen aanvallen op een schaal patat, zonder hun handen te wassen. Hun moeder, die klaarblijkelijk een heks is, knipt met haar vingers en de schaal verdwijnt direct. Schmutzi en zus moeten eerst hun handen wassen, waarbij bacteriën, gesymboliseerd door witte staafjes gehuld in een paarse wolk, in aantal afnemen. Verantwoordelijk daarvoor is de zeep. Een zoete voice-over kirt: Deze zeep helpt tegen onhygiënisch vuil!
Wat is dat nou weer voor onzin?! Het zou er nog bij moeten komen dat het een zeep was die bacterieverspreiding in de hand werkt! (Al bestaat daar weer iets anders voor: Yakult... )
Een beetje snotterie zo nu en dan is overigens juist goed voor je weerstand: met al die viesfobie kweek je alleen maar rijstwafelkinderen. U weet welk soort ik bedoel.
Lieve lezer, ik moet de eerste brok hygiënisch vuil nog tegenkomen. Ik wist tot voor kort niet dat er, naast groezelige, smerige, ranzige, vieze vuiligheid ook hygiënisch vuil bestond, net zo min als ik afwist van een wasmethode die onhygiënisch schoon wast. Ik werd erop gewezen door een wanhopige poedermoeder op tv, die hulp kreeg van een roze substantie die haar kleren 'hygiënisch schoon' wast. Zij vond de toevoeging nodig, dus blijkbaar staat er iets naast waar ik het bestaan niet van had kunnen vermoeden. Je kleren mogen na een wasje dan wel schoon zijn, dat wil blijkbaar nog niet zeggen dat dat hygiënisch gebeurd is. Maar nu valt het edele geluk van het hygiënisch schoon wassen ook ons ten deel. Lucky me. Pfieuw. Net op tijd. Godzijdank.
Een laatste voorbeeld dan. Ik zie een vrouw met een sip gezicht, het haar in een staart. Ze kijkt zo ongelukkig, omdat haar haar dof en glansloos is. (ja, dof en glansloos!) Zonder Cashmere Proteine, Shea Butter en Argan Olie zal ze nooit meer het ware geluk bereiken, niemand zal van haar houden, en ze zal eenzaam sterven in een koud bed.
Blij toe dat ze de drie onontbeerlijke dingen in één potje kan vinden bij de plaatselijke drogist. Want pas als de Cashmere Proteine, Argan Olie en Shea Butter haar haarschacht zullen binnendringen – een en ander wordt mij even simplistisch duidelijk gemaakt in een 'close-up' animatiefilmpje – ziet zij de zin van het leven weer in. De drie Feeën van het Glanshaar zijn absoluut noodzakelijk voor een bevredigend bestaan. En dit miljoenenproduct is getest in een zelfevaluatie onder zesentwintig vrouwen, staat er in te kleine letters te kort in beeld. Prozac, lichttherapie, Seroxat, duurbetaalde gesprekken, Stichting Korrelatie? Neen, Cashmere Proteine! Simpel als een kindervers.
In deze tijden van spendingsdrang en schuldenaren is het meer dan ooit van belang te bedenken wat je écht nodig hebt om door te leven. Natuurlijk kan een antibacteriële wasgel bacterieverspreiding tegengaan, wat je een sessie spetterkak kan besparen. En natuurlijk kan de zekerheid die glanzend haar je geeft, zorgen dat je je prettiger voelt. Ik begrijp heel goed dat het juist de kracht van reclame is, je een zonder-dit-product-is-je-leven-niet-meer-goed-mogelijk-beeld te schetsen. Dat geldt voor de Foremangrill net zo goed als voor Quick 'n Brite. Maar een remedie tegen 'onhygiënisch vuil', en 'parelproteine in je shampoo'? Laat me niet lachen...
Net zo min als knoflookcreme fris kan zijn, kan er proteïne mijn haarschacht binnendringen en mijn haar 'herstellen', zelfs niet 'van binnenuit'. Net zo min als een zelfevaluatie onder krap dertig mensen representatief is, schiet mijn huidige wasmethode in hygiëne tekort. Shampoo en geluk hangen niet samen, tenzij je een clochard bent. Geluk zit niet in een flesje, al draagt de reclameboodschap dat nog zo hard uit. En wie daar wel in trapt, zou na moeten denken over de aanschaf van een CommonSensolator©. Dé oplossing waar je nog nooit van gehoord hebt, voor problemen waarvan je niet wist dat je ze had.
Zoals ik dat weleens gedaan heb bij alle verpakkingen van de spullen die ik gebruik, keek ik op het potje. En de claim die ik daar zag, verbaasde mij nogal. Frisse knoflookcreme.
Ik houd oprecht van aioli. Ik vind het lekker, fijn, chique, goed-mooi-en-lief als je wilt. Maar fris, nee, dat nou net niet. En ik weet zeker dat 99 procent van de aioli-eters (en hun partners) dat met mij eens is. Aioli kan van alles zijn, werkelijk. Maar niet fris.
Zo'n zelfde contradictio in terminis hoorde ik in een reclamespot. (Bij mijn ouders gaat het geluid tijdens de reclame steevast uit – ik zou er goed aan doen die regel voort te zetten.)
Ik zie hoe een jongetje bovenaan een glijbaan overvallen wordt door een niesbui. Godzijdank houdt hij nog net zijn hand voor zijn mond. Diezelfde hand gebruikt hij om de glijbaan af te komen. Zijn zusje legt haar hand op dezelfde plek op de glijbaan en krijgt zo van boven naar beneden de snotterie van broerlief aan haar handen. Dat zal lekker glijden, zeg. Een flash forward. Het gezin gaat aan tafel. Schmutzi en zijn zuster willen aanvallen op een schaal patat, zonder hun handen te wassen. Hun moeder, die klaarblijkelijk een heks is, knipt met haar vingers en de schaal verdwijnt direct. Schmutzi en zus moeten eerst hun handen wassen, waarbij bacteriën, gesymboliseerd door witte staafjes gehuld in een paarse wolk, in aantal afnemen. Verantwoordelijk daarvoor is de zeep. Een zoete voice-over kirt: Deze zeep helpt tegen onhygiënisch vuil!
Wat is dat nou weer voor onzin?! Het zou er nog bij moeten komen dat het een zeep was die bacterieverspreiding in de hand werkt! (Al bestaat daar weer iets anders voor: Yakult... )
Een beetje snotterie zo nu en dan is overigens juist goed voor je weerstand: met al die viesfobie kweek je alleen maar rijstwafelkinderen. U weet welk soort ik bedoel.
Lieve lezer, ik moet de eerste brok hygiënisch vuil nog tegenkomen. Ik wist tot voor kort niet dat er, naast groezelige, smerige, ranzige, vieze vuiligheid ook hygiënisch vuil bestond, net zo min als ik afwist van een wasmethode die onhygiënisch schoon wast. Ik werd erop gewezen door een wanhopige poedermoeder op tv, die hulp kreeg van een roze substantie die haar kleren 'hygiënisch schoon' wast. Zij vond de toevoeging nodig, dus blijkbaar staat er iets naast waar ik het bestaan niet van had kunnen vermoeden. Je kleren mogen na een wasje dan wel schoon zijn, dat wil blijkbaar nog niet zeggen dat dat hygiënisch gebeurd is. Maar nu valt het edele geluk van het hygiënisch schoon wassen ook ons ten deel. Lucky me. Pfieuw. Net op tijd. Godzijdank.
Een laatste voorbeeld dan. Ik zie een vrouw met een sip gezicht, het haar in een staart. Ze kijkt zo ongelukkig, omdat haar haar dof en glansloos is. (ja, dof en glansloos!) Zonder Cashmere Proteine, Shea Butter en Argan Olie zal ze nooit meer het ware geluk bereiken, niemand zal van haar houden, en ze zal eenzaam sterven in een koud bed.
Blij toe dat ze de drie onontbeerlijke dingen in één potje kan vinden bij de plaatselijke drogist. Want pas als de Cashmere Proteine, Argan Olie en Shea Butter haar haarschacht zullen binnendringen – een en ander wordt mij even simplistisch duidelijk gemaakt in een 'close-up' animatiefilmpje – ziet zij de zin van het leven weer in. De drie Feeën van het Glanshaar zijn absoluut noodzakelijk voor een bevredigend bestaan. En dit miljoenenproduct is getest in een zelfevaluatie onder zesentwintig vrouwen, staat er in te kleine letters te kort in beeld. Prozac, lichttherapie, Seroxat, duurbetaalde gesprekken, Stichting Korrelatie? Neen, Cashmere Proteine! Simpel als een kindervers.
In deze tijden van spendingsdrang en schuldenaren is het meer dan ooit van belang te bedenken wat je écht nodig hebt om door te leven. Natuurlijk kan een antibacteriële wasgel bacterieverspreiding tegengaan, wat je een sessie spetterkak kan besparen. En natuurlijk kan de zekerheid die glanzend haar je geeft, zorgen dat je je prettiger voelt. Ik begrijp heel goed dat het juist de kracht van reclame is, je een zonder-dit-product-is-je-leven-niet-meer-goed-mogelijk-beeld te schetsen. Dat geldt voor de Foremangrill net zo goed als voor Quick 'n Brite. Maar een remedie tegen 'onhygiënisch vuil', en 'parelproteine in je shampoo'? Laat me niet lachen...
Net zo min als knoflookcreme fris kan zijn, kan er proteïne mijn haarschacht binnendringen en mijn haar 'herstellen', zelfs niet 'van binnenuit'. Net zo min als een zelfevaluatie onder krap dertig mensen representatief is, schiet mijn huidige wasmethode in hygiëne tekort. Shampoo en geluk hangen niet samen, tenzij je een clochard bent. Geluk zit niet in een flesje, al draagt de reclameboodschap dat nog zo hard uit. En wie daar wel in trapt, zou na moeten denken over de aanschaf van een CommonSensolator©. Dé oplossing waar je nog nooit van gehoord hebt, voor problemen waarvan je niet wist dat je ze had.
dinsdag 14 september 2010
Euvel
Van alle gekke mensen die ik heb ontmoet, is de man in mijn onderstaand relaas één van de gekste, en in ieder geval de meest vrijpostige. Dit verhaal is zo absurd dat ik zou wensen dat ik het verzonnen had, maar helaas is dat niet zo. Zet u dus maar schrap.
Laat me eerst iets uitleggen. Ik woon bij een brug, en als ik ergens heen wil, moet ik eerst de heuvel over. Het is geen steile heuvel, maar zoals iedereen fiets ik het laatste kwart vóór de top altijd langzamer dan het eerste kwart. Om het eerste kwart vanaf de top natuurlijk razendsnel af te dalen.
Zoals in iedere buurt gebruikelijk is, kom ik regelmatig dezelfde mensen tegen op straat, in de sportschool of tijdens het boodschappen doen. Met sommigen van hen heb ik ooit kennis gemaakt, anderen kom ik alleen maar tegen, terwijl ik verder niets van hen weet, en zij niet van mij.
Een van die nietkennissen die ik vaak, en altijd op de heuvel tegenkom, is een man die ik de billenfluisteraar heb gedoopt. Dat komt hierdoor: hij mompelt iedere keer als ik hem tegenkom iets obsceens dat slechts door mij wordt gehoord. Wij komen elkaar immer tegen op verschillende punten op de heuvel. Soms ben ik aan het klimmen, soms ben ik aan het dalen en soms zien we elkaar op de top, maar er komt altijd iets onbetamelijks uit zijn mond. De man is een jaar of vijftig, heeft rossig-blond haar en een vlekkerige huid. Voor zover ik kan inschatten is hij ook niet al te groot. Hij heeft een Gaastrajas en een dure fiets met veel versnellingen, ongetwijfeld Batavus Citytrip Pro genaamd. Wij zien elkaar al een jaar, maar zijn uitroepen zijn iets van de laatste maanden. Ik houd mijn gezicht echter altijd in de plooi, ongeacht wat hij roept.
De eerste keer was ik bijna boven en hij was net begonnen aan zijn afdaling. Ik probeerde mijn ademhaling weer onder controle te krijgen, toen hij me passeerde. 'Knap meisje!' riep hij in het voorbijgaan. In de anderhalve seconde dat wij elkaar passeren kan er niet veel gezegd kan worden. 'Knap meisje!' is nog best een leuke invulling van dat korte tijdsbestek, daar het niet obsceen of beledigend is. Bovendien kent hij mij niet; hij is mij niets verschuldigd en hoeft hij dit niet te zeggen. Maar ja, dit is een grote stad vol vrijpostige mannen, dus ik zocht er niet teveel achter.
Op een schone zondagmorgen fietste ik weer eens nietsvermoedend over de brug. Ons tête-a-tete vond ditmaal anders plaats: ik fietste naar boven, hij haalde mij van achteren in, en riep: 'Mooie billen!' Eerst moest ik een beetje giechelen (hoe kun je mijn billen nou goed zien als ik op mijn zadel zit?) en daarna zag ik, dat het de billenfluisteraar was. Een paar weken gingen voorbij vóór ik hem weer zag, wederom op de top. Deze keer was ik voorbereid. Ik keek hem recht aan en trok mijn wenkbrauwen op. Het hield hem niet tegen. 'Ik wil met je afspreken!' Verbluft fietste ik door. Er volgen nog een paar ontmoetingen, waarin hij alleen maar dingen over mijn billen zei, ook als ik hem frontaal naderde.
Wat denkt hij nou, dat ik zal afstappen, hem zal omhelzen en zal zeggen: 'Oh, heerlijke Gaastradwerg, ik dacht dat je het nooit zou vragen! Kom hier en leg je vlekkerige handen op mijn Maagdenburger Bollen, jij zalige dekhengst!!!' Helaas voor hem. Op een tochtige romance met een overjarige psoriasisplayboy zit ik niet te wachten. Maar wat drijft hem dán?
Die vraag, lieve lezer, werd zojuist luid en duidelijk beantwoord.
Op weg naar mijn spinningklasje kruisten onze wegen elkaar weer. Wat ik toen te horen kreeg was zo expliciet dat ik me afvraag waar ik het aan verdiend heb, daar ik nooit heb gereageerd op zijn eerdere leuzen. (Misschien was dat het juist.)
Wat hij precies riep kan ik hier uit fatsoen en afschuw niet herhalen. Laat ik volstaan met te zeggen, dat hij slechts het vleselijke deel van een romance in gedachten had, en me dat in niet mis te verstane bewoordingen te kennen gaf, door gebruik van een woord dat rijmt op keuken. De rest kunt u vast zelf invullen. Een taak die mij welwillend uit handen is genomen...
Ik maak heel wat mee in mijn leven, maar dit gaat echt ver. So much voor 'knap meisje!' Wát een goorlap! Het moet gezegd worden, als hij me had willen verrassen, is dat gelukt. Zoveel lef van het verkeerde soort zie ik zelden in één persoon. Ik ben benieuwd waar hij de volgende keer mee komt: het glazuur is immers al vergeven. Erger dan dit kan eigenlijk niet. Ik denk eraan om iets obsceens terug te roepen, maar voor je 't weet pikt 'ie dat op als een hint. Bovendien moet ik me niet zo verlagen.
(Al heb ik dat een keer gedaan, maar dat was bij een hitsig jongetje van vijftien, in Canal Island. Kies iemand van je eigen leeftijd gold voor ons allebei – maar het werkte.)
Ik denk dat ik mijn stoïcijnse houding maar gewoon door ga zetten. Op die manier houd ik de eer tenminste aan mijzelf. Ik zal hem zó ijzig aankijken dat hij de ijspriemen tot in zijn eigen schonkige achterwerk voelt, dwars door zijn City Pro-zadel heen. Zitten zal hij, de schurftige hond... Tot hij roept: genade, heer! Oh, wat doet mijn gatje zeer!
Laat me eerst iets uitleggen. Ik woon bij een brug, en als ik ergens heen wil, moet ik eerst de heuvel over. Het is geen steile heuvel, maar zoals iedereen fiets ik het laatste kwart vóór de top altijd langzamer dan het eerste kwart. Om het eerste kwart vanaf de top natuurlijk razendsnel af te dalen.
Zoals in iedere buurt gebruikelijk is, kom ik regelmatig dezelfde mensen tegen op straat, in de sportschool of tijdens het boodschappen doen. Met sommigen van hen heb ik ooit kennis gemaakt, anderen kom ik alleen maar tegen, terwijl ik verder niets van hen weet, en zij niet van mij.
Een van die nietkennissen die ik vaak, en altijd op de heuvel tegenkom, is een man die ik de billenfluisteraar heb gedoopt. Dat komt hierdoor: hij mompelt iedere keer als ik hem tegenkom iets obsceens dat slechts door mij wordt gehoord. Wij komen elkaar immer tegen op verschillende punten op de heuvel. Soms ben ik aan het klimmen, soms ben ik aan het dalen en soms zien we elkaar op de top, maar er komt altijd iets onbetamelijks uit zijn mond. De man is een jaar of vijftig, heeft rossig-blond haar en een vlekkerige huid. Voor zover ik kan inschatten is hij ook niet al te groot. Hij heeft een Gaastrajas en een dure fiets met veel versnellingen, ongetwijfeld Batavus Citytrip Pro genaamd. Wij zien elkaar al een jaar, maar zijn uitroepen zijn iets van de laatste maanden. Ik houd mijn gezicht echter altijd in de plooi, ongeacht wat hij roept.
De eerste keer was ik bijna boven en hij was net begonnen aan zijn afdaling. Ik probeerde mijn ademhaling weer onder controle te krijgen, toen hij me passeerde. 'Knap meisje!' riep hij in het voorbijgaan. In de anderhalve seconde dat wij elkaar passeren kan er niet veel gezegd kan worden. 'Knap meisje!' is nog best een leuke invulling van dat korte tijdsbestek, daar het niet obsceen of beledigend is. Bovendien kent hij mij niet; hij is mij niets verschuldigd en hoeft hij dit niet te zeggen. Maar ja, dit is een grote stad vol vrijpostige mannen, dus ik zocht er niet teveel achter.
Op een schone zondagmorgen fietste ik weer eens nietsvermoedend over de brug. Ons tête-a-tete vond ditmaal anders plaats: ik fietste naar boven, hij haalde mij van achteren in, en riep: 'Mooie billen!' Eerst moest ik een beetje giechelen (hoe kun je mijn billen nou goed zien als ik op mijn zadel zit?) en daarna zag ik, dat het de billenfluisteraar was. Een paar weken gingen voorbij vóór ik hem weer zag, wederom op de top. Deze keer was ik voorbereid. Ik keek hem recht aan en trok mijn wenkbrauwen op. Het hield hem niet tegen. 'Ik wil met je afspreken!' Verbluft fietste ik door. Er volgen nog een paar ontmoetingen, waarin hij alleen maar dingen over mijn billen zei, ook als ik hem frontaal naderde.
Wat denkt hij nou, dat ik zal afstappen, hem zal omhelzen en zal zeggen: 'Oh, heerlijke Gaastradwerg, ik dacht dat je het nooit zou vragen! Kom hier en leg je vlekkerige handen op mijn Maagdenburger Bollen, jij zalige dekhengst!!!' Helaas voor hem. Op een tochtige romance met een overjarige psoriasisplayboy zit ik niet te wachten. Maar wat drijft hem dán?
Die vraag, lieve lezer, werd zojuist luid en duidelijk beantwoord.
Op weg naar mijn spinningklasje kruisten onze wegen elkaar weer. Wat ik toen te horen kreeg was zo expliciet dat ik me afvraag waar ik het aan verdiend heb, daar ik nooit heb gereageerd op zijn eerdere leuzen. (Misschien was dat het juist.)
Wat hij precies riep kan ik hier uit fatsoen en afschuw niet herhalen. Laat ik volstaan met te zeggen, dat hij slechts het vleselijke deel van een romance in gedachten had, en me dat in niet mis te verstane bewoordingen te kennen gaf, door gebruik van een woord dat rijmt op keuken. De rest kunt u vast zelf invullen. Een taak die mij welwillend uit handen is genomen...
Ik maak heel wat mee in mijn leven, maar dit gaat echt ver. So much voor 'knap meisje!' Wát een goorlap! Het moet gezegd worden, als hij me had willen verrassen, is dat gelukt. Zoveel lef van het verkeerde soort zie ik zelden in één persoon. Ik ben benieuwd waar hij de volgende keer mee komt: het glazuur is immers al vergeven. Erger dan dit kan eigenlijk niet. Ik denk eraan om iets obsceens terug te roepen, maar voor je 't weet pikt 'ie dat op als een hint. Bovendien moet ik me niet zo verlagen.
(Al heb ik dat een keer gedaan, maar dat was bij een hitsig jongetje van vijftien, in Canal Island. Kies iemand van je eigen leeftijd gold voor ons allebei – maar het werkte.)
Ik denk dat ik mijn stoïcijnse houding maar gewoon door ga zetten. Op die manier houd ik de eer tenminste aan mijzelf. Ik zal hem zó ijzig aankijken dat hij de ijspriemen tot in zijn eigen schonkige achterwerk voelt, dwars door zijn City Pro-zadel heen. Zitten zal hij, de schurftige hond... Tot hij roept: genade, heer! Oh, wat doet mijn gatje zeer!
maandag 13 september 2010
Carbon
Recentelijk heb ik mijn kast opgeruimd. Ik bewaar graag dingen voor je-weet-maar-nooit, maar opruimen is bevrijdend. Bovendien ben ik kleinbehuisd en komen er nog steeds dingen bij. Om te voorkomen dat mijn kamertje dichtslibt met spullen, moet er af en toe wat weg.
Mijn broer stuurde me vorig jaar een link met een sketch van komiek George Carlin. Ik kende hem alleen als Rufus uit Bill & Ted's Excellent Adventures, maar hij was blijkbaar ook comedian. In het stuk spreekt hij over de waarde van stuff en ik moet zeggen, hij heeft een punt. Ik heb veel spullen, maar de dingen die er echt toe doen zijn op één hand te tellen. Okee, vier handen dan...
(Voor de liefhebber: http://www.youtube.com/watch?v=MvgN5gCuLac)
Naast een hoop dingen die ik beter nog niet weg kan gooien (recente studieaantekeningen, readers die nog van pas kunnen komen, teksten waarvoor ik naar Amsterdam moest reizen, rekeningafschriften) heb ik een hoop dingen waarvan ik het niet zeker weet (aantekeningen van vakken uit mijn eerste jaar, foto's met inmiddels ex-vrienden m/v, vergeelde krantenartikelen, bewaartijdschriften uit 2008) en artikelen die zeker weg mogen (voor 5/6 opgebruikte te dure en niet-werkende conditioner, afgedragen maar zeer mooie slippers, armbandjes met kapotte sluiting, postzegels in guldenvaluta, verdroogde nagellak, de gebruiksaanwijzing van mijn vóórvóórlaatste printer.) Voor kleren geldt hetzelfde: alles wat té versleten is gooi ik weg, de rest gaat in de zak van Max. Te groot, te klein, verkeerde kleur, verkeerde snit, verschoten: ik haal het voorgoed uit m'n kast. Opzouten met die hap. Mijn kamertje is echt klein, maar ik sta versteld over hoeveel meuk zich kan herbergen op die paar vierkante meter. En ik woon er nog niet eens zo lang. Ik kan sommige van mijn spullen op marktplaats zetten, maar 1) ik heb geen camera en 2) dan moet ik ze toch weer herbergen tot ik een koper vind. En ik wil het juist NU kwijt, weg, uit mijn blikveld, optieven, schuif, pleite. De enige oplossing: een paar vuilniszakken (en een witte van humanitaritas kledinginzameling) en ik ben weer gelukkig.
Net zo gelukkig als ik was toen ik al die spullen kocht. Want ooit was ik dolblij met mijn te dure conditioner, kon mijn dag niet meer stuk na het kopen van dat bleekroze heb-je-griepvest, die veel te hoge hakken, die afschuwelijke paarse sjaal, en voelde ik me de koning te rijk met mijn plastic Titanic-hartketting. Ooit heb ik ze aan mijn boezem gedrukt, maar nu wil ik ze uit mijn leven, en liever vandaag dan morgen.
Als kinderen krijgen zo'n zelfde illusie herbergt, moet ik misschien maar kinderloos blijven. Met als verschil dat kinderen meegroeien met hun ouders, terwijl de meeste spullen niets méér kunnen herbergen dan herinneringen. Herinneringen die met de tijd vervagen of juist beter, zoeter of bitterder kunnen worden.
Wat moet ik bijvoorbeeld doen met mijn eerste paar Dr. Martens, die hun gelijke in comfort tot op de dag van vandaag nog niet hebben gevonden? Ik kreeg ze voor de eerste dag op de middelbare school. Ze waren duur, maar hebben hun waarde zowel nominaal als emotioneel ruimschoots bewezen. Op deze schoenen liep ik talloze kilometers, ze hebben schoolkampen meegemaakt, hete zomers, natte winters en maar liefst tien van mijn verjaardagen, waarvan vijf op mijn schoenenkastplank. De zolen zijn afgesleten naar mijn specifieke looppatroon en voetstand, de stiksels laten los. De veters rafelen. Ik pas ze nog weleens, maar ze zijn niet meer representatief, noch waterdicht.
(Dat eerste waren ze na drie jaar al niet meer, maar dat hield me toen niet tegen.)
Ik heb, jawel, van deze schoenen gehouden, en er een hoop op beleefd. Dag en nacht droeg ik ze, met zwarte veters erin, met elastiek en hartjeskralen, zonder veters, onder broeken, onder rokjes, op scouting, tijdens het uitgaan, tijdens het winkelen, naar familie. Zomer of winter: ik droeg ze. Uit mijn klas en jaar was ik één van de eersten die ze had en de connotatie met het altodom was mij nog onbekend. Ik had licht glimmende zwarte in het klassieke halfhoge laarsmodel en die waren nog redelijk normaal: om mij heen zag ik limited editions met de Union Jack erop, en iemand die ik kende had de hare zelfs goud geverfd. Na een jaar kreeg ik nieuwe, maar die liepen niet zo lekker, dus ik trok ze niet aan. Het jaar erop kreeg ik blauwe, maar ook die haalden het niet bij mijn eerste paar. De pogingen van mijn moeder ten spijt, hield ik vast aan mijn afgetrapte, heerlijke laarzen.
Waarschijnlijk zal ik nooit meer een paar vinden dat even lekker loopt. En dat hoeft ook niet. Inmiddels ben ik de Dr. Martens als schoensoort ontgroeid. Weggooien, dat gaat echter te ver. Maar wat moet ik er dan mee? Ik had ooit bedacht dat ik ze wilde laten vergulden. Misschien moet ik eens achter die mogelijkheid aan. Want als er één voorwerp verbonden is met mijn acht jaar durende rite de passage van kind naar volwassene, zijn het die schoenen.
Ik heb twee vuilniszakken vol gesprokkeld, tjokvol met meuk. Kralen, hotelzeepjes, afgedragen gympies, halflege deoflessen, haarproducten die mijn haar kroes en stug maken, oude bonnetjes van apparaten die het al hebben begeven. Uitgebeten sportshirtjes, hoe-word-ik-gelukkig-gidsjes (ik wéét inmiddels waar ik gelukkig van word –schoon schip maken) oude verjaardags – en ansichtkaarten, een kaart van Den Haag, een verloren waxinelichtje zonder huls, kerstverlichting met kapotte lampjes, een frisbee en een make-uptasje zonder spiegel. WEG ERMEE, en snel.
Mijn Dr. Martens, die blijven. Ze hebben me letterlijk op de voet gevolgd, overal naartoe en vooral weg van alles, en die herinnering is sterker dan opruimdrang en schoonschipperij samen. Dat ik inmiddels relativeringsvermogen heb verkregen en zij niet, is geen reden om ons verbond te verbreken. Wij zijn samen ouder geworden, wij zijn samen gegroeid, en zij hebben de barsten en rimpels gekregen. Zij zijn voor mij gestorven, samen met mijn puber-ik. En nu zijn het slechts twee gehavende herinneringen aan een zware, mooie, zware tijd.
Ik kan ze niet weggooien. Zij zorgden voor mij, nu zorg ik voor hen. Ik zal ze koesteren als waren het mijn eerstgebore. Al worden die tegenwoordig bij bosjes de zolder op geslingerd en rücksichtslos begraven, ik zal de mijne inbakeren en vertroetelen. Een likje ledervet, naald en draad, een dotje schoensmeer, een paar nieuwe veters en ik kan ze met trots tentoonstellen naast de hooggehakte Louboutins die ik nog niet heb. In schoonheid doen zij in mijn ogen niet voor elkaar onder; vinden moeders hun eigen baby´s niet altijd het mooiste?
Mijn broer stuurde me vorig jaar een link met een sketch van komiek George Carlin. Ik kende hem alleen als Rufus uit Bill & Ted's Excellent Adventures, maar hij was blijkbaar ook comedian. In het stuk spreekt hij over de waarde van stuff en ik moet zeggen, hij heeft een punt. Ik heb veel spullen, maar de dingen die er echt toe doen zijn op één hand te tellen. Okee, vier handen dan...
(Voor de liefhebber: http://www.youtube.com/watch?v=MvgN5gCuLac)
Naast een hoop dingen die ik beter nog niet weg kan gooien (recente studieaantekeningen, readers die nog van pas kunnen komen, teksten waarvoor ik naar Amsterdam moest reizen, rekeningafschriften) heb ik een hoop dingen waarvan ik het niet zeker weet (aantekeningen van vakken uit mijn eerste jaar, foto's met inmiddels ex-vrienden m/v, vergeelde krantenartikelen, bewaartijdschriften uit 2008) en artikelen die zeker weg mogen (voor 5/6 opgebruikte te dure en niet-werkende conditioner, afgedragen maar zeer mooie slippers, armbandjes met kapotte sluiting, postzegels in guldenvaluta, verdroogde nagellak, de gebruiksaanwijzing van mijn vóórvóórlaatste printer.) Voor kleren geldt hetzelfde: alles wat té versleten is gooi ik weg, de rest gaat in de zak van Max. Te groot, te klein, verkeerde kleur, verkeerde snit, verschoten: ik haal het voorgoed uit m'n kast. Opzouten met die hap. Mijn kamertje is echt klein, maar ik sta versteld over hoeveel meuk zich kan herbergen op die paar vierkante meter. En ik woon er nog niet eens zo lang. Ik kan sommige van mijn spullen op marktplaats zetten, maar 1) ik heb geen camera en 2) dan moet ik ze toch weer herbergen tot ik een koper vind. En ik wil het juist NU kwijt, weg, uit mijn blikveld, optieven, schuif, pleite. De enige oplossing: een paar vuilniszakken (en een witte van humanitaritas kledinginzameling) en ik ben weer gelukkig.
Net zo gelukkig als ik was toen ik al die spullen kocht. Want ooit was ik dolblij met mijn te dure conditioner, kon mijn dag niet meer stuk na het kopen van dat bleekroze heb-je-griepvest, die veel te hoge hakken, die afschuwelijke paarse sjaal, en voelde ik me de koning te rijk met mijn plastic Titanic-hartketting. Ooit heb ik ze aan mijn boezem gedrukt, maar nu wil ik ze uit mijn leven, en liever vandaag dan morgen.
Als kinderen krijgen zo'n zelfde illusie herbergt, moet ik misschien maar kinderloos blijven. Met als verschil dat kinderen meegroeien met hun ouders, terwijl de meeste spullen niets méér kunnen herbergen dan herinneringen. Herinneringen die met de tijd vervagen of juist beter, zoeter of bitterder kunnen worden.
Wat moet ik bijvoorbeeld doen met mijn eerste paar Dr. Martens, die hun gelijke in comfort tot op de dag van vandaag nog niet hebben gevonden? Ik kreeg ze voor de eerste dag op de middelbare school. Ze waren duur, maar hebben hun waarde zowel nominaal als emotioneel ruimschoots bewezen. Op deze schoenen liep ik talloze kilometers, ze hebben schoolkampen meegemaakt, hete zomers, natte winters en maar liefst tien van mijn verjaardagen, waarvan vijf op mijn schoenenkastplank. De zolen zijn afgesleten naar mijn specifieke looppatroon en voetstand, de stiksels laten los. De veters rafelen. Ik pas ze nog weleens, maar ze zijn niet meer representatief, noch waterdicht.
(Dat eerste waren ze na drie jaar al niet meer, maar dat hield me toen niet tegen.)
Ik heb, jawel, van deze schoenen gehouden, en er een hoop op beleefd. Dag en nacht droeg ik ze, met zwarte veters erin, met elastiek en hartjeskralen, zonder veters, onder broeken, onder rokjes, op scouting, tijdens het uitgaan, tijdens het winkelen, naar familie. Zomer of winter: ik droeg ze. Uit mijn klas en jaar was ik één van de eersten die ze had en de connotatie met het altodom was mij nog onbekend. Ik had licht glimmende zwarte in het klassieke halfhoge laarsmodel en die waren nog redelijk normaal: om mij heen zag ik limited editions met de Union Jack erop, en iemand die ik kende had de hare zelfs goud geverfd. Na een jaar kreeg ik nieuwe, maar die liepen niet zo lekker, dus ik trok ze niet aan. Het jaar erop kreeg ik blauwe, maar ook die haalden het niet bij mijn eerste paar. De pogingen van mijn moeder ten spijt, hield ik vast aan mijn afgetrapte, heerlijke laarzen.
Waarschijnlijk zal ik nooit meer een paar vinden dat even lekker loopt. En dat hoeft ook niet. Inmiddels ben ik de Dr. Martens als schoensoort ontgroeid. Weggooien, dat gaat echter te ver. Maar wat moet ik er dan mee? Ik had ooit bedacht dat ik ze wilde laten vergulden. Misschien moet ik eens achter die mogelijkheid aan. Want als er één voorwerp verbonden is met mijn acht jaar durende rite de passage van kind naar volwassene, zijn het die schoenen.
Ik heb twee vuilniszakken vol gesprokkeld, tjokvol met meuk. Kralen, hotelzeepjes, afgedragen gympies, halflege deoflessen, haarproducten die mijn haar kroes en stug maken, oude bonnetjes van apparaten die het al hebben begeven. Uitgebeten sportshirtjes, hoe-word-ik-gelukkig-gidsjes (ik wéét inmiddels waar ik gelukkig van word –schoon schip maken) oude verjaardags – en ansichtkaarten, een kaart van Den Haag, een verloren waxinelichtje zonder huls, kerstverlichting met kapotte lampjes, een frisbee en een make-uptasje zonder spiegel. WEG ERMEE, en snel.
Mijn Dr. Martens, die blijven. Ze hebben me letterlijk op de voet gevolgd, overal naartoe en vooral weg van alles, en die herinnering is sterker dan opruimdrang en schoonschipperij samen. Dat ik inmiddels relativeringsvermogen heb verkregen en zij niet, is geen reden om ons verbond te verbreken. Wij zijn samen ouder geworden, wij zijn samen gegroeid, en zij hebben de barsten en rimpels gekregen. Zij zijn voor mij gestorven, samen met mijn puber-ik. En nu zijn het slechts twee gehavende herinneringen aan een zware, mooie, zware tijd.
Ik kan ze niet weggooien. Zij zorgden voor mij, nu zorg ik voor hen. Ik zal ze koesteren als waren het mijn eerstgebore. Al worden die tegenwoordig bij bosjes de zolder op geslingerd en rücksichtslos begraven, ik zal de mijne inbakeren en vertroetelen. Een likje ledervet, naald en draad, een dotje schoensmeer, een paar nieuwe veters en ik kan ze met trots tentoonstellen naast de hooggehakte Louboutins die ik nog niet heb. In schoonheid doen zij in mijn ogen niet voor elkaar onder; vinden moeders hun eigen baby´s niet altijd het mooiste?
woensdag 8 september 2010
Doop
De auteur is dood. Eén van de eerste lessen binnen de literatuurwetenschap, gemeengoed sinds 1968. Met dank aan Roland Barthes, die stelt dat de betekenisgeving van een tekst bij de lezer ligt en niet bij de auteur. Het gaat er dus niet om wat een auteur met een tekst bedoelt, maar wat de lezer er uit opmaakt. Bevrijdend, voor beide partijen, want nu hoeft de auteur zijn intenties niet meer uit te leggen en kan de lezer interpreteren wat hij wil.
Ik pas er voor op, een auteur te vereenzelvigen met zijn werk: dat kan gevaarlijk zijn, omdat je dan je ogen sluit voor de fictie en de opsmuk van een tekst. Narratief maakt een tekst leesbaar. Op het moment dat je een ervaring optekent, pas je er al kunstgrepen op toe die de ervaring-op-schrift en de werkelijke ervaring uit elkaar drijven. Dat is niet erg, maar het worden daarmee wel twee verschillende dingen.
En dan is er nog de persoon achter de tekst. Hoe harder een auteur roept dat hij zijn hoofdpersonage niet is, hoe minder we ervan geloven. Als Barthes' theorie echt postgevat zou hebben, zouden auteurs in interviews namelijk niet meer vragen krijgen als: 'wat heeft je doen besluiten om dit boek te schrijven?' 'je protagonist heeft zijn moeder verloren. In hoeverre is het overlijden van je eigen moeder van invloed geweest op...' 'al je personages hebben geldingsdrang, heeft de slechte band met je vader daarmee te maken?'
Wij willen jus. Wij willen sappige, borrelende details. Wij willen weten waar de wegen 'auteur' en 'tekst' samenkomen en divergeren. Een boek over een gruwelijke kindermoord is pas geoorloofd als de auteur de moord zelf gepleegd heeft. Anders -en alleen dán - vinden we hem ziek en luguber. Een jonge, vrouwelijke auteur die als hoofdpersoon een man van middelbare leeftijd heeft, verdenken wij van Electracomplex en hechtingsproblemen. Tien tegen één dat ze een affaire heeft met een oudere man. En natuurlijk schrijft Leon de Winter over Joodse identiteit. Wie heeft er meer recht van spreken dan een Jood? Sterker, het is alleen aan hem toegestaan. Een goj die dat probeert zal worden weggehoond en verguisd, al is hij misschien beter op de hoogte van de wetten van de Thora dan de meest fanatieke Chassied. Kijk naar wat er met de reputatie van Jeroen Brouwers gebeurde toen de waarheid van Bezonken Rood werd onderzocht. Zijn tekst, die voor het gemak tot getuigenis werd verklaard, klopte niet met verifieerbare feiten, dus was hij een sensatiezoekende leugenaar. Terwijl hij toch nooit beweerd heeft, een 'waarheidsgetrouw' verslag te hebben gedaan.
Biografische informatie kan er wel toe dóén – de auteur hoeft niet helemaal buiten beschouwing te worden gelaten. Zoals ik in een Franse bistro het liefst geholpen wordt door een klein gebruind mannetje met een dunne snor, vlugge manieren en een licht accent, is een semi-fictief boek over een persoonlijke ervaring voor mij geloofwaardiger als ik weet dat het is geschreven door iemand die de ervaring zelf heeft gehad. Dat de 'fransoos' eigenlijk een Pool is met een mantan, een spraakgebrek en een zwarte viltstift, maakt me niet uit. Ik wil graag geloven dat hij alles weet van slakken en stokbrood, méér dan de gemiddelde Spanjaard, omdat hij fransig aandoet. Dat komt door mijn aangeleerde hang naar causaliteit en narratief– en velen delen dit met mij.
Dit is ook de reden dat veel debuutromans autobiografisch zijn: het is makkelijker om inspiratie op te doen in je directe omgeving. Veel schrijvers komen vervolgens dan ook niet over hun debuut heen: de autobiografische bron is immers niet onuitputtelijk. Toch denk ook ik, dat de beschreven ervaring van het missen van een been accurater beschreven wordt door iemand die zijn been inderdaad verloren heeft. Ik heb het nu niet over de waarheid van de narratie zelf, maar over de stilzwijgende neiging de auteur en zijn tekst op één lijn te zetten.
Mensen met twee benen kunnen geen waarheidsgetrouw verslag doen van het leven met één been, is de gedachte. Maar als lezen om de beleving van de lezer draait, en de auteursintentie en de persoonlijke historie van de één- danwel tweebenige auteur buiten beschouwing moet worden gelaten, waarom zou dat dan niet kunnen?
Wij draaien de auteur met liefde een dikke Bram. De auteur is helemaal niet dood, de auteur zit, dankzij de lezer, vast in het voorgeborchte. Als hij weigert interviews te geven, worden zijn boeken niet verkocht en is hij een pretentieuze kwast. Als hij ontkent dat zijn protagonist op hem gebaseerd is, geloven we dat niet. Als hij het niet ontkent, verwijten wij hem een groot ego en one-trick-pony-ness. De lezersverwachting ontziet niemand. Boudewijn Büch zou zich omdraaien.
Ik pas er voor op, een auteur te vereenzelvigen met zijn werk: dat kan gevaarlijk zijn, omdat je dan je ogen sluit voor de fictie en de opsmuk van een tekst. Narratief maakt een tekst leesbaar. Op het moment dat je een ervaring optekent, pas je er al kunstgrepen op toe die de ervaring-op-schrift en de werkelijke ervaring uit elkaar drijven. Dat is niet erg, maar het worden daarmee wel twee verschillende dingen.
En dan is er nog de persoon achter de tekst. Hoe harder een auteur roept dat hij zijn hoofdpersonage niet is, hoe minder we ervan geloven. Als Barthes' theorie echt postgevat zou hebben, zouden auteurs in interviews namelijk niet meer vragen krijgen als: 'wat heeft je doen besluiten om dit boek te schrijven?' 'je protagonist heeft zijn moeder verloren. In hoeverre is het overlijden van je eigen moeder van invloed geweest op...' 'al je personages hebben geldingsdrang, heeft de slechte band met je vader daarmee te maken?'
Wij willen jus. Wij willen sappige, borrelende details. Wij willen weten waar de wegen 'auteur' en 'tekst' samenkomen en divergeren. Een boek over een gruwelijke kindermoord is pas geoorloofd als de auteur de moord zelf gepleegd heeft. Anders -en alleen dán - vinden we hem ziek en luguber. Een jonge, vrouwelijke auteur die als hoofdpersoon een man van middelbare leeftijd heeft, verdenken wij van Electracomplex en hechtingsproblemen. Tien tegen één dat ze een affaire heeft met een oudere man. En natuurlijk schrijft Leon de Winter over Joodse identiteit. Wie heeft er meer recht van spreken dan een Jood? Sterker, het is alleen aan hem toegestaan. Een goj die dat probeert zal worden weggehoond en verguisd, al is hij misschien beter op de hoogte van de wetten van de Thora dan de meest fanatieke Chassied. Kijk naar wat er met de reputatie van Jeroen Brouwers gebeurde toen de waarheid van Bezonken Rood werd onderzocht. Zijn tekst, die voor het gemak tot getuigenis werd verklaard, klopte niet met verifieerbare feiten, dus was hij een sensatiezoekende leugenaar. Terwijl hij toch nooit beweerd heeft, een 'waarheidsgetrouw' verslag te hebben gedaan.
Biografische informatie kan er wel toe dóén – de auteur hoeft niet helemaal buiten beschouwing te worden gelaten. Zoals ik in een Franse bistro het liefst geholpen wordt door een klein gebruind mannetje met een dunne snor, vlugge manieren en een licht accent, is een semi-fictief boek over een persoonlijke ervaring voor mij geloofwaardiger als ik weet dat het is geschreven door iemand die de ervaring zelf heeft gehad. Dat de 'fransoos' eigenlijk een Pool is met een mantan, een spraakgebrek en een zwarte viltstift, maakt me niet uit. Ik wil graag geloven dat hij alles weet van slakken en stokbrood, méér dan de gemiddelde Spanjaard, omdat hij fransig aandoet. Dat komt door mijn aangeleerde hang naar causaliteit en narratief– en velen delen dit met mij.
Dit is ook de reden dat veel debuutromans autobiografisch zijn: het is makkelijker om inspiratie op te doen in je directe omgeving. Veel schrijvers komen vervolgens dan ook niet over hun debuut heen: de autobiografische bron is immers niet onuitputtelijk. Toch denk ook ik, dat de beschreven ervaring van het missen van een been accurater beschreven wordt door iemand die zijn been inderdaad verloren heeft. Ik heb het nu niet over de waarheid van de narratie zelf, maar over de stilzwijgende neiging de auteur en zijn tekst op één lijn te zetten.
Mensen met twee benen kunnen geen waarheidsgetrouw verslag doen van het leven met één been, is de gedachte. Maar als lezen om de beleving van de lezer draait, en de auteursintentie en de persoonlijke historie van de één- danwel tweebenige auteur buiten beschouwing moet worden gelaten, waarom zou dat dan niet kunnen?
Wij draaien de auteur met liefde een dikke Bram. De auteur is helemaal niet dood, de auteur zit, dankzij de lezer, vast in het voorgeborchte. Als hij weigert interviews te geven, worden zijn boeken niet verkocht en is hij een pretentieuze kwast. Als hij ontkent dat zijn protagonist op hem gebaseerd is, geloven we dat niet. Als hij het niet ontkent, verwijten wij hem een groot ego en one-trick-pony-ness. De lezersverwachting ontziet niemand. Boudewijn Büch zou zich omdraaien.
dinsdag 31 augustus 2010
Stuifmeel
Waarom zeggen mensen hatsjie als ze niezen? Omdat ze niet meer terug kunnen naar het punt waarop ze niet wisten dat een nies zo moest klinken. Baby's niezen zoals ze willen niezen, daar komt geen hatsjie aan te pas. Ik hoor ook regelmatig niezen die worden ingeleid met de ha en dan komt de nies: tsjie!! Zoals het voor sommige mensen gemeengoed is geworden om te pas en te onpas sorry te zeggen (vooral vrouwen hebben daar een handje van, gatverdamme!) zonder er bij na te denken dat de verontschuldigende kracht van dit woord heus niet verloren gaat als je het heel vaak zegt. Zich verontschuldigend ook als er niets te spijten valt (waarmee ik verontschuldiging en spijt even op één lijn zet) sorriën zij zich door het leven. Als er iemand tegen hen aanbotst, zeggen zij sorry. Als ze iets niet weten: sorry. Als ze iets willen vragen, begint die vraag met: 'Sorry, weet jij...' en als ze ergens hun mening over geven zwakken ze die van tevoren af met: 'Ja, sorry hoor! Ik vind...'
De enige die niet zo goed in dit rijtje thuishoort is de 'Sorry, weet jij....?' Een verbasterd anglicisme, en daarmee eerder een beleefdheidsfrase dan een verontschuldiging. Per slot van rekening val je iemand misschien wel lastig met je vragen over het dichtstbijzijnde treinstation. En in deze tijden van zinloos geweld (want zinvol geweld bestáát!) kan het lonen, je bij voorbaat te verontschuldigen.
Lieve lezer, ik hoor u denken: wat heeft niezen met oververontschuldigen te maken? Simpel: je door het leven verontschuldigen is voor sommige mensen net zo'n gewoonte geworden als hatsjieën als ze moeten niezen. De sorryconnotatie heeft voor hen natuurlijk allang aan kracht ingeboet, wat haar in mijn opinie alleen nog maar versterkt. Hoe vreselijk moet het zijn, je voor alles wat je doet, zegt, denkt en bent, voortdurend te verontschuldigen – en dan nog onbewust ook! Hetzelfde geldt voor het woord maar en het woord gewoon die heel vervelend gebruikt kunnen worden. De sorriër die een punt (niet) wil maken, zal starten met: 'Ja, sorry, maar ik vind dus dat het gewoon moet kunnen...' (Let ook op de puntjes in plaats van een punt aan het einde van deze zin.)
De kracht van gewoon, gebruikt op die manier, ligt in zijn sluipdenigratie. Zonder het te weten, zonder het misschien te willen, is het woord gewoon meer bagatelliserend dan het woord maar verdedigend is. Ik ben geen taalkundige, en heb zeker oog voor de afwisselend stop/vulwoord-, verontschuldigings-, en tegenwerpingsfunctie die maar en gewoon kunnen hebben. Het zou ongenuanceerd zijn, krampachtig vast te houden aan een ooit-vastgestelde definitie van een woord en vervolgens mensen te veroordelen die met hun tijd meegaan. Spreektaal is aan minder regels gebonden, arbitrair en dus aan verandering onderhevig: niettemin dient het Groene Boekje als basis voor schrijf-en spreektaal. En – nu komt het – hoe kun je het met iets eens zijn en er vervolgens talig een tegenwerping ingooien? Ik ben het met je eens, maar het is wel zo dat...´
Muggenzifterij? Welnee. Ik pleit gewoon voor zorgvuldig taalgebruik. Taal is al genoeg vervuild met loze leenwoorden en uitdrukkingen (´toen had ik toch zoiets van ja´) en ik ben niet de eerste die dat opvalt. Vanuit bepaalde feministische kringen wordt gezegd dat het bestaan van vrouwen zoveel mogelijk moeten worden ontkend: ze mogen zich niet laten horen, zien, ruiken of gelden. ´Nette´ meisjes zijn inderdaad niet te aanwezig, hebben geen heftige mening, ruiken immer naar lavendel of vanille en zijn geduldig op het lethargische af. De vrouw die zich te weinig zo gedraagt, is een kenau, een manwijf, een pot of, erger nog, een ´stoer wijf/vrouw met ballen´ (gruwel!!) wat een zielige poging is om het traditioneel-stereotype vrouwbeeld te verenigen met het minstens net zo intrinsiek foutieve idee dat ´mannelijkheid´ en ´vrouwelijkheid´ in één persoon elkaar niet uitsluiten. Nogmaals: gatverdamme. De reden dat meer dan de helft van de sorriësten vrouw is, kun je hierin terugvinden.
Ik denk te zien dat een deel van dit talige probleem in sekse ligt, en ik ben niet eens een feminist. Ik ben niet tegen rolpatronen, en ik pleit voor gelijkheid tussen man en vrouw, op ieder vlak behalve het biologische. Tegelijkertijd doe ik moeite om een net meisje te zijn omdat ik onder meer zo ben opgevoed – en dat brengt, spijtig genoeg, bepaalde sociaal geaccepteerde ongelijkwaardigheden met zich mee. Tel daar nog bij op dat ik professioneel getraind ben in deconstructie (en verliefd ben geweest op Frantz Fanon en Michel Foucault) en u kunt zich mijn punt moeiteloos voorstellen. Het leven van een net meisje gaat niet altijd over rozen. Maar me excuseren voor mijn wezen, dat weiger ik gewoon te doen. Ik ben geen sorriëst en zal dat ook nooit worden. Voor valse verontschuldiging ben ik hoegenaamd allergisch. Hatsjie.
De enige die niet zo goed in dit rijtje thuishoort is de 'Sorry, weet jij....?' Een verbasterd anglicisme, en daarmee eerder een beleefdheidsfrase dan een verontschuldiging. Per slot van rekening val je iemand misschien wel lastig met je vragen over het dichtstbijzijnde treinstation. En in deze tijden van zinloos geweld (want zinvol geweld bestáát!) kan het lonen, je bij voorbaat te verontschuldigen.
Lieve lezer, ik hoor u denken: wat heeft niezen met oververontschuldigen te maken? Simpel: je door het leven verontschuldigen is voor sommige mensen net zo'n gewoonte geworden als hatsjieën als ze moeten niezen. De sorryconnotatie heeft voor hen natuurlijk allang aan kracht ingeboet, wat haar in mijn opinie alleen nog maar versterkt. Hoe vreselijk moet het zijn, je voor alles wat je doet, zegt, denkt en bent, voortdurend te verontschuldigen – en dan nog onbewust ook! Hetzelfde geldt voor het woord maar en het woord gewoon die heel vervelend gebruikt kunnen worden. De sorriër die een punt (niet) wil maken, zal starten met: 'Ja, sorry, maar ik vind dus dat het gewoon moet kunnen...' (Let ook op de puntjes in plaats van een punt aan het einde van deze zin.)
De kracht van gewoon, gebruikt op die manier, ligt in zijn sluipdenigratie. Zonder het te weten, zonder het misschien te willen, is het woord gewoon meer bagatelliserend dan het woord maar verdedigend is. Ik ben geen taalkundige, en heb zeker oog voor de afwisselend stop/vulwoord-, verontschuldigings-, en tegenwerpingsfunctie die maar en gewoon kunnen hebben. Het zou ongenuanceerd zijn, krampachtig vast te houden aan een ooit-vastgestelde definitie van een woord en vervolgens mensen te veroordelen die met hun tijd meegaan. Spreektaal is aan minder regels gebonden, arbitrair en dus aan verandering onderhevig: niettemin dient het Groene Boekje als basis voor schrijf-en spreektaal. En – nu komt het – hoe kun je het met iets eens zijn en er vervolgens talig een tegenwerping ingooien? Ik ben het met je eens, maar het is wel zo dat...´
Muggenzifterij? Welnee. Ik pleit gewoon voor zorgvuldig taalgebruik. Taal is al genoeg vervuild met loze leenwoorden en uitdrukkingen (´toen had ik toch zoiets van ja´) en ik ben niet de eerste die dat opvalt. Vanuit bepaalde feministische kringen wordt gezegd dat het bestaan van vrouwen zoveel mogelijk moeten worden ontkend: ze mogen zich niet laten horen, zien, ruiken of gelden. ´Nette´ meisjes zijn inderdaad niet te aanwezig, hebben geen heftige mening, ruiken immer naar lavendel of vanille en zijn geduldig op het lethargische af. De vrouw die zich te weinig zo gedraagt, is een kenau, een manwijf, een pot of, erger nog, een ´stoer wijf/vrouw met ballen´ (gruwel!!) wat een zielige poging is om het traditioneel-stereotype vrouwbeeld te verenigen met het minstens net zo intrinsiek foutieve idee dat ´mannelijkheid´ en ´vrouwelijkheid´ in één persoon elkaar niet uitsluiten. Nogmaals: gatverdamme. De reden dat meer dan de helft van de sorriësten vrouw is, kun je hierin terugvinden.
Ik denk te zien dat een deel van dit talige probleem in sekse ligt, en ik ben niet eens een feminist. Ik ben niet tegen rolpatronen, en ik pleit voor gelijkheid tussen man en vrouw, op ieder vlak behalve het biologische. Tegelijkertijd doe ik moeite om een net meisje te zijn omdat ik onder meer zo ben opgevoed – en dat brengt, spijtig genoeg, bepaalde sociaal geaccepteerde ongelijkwaardigheden met zich mee. Tel daar nog bij op dat ik professioneel getraind ben in deconstructie (en verliefd ben geweest op Frantz Fanon en Michel Foucault) en u kunt zich mijn punt moeiteloos voorstellen. Het leven van een net meisje gaat niet altijd over rozen. Maar me excuseren voor mijn wezen, dat weiger ik gewoon te doen. Ik ben geen sorriëst en zal dat ook nooit worden. Voor valse verontschuldiging ben ik hoegenaamd allergisch. Hatsjie.
maandag 30 augustus 2010
Toergenjew
Afgelopen zaterdag ging ik weereens naar de Ekko. Na een encounter met een Bart, die naar een andere kroeg moest maar beloofde me te bellen, viel mijn oog op een groepje mensen. De meest opvallende twee van de groep waren lekker vrij aan het dansen – niet van dat laffe heupgeschud waar ik me schuldig aan maak, nee, Dansen met een grote D, dat deden ze. De jongen vond ik knap. Hij was lang en had een grote neus. En omdat ik Vaders en Zonen net uit heb, dacht ik onwillekeurig aan Basarov. De twee gingen in elkaar op. Ik nam aan dat ze een stel waren. Ik richtte mijn aandacht dus ergens anders op. Prompt kwam ik oud-klasgenoot Olivier tegen. Ik vond het oprecht leuk om hem weer te zien en groette hem enthousiast. Toen hij weg was kreeg ik van Basarov een blik die het midden hield tussen verontwaardiging en onbegrip. 'Hij is een oud-klasgenoot!' brulde ik ter verklaring in zijn oor. We raakten aan de praat. We spraken over filosofie, zelfmoord, en, hoe kan t ook anders, Russische literatuur. Het hart van Basarov lag bij muziek, zo zei hij. Mijn hart maakt muziek. Ik mocht er even naar luisteren en hij luisterde ook even naar het mijne. (volgens mij ligt zijn hart bij lyriek - dit terzijde.)
Na een hoop geschreeuwde conversatie en veel geknik en gelach (we stonden nog altijd op die drukke dansvloer in plaats van een rustigere plek op te zoeken) volgde een keurige liplock. Ik ben zuinig op mijn lippen, en hij was het waard. Toen de avond afliep en we besloten er een einde aan te breien verwachtte ik de geijkte uitwisseling van nummers. Ik vond hem leuk. Hij was slim, knap en had een stralende glimlach. Kortom, koffiesessiewaardig. Mijn hart maakt muziek; veeg me op!
De gelijkenis met hoe ik me Toergenjews Basarov voorstel lag in zijn grote neus (bref!) zijn kalme gelaatstrekken, zijn gentlemanachtige voorkomen, zijn intelligente antwoorden en zijn overweldigende persoonlijkheid. Niets dan positiefs dus. Ik wilde Basarov mijn nummer geven, maar hij weigerde. 'Ik vind je wel weer,' zei hij.
Liefste lezer, recentelijk heb ik verzucht dat ik graag gevonden wil worden. Echter, ik ben door schade en schande wijs geworden – voor sommige dingen krijg je maar één kans, en daarna is het echt over. Ook hier heb ik reeds over betoogd. Ik waardeerde het oprecht dat hij niet probeerde in mijn broek te komen (ja, tegenwoordig moet je zoiets waarderen als was het geen vanzelfsprekendheid) maar hoe groot zou de kans zijn dat we elkaar nog eens zouden treffen als hij de kans die ik aanbood niet pakte? Ik begon al aan mijzelf te twijfelen toen ik plotseling dacht: ach, waarom ook niet? Ik propageer het jagermodel eigenlijk al jaren: ik ben geëmancipeerd, heus, maar een beetje rolpatroon op z'n tijd is niet bah. Hoofse liefde is een groot goed. Nu staat er een jager voor mijn neus en het enige wat ik hoef te doen is als een dartele hinde weg te springen tussen de bomen. Maar ik wil blijkbaar niet springen. Ik blijf liever staan en laat me schieten als een sappige gazelle met glanzend traagbruine oogopslag en drumstickbenen.
Ik vraag u: sinds wanneer is jagen zo makkelijk? Hij heeft verdorie gelijk - het is ergens zelfs gênant dat hij het nog uit moet spellen. Ik doe er beter aan, me niet te gedragen alsof hij me afwijst. Het enige wat hij hiermee zegt, is dat hij bereid is, van de moderne conventies omtrent dit soort zaken af te zien en ze, voor de verandering, weer eens om te draaien. Basarov is niet voor niets een onderzoeker en nihilist - nogal wiedes dat hij de onconventionele aanpak prefereert. En dat zou mij, als zelfbenoemd opportuun postkolonialist, toch aan moeten spreken. In plaats van deze frisse benadering toe te juichen, laat ik me aan het twijfelen brengen. Terwijl hij daar toch allerminst aanleiding toe geeft.
Ik heb je vóór maandag gevonden. Ongeacht of hij dit waar kan en wil maken, word ik voor de zoveelste keer met mijn neus op de feiten gedrukt. No expectations, positief noch negatief, hoe moeilijk kan het zijn? Als hij goed genoeg zoekt, vindt hij me inderdaad wel.
(En voor de zekerheid zet ik mijn facebook tijdelijk op zichtbaar voor iedereen die lezen kan. Zelfs prins Charles jaagt met een scherpschuttersvizier.)
Na een hoop geschreeuwde conversatie en veel geknik en gelach (we stonden nog altijd op die drukke dansvloer in plaats van een rustigere plek op te zoeken) volgde een keurige liplock. Ik ben zuinig op mijn lippen, en hij was het waard. Toen de avond afliep en we besloten er een einde aan te breien verwachtte ik de geijkte uitwisseling van nummers. Ik vond hem leuk. Hij was slim, knap en had een stralende glimlach. Kortom, koffiesessiewaardig. Mijn hart maakt muziek; veeg me op!
De gelijkenis met hoe ik me Toergenjews Basarov voorstel lag in zijn grote neus (bref!) zijn kalme gelaatstrekken, zijn gentlemanachtige voorkomen, zijn intelligente antwoorden en zijn overweldigende persoonlijkheid. Niets dan positiefs dus. Ik wilde Basarov mijn nummer geven, maar hij weigerde. 'Ik vind je wel weer,' zei hij.
Liefste lezer, recentelijk heb ik verzucht dat ik graag gevonden wil worden. Echter, ik ben door schade en schande wijs geworden – voor sommige dingen krijg je maar één kans, en daarna is het echt over. Ook hier heb ik reeds over betoogd. Ik waardeerde het oprecht dat hij niet probeerde in mijn broek te komen (ja, tegenwoordig moet je zoiets waarderen als was het geen vanzelfsprekendheid) maar hoe groot zou de kans zijn dat we elkaar nog eens zouden treffen als hij de kans die ik aanbood niet pakte? Ik begon al aan mijzelf te twijfelen toen ik plotseling dacht: ach, waarom ook niet? Ik propageer het jagermodel eigenlijk al jaren: ik ben geëmancipeerd, heus, maar een beetje rolpatroon op z'n tijd is niet bah. Hoofse liefde is een groot goed. Nu staat er een jager voor mijn neus en het enige wat ik hoef te doen is als een dartele hinde weg te springen tussen de bomen. Maar ik wil blijkbaar niet springen. Ik blijf liever staan en laat me schieten als een sappige gazelle met glanzend traagbruine oogopslag en drumstickbenen.
Ik vraag u: sinds wanneer is jagen zo makkelijk? Hij heeft verdorie gelijk - het is ergens zelfs gênant dat hij het nog uit moet spellen. Ik doe er beter aan, me niet te gedragen alsof hij me afwijst. Het enige wat hij hiermee zegt, is dat hij bereid is, van de moderne conventies omtrent dit soort zaken af te zien en ze, voor de verandering, weer eens om te draaien. Basarov is niet voor niets een onderzoeker en nihilist - nogal wiedes dat hij de onconventionele aanpak prefereert. En dat zou mij, als zelfbenoemd opportuun postkolonialist, toch aan moeten spreken. In plaats van deze frisse benadering toe te juichen, laat ik me aan het twijfelen brengen. Terwijl hij daar toch allerminst aanleiding toe geeft.
Ik heb je vóór maandag gevonden. Ongeacht of hij dit waar kan en wil maken, word ik voor de zoveelste keer met mijn neus op de feiten gedrukt. No expectations, positief noch negatief, hoe moeilijk kan het zijn? Als hij goed genoeg zoekt, vindt hij me inderdaad wel.
(En voor de zekerheid zet ik mijn facebook tijdelijk op zichtbaar voor iedereen die lezen kan. Zelfs prins Charles jaagt met een scherpschuttersvizier.)
woensdag 25 augustus 2010
Roes
Van jongs af aan heb ik een zwak voor mooie teksten. Ik las en lees nog altijd graag, en al dat lezen heeft mijn rijke fantasie in de hand gewerkt. Ik kan me helemaal in vervoering laten brengen en zie, net zoals Susan Sonntag, het verband tussen tekst en erotiek. Zij stelt, dat als je een tekst leest, je er helemaal in mee moet gaan, je moet laten raken, en niet alleen moet lezen met je ogen, maar met je hele lichaam. (Voor de liefhebber: volg eens een college bij Hans van Stralen. Een erotische ervaring op zich, zo je wilt.)
Ik was altijd al aanhanger van die theorie, maar lees soms ook haastig. En net zoals bij een vluggertje, schiet de uitgesponnen sensualiteit er dan bij in. Tot het moment dat ik weer zo'n zwaar erotische tekst onder ogen kreeg. Een paar maanden geleden las ik Hafid Bouzza's De Voeten van Abdullah (1996) en Abdelkader Benali's Laat het morgen mooi weer zijn. (2005) Beide worden zij gerekend tot migrantenschrijvers, waar ik het als rechtgeaard postkolonialist niet mee eens ben. Hafid verhuisde op zijn zevende van Marokko naar Nederland en groeide op in Arkel. Niet in Amsterdam. Niet in Rotterdam. Niet, lieve lezer, in Dordrecht, die wereldstad. Neen, in Arkel. Als je spreekt over polderglamour, krijg je het vanuit Arkel toch in volle glorie mee. The next best thing is Spakenburg. Hafid loopt nu tegen de veertig en heeft in Amsterdam Arabische Taal- en Letterkunde gestudeerd. Zijn werk is bekroond met diverse Nederlandse literatuurprijzen. Belangrijker: hij heeft zijn puberteit in Nederland gehad. Migrant? Mais non.
(Breek me de bek niet open over Benali. Hij loopt hopelijk beter hard dan dat hij schrijft, en daar wil ik het bij laten.)
Omdat ik Benali en Bouazza naast elkaar las, viel het me op hoezeer Hafid de taal uitdiept. Ik praat graag over hem alsof ik hem persoonlijk ken, omdat ik graag zou willen dat dat zo was. De erotiek van zijn werk schuilt mijns inziens niet zozeer in de soms zeer impliciet expliciete seksscènes die hij beschrijft (degenen die Abdullah hebben gelezen weten waar ik het over heb) maar in de manier waarop hij schrijft. Ik denk zijn arabistenachtergrond duidelijk terug te lezen in de sensuele, erotische schetsen van een vol bord eten, een stuk groente of het een fles water. Ze hebben inderdaad wat weg van de oriëntalistische 1000-en-1-nacht-verhalen uit de sprookjesboeken uit mijn jeugd. Uiteraard werden daar geen seksuele handelingen in beschreven. Toch was er wel erotiek aanwezig, onstoffelijk natuurlijk, en onzichtbaar voor het kwetsbare kinderoog, dat zo'n kracht niet gewend is.
Ach, ik kan nog wel zestig verklaringen verzinnen voor mijn absolute adoratie, maar eigenlijk doen die er geen van allen toe. Ik ben verliefd op een briljante man van veertig, zo simpel is het. Na het lezen van zijn boek – slechts één boek was nodig, lieve lezer – wilde ik zo graag met hem slapen dat het pijn deed. Dat hij twee keer zo oud is als ik, geen rijbewijs heeft, kleiner is dan ik, loenst, en dat alcohol zijn spraak lijkt te hebben aangetast, kan me niet schelen. Dat de persoon achter de auteur, als je die twee wil scheiden, misschien niet lijkt op de auteur (acteur is dan misschien een beter woord) kan me evenmin schelen. Lieve moeder, ik had nooit gedacht dat ik een alcoholprobleem sexy zou vinden, maar Hafid...hij kan het hebben. Het maakt 'm eigenlijk alleen nog maar aantrekkelijker.
Ik ben geen bakvis, maar als ik hem op een borrel zou tegenkomen, zou ik al mijn principes overboord zetten en me zonder aarzelen aanbieden, in al mijn veelbelovende voluptueusheid. Ik heb nog nooit iemand gelezen die taal zo kan manipuleren als hij doet. En dat is vreselijk aantrekkelijk. Hij heeft ook veel poëzie en toneel geschreven (niet verbazingwekkend!) en ik zou hem mijn eerste salaris geven als hij me voor kwam lezen uit eigen werk. Gewoon een half uurtje, hij op een stoel, ik op een chaise longue, dertig minuten naar de hemel en terug.
Ik blijf het zeggen: ik houd van mannen die dingen goed kunnen. De link naar vleselijke lust is gauw gelegd, omdat veel van Hafids boeken seks bevatten. Het is echter niet de seks an sich die me aantrekt, maar de manier waarop hij taal sexy maakt. Hij kneedt, hij schaaft, hij laat de woorden door zijn mond lopen als een vinoloog op dreef. Het is makkelijk om hem af te doen als een Arabisch georiënteerde Anais Nin. Daarmee doe je hem geen recht. De kern van zijn briljantie ligt niet in seks, maar in de erotiek van de woorden eromheen.
Verheven boven de Dimitri Verhulstachtige explicietheid van aardse, stinkende lichamen en rottende voortplanting. Verheven boven de verplichtende, bijna dwangmatige Giphart-seks. Het gáát niet om seks. Het gaat om de erotiek van taal, lijven en mensen staan daar los van. Het spel dat hij met taal speelt is zo doordacht en schijnbaar zo moeiteloos pákkend, bref, mon Dieu, dat ik geen schijn van kans maak als ik me ertegen probeer te verzetten. Hafid schrijft letterlijk in erotiek van het zuiverste water en ik til mijn voeten maar al te graag op. Ik ben verliefd, verliefd op deze heerlijke auteur, die mij met één pennenstreek tot grote hoogten brengt. Het topje van mijn linkerpink voor een half uur met Hafid...
Ik was altijd al aanhanger van die theorie, maar lees soms ook haastig. En net zoals bij een vluggertje, schiet de uitgesponnen sensualiteit er dan bij in. Tot het moment dat ik weer zo'n zwaar erotische tekst onder ogen kreeg. Een paar maanden geleden las ik Hafid Bouzza's De Voeten van Abdullah (1996) en Abdelkader Benali's Laat het morgen mooi weer zijn. (2005) Beide worden zij gerekend tot migrantenschrijvers, waar ik het als rechtgeaard postkolonialist niet mee eens ben. Hafid verhuisde op zijn zevende van Marokko naar Nederland en groeide op in Arkel. Niet in Amsterdam. Niet in Rotterdam. Niet, lieve lezer, in Dordrecht, die wereldstad. Neen, in Arkel. Als je spreekt over polderglamour, krijg je het vanuit Arkel toch in volle glorie mee. The next best thing is Spakenburg. Hafid loopt nu tegen de veertig en heeft in Amsterdam Arabische Taal- en Letterkunde gestudeerd. Zijn werk is bekroond met diverse Nederlandse literatuurprijzen. Belangrijker: hij heeft zijn puberteit in Nederland gehad. Migrant? Mais non.
(Breek me de bek niet open over Benali. Hij loopt hopelijk beter hard dan dat hij schrijft, en daar wil ik het bij laten.)
Omdat ik Benali en Bouazza naast elkaar las, viel het me op hoezeer Hafid de taal uitdiept. Ik praat graag over hem alsof ik hem persoonlijk ken, omdat ik graag zou willen dat dat zo was. De erotiek van zijn werk schuilt mijns inziens niet zozeer in de soms zeer impliciet expliciete seksscènes die hij beschrijft (degenen die Abdullah hebben gelezen weten waar ik het over heb) maar in de manier waarop hij schrijft. Ik denk zijn arabistenachtergrond duidelijk terug te lezen in de sensuele, erotische schetsen van een vol bord eten, een stuk groente of het een fles water. Ze hebben inderdaad wat weg van de oriëntalistische 1000-en-1-nacht-verhalen uit de sprookjesboeken uit mijn jeugd. Uiteraard werden daar geen seksuele handelingen in beschreven. Toch was er wel erotiek aanwezig, onstoffelijk natuurlijk, en onzichtbaar voor het kwetsbare kinderoog, dat zo'n kracht niet gewend is.
Ach, ik kan nog wel zestig verklaringen verzinnen voor mijn absolute adoratie, maar eigenlijk doen die er geen van allen toe. Ik ben verliefd op een briljante man van veertig, zo simpel is het. Na het lezen van zijn boek – slechts één boek was nodig, lieve lezer – wilde ik zo graag met hem slapen dat het pijn deed. Dat hij twee keer zo oud is als ik, geen rijbewijs heeft, kleiner is dan ik, loenst, en dat alcohol zijn spraak lijkt te hebben aangetast, kan me niet schelen. Dat de persoon achter de auteur, als je die twee wil scheiden, misschien niet lijkt op de auteur (acteur is dan misschien een beter woord) kan me evenmin schelen. Lieve moeder, ik had nooit gedacht dat ik een alcoholprobleem sexy zou vinden, maar Hafid...hij kan het hebben. Het maakt 'm eigenlijk alleen nog maar aantrekkelijker.
Ik ben geen bakvis, maar als ik hem op een borrel zou tegenkomen, zou ik al mijn principes overboord zetten en me zonder aarzelen aanbieden, in al mijn veelbelovende voluptueusheid. Ik heb nog nooit iemand gelezen die taal zo kan manipuleren als hij doet. En dat is vreselijk aantrekkelijk. Hij heeft ook veel poëzie en toneel geschreven (niet verbazingwekkend!) en ik zou hem mijn eerste salaris geven als hij me voor kwam lezen uit eigen werk. Gewoon een half uurtje, hij op een stoel, ik op een chaise longue, dertig minuten naar de hemel en terug.
Ik blijf het zeggen: ik houd van mannen die dingen goed kunnen. De link naar vleselijke lust is gauw gelegd, omdat veel van Hafids boeken seks bevatten. Het is echter niet de seks an sich die me aantrekt, maar de manier waarop hij taal sexy maakt. Hij kneedt, hij schaaft, hij laat de woorden door zijn mond lopen als een vinoloog op dreef. Het is makkelijk om hem af te doen als een Arabisch georiënteerde Anais Nin. Daarmee doe je hem geen recht. De kern van zijn briljantie ligt niet in seks, maar in de erotiek van de woorden eromheen.
Verheven boven de Dimitri Verhulstachtige explicietheid van aardse, stinkende lichamen en rottende voortplanting. Verheven boven de verplichtende, bijna dwangmatige Giphart-seks. Het gáát niet om seks. Het gaat om de erotiek van taal, lijven en mensen staan daar los van. Het spel dat hij met taal speelt is zo doordacht en schijnbaar zo moeiteloos pákkend, bref, mon Dieu, dat ik geen schijn van kans maak als ik me ertegen probeer te verzetten. Hafid schrijft letterlijk in erotiek van het zuiverste water en ik til mijn voeten maar al te graag op. Ik ben verliefd, verliefd op deze heerlijke auteur, die mij met één pennenstreek tot grote hoogten brengt. Het topje van mijn linkerpink voor een half uur met Hafid...
dinsdag 24 augustus 2010
Vandaag
Zondag hadden we een neven- en nichtendag gepland in restaurant Vandaag. Het concept wat daar beproefd wordt is dat je twee uur lang toegang krijgt tot allerlei soorten eten – nouveau cuisine – en dat je daarna volgevreten je auto inrolt en naar huis gaat. Mijn broertje en ik gingen ook. We waren aangewezen op de bus. Tel daar bij op dat ik nooit precies weet hoe laat het is, en je kunt je voorstellen hoe ik haastig op hakken over het ribbelige station stiefelde, op weg naar het trefpunt. (wat móeten al die stomme ribbels daar eigenlijk? Zelfs geleidehonden hebben er toch niet zoveel nodig?) Uiteindelijk zaten we in de bus op weg naar Leidsche Rijn. Er ging een hele nieuwe wereld voor me open. De brug die Leidsche Rijn van de Vleutenseweg scheidde gaf zicht op een troosteloos, verlaten geheel. Het was natuurlijk zondag en deze ministad is nog in ontwikkeling, maar het zag er nogal spookachtig uit. Mooie appartementen, midden op braakliggende terreinen. Weinig groen, geen auto's, geen fietsers. Geen geluid. Chique, maar uitgestorven. De buschauffeur, een onwillige, niet al te snuggere Pool, zette ons een halte te vroeg uit de bus. Daar staan we dan, op een T-splitsing, vlakbij een industrieterrein. Blik naar links: snelweg. Blik naar rechts: snelweg! Wat nu?
Gelukkig zien we in de verte drie stipjes. Het zijn locals, en ze hebben een hond. Opgelucht lopen we ze tegemoet. Ze wijzen ons vriendelijk de juiste richting. We beginnen met lopen. De paar auto's die ons tegemoet komen, kijken naar ons, en draaien hun hoofden om tot we niet meer te zien zijn. Wij kijken zo goed en zo kwaad als we kunnen terug. Blijkbaar is dat hier gebruikelijk, en wij zijn niet te beroerd om ons aan te passen.
Na een minuut of tien zijn we er dan. We hebben gereserveerd, maar dat zie je aan de rij voor de kassa niet af. Om in het restaurant te komen, moet je een statige trap op, van ongeveer honderd treden. Vanaf tree vijftig staan er mensen te wachten. Gelukkig is er al familie binnen en kunnen we de rij omzeilen. Als we eenmaal een tafel toegewezen hebben gekregen, kan het Grote VoedselFest een aanvang nemen. Het is een soort van La Place, maar dan afgekocht, en niet alleen Europees georiënteerd – eerder oosters. Sushi en saté kunnen naast elkaar op je bord. Het restaurant zit bomvol en het eten wordt bereid waar je bij staat. Hetgeen rijen oplevert, gevuld met boos kijkende mensen die je hoofd zullen wokken als je voordringt. Iedereen die hier komt, heeft gereserveerd, maar sommige mensen zijn blijkbaar bang dat er voor hen niet genoeg eten zal zijn. Mijn eerste honger stil ik, duizelig van de massa, alle verschillende voedselsoorten en de vermoeiende reis, met wat simpele Belgische patat en een klein stukje kip. Voor de tweede ronde neem ik een stukje brood en verschillende oosterse liflafjes. Mijn maagwand begint al te protesteren – normaal eet ik niet zoveel. Maar mijn Hollandse geest fluistert me in: je hebt er voor betaald! Haal het eruit!!! Ik wip van mijn stoel en houd angstvallig mijn buik in, terwijl ik langs de etende gezinnen naar het dessertbuffet loop. Mijn bord hoef ik niet mee te nemen; als het leeg is, wordt het weggehaald door een ober. De jongen die onze tafel opruimt, is leuk en goed in zijn werk. Ik heb een zwak voor hem. We kletsen even en hij laat zich vaker zien dan strikt noodzakelijk – hij imponeert me met zijn behendigheid. Hij ruimt de tweede gang enthousiast in één keer af. We kijken elkaar aan met een als-dat-maar-goed-gaat-spannend-zeg!-blik. Ik zeg bemoedig-grappend tegen hem: 'Ik geloof in je, hoor!' Net als ik terugkeer van mijn tochtje, en mijn mond gevuld is met een flinke hap nougatine-ijs, duikt hij plotseling achter me op en grijnst: 'Ik heb niets laten vallen, dankzij jou!' Heel fijn, hot blondie. Good for you.
Een lichte pijn in mijn middenrif komt op, en ik besluit tot een kopje muntthee, voor ik mijzelf een maagruptuur bezorg. De vrouw vóór mij in de rij werpt haar koffie zonder scrupules over de man die haar per ongeluk aanstoot en vraagt daarna met quasiverschrikte ogen om een nieuwe koffie en een ober voor het opruimen. Met diezelfde blik kijkt ze mij aan als ze een nieuw kopje krijgt, en ik doe uit voorzorg een stap achteruit. Met een grote boog loop ik om haar heen, terug naar de tafel.
We zijn om kwart voor zes begonnen met eten: het is nu 19.44. Voor de tweede keer die dag schrik ik me wild als ik plotseling een stem bij mijn oor hoor bulderen. 'TOT WANNEER hadden jullie eigenlijk gereserveerd?!!!!!!!!!! Alsof je een oud boek openslaat, met zo'n door monniken versierde hoofdletter op iedere bladzijde. BAF!! Een blonde gastvrouw op leeftijd kijkt me met samengeknepen ogen en een bevroren glimlach aan. Ik zeg: 'Tot kwart voor acht. We vertrekken dan ook zometeen.' De vrouw snoeft, en zegt: 'Ja, graag, want weet u, de volgende groep staat alweer te wachten.... we willen afruimen en de tafel schoonmaken! De volgende groep.... ' Ze geeft een vage blik naar het buffet. Ik verwacht een dranghek vol dikbuikige rachitisbleekscheten met moordlustig hongerige ogen vol vliegen, maar de enige mensen die ik zie moeten óók binnen vijf minuten weg en proberen de kok nog even voor zijn centen te laten werken. Leidsche Rijn is de groeikern van de tweeverdieners, maar dat zie je er niet aan af. De gastvrouw kijkt naar mij, en dan naar haar horloge. Ze grimlacht. (= kruising tussen glimlach en grimas) De boodschap is duidelijk. We vertrekken. Broerlief en ik strompelen naar de bus, bij de juiste halte dit keer. Hoewel ik er geen bezwaar tegen gehad zou hebben om nu een stukje te lopen. Mijn broek knelt en mijn voeten zijn gezwollen. We ploffen neer op de stoelen en kunnen niet eens meer praten, zo vol zitten we. Ik fiets naar huis, rol op de bank en val in een diepe slaap onder het kijken van Lipstick Jungle. Nu weet ik wat leeuwen voelen als ze hebben gegeten. Vandaag is veel, heel veel.
Gelukkig zien we in de verte drie stipjes. Het zijn locals, en ze hebben een hond. Opgelucht lopen we ze tegemoet. Ze wijzen ons vriendelijk de juiste richting. We beginnen met lopen. De paar auto's die ons tegemoet komen, kijken naar ons, en draaien hun hoofden om tot we niet meer te zien zijn. Wij kijken zo goed en zo kwaad als we kunnen terug. Blijkbaar is dat hier gebruikelijk, en wij zijn niet te beroerd om ons aan te passen.
Na een minuut of tien zijn we er dan. We hebben gereserveerd, maar dat zie je aan de rij voor de kassa niet af. Om in het restaurant te komen, moet je een statige trap op, van ongeveer honderd treden. Vanaf tree vijftig staan er mensen te wachten. Gelukkig is er al familie binnen en kunnen we de rij omzeilen. Als we eenmaal een tafel toegewezen hebben gekregen, kan het Grote VoedselFest een aanvang nemen. Het is een soort van La Place, maar dan afgekocht, en niet alleen Europees georiënteerd – eerder oosters. Sushi en saté kunnen naast elkaar op je bord. Het restaurant zit bomvol en het eten wordt bereid waar je bij staat. Hetgeen rijen oplevert, gevuld met boos kijkende mensen die je hoofd zullen wokken als je voordringt. Iedereen die hier komt, heeft gereserveerd, maar sommige mensen zijn blijkbaar bang dat er voor hen niet genoeg eten zal zijn. Mijn eerste honger stil ik, duizelig van de massa, alle verschillende voedselsoorten en de vermoeiende reis, met wat simpele Belgische patat en een klein stukje kip. Voor de tweede ronde neem ik een stukje brood en verschillende oosterse liflafjes. Mijn maagwand begint al te protesteren – normaal eet ik niet zoveel. Maar mijn Hollandse geest fluistert me in: je hebt er voor betaald! Haal het eruit!!! Ik wip van mijn stoel en houd angstvallig mijn buik in, terwijl ik langs de etende gezinnen naar het dessertbuffet loop. Mijn bord hoef ik niet mee te nemen; als het leeg is, wordt het weggehaald door een ober. De jongen die onze tafel opruimt, is leuk en goed in zijn werk. Ik heb een zwak voor hem. We kletsen even en hij laat zich vaker zien dan strikt noodzakelijk – hij imponeert me met zijn behendigheid. Hij ruimt de tweede gang enthousiast in één keer af. We kijken elkaar aan met een als-dat-maar-goed-gaat-spannend-zeg!-blik. Ik zeg bemoedig-grappend tegen hem: 'Ik geloof in je, hoor!' Net als ik terugkeer van mijn tochtje, en mijn mond gevuld is met een flinke hap nougatine-ijs, duikt hij plotseling achter me op en grijnst: 'Ik heb niets laten vallen, dankzij jou!' Heel fijn, hot blondie. Good for you.
Een lichte pijn in mijn middenrif komt op, en ik besluit tot een kopje muntthee, voor ik mijzelf een maagruptuur bezorg. De vrouw vóór mij in de rij werpt haar koffie zonder scrupules over de man die haar per ongeluk aanstoot en vraagt daarna met quasiverschrikte ogen om een nieuwe koffie en een ober voor het opruimen. Met diezelfde blik kijkt ze mij aan als ze een nieuw kopje krijgt, en ik doe uit voorzorg een stap achteruit. Met een grote boog loop ik om haar heen, terug naar de tafel.
We zijn om kwart voor zes begonnen met eten: het is nu 19.44. Voor de tweede keer die dag schrik ik me wild als ik plotseling een stem bij mijn oor hoor bulderen. 'TOT WANNEER hadden jullie eigenlijk gereserveerd?!!!!!!!!!! Alsof je een oud boek openslaat, met zo'n door monniken versierde hoofdletter op iedere bladzijde. BAF!! Een blonde gastvrouw op leeftijd kijkt me met samengeknepen ogen en een bevroren glimlach aan. Ik zeg: 'Tot kwart voor acht. We vertrekken dan ook zometeen.' De vrouw snoeft, en zegt: 'Ja, graag, want weet u, de volgende groep staat alweer te wachten.... we willen afruimen en de tafel schoonmaken! De volgende groep.... ' Ze geeft een vage blik naar het buffet. Ik verwacht een dranghek vol dikbuikige rachitisbleekscheten met moordlustig hongerige ogen vol vliegen, maar de enige mensen die ik zie moeten óók binnen vijf minuten weg en proberen de kok nog even voor zijn centen te laten werken. Leidsche Rijn is de groeikern van de tweeverdieners, maar dat zie je er niet aan af. De gastvrouw kijkt naar mij, en dan naar haar horloge. Ze grimlacht. (= kruising tussen glimlach en grimas) De boodschap is duidelijk. We vertrekken. Broerlief en ik strompelen naar de bus, bij de juiste halte dit keer. Hoewel ik er geen bezwaar tegen gehad zou hebben om nu een stukje te lopen. Mijn broek knelt en mijn voeten zijn gezwollen. We ploffen neer op de stoelen en kunnen niet eens meer praten, zo vol zitten we. Ik fiets naar huis, rol op de bank en val in een diepe slaap onder het kijken van Lipstick Jungle. Nu weet ik wat leeuwen voelen als ze hebben gegeten. Vandaag is veel, heel veel.
maandag 16 augustus 2010
Dickens
Zojuist heb ik een borrel gedronken bij café de Poort. Mijn gezelschap was een zeer aimabele man, die mij een dag eerder vol durf zijn nummer subtiel toespeelde. Ik vind dat iedere man die zulk lef toont, een kans moet krijgen (grenzen bestaan uiteraard, maar hij viel er niet overheen) dus ik ging in op zijn voorstel. Ik was nog nooit bij De Poort geweest, ik moest het zelfs googlen.
Vol goede moed ging ik, frisbeokseld, subtiel geparfumeerd en gescrubd op weg. Om na een paar straten en een enkel stoplicht subiet rechtsomkeert te maken. Wat was er zo dringend? Deo in mijn oksels, serum in mijn haar, ringen om mijn vingers, maar ach, lieve lezer, geen make-up op mijn gezicht. Na een minuutje twijfelen besloot ik toch maar terug te gaan en de oh zo onontbeerlijke streep eyeliner langs mijn wimpers te smeren. Een wereld van verschil, al was het psychisch. Ik heb aan zelfvertrouwen geen gebrek, maar zonder make-up verschijnen op een eerste koffiesessie, nee, dat durf ik niet aan. Ik smste mijn date, en kwam uiteindelijk drie minuten te laat en lichtelijk verhit aan.
Na twee kopjes twee was t tijd voor een wijntje. Ik voelde me best op mijn gemak, de man in kwestie was zeer hoffelijk en deed zijn best, een goed gesprek op gang te houden. Ik was oprecht door hem geboeid en kromp slechts ineen bij de vraag 'waar kom je vandaan'. Hij meende het niet slecht, en stelde de vraag bovendien pas na twee uur praten. Niettemin vond ik het vervelend zoals altijd, temeer omdat ik hem had verteld waar ik vandaan kom. Ik kon mijn korzeligheid niet zo goed verbergen en voelde me tegelijk schaamschuldig over mijn reactie - hij kon niet weten dat het onderwerp 'waar vandaan' bij mij gevoelig ligt en ik het een irrelevante en impertinente vraag vind. Fijngevoelig als hij was, bemerkte hij mijn agitatie en stapte vlug over op een ander onderwerp. Opgelucht nam ik die uitgang aan, en probeerde hem erin te steunen. Helaas verbruidde hij het een nanoseconde later voor zichzelf door te zeggen dat ik 'leek op de Arubaanse vrouw van zijn collega', en dat hij daarom dacht dat ik 'misschien Arubaans was'. Poging mislukt. Ik nam nog maar een slokje van mijn wijn en lachte in schaapachtige ontkenning. Het is niet eerlijk mensen te pakken op iets wat ze onmogelijk kunnen weten. Ik probeerde over mijn griefje heen te stappen en het hem niet kwalijk te nemen. Ik had sinds het middaguur niets meer gegeten en ben geen drank gewend, dus het tweede wijntje steeg vrij snel naar mijn hoofd. Hij was oprecht onderhoudend, gezellig en charmant. Ik besloot mijn energie te steken in conversatie met enkele tong, in plaats van zinloos en onaardig gekaffer – excusez le mot. We spraken nog wat over koetjes en kalfjes, tot ik vreesde hem te schokken met mijn wat onsamenhangend verwoorde mening over arthouse – en dan vooral de onsamenhangendheid ervan.
Ik moest eigenlijk plassen, maar wilde hem niet laten wachten. Het idee was dat onze wegen zouden scheiden, ik de dichtstbijzijnde Mac zou opzoeken, mijn blaas zou ledigen en opgelucht naar huis zou gaan na een prima borrel met een prima man. Een van mijn vriendinnen raadt mij in dit soort kwesties vaak aan: no expectations. Wel, het werkte. Ik heb een hele fijne zondagmiddag gehad, een goed gesprek, een beetje zon en precies genoeg wijn. Mijn blaas werd danig op de proef gesteld toen hij me tot aan de Bijenkorf vergezelde, maar ook dit nam ik hem niet kwalijk. Er zijn belangrijkere dingen in het leven dan instant bevrediging van lichamelijke behoeften en ik voel me zelden zo op mijn gemak tijdens een eerste middag. Vergeleken met de blonde jongelingen waar ik mij recentelijk mee placht te omringen, was dit een welkome verademing. Geen inhaligheid, geen pressie, geen vrekkigheid, geen stekeligheden, geen seksuele toespelingen, niets van dat alles. Was het het leeftijdsverschil van ruim tien jaar, dat de druk van de ketel haalde? Was het de herfstachtige sfeer die om het terras heen hing? Was het de totale en oprechte onschuld waarmee hij me benaderde, of mijn verbazing over een man zonder zichtbaar Leitmotiv? Vaststaat dat ik het oprecht gezellig vond. Al zal hier verder niets amoureus uit ontspruiten, ontspanning zonder hoger doel is ook wat waard. Ik houd van mannen die dingen goed kunnen, zeker als ze uitblinken in conversatie. Gentleman-ness makes D. a happy girl.
Vol goede moed ging ik, frisbeokseld, subtiel geparfumeerd en gescrubd op weg. Om na een paar straten en een enkel stoplicht subiet rechtsomkeert te maken. Wat was er zo dringend? Deo in mijn oksels, serum in mijn haar, ringen om mijn vingers, maar ach, lieve lezer, geen make-up op mijn gezicht. Na een minuutje twijfelen besloot ik toch maar terug te gaan en de oh zo onontbeerlijke streep eyeliner langs mijn wimpers te smeren. Een wereld van verschil, al was het psychisch. Ik heb aan zelfvertrouwen geen gebrek, maar zonder make-up verschijnen op een eerste koffiesessie, nee, dat durf ik niet aan. Ik smste mijn date, en kwam uiteindelijk drie minuten te laat en lichtelijk verhit aan.
Na twee kopjes twee was t tijd voor een wijntje. Ik voelde me best op mijn gemak, de man in kwestie was zeer hoffelijk en deed zijn best, een goed gesprek op gang te houden. Ik was oprecht door hem geboeid en kromp slechts ineen bij de vraag 'waar kom je vandaan'. Hij meende het niet slecht, en stelde de vraag bovendien pas na twee uur praten. Niettemin vond ik het vervelend zoals altijd, temeer omdat ik hem had verteld waar ik vandaan kom. Ik kon mijn korzeligheid niet zo goed verbergen en voelde me tegelijk schaamschuldig over mijn reactie - hij kon niet weten dat het onderwerp 'waar vandaan' bij mij gevoelig ligt en ik het een irrelevante en impertinente vraag vind. Fijngevoelig als hij was, bemerkte hij mijn agitatie en stapte vlug over op een ander onderwerp. Opgelucht nam ik die uitgang aan, en probeerde hem erin te steunen. Helaas verbruidde hij het een nanoseconde later voor zichzelf door te zeggen dat ik 'leek op de Arubaanse vrouw van zijn collega', en dat hij daarom dacht dat ik 'misschien Arubaans was'. Poging mislukt. Ik nam nog maar een slokje van mijn wijn en lachte in schaapachtige ontkenning. Het is niet eerlijk mensen te pakken op iets wat ze onmogelijk kunnen weten. Ik probeerde over mijn griefje heen te stappen en het hem niet kwalijk te nemen. Ik had sinds het middaguur niets meer gegeten en ben geen drank gewend, dus het tweede wijntje steeg vrij snel naar mijn hoofd. Hij was oprecht onderhoudend, gezellig en charmant. Ik besloot mijn energie te steken in conversatie met enkele tong, in plaats van zinloos en onaardig gekaffer – excusez le mot. We spraken nog wat over koetjes en kalfjes, tot ik vreesde hem te schokken met mijn wat onsamenhangend verwoorde mening over arthouse – en dan vooral de onsamenhangendheid ervan.
Ik moest eigenlijk plassen, maar wilde hem niet laten wachten. Het idee was dat onze wegen zouden scheiden, ik de dichtstbijzijnde Mac zou opzoeken, mijn blaas zou ledigen en opgelucht naar huis zou gaan na een prima borrel met een prima man. Een van mijn vriendinnen raadt mij in dit soort kwesties vaak aan: no expectations. Wel, het werkte. Ik heb een hele fijne zondagmiddag gehad, een goed gesprek, een beetje zon en precies genoeg wijn. Mijn blaas werd danig op de proef gesteld toen hij me tot aan de Bijenkorf vergezelde, maar ook dit nam ik hem niet kwalijk. Er zijn belangrijkere dingen in het leven dan instant bevrediging van lichamelijke behoeften en ik voel me zelden zo op mijn gemak tijdens een eerste middag. Vergeleken met de blonde jongelingen waar ik mij recentelijk mee placht te omringen, was dit een welkome verademing. Geen inhaligheid, geen pressie, geen vrekkigheid, geen stekeligheden, geen seksuele toespelingen, niets van dat alles. Was het het leeftijdsverschil van ruim tien jaar, dat de druk van de ketel haalde? Was het de herfstachtige sfeer die om het terras heen hing? Was het de totale en oprechte onschuld waarmee hij me benaderde, of mijn verbazing over een man zonder zichtbaar Leitmotiv? Vaststaat dat ik het oprecht gezellig vond. Al zal hier verder niets amoureus uit ontspruiten, ontspanning zonder hoger doel is ook wat waard. Ik houd van mannen die dingen goed kunnen, zeker als ze uitblinken in conversatie. Gentleman-ness makes D. a happy girl.
vrijdag 6 augustus 2010
Blauw
Zoals ik al eerder heb verteld, was mijn eerste baantje verkoopster in een gegoede dameskledingzaak. Ik begon daar toen ik amper zestien was, jong en onbedorven. Mijn lijf had zich harder ontwikkeld dan mijn geest. Ik was niet achter of dom, maar wel naïef, met een kinderlijk groot moreel besef, vol extremen. Dat moreel besef kreeg een flinke opdoffer toen ik voor het eerst de man zag die me voor altijd zal bijblijven. Hij had de mooiste ogen die ik ooit had gezien, en de meest aimabele grijns die ik ooit had aanschouwd. Hij was van gemiddelde lengte, zijn ogen waren sprankelend donkerblauw, en zijn volle, donkere haar viel goedgeknipt langs zijn hoofd. Hij trok met zijn been. Vandaar mijn liefkozende bijnaam: Scheve Been. Wij zijn elkaar 'uit het oog verloren', en zou hem graag nog een keer tegenkomen, om bij te kletsen. Het punt was namelijk dat hij en ik elkaar troffen in de kledingzaak, en hij vaak een hoogblonde, wat vadsige vrouw bij zich had: zijn vriendin. Ze was klein, en had een wat gedrongen lichaamsbouw. Ze had best een knap gezicht, maar zou knapper zijn als ze dunner was en ze zag eruit alsof ze niet zo goed zonder make-up kon. Ze was ook weleens zonder hem in de winkel. Ooit hoorde ik een vriendin haar 'Lot' noemen. Mijn ietwat denigrerende geuzennaam voor haar werd dan ook Lottepof.
Inmiddels ben ik een hele goede verkoopster. Na een paar jaar daar te hebben gewerkt, weet ik alles van dikke en dunne stoffen, optische slankmakers, snitten, enzovoort. Helaas voor Lottepof kwam zij bij mij op mijn eerste dag. Mijn eerste, nerveuze, beangstigende dag. Haar wens: een zwarte broek. Had ik toen de ervaring gehad die ik nu heb, dan had ik haar gevraagd: netjes of casual? Met liflafjes of strak? Ruimvallend of aansluitend? Kort of lang? In plaats van dit alles sleepte ik naar beste eer en geweten alle zwarte broeken maat 44 en 46 naar beneden, in de hoop dat er iets tussen zat. Dat deed ik blijkbaar niet goed genoeg. Lottepof, die toen nog niet zo heette, keek me vorsend aan. Naast de opwinding die acht keer achter elkaar een trap op en aflopen met zich meebracht, raakte ik ook danig van mijn apropos van Scheve Been, die naast haar stond en grijnsde, en me spottend aankeek met die vreselijk blauwe ogen.
Maar, lieve lezer, misschien begrijpt u nog niet ten volle wat ik bedoel. Ik kon geen adem meer halen als hij naar me keek. Hij bracht bij mij een lichamelijke reactie teweeg waar ik zelf van schrok. Ik was zestien, misschien was het daar hoe dan ook wel tijd voor en was hij slechts aanzwengelaar van een hormonale storm, geen factor. Maar vanaf die eerste ontmoeting viel ik bijna flauw, iedere keer als ik hem zag. En zoals dat gaat, gedroeg ik me ook als een kluns in zijn bijzijn. Ik struikelde, liet dingen vallen, ik heb hem, mon Dieu, zelfs een keer gevraagd of er niets voor hem bij zat. (mind you, in een dameskledingzaak....) Mijn hart klopte wild, het bloed steeg naar mijn wangen, borsten en geslacht en heel mijn lichaam schreeuwde: HIJ IS HET!!!!! Lieve lezer, zelfs nu ik dit neertyp voel ik hoe mijn lichaam reageert, zo'n zeven jaar na dato.
De verhouding tussen Lottepof en mij was vanaf het begin verziekt. Ik voelde me, met mijn grote moreel besef, schuldig. Verliefd zijn op iemand die al bezet is, dat hoort niet. Tegelijkertijd kon ik niet tegenhouden wat mijn lichaam doormaakte. Hoe kon iets wat zo fantastisch aanvoelde zo fout zijn? Tot op de dag van vandaag weet ik niet hoe hij dit ervoer, maar ik had het idee dat hij het wel leuk vond, mij, de puber, totaal van slag te zien raken door zijn komst. Volgens mij lachte hij me toe en uit. Ik flirtte niet eens met hem, dat ging niet, want ik kon geen woord uitbrengen, druk als ik was met niet flauwvallen. Het was adoratie in alle onschuld. Lottepof vond het beduidend minder leuk. Mijn sympathie lag, vanuit mijn kinderlijkheid, nog altijd bij haar, hoewel ze me nooit groette en ook niet leuk tegen me deed. Als ik in de paskamer naden hoorde kraken kuchte ik zelfs voor haar. Immers, ik vond hem leuk, en zij was zijn vriendin. Ze verdiende dus het voordeel van de twijfel. En ik deed mijn best om hem niet leuk te vinden. Ik probeerde van alles; ik heb hem zelfs genegeerd, uit schuldgevoel. Daar heb ik nu spijt van, maar ik vond dat ik loyaal moest zijn aan haar.
Tot het moment dat ze me uitschold op straat. Ik liep met mijn broertje, die toen al langer was dan ik, en voor het ongeoefend oog misschien ook mijn vriendje had kunnen zijn, over de Langestraat, toen ik haar zag. Haar volle figuur – ze was een SpongeBob/Bitterbal op stokjes – in een zwarte broek (aha!) en witte blouse. Ik concludeerde dat ze serveerster was. Haar gezelschap was hetzelfde gekleed. Voor een groet ben ik nooit te beroerd, mits ik je op tijd herken. Bij Lottepof was dat laatste geen punt. Ik lachte al een beetje, ik 'kende' haar immers.
Ze liep vlak langs me, keek me vuil aan en siste: 'Bitch!'
Ik was verbijsterd. Ik was gekwetst. Ik was verbaasd, en ik besefte toen pas echt dat ze me als een bedreiging zag. Ik schatte haar een jaar of dertig, en als ze regelmatig samen winkelden, dan zou het met de relatie wel snor zitten. Als ik zo oud zou zijn, een vriendje zou hebben en een net-puber zou helemaal van slag raken, zou ik dat schattig vinden, en het hem gunnen. Of in het ergste geval hem niet meer meenemen naar de winkel. Maar dit... Lottepof liet zich zo wel vreselijk kennen. Toegegeven, ik mocht dan in ontwikkeling zijn, mijn lichaam was beter, (toen al!) mijn haar mooier, mijn blik intelligenter en ik was jonger. Maar zij had hem, en het kwam niet echt bij me op om daar tussen te gaan zitten, ofzo. Ik zou niet weten hoe, bovendien is dat mijn eer te na.
Ik ging studeren, verhuisde en nam ontslag. Ik dacht hem nog één keer te zien op het station, maar het was donker, ik was dronken en ik heb hem niet zien lopen. Inmiddels zijn we zo'n zeven jaar verder en ik zou Scheve Been dolgraag weer eens zien. Om te kijken of hij nog altijd diezelfde magische aantrekkingskracht op me uitoefent, of dat het een eigen leven is gaan leiden in mijn hopende, puberale, van hormonen gierende lichaam en geest. Om te kijken of hij single is, wat ik voor ons beiden hoop. Om hem te vragen, wat hij er nou van vond, en wat zijn echte naam is. Om hem te vertellen dat ik echt dacht dat ik van hem hield, al hebben we slechts vier woorden gewisseld. Om hem te vragen of hij in de soulmatestheorie gelooft.
Om hem te vertellen, dat ik wil kijken of ik de zijne ben.
Inmiddels ben ik een hele goede verkoopster. Na een paar jaar daar te hebben gewerkt, weet ik alles van dikke en dunne stoffen, optische slankmakers, snitten, enzovoort. Helaas voor Lottepof kwam zij bij mij op mijn eerste dag. Mijn eerste, nerveuze, beangstigende dag. Haar wens: een zwarte broek. Had ik toen de ervaring gehad die ik nu heb, dan had ik haar gevraagd: netjes of casual? Met liflafjes of strak? Ruimvallend of aansluitend? Kort of lang? In plaats van dit alles sleepte ik naar beste eer en geweten alle zwarte broeken maat 44 en 46 naar beneden, in de hoop dat er iets tussen zat. Dat deed ik blijkbaar niet goed genoeg. Lottepof, die toen nog niet zo heette, keek me vorsend aan. Naast de opwinding die acht keer achter elkaar een trap op en aflopen met zich meebracht, raakte ik ook danig van mijn apropos van Scheve Been, die naast haar stond en grijnsde, en me spottend aankeek met die vreselijk blauwe ogen.
Maar, lieve lezer, misschien begrijpt u nog niet ten volle wat ik bedoel. Ik kon geen adem meer halen als hij naar me keek. Hij bracht bij mij een lichamelijke reactie teweeg waar ik zelf van schrok. Ik was zestien, misschien was het daar hoe dan ook wel tijd voor en was hij slechts aanzwengelaar van een hormonale storm, geen factor. Maar vanaf die eerste ontmoeting viel ik bijna flauw, iedere keer als ik hem zag. En zoals dat gaat, gedroeg ik me ook als een kluns in zijn bijzijn. Ik struikelde, liet dingen vallen, ik heb hem, mon Dieu, zelfs een keer gevraagd of er niets voor hem bij zat. (mind you, in een dameskledingzaak....) Mijn hart klopte wild, het bloed steeg naar mijn wangen, borsten en geslacht en heel mijn lichaam schreeuwde: HIJ IS HET!!!!! Lieve lezer, zelfs nu ik dit neertyp voel ik hoe mijn lichaam reageert, zo'n zeven jaar na dato.
De verhouding tussen Lottepof en mij was vanaf het begin verziekt. Ik voelde me, met mijn grote moreel besef, schuldig. Verliefd zijn op iemand die al bezet is, dat hoort niet. Tegelijkertijd kon ik niet tegenhouden wat mijn lichaam doormaakte. Hoe kon iets wat zo fantastisch aanvoelde zo fout zijn? Tot op de dag van vandaag weet ik niet hoe hij dit ervoer, maar ik had het idee dat hij het wel leuk vond, mij, de puber, totaal van slag te zien raken door zijn komst. Volgens mij lachte hij me toe en uit. Ik flirtte niet eens met hem, dat ging niet, want ik kon geen woord uitbrengen, druk als ik was met niet flauwvallen. Het was adoratie in alle onschuld. Lottepof vond het beduidend minder leuk. Mijn sympathie lag, vanuit mijn kinderlijkheid, nog altijd bij haar, hoewel ze me nooit groette en ook niet leuk tegen me deed. Als ik in de paskamer naden hoorde kraken kuchte ik zelfs voor haar. Immers, ik vond hem leuk, en zij was zijn vriendin. Ze verdiende dus het voordeel van de twijfel. En ik deed mijn best om hem niet leuk te vinden. Ik probeerde van alles; ik heb hem zelfs genegeerd, uit schuldgevoel. Daar heb ik nu spijt van, maar ik vond dat ik loyaal moest zijn aan haar.
Tot het moment dat ze me uitschold op straat. Ik liep met mijn broertje, die toen al langer was dan ik, en voor het ongeoefend oog misschien ook mijn vriendje had kunnen zijn, over de Langestraat, toen ik haar zag. Haar volle figuur – ze was een SpongeBob/Bitterbal op stokjes – in een zwarte broek (aha!) en witte blouse. Ik concludeerde dat ze serveerster was. Haar gezelschap was hetzelfde gekleed. Voor een groet ben ik nooit te beroerd, mits ik je op tijd herken. Bij Lottepof was dat laatste geen punt. Ik lachte al een beetje, ik 'kende' haar immers.
Ze liep vlak langs me, keek me vuil aan en siste: 'Bitch!'
Ik was verbijsterd. Ik was gekwetst. Ik was verbaasd, en ik besefte toen pas echt dat ze me als een bedreiging zag. Ik schatte haar een jaar of dertig, en als ze regelmatig samen winkelden, dan zou het met de relatie wel snor zitten. Als ik zo oud zou zijn, een vriendje zou hebben en een net-puber zou helemaal van slag raken, zou ik dat schattig vinden, en het hem gunnen. Of in het ergste geval hem niet meer meenemen naar de winkel. Maar dit... Lottepof liet zich zo wel vreselijk kennen. Toegegeven, ik mocht dan in ontwikkeling zijn, mijn lichaam was beter, (toen al!) mijn haar mooier, mijn blik intelligenter en ik was jonger. Maar zij had hem, en het kwam niet echt bij me op om daar tussen te gaan zitten, ofzo. Ik zou niet weten hoe, bovendien is dat mijn eer te na.
Ik ging studeren, verhuisde en nam ontslag. Ik dacht hem nog één keer te zien op het station, maar het was donker, ik was dronken en ik heb hem niet zien lopen. Inmiddels zijn we zo'n zeven jaar verder en ik zou Scheve Been dolgraag weer eens zien. Om te kijken of hij nog altijd diezelfde magische aantrekkingskracht op me uitoefent, of dat het een eigen leven is gaan leiden in mijn hopende, puberale, van hormonen gierende lichaam en geest. Om te kijken of hij single is, wat ik voor ons beiden hoop. Om hem te vragen, wat hij er nou van vond, en wat zijn echte naam is. Om hem te vertellen dat ik echt dacht dat ik van hem hield, al hebben we slechts vier woorden gewisseld. Om hem te vragen of hij in de soulmatestheorie gelooft.
Om hem te vertellen, dat ik wil kijken of ik de zijne ben.
Abonneren op:
Posts (Atom)