Leer mij de conducteurs kennen. Eens, toen de Coffee Company net geopend was, zat ik daar koffie te drinken met een vriendinnetje. De tent is relatief lang en smal, zoals veel van die panden aan de gracht. Het was hoogzomer en we zaten lekker te kletsen. Er kwam een man binnen, netjes gekleed, wit overhemd, strakke spijkerbroek, laarzen. (Voor wie het nog niet wist: ik heb een zwak voor mannen met mooi schoeisel.) Verder sloeg ik geen acht op hem, maar wij hadden zijn aandacht wél getrokken. Hij stapte op ons af en vroeg mij of ik een keer iets met hem wilde drinken. Dat wilde ik wel.
Tijdens de date bleek dat hij wat ouder was dan ik dacht (tweeëndertig) en dat hij een zoon had die óók wat ouder was dan ik dacht (Veertien. Ja, u leest het goed.)
Ieder zijn geschiedenis, dáár veroordeelde ik hem niet om. Ik vond het eigenlijk wel geinig, al had ik wel m'n twijfels bij zijn uiterlijk. Onder dat mooie hemd zaten een flink aantal lichaamsbedekkende tatoeages verstopt, waarvan enkele al zichtbaar op zijn armen. Naar de rest kon ik alleen maar gissen, maar het begon al in zijn hals. Daar hij me alleen te drinken en niet ten huwelijk had gevraagd, zag ik echter geen reden om hem direct af te wijzen. En die laarzen werkten in zijn voordeel, natuurlijk.
Hij bleek conducteur. Logisch eigenlijk, want alleen bij de NS nemen ze je nog aan mét lichaamsversieringen als deze. Na een aftandse roos in knop en twee cola bleek dat hij toch vooral erg graag zijn trein in mijn remise wilde rijden, en dat dan liefst herhaaldelijk, tijdens een doelmatige logeerpartij. Ik was niet zo in voor kedeng-kedeng met deze bekladde klojo, dus ik bedankte vriendelijk. We zaten, zogezegd, niet op hetzelfde spoor. Ik kom hem soms nog tegen, en dan knik ik altijd maar. Wat moet je anders...
Zag ik hem, toen ik hollend mijn trein probeerde te halen? Nee. Ik zag wel een groepje conducteurs staan, maar hij was daar niet bij. Rennend bereikte ik mijn perron. Expres hard stommelend spoedde ik mij de roltrap af. De weg naar de trein werd mij versperd door een corpulente man met een nog corpulentere tas. Helaas is het Britse systeem voor roltraplopen niet ingeburgerd in Nederland, alle verf op treden ten spijt. Zachtzinnig en beslist duwde ik hem opzij. Eenmaal beneden bleek dat ik mij voor niets gehaast had: mijn trein was vertraagd. Toen hij eindelijk kwam zeeg ik neer op de eerste de beste bank die ik vinden kon. Knie aan knie met een man op leeftijd, in een vierzitscoupeetje.
De man wenste mij goedenavond. In dat deel van het land waar de trein naar op weg was, is het begroeten van vreemden nog gemeengoed. De man haalde edities van de NRC-next uit zijn tas en legde die naast zich. Vervolgens ging hij in de zaterdageditie van de Volkskrant zitten lezen. Ik wilde hem vragen of hij het NRC van zaterdag had gelezen en of hij ook zo verrast was door wat er op pagina elf van de Wetenschapsbijlage stond, maar ik bedacht me. 'Goedenavond' legitimeert niets, en iedereen heeft het recht op lezen in alle rust. Zonder gepook, hoe semi-intellectueel ook.
In het coupeetje naast ons zaten een man en een meisje van een jaar of zeven. Het meisje droeg laarsjes met hakken, wat ik striking vond voor een zevenjarige, maar ook heel nostalgisch-herkenbaar. Ik bezat ook haklaarsjes op mijn zevende, maar die waren van leer en niet van plastic. Bovendien waren het enkellaarzen met gespen en een ritsje, geen knielaarzen met stretch. Maar ach. Vroeger kon ik mijn moeder herkennen aan het patroon waarmee haar schoenen tikten, schraapten, stokten, klikten. Het verlangen om dat loopgeluid na te doen kan heel groot zijn, zeker als je zeven bent en je voeten niet groot genoeg voor je moeders afdankertjes.
De moeder van het meisje was echter ver te zoeken. De vader was zo drukdoenerig met zijn dochter dat ik hem ervan verdacht een scheidvader te zijn, die het beste had gemaakt van het maandelijkse weekend met zijn kind. De laarzen waren duidelijk vanmiddag aangeschaft, en de tassen naast het meisje op de bank wezen op nog meer materiële verwennerij. Als klap op de vuurpijl werden we nog ongewenst getrakteerd op een zevenjarige-meisjesversie van de WK-hit Waka Waka, die heupschuddend en al op film naar de afwezige moeder werd verstuurd. Blijkbaar was het huwelijk nog intact.
De man tegenover mij zuchtte misprijzend. En terecht. Het was vertederend geweest als het meisje niet zo in your face uitsloverig was geweest. Een liedje zingen is één ding, rondkijken of iedereen je ziet dansen is een tweede. En dan die misselijke vader erbij, die van pure adoratie zijn dure nokiaatje bijna te pletter liet vallen. Yuk.
Ik ging eens bij mijzelf te rade. Mijn vader houdt ook van mij, maar hij was eigenlijk altijd drukker met lol maken met mij dan het vastleggen van die lol. Ik was bovendien niet uitsloverig. Ook wij hebben flink wat winkel- en wandeltripjes achter de rug: kastanjes zoeken, poppetjesslingers knippen, sieraden maken, origamibeesten vouwen, schelpen zoeken, halve Hema-worst eten... Op een gegeven moment lieten mijn ouders een kleed knopen door een kledenmaker ergens bij de Belgische grens. Deze man maakte het kleed knoopje voor knoopje volgens een patroon dat mijn vader graag in het kleed wilde. Af en toe ging hij de vorderingen bekijken en dan ging ik vaak mee, achter in de auto, met mijn lievelingsboek. Eén keertje werd ik onderweg ziek en kotste ik mijzelf en mijn dierbare boek onder. Hij trok mijn kotskleren uit en ik mocht zijn trui aan. De beste terugrit ever, i dare say.
Afijn, ik dwaal af. Het meisje doet haar best om haar vader te behagen, zoals dochters dat kunnen doen. De man naast mij kucht waarschuwend als het meisje haar volume nog een tandje opschroeft en ook aan mijn geduld komt langzaam maar zeker een einde.
Ik heb altijd gezegd dat je kinderen niet mag afrekenen op hun uiterlijk. Feit is wel dat mooie kinderen meer kunnen maken. Dit kind is niet mooi. Goed beschouwd is ze net zo lelijk als haar pa en dat zal alleen maar erger worden. Gelukkig is er tenminste één man die van haar houdt. En het is niet de man tegenover me.
'Pardon,' barst hij uit, het meisje negerend, 'zou u het volume van uw kleine metgezel een beetje in kunnen dammen?' De vader kijkt hem verwonderd aan, gestoord in de adoratie van zijn kind, de sterren in zijn ogen doven. 'Ja, u heeft wel een beetje gelijk. Sienna, hoor je dat? Die meneer naast jou heeft last van jou! Beetje zachtjes doen dus hè?!' Het is me nu duidelijk waar het kind haar uitsloverigheid vandaan heeft. Sienna knikt gedwee en klikt vervolgens stoïcijns haar hakken tegen elkaar, terwijl ze in haar adem op het raam tekent. Nu voel ik met beide partijen mee, ondanks mijn eerdere ergernis. Maar er komen voor Sienna nog genoeg gelegenheden om haar creativiteit in de vrije loop te laten. Straks bijvoorbeeld, als ze aan haar moeder alle versverworven kleren laat zien. Ze pruilt niet eens, haar kleine hersens alweer druk bezig met andere zaken.
De vijftiger zoekt mijn goedkeurende blik, die ik hem, halfgemeend, gun. Nauwelijks merkbaar knikken wij naar elkaar. Uiteindelijk wint mijn volwassenheid het van de nostalgie: de leeftijdsband is sterker dan die van de vagijn. Ik wil me niet eens identificeren met dit veel te drukke, slierterige kind, hoe aandoenlijk haar zelfvertrouwen ook is.
De vijftiger bromt zachtjes tegen mij: 'Er worden hier treinkaartjes geknipt, geen circuskaartjes!' Ik reageer niet, ik heb net zo weinig met knorrige vijftigers als met slierterige zevenjarigen. In zelfovertuiging doen ze in ieder geval niet voor elkaar onder. Tegenover mij zit een sikkeneurige clown, naast mij een danseres in spé. Nu nog een zebra en de act is compleet...
donderdag 21 oktober 2010
dinsdag 19 oktober 2010
Hof
Zondag is voor mij een opkalefaterdag. Ik begin met een spinninglesje en daarna drink ik koffie en lees ik de krant, terwijl een avocadomasker mijn porien reinigt en Royal Jelly mijn haar verzorgt, de hele dag lang. Afgelopen zondag stond er echter nog een verjaardag op de planning, dus mijn schoonheidsrituelen moesten even in de derde versnelling worden gezet. Toen slechts een handdoek om mijn haar nog bewees dat ik het gewassen had, werd er aangebeld.
Ja, ik heb scrupules om de deur open te doen met een handdoek om mijn haar, maar ik verwachtte dat het vriendin N. was, die mijn handdoek en make-uploze want net gezuiverde porem wel zou begrijpen. Ik deed de deur open, maar ze stond er niet.
Voorzichtig stak ik mijn hoofd om de hoek, en ik zag een man staan in een oranjeachtig shirt en een plastic mapje met een papier erin. Hij was een jaar of dertig, en leek vertwijfeld. Ik dacht hij verdwaald was: het papiertje was vast een routebeschrijving. Hij keek aarzelend maar zeer aandachtig naar me. Ik vroeg hem: 'Kan ik je helpen?' Hij kwam dichterbij en zei: 'Niet schrikken, niet schrikken. Je moet niet schrikken, hoor, maar ik heb iets voor je.' In het mapje bleek een brief te zitten, die hij aan mij gaf. Aan: Flower Black Bike. Hij sprak met rustige, zachte stem, drong zich niet op, zag er netjes uit. Als hij mij een brief wilde geven, wilde ik die best lezen. Waarom ook niet: ik maak wel vreemdere dingen mee. Uit zijn shirt stak een kettinkje met zijn naam en onwillekeurig moest ik aan Carry Bradshaw denken. Plotseling werd ik me weer bewust van de handdoek op mijn hoofd en het bloed steeg naar mijn wangen. 'Wel, je treft me op een goed moment,' bracht ik schaapachtig uit. 'Oh, nee, dat geeft niet, dat geeft niet. Je ziet er heel fris uit.... Ben je Spaans? Braziliaans dan?' We kletsten heel even maar ik was wel een beetje van mijn apropos en had haast, dus ik beloofde hem de brief te lezen en nam afscheid.
In de trein op weg naar de verjaardag opende ik de brief. Het was een nette envelop, groot, schoon en wit. De brief was al even onberispelijk: handgeschreven, vol zorg en aandacht opgesteld.
Lieve lezer, ik dacht dat hoofse liefde een stille dood was gestorven, maar niets is minder waar. Omwille van de romantiek zal ik 'm hier neertypen:
[...], 15 oktober 2010.
Hallo there, alles kids?
Hai Flower, toen ik je zag voor het eerst voor de deur zag staan, had ik gelijk kriebel in mijn buik. Het was toen in de zomer, met een mooi weer. Het was july. Mijn hart ging tekeer en klopte zo snel. Je hebt me zo snel in mijn hart geraakt. Ik verlang toen om jouw nog een keer te zien. Ik zag jouw voor de tweede keer op vrijdag 15 oktober 2010 om 12.40.
Ik wil alleen mijn gevoelens voor je uiten. Maar wel niet overdreven.
Je bent zo mooi en prachtig om naar te kijken. Ik wil zo gouw bevriend met je zijn.
Ik zou je trateren als een roze bloem. Je hoeft niet bang voor te zijn, want ik ben een gewoone rustige jonge. Half Spaans, Half Antilliaans. Ik weet nog niet hoe je heet. Ik heb alleen een naam verzonnen. (Flower)
Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets. (Black Bike) Ik denk zelf dat je een kleinbeetje op me lijkt. Ik woon 2 minuten van je huis. […] Je mag ook voor de deur komen of sms'en. Stel me niet teleur. Niet lang duren!! […]
Wauw. Ik was even sprakeloos. Inderdaad, ik had op de vijftiende naar iemand teruggezwaaid die zijn hand bedeesd opstak. Blijkbaar heeft hij dat als een fiat voor hofmakerij opgevat. Schattig.
Aan de ene kant vind ik het licht beangstigend dat hij weet waar ik woon. Aan de andere kant komt hij uit de brief niet naar voren als een obsessieveling met verrekijker. Ik wil gewoon mijn gevoelens voor je uiten. Maar wel niet overdreven. Al was die opmerking over onze tweede 'ontmoeting' wel wat al te gedetailleerd, ik heb zijn adres óók. Hoe dan ook vind ik de brief heel vertederend, en al die spelfouten dragen daar aan bij. Je bent zo mooi en prachtig om naar te kijken. […] Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets. Hoe hoofs wil je het hebben?
Ik vraag me af, waar hij vandaan komt. De opbouw van zijn zinnen en zijn spelfouten maken dat ik denk dat hij het Nederlands in schrift niet machtig is. Hij sprak echter accentloos en vlot. Hij brengt de oriëntalist in mij naar boven, ik geeft het toe. Maar nu ik weet wat er in de brief staat, is mijn nieuwsgierigheid stiekem wel gewekt. Ik kan hem niet plaatsen. Hij is zo op 't eerste gezicht mijn type niet en als taalpurist verbind ik allerlei conclusies aan zijn brief (met als belangrijkste dat hij vast laagopgeleid is, en het subtiele gouden randje om zijn tand werkt daar aan mee) terwijl dat on-Nederlandse taalgebruik net zo goed veroorzaakt kan zijn door zijn mogelijk Spaanse dan wel Antilliaanse opvoeding. Toch zijn er foutjes die zelfs daardoor niet verklaard worden. Bovendien is dat mijn invulling: misschien is hij geboren en getogen in Makkum uit twee migrante ouders.
Zijn bedoeling is zeker duidelijk, en hij heeft ook rekening gehouden met het verrassingselement van de brief. Je hoeft niet bang voor te zijn, want ik ben een gewoone rustige jonge. Hij is onthutsend openhartig, en ook daarvan weet ik niet wat ik ervan zeggen moet. Die eerlijkheid is bijna kinderlijk, en tegelijkertijd heel doelgericht. Was hij echt dóm of een beetje achterlijk, dan was de brief toch minder genuanceerd geweest. (op dat laatste, bijna dreigende Stel me niet teleur. Niet lang duren!! na dan.)
Hij heeft het voor elkaar: ik ben geïntrigeerd.
Hoewel ik niet op zijn vriendschap zit te wachten zal ik hem een brief terug schrijven, handgeschreven, op een onberispelijk blocnotevelletje. Ik denk al een nachtje na over wat ik erop ga zetten en hoe. Buiten kijf staat dat mijn romantische gemoed dit wel heel leuk vindt! Het vereist moed en lef om zoiets te doen, en dat is alvast bewonderenswaardig.
Zo'n hoofse liefdesbrief op zondag, daar wil ik er iedere week wel eentje van. :-)
Ja, ik heb scrupules om de deur open te doen met een handdoek om mijn haar, maar ik verwachtte dat het vriendin N. was, die mijn handdoek en make-uploze want net gezuiverde porem wel zou begrijpen. Ik deed de deur open, maar ze stond er niet.
Voorzichtig stak ik mijn hoofd om de hoek, en ik zag een man staan in een oranjeachtig shirt en een plastic mapje met een papier erin. Hij was een jaar of dertig, en leek vertwijfeld. Ik dacht hij verdwaald was: het papiertje was vast een routebeschrijving. Hij keek aarzelend maar zeer aandachtig naar me. Ik vroeg hem: 'Kan ik je helpen?' Hij kwam dichterbij en zei: 'Niet schrikken, niet schrikken. Je moet niet schrikken, hoor, maar ik heb iets voor je.' In het mapje bleek een brief te zitten, die hij aan mij gaf. Aan: Flower Black Bike. Hij sprak met rustige, zachte stem, drong zich niet op, zag er netjes uit. Als hij mij een brief wilde geven, wilde ik die best lezen. Waarom ook niet: ik maak wel vreemdere dingen mee. Uit zijn shirt stak een kettinkje met zijn naam en onwillekeurig moest ik aan Carry Bradshaw denken. Plotseling werd ik me weer bewust van de handdoek op mijn hoofd en het bloed steeg naar mijn wangen. 'Wel, je treft me op een goed moment,' bracht ik schaapachtig uit. 'Oh, nee, dat geeft niet, dat geeft niet. Je ziet er heel fris uit.... Ben je Spaans? Braziliaans dan?' We kletsten heel even maar ik was wel een beetje van mijn apropos en had haast, dus ik beloofde hem de brief te lezen en nam afscheid.
In de trein op weg naar de verjaardag opende ik de brief. Het was een nette envelop, groot, schoon en wit. De brief was al even onberispelijk: handgeschreven, vol zorg en aandacht opgesteld.
Lieve lezer, ik dacht dat hoofse liefde een stille dood was gestorven, maar niets is minder waar. Omwille van de romantiek zal ik 'm hier neertypen:
[...], 15 oktober 2010.
Hallo there, alles kids?
Hai Flower, toen ik je zag voor het eerst voor de deur zag staan, had ik gelijk kriebel in mijn buik. Het was toen in de zomer, met een mooi weer. Het was july. Mijn hart ging tekeer en klopte zo snel. Je hebt me zo snel in mijn hart geraakt. Ik verlang toen om jouw nog een keer te zien. Ik zag jouw voor de tweede keer op vrijdag 15 oktober 2010 om 12.40.
Ik wil alleen mijn gevoelens voor je uiten. Maar wel niet overdreven.
Je bent zo mooi en prachtig om naar te kijken. Ik wil zo gouw bevriend met je zijn.
Ik zou je trateren als een roze bloem. Je hoeft niet bang voor te zijn, want ik ben een gewoone rustige jonge. Half Spaans, Half Antilliaans. Ik weet nog niet hoe je heet. Ik heb alleen een naam verzonnen. (Flower)
Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets. (Black Bike) Ik denk zelf dat je een kleinbeetje op me lijkt. Ik woon 2 minuten van je huis. […] Je mag ook voor de deur komen of sms'en. Stel me niet teleur. Niet lang duren!! […]
Wauw. Ik was even sprakeloos. Inderdaad, ik had op de vijftiende naar iemand teruggezwaaid die zijn hand bedeesd opstak. Blijkbaar heeft hij dat als een fiat voor hofmakerij opgevat. Schattig.
Aan de ene kant vind ik het licht beangstigend dat hij weet waar ik woon. Aan de andere kant komt hij uit de brief niet naar voren als een obsessieveling met verrekijker. Ik wil gewoon mijn gevoelens voor je uiten. Maar wel niet overdreven. Al was die opmerking over onze tweede 'ontmoeting' wel wat al te gedetailleerd, ik heb zijn adres óók. Hoe dan ook vind ik de brief heel vertederend, en al die spelfouten dragen daar aan bij. Je bent zo mooi en prachtig om naar te kijken. […] Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets. Hoe hoofs wil je het hebben?
Ik vraag me af, waar hij vandaan komt. De opbouw van zijn zinnen en zijn spelfouten maken dat ik denk dat hij het Nederlands in schrift niet machtig is. Hij sprak echter accentloos en vlot. Hij brengt de oriëntalist in mij naar boven, ik geeft het toe. Maar nu ik weet wat er in de brief staat, is mijn nieuwsgierigheid stiekem wel gewekt. Ik kan hem niet plaatsen. Hij is zo op 't eerste gezicht mijn type niet en als taalpurist verbind ik allerlei conclusies aan zijn brief (met als belangrijkste dat hij vast laagopgeleid is, en het subtiele gouden randje om zijn tand werkt daar aan mee) terwijl dat on-Nederlandse taalgebruik net zo goed veroorzaakt kan zijn door zijn mogelijk Spaanse dan wel Antilliaanse opvoeding. Toch zijn er foutjes die zelfs daardoor niet verklaard worden. Bovendien is dat mijn invulling: misschien is hij geboren en getogen in Makkum uit twee migrante ouders.
Zijn bedoeling is zeker duidelijk, en hij heeft ook rekening gehouden met het verrassingselement van de brief. Je hoeft niet bang voor te zijn, want ik ben een gewoone rustige jonge. Hij is onthutsend openhartig, en ook daarvan weet ik niet wat ik ervan zeggen moet. Die eerlijkheid is bijna kinderlijk, en tegelijkertijd heel doelgericht. Was hij echt dóm of een beetje achterlijk, dan was de brief toch minder genuanceerd geweest. (op dat laatste, bijna dreigende Stel me niet teleur. Niet lang duren!! na dan.)
Hij heeft het voor elkaar: ik ben geïntrigeerd.
Hoewel ik niet op zijn vriendschap zit te wachten zal ik hem een brief terug schrijven, handgeschreven, op een onberispelijk blocnotevelletje. Ik denk al een nachtje na over wat ik erop ga zetten en hoe. Buiten kijf staat dat mijn romantische gemoed dit wel heel leuk vindt! Het vereist moed en lef om zoiets te doen, en dat is alvast bewonderenswaardig.
Zo'n hoofse liefdesbrief op zondag, daar wil ik er iedere week wel eentje van. :-)
Abonneren op:
Posts (Atom)