We komen allemaal wel eens iemand tegen die wel kennen, maar waarvan we niet meer weten hoe of waarvan. Als ex-student kom ik bijvoorbeeld mensen in de stad tegen waar ik anderhalf jaar geleden twaalf dinsdagochtenden mee heb doorgebracht. Ook kom ik weleens mensen uit mijn sportschool tegen in de stad, of klanten uit de winkel waar ik werk op een concert of in de supermarkt. Ik ken ze niet altijd, maar herken ze wel, en pijnig mijn hersens om te bedenken waarvan, zodat ik een klefheidsanalyse kan maken.
Nu ben ik graag hartelijk. Het gevolg is dat ik soms mensen die ik nauwelijks ken heel enthousiast groet. Dat geeft niet – je kunt in mijn opinie beter hartelijk doen dan nors – maar het levert soms rare situaties op. Ik heb weleens een kop thee gedronken met iemand die ik drie jaar daarvoor was tegengekomen bij een bushalte in een andere stad. Ik heb weleens aan een vrouw gevraagd hoe het met haar leven ging, terwijl ik alleen maar naast haar had gezeten in de wachtruimte van Burgerzaken en ik me toen bijzonder ergerde aan haar harde telefoongesprekken. (Ik wist zodoende al het een en ander over haar leven – u kunt zich de verwarring vast voorstellen.) Ik ben weleens op date geweest met een neef van de stiefbroer van het ex-vriendje van een oude schoolvriendin die ik ooit op een feestje had gezien.
Even zo vaak kom ik mensen tegen die ik niet wil kennen, en daarom ook niet wil groeten. Meeliftende groepsgenoten, mensen die niet lekker ruiken maar toch graag dichtbij komen, of personen die ik helemaal niet ken maar die daar zelf maar al te graag verandering in willen brengen.
Als het welopgevoede en wat dorpse meisje dat ik ben, groet ik dan maar. Het haalt immers niets van me weg, het bevestigt (vaak achteraf) alleen de zekerheid dat ik niet zit te wachten op contact. Maar zolang het bij groeten blijft, kom ik er er wel overheen. Ik ben zo vreselijk beleefd dat ik me soms conformeer in het valse offer, om er maar vanaf te zijn. Ik ben namelijk liever te beleefd dan lafjes, al helpt dat me dus niet.
Toch vind ik mijn oplossing menslievender dan de grimlach. Voor u die er nog nooit een heeft gezien of gemaakt zal ik een klein stappenplan opstellen.
Trek uw onderlip tot over uw boventanden op en houdt hierbij uw mond vanzelfsprekend gesloten - pers uw lippen op elkaar en krul ze naar binnen. Zorg dat er geen sprankje vreugd of empathie in uw blik te lezen is. Knipper langzaam en nadrukkelijk één keer met uw ogen, een blik die het midden houdt tussen ja, ik begrijp het en zó jammer, dit, jij. Houdt de scheidslijn hiertussen bewust onduidelijk. Zó ja, goed zo. Trek nu uw mondhoeken een stukje omhoog, alsof u glimlacht. Voila: de grimlach.
Van veraf ziet dit eruit als een glimlach, van iets dichterbij als de derde dag Avondvierdaagse in te krappe schoenen en van groetafstand straalt deze blik precies de juiste ambiguïteit uit: ik ken je niet vaag genoeg om je te negeren, maar vaag genoeg om geen hallo te willen zeggen...
U heeft in uw eigen omgeving vast wat grimlachers. De buurman die u al zeven keer bent tegengekomen in het portiek terwijl het pas dinsdag is. Met een grimlach paraat maakt hij zich schielijk uit de voeten, beducht op nog een uur gangpadconversatie. De buurvrouw die haar spaniel in uw tuin heeft laten poepen – ze trekt haar hond vlug weg als ze uw auto de oprit op ziet rijden en in de glimp die u van haar opvangt ziet u nog net een opgekrulde mondhoek. Die collega van drie werkplekken geleden wiens naam u niet meer weet – en hij de uwe evenmin.
Al zou er zonder schuld natuurlijk geen boete of zonder lafheid geen heldenmoed bestaan. En het draait om schuld, lieve lezer, het groter wordende schuldbesef waar de schenker van de grim zich terdege van bewust is. Vandaar ook dat vertrokken gezicht; een terecht lastige plooi, want bewust je sociale verantwoordelijkheid ontlopen terwijl je beter weet is nog best moeilijk.
Ik heb het tot nu toe slechts gehad over de grimlach in ontmoetingen met vage kennissen, maar er is nog een tweede soort grimlachsituatie; die waarin de ontvanger donders goed weet dat er iets niet pluis is, en het desondanks toch doorzet.
Ik heb het over het schattige omaatje dat bij je in de buscoupé zit, terwijl het plotseling vreselijk naar methaangas begint te meuren. De moeder die haar krijsende kleuter meeneemt naar de bibliotheektafel waaraan jij aan het studeren bent. De bestuurder van de auto voor je, die je al bellend de weg afsnijdt en tegenstrijdige signalen afgeeft. Op dat moment kun je bijna niet anders dan je verlies kenbaar maken met een je weet dat ik hier onder protest mee akkoord moet-blik, subliem samengevat in de grimlach.
(Overigens is deze blik nauw verwant aan het constipatiegezicht; het gezicht dat schoenverkopers opzetten als ze je vertellen dat je maat niet meer voorradig is.)
Nu liggen beleefdheid en eerlijkheid in mijn opinie in elkaars verlengde. U kent mij langer dan vandaag; ik hecht veel waarde aan goede omgangsvormen en de grimlach is mij daarom een doorn in het glanzend helderbruine oog. Hallo, hoi of een knik doen geen pijn. Daarbij sta ik zelf vaak genoeg aan de grimlachzijde – al heb ik er nog nooit een weggegeven, ik ken de drang. Maar er zijn betere en beleefdere oplossingen dan de grimlach, die van elk greintje standvastigheid en hoffelijkheid gespeend is. De grimlach – die voor netnietkennissen – is het ultieme symbool van slangigheid, lafheid en andere laag-bij-de-grondse waarden.
Daarnaast is de grimlach slechts een middel tot uitstel; gewoon hoi zeggen of juist helemaal niets zeggen maakt, als het om ontmoetingen gaat, voorgoed een eind aan het probleem van de netniet-kennis. Zoals gezegd: ik verkies te lief zijn boven te suf zijn en bovendien wil ik mensen die in het grimlachgebied vallen vaak helemaal niet kennen en daarom ook niet groeten.
(Gebeurt niet snel of vaak, maar soms...)
Mijn oproep? Blok de laffe begroeting net zo hard als de slappe hand, de dubbele ontkenning en de valse besluiteloosheid. Kies een kamp, beken kleur. Groet met je hart en negeer met verve; de keus is aan jou. Maar doe iets, doe iets! Zoals een oom van mij placht te zeggen: wees een man, net als je moeder. Dat je je neus niet de lucht in wilt steken is prima, maar doe dan ook niet alsof hij bloedt.
woensdag 25 april 2012
dinsdag 17 april 2012
(Uit)(ge)(lezen)
Al maanden twijfel ik over de aanschaf van een e-reader. Over het algemeen ben ik niet zo'n koper van het eerste uur: ik hecht vrijwel geen waarde aan het gevoel de eerste te zijn en zelfs voor kleine dingen wacht ik liever eerst de kinderziektenbestrijding, prijsverlaging en eerste innovaties af. Het is eigenlijk nooit voorgekomen dat ik een gadget als eerste bezat – en evenmin heb ik dat ooit betreurd.
Ik logenstraf mijn luxeverlangen naar dit apparaat door mijzelf te vertellen dat ik, als literatuurwetenschapper, niet zonder kan. Er is geen dringende reden om mijn leesroutine in inkt en papier aan te vullen met een schermpje van driehonderd euro. Heb ik 'm nodig? Om met de woorden van die fronsfransoos uit de renault-reclame te spreken: non, mais je le veux.
Gelukkig hoeven e-readers helemaal geen driehonderd euro meer te kosten. Dat maakt de keus niet makkelijker. Naar de verhouding tussen kwaliteit en prijs kan ik met zoveel keus nu alleen nog maar gissen. Ik wil graag een e-reader met een groot scherm, lange accutijd en veel ruimte voor boeken. Het scherm is echter het belangrijkst – ik ben migrainegevoelig en wil mijzelf geen bril lezen. De belangrijkste vraag blijf echter: ga ik 'm echt gebruiken, zolang het alternatief nog voorhanden is?
Want ondanks het vermoedelijke gebruiksgemak (lezen in de sportschool, geen uitgescheurde tassen meer, geen nieuwe boekenkasten meer nodig...) heeft het papieren boek ook zo haar charme. Talloze boeken heb ik gelezen achter in de auto op weg naar familie, vakantie of het winkelcentrum. Alleen op de wereld, Schateiland met Spitting Image-plaatjes, Robinson Crusoe, Grimms sprookjes, Gullivers Reizen, De reis om de wereld in 80 dagen, Paul Biegel, Thea Beckman, De Moeder van David S., Alleen gekken blijven (en tien jaar later daarom Nana) en romans waar ik eigenlijk veel te jong voor was: Het fortuin van Roquentin, De Man die Op Aarde Viel, De Triffids Komen, Liefde in tijden van Cholera, De Vingerafdrukken van Brahma en massa's, massa's science-fiction pockets uit datzelfde tijdvak.
Ursula K. le Guin, Phillip K. Dick, Wim Gijsen, Roger Zelazny, Isaac Asimov, Robert Heinlein, Tanith Lee. Ze maakten dat ik fantaseerde over mannen die leken op hoe ik me Phileas Fogg voorstelde, bad dat David Bowie in mijn tuin zou vallen en zorgden dat ik tijden lang blikjes met cake en tamme kastanjes in diezelfde tuin begroef, voor als de Triffids onverhoopt langs mochten komen. Ook de plek van de tuinschaar had ik paraat in mijn geheugen.
Ondanks de sciencefiction- insteek (mens tegen de wereld, tijdschaarste en dreiging van onaardse entiteit) zat er in vrijwel alle verhalen een element van menselijke relaties (man verslaat het beest en krijgt de prinses) en de hoofdrolspelers waren altijd mensen of mensachtigen (twee benen, twee ogen, een verstand en het vermogen tot empathie). Weliswaar soms in parallelle universa – groen bloed, veelwijverij of alwetende baby's – maar dat maakte het alleen maar leuker.
En het waren allemaal goedkope paperbacks, genummerde Elsevierpockets met stereotype omslagen gemaakt door lamlendige, onderbetaalde tekenaars. In de seventies was verzamelen nog heel erg in. Zodoende. Het papier leek op papier waar ik later proefwerken op schreef en wat bij sommige mensen op het toilet hing en de kleuren van het omslag waren quasi-mysterieus: verwelkte bloemen in mistroostig roze, pastelgroene woestijnen met stukjes skelet, oranjebruine zonsondergangen en stoer kijkende krijgers met bonten beenkappen, kohl rond de ogen, wapperend haar en klemarmbanden. Heerlijk.
Dát is dus wat ik zal missen, verhalen van exact tweehonderdvijftig pagina's waarin deze wereld of een andere weer eens wordt gered. De boeken die ik zo gretig verslond zijn digitaal waarschijnlijk niet meer te krijgen en de charme pakt mij vast niet meer zo erg als toen.
Ik koester mijn onschuldige mythes graag, echter niet ten koste van mijn rug. Maar hoewel het nostalgie-argument evenveel waard is als de juwelenkist van een kippige zigeunerin zie je van veraf genoeg het verschil niet. Goed plastic is niet lelijk, dat wisten ze in de seventies óók.
Het is jammer dat ik geen e-reader had toen ik student was en wekelijks twee a drie boeken moest lezen – dan had ik het kunnen opvoeren als noodzaak. Aan de andere kant is een e-reader nooit noodzaak. Net zo min als het redden van een prinses dat is. Ze zou namelijk weleens een vleesetende plant kunnen zijn, die je beenmerg 's nachts met smaak verorbert – via je neusgat.
Afijn, ik dwaal af. Af en toe laait de discussie – want dat is het! – over papier versus e-ink weer op. Zo hoorde ik laatst een vrouw kraaien dat ze liever van papier las. Omdat dat minder pijn aan haar ogen gaf dan lezen van een scherm? Nee. Omdat ze überhaupt weinig las? Neen. Ze kweelde, en ik verzin dit niet, dat ze liever 'echte boeken' las, 'omdat ze de lijm zo lekker vond ruiken...!' Een en ander ging vergezeld van gebaren met handen en een aanzienlijke neus die zinnelijk niet-bestaande geur opsnoof.
Wát een crap. Als je zo van lijmsnuiven houdt, zijn er goedkopere en rendabeler oplossingen dan het kopen van boeken. Dat weet iedere kleuter. Zij eten het zelfs.
Het punt is dat de e-reader is statussymbool is, net zoals het hebben van een imposante boekenkast dat is. Veel boeken hébben – veel boeken ten toon kunnen stellen – betekent dat je belezen bent, wat betekent dat je een intellectueel bent, wat veel mensen erg wenselijk vinden. Een e-reader is echter duur en daarom net zo hard een statussymbool. Dat is, marketingtechnisch, heel slim. Het laat zich lezen als een slogan. E-reader. Voor de Intellectueel die Kennis met zich Meedraagt....
Lieve lezer, ik weet niet of ik zou kunnen wennen aan een e-reader, maar zolang het alternatief nog blijft bestaan, maak ik me niet al teveel zorgen. Hopelijk verdwijnen naast boerenbont, mauvekleurige wandtegels en vettige typografie ook de zilvervisjes achter de met bloemen bedrukte corduroy gordijnen. Wat dat betreft is de e-reader dan wél weer een uitgelezen oplossing.
Ik logenstraf mijn luxeverlangen naar dit apparaat door mijzelf te vertellen dat ik, als literatuurwetenschapper, niet zonder kan. Er is geen dringende reden om mijn leesroutine in inkt en papier aan te vullen met een schermpje van driehonderd euro. Heb ik 'm nodig? Om met de woorden van die fronsfransoos uit de renault-reclame te spreken: non, mais je le veux.
Gelukkig hoeven e-readers helemaal geen driehonderd euro meer te kosten. Dat maakt de keus niet makkelijker. Naar de verhouding tussen kwaliteit en prijs kan ik met zoveel keus nu alleen nog maar gissen. Ik wil graag een e-reader met een groot scherm, lange accutijd en veel ruimte voor boeken. Het scherm is echter het belangrijkst – ik ben migrainegevoelig en wil mijzelf geen bril lezen. De belangrijkste vraag blijf echter: ga ik 'm echt gebruiken, zolang het alternatief nog voorhanden is?
Want ondanks het vermoedelijke gebruiksgemak (lezen in de sportschool, geen uitgescheurde tassen meer, geen nieuwe boekenkasten meer nodig...) heeft het papieren boek ook zo haar charme. Talloze boeken heb ik gelezen achter in de auto op weg naar familie, vakantie of het winkelcentrum. Alleen op de wereld, Schateiland met Spitting Image-plaatjes, Robinson Crusoe, Grimms sprookjes, Gullivers Reizen, De reis om de wereld in 80 dagen, Paul Biegel, Thea Beckman, De Moeder van David S., Alleen gekken blijven (en tien jaar later daarom Nana) en romans waar ik eigenlijk veel te jong voor was: Het fortuin van Roquentin, De Man die Op Aarde Viel, De Triffids Komen, Liefde in tijden van Cholera, De Vingerafdrukken van Brahma en massa's, massa's science-fiction pockets uit datzelfde tijdvak.
Ursula K. le Guin, Phillip K. Dick, Wim Gijsen, Roger Zelazny, Isaac Asimov, Robert Heinlein, Tanith Lee. Ze maakten dat ik fantaseerde over mannen die leken op hoe ik me Phileas Fogg voorstelde, bad dat David Bowie in mijn tuin zou vallen en zorgden dat ik tijden lang blikjes met cake en tamme kastanjes in diezelfde tuin begroef, voor als de Triffids onverhoopt langs mochten komen. Ook de plek van de tuinschaar had ik paraat in mijn geheugen.
Ondanks de sciencefiction- insteek (mens tegen de wereld, tijdschaarste en dreiging van onaardse entiteit) zat er in vrijwel alle verhalen een element van menselijke relaties (man verslaat het beest en krijgt de prinses) en de hoofdrolspelers waren altijd mensen of mensachtigen (twee benen, twee ogen, een verstand en het vermogen tot empathie). Weliswaar soms in parallelle universa – groen bloed, veelwijverij of alwetende baby's – maar dat maakte het alleen maar leuker.
En het waren allemaal goedkope paperbacks, genummerde Elsevierpockets met stereotype omslagen gemaakt door lamlendige, onderbetaalde tekenaars. In de seventies was verzamelen nog heel erg in. Zodoende. Het papier leek op papier waar ik later proefwerken op schreef en wat bij sommige mensen op het toilet hing en de kleuren van het omslag waren quasi-mysterieus: verwelkte bloemen in mistroostig roze, pastelgroene woestijnen met stukjes skelet, oranjebruine zonsondergangen en stoer kijkende krijgers met bonten beenkappen, kohl rond de ogen, wapperend haar en klemarmbanden. Heerlijk.
Dát is dus wat ik zal missen, verhalen van exact tweehonderdvijftig pagina's waarin deze wereld of een andere weer eens wordt gered. De boeken die ik zo gretig verslond zijn digitaal waarschijnlijk niet meer te krijgen en de charme pakt mij vast niet meer zo erg als toen.
Ik koester mijn onschuldige mythes graag, echter niet ten koste van mijn rug. Maar hoewel het nostalgie-argument evenveel waard is als de juwelenkist van een kippige zigeunerin zie je van veraf genoeg het verschil niet. Goed plastic is niet lelijk, dat wisten ze in de seventies óók.
Het is jammer dat ik geen e-reader had toen ik student was en wekelijks twee a drie boeken moest lezen – dan had ik het kunnen opvoeren als noodzaak. Aan de andere kant is een e-reader nooit noodzaak. Net zo min als het redden van een prinses dat is. Ze zou namelijk weleens een vleesetende plant kunnen zijn, die je beenmerg 's nachts met smaak verorbert – via je neusgat.
Afijn, ik dwaal af. Af en toe laait de discussie – want dat is het! – over papier versus e-ink weer op. Zo hoorde ik laatst een vrouw kraaien dat ze liever van papier las. Omdat dat minder pijn aan haar ogen gaf dan lezen van een scherm? Nee. Omdat ze überhaupt weinig las? Neen. Ze kweelde, en ik verzin dit niet, dat ze liever 'echte boeken' las, 'omdat ze de lijm zo lekker vond ruiken...!' Een en ander ging vergezeld van gebaren met handen en een aanzienlijke neus die zinnelijk niet-bestaande geur opsnoof.
Wát een crap. Als je zo van lijmsnuiven houdt, zijn er goedkopere en rendabeler oplossingen dan het kopen van boeken. Dat weet iedere kleuter. Zij eten het zelfs.
Het punt is dat de e-reader is statussymbool is, net zoals het hebben van een imposante boekenkast dat is. Veel boeken hébben – veel boeken ten toon kunnen stellen – betekent dat je belezen bent, wat betekent dat je een intellectueel bent, wat veel mensen erg wenselijk vinden. Een e-reader is echter duur en daarom net zo hard een statussymbool. Dat is, marketingtechnisch, heel slim. Het laat zich lezen als een slogan. E-reader. Voor de Intellectueel die Kennis met zich Meedraagt....
Lieve lezer, ik weet niet of ik zou kunnen wennen aan een e-reader, maar zolang het alternatief nog blijft bestaan, maak ik me niet al teveel zorgen. Hopelijk verdwijnen naast boerenbont, mauvekleurige wandtegels en vettige typografie ook de zilvervisjes achter de met bloemen bedrukte corduroy gordijnen. Wat dat betreft is de e-reader dan wél weer een uitgelezen oplossing.
maandag 16 april 2012
Knap
Bij mij in de buurt woont een stel waar mijn mond van openvalt, iedere keer als ik het zie. De vrouw is lang, slank en heeft veel weg van Naomi Campbell, maar is nóg knapper. De man is een kruising tussen Wentworth Miller en Jason Momoa, met Gary Dourdans haar. En het wordt nog beter: ze hebben een kind. Dit kind – een jongen! Mrs Walker, it's a boy!– lijkt op de jongste telg van Boris Becker en zijn echtgenote Lily Kerssenberg, Amadeus.
U weet, ik ben niet zo'n kinderfan. Voor schattige jongetjes maak ik graag uitzonderingen, en dit joch had mijn hart al gestolen toen hij nog niet kon lopen. Inmiddels is hij een jaar of twee en ik zie hem vaak als hij met pappa op stap is. Ik ken hen natuurlijk helemaal niet en durf Wentworth niet lang aan te kijken, uit angst dat hij de onbetamelijke gedachten die ik over deze toegewijde en oh zo hete pappa heb in mijn ogen ziet. Dat geeft namelijk geen pas voor een dame van stand. Maar ik kan het niet helpen. Laatste spotte ik hen in de supermarkt en ving een deel van hun conversatie op. Amadeus kwebbelde vrolijk en wees van alles aan, terwijl hij kraaide: 'Kijk, bloemen, mooi hè pappa, mooi!' Even bleef het stil, toen kwam de klapper. 'Ik ben blij pappa, ik ben blij!'
Als mijn hart van chocola was geweest, had je er bonbons van kunnen gieten. Té schattig, en daarbij, ik zou ook blij zijn als mijn vader op Wentworth Miller leek. Om over Naomi nog maar te zwijgen. Het gezinnetje van dat joch lijkt zo volmaakt dat ik zeker begrijp waarom hij dat roept. Je hoeft niet van Naomi Campbell, Wentworth Miller of Boris Becker te houden om in te kunnen zien dat het een aantrekkelijk gezin is. Want hoewel schoonheid, naar het spreekwoord, zich in 's schouwers oog bevindt, hebben deze mensen in vele schoonheidsopzichten wel drie streepjes voor.
Iets anders geldt voor een dame genaamd Samantha Brick. Vorige week las ik als een van de eersten haar artikel op mijn favoriete roddel&achterklap-site dailymail.co.uk. Ze verklaarde in het artikel dat ze door mannen werd aanbeden en door vrouwen werd verguisd, omdat ze zo vreselijk knap was. Uitvoerig vertelde zij dat ze vrijwel geen vriendinnen had, omdat iedere echtgenoot die een blik op haar wierp haar probeerde te verleiden. Jonge en oude mannen van verschillende nationaliteiten, rangen en standen: iedere man vond haar onweerstaanbaar. Piloten stuurden haar champagne. Vreemde mannen betaalden haar treinkaartje, betoverd door haar onaardse schoonheid. Haar pluspunten, naar eigen zeggen, waren haar blonde haar, haar lengte en haar slanke figuur.
De Dailymail zou de Dailymail niet zijn zonder foto's. Wat ik na deze lofzang op het ego verwachtte waren afbeeldingen van iemand die met recht knap genoemd kan worden. Zoals gezegd, schoonheid zit in 's schouwers oog, wel, ik kan een kleine opsomming geven van uiterlijke kenmerken waarvan ik denk te weten dat ze als 'mooi' worden beschouwd, hoe relatief en standplaatsgebonden dat ook is. Bijvoorbeeld: vol, glanzend haar, relatief grote ogen, een recht gebit, een symmetrisch gezicht, een gladde huid, een slank zandloperfiguur, een gemiddelde lengte (ergens tussen de 1.70 en 1.80m) en een gemiddelde schoenmaat. U begrijpt dat iemand die hier slechts gedeeltelijk of niet aan voldoet niet automatisch lelijk is. Bovendien is een belangrijke factor in mooi-zijn het hebben van een uitstraling, want vaak niet in uiterlijkheden te vatten valt.
Welnu. De foto van Samantha Brick maakte dat ik mijn wenkbrauwen optrok, en niet in bewondering. Wat ik zag was een zeer statische en geposeerde foto van een Russische boerin met kiespijn, een slecht postuur en een kleine centenbak, een bescheiden doch ontsierende pens en slap, futloos blond haar. Haar zelfbenoemde pluspunten kon ik zo snel niet vinden: ik zou haar niet lelijk willen noemen, maar vond het toch moeilijk te geloven dat mannen met bosjes voor haar vielen. Als ze al een immense uitstraling had gehad, kwam die op de foto niet naar voren.
Tegen zoveel misplaatst zelfvertrouwen valt niet op te boksen, bovendien heb ik er geen last van als zij zichzelf onweerstaanbaar heet vindt. De Dailymail is daarnaast geen toonaangevend, 'objectief' of 'wetenschappelijk' magazine – en dat pretenderen ze ook niet.
Reaguurders waren echter sneller met hun oordeel. Het artikel kreeg al snel zoveel reacties dat ik dacht dat het een sociaal experiment was. Velen spuwden hun gal over onooglijke Samantha Brick en haar vreselijk arrogantie. De meest gehoorde commentaren waren deze: 'Je bent bepaald geen plaatje, luv, droom lekker verder!' en 'Vrouwen hebben geen hekel aan je omdat je knap bent, maar omdat je arrogant, zelfingenomen en dom bent - het is je arrogantie die je werkelijk onaantrekkelijk maakt.'
Heel Groot-Brittannië kotst nu van Samantha Brick, en dat allemaal door één artikel. Ze is in een talkshow geweest om zich te verdedigen en schreef een tweede artikel, waarin ze verklaart dat alle negativiteit die ze over zich heen kreeg bewijst dat ze gelijk heeft.
Het gezichtspunt wat ik met de reaguurders deel is dat haar opmerkingen over haar schoonheid misplaatst zijn, omdat ze niet zo wereldschokkend knap of charmant is als ze zelf denkt. Ik begrijp dan ook wel dat dat het label arrogant krijgt; ze maakt de claim namelijk niet waar. Ook haar echtgenoot, een wat aftandse Franse walrus van eenenvijftig met een groot geweer, is niet het model wat je naast haar zou verwachten als je Bricks partners aan haar eigen vermeende schoonheid af zou meten. (Al is dat een natuurlijk een vals idee. Kijk maar naar Boris Becker.)
Buiten beschouwing gelaten of Samantha het label 'knap' verdient denk ik dat het überhaupt niet slim is om van jezelf in het openbaar te zeggen dat je jezelf knap vindt – als je het doet op de manier zoals zij het doet. Als ze, maatschappelijk gezien, knap was geweest, had dat haar namelijk niet minder arrogant gemaakt – alleen had ze haar bewering dan nog ergens mee kunnen staven. Als de schoonheid van de vrijster in haar vrijers oog ligt, dan kan zij evenmin claimen dat de opmerkingen van anderen uit jaloezie ontspruiten – net zo goed als zij mag zeggen dat ze zichzelf knap vindt, mogen anderen zeggen dat zij haar lelijk, dom en kortzichtig vinden. Niemand heeft tegenwoordig nog iets aan énkel geslepen messen...
En de moraal van dit verhaal? Knappe jongetjes hebben driekwart van de wereld, spekkige fransozen trouwen met loensende Britten. Zou al het commentaar 'beautiful Samantha' echt niets doen, dan zou ze ook geen tweede artikel hebben hoeven schrijven. Als je het mij vraagt, is het gewoon een publiciteitsstunt om haar eigen blog wat meer onder de aandacht te brengen. Ze zeggen dat slimheid en knap zijn niet samengaan – wel, als Samantha niet op het een heeft ingeleverd, dan moet het wel op het andere geweest zijn, blijkbaar. Welke van de twee, dat oordeel laat ik aan u over. Haar storm past bijna niet meer in het whiskyglas: dát is pas knap...
U weet, ik ben niet zo'n kinderfan. Voor schattige jongetjes maak ik graag uitzonderingen, en dit joch had mijn hart al gestolen toen hij nog niet kon lopen. Inmiddels is hij een jaar of twee en ik zie hem vaak als hij met pappa op stap is. Ik ken hen natuurlijk helemaal niet en durf Wentworth niet lang aan te kijken, uit angst dat hij de onbetamelijke gedachten die ik over deze toegewijde en oh zo hete pappa heb in mijn ogen ziet. Dat geeft namelijk geen pas voor een dame van stand. Maar ik kan het niet helpen. Laatste spotte ik hen in de supermarkt en ving een deel van hun conversatie op. Amadeus kwebbelde vrolijk en wees van alles aan, terwijl hij kraaide: 'Kijk, bloemen, mooi hè pappa, mooi!' Even bleef het stil, toen kwam de klapper. 'Ik ben blij pappa, ik ben blij!'
Als mijn hart van chocola was geweest, had je er bonbons van kunnen gieten. Té schattig, en daarbij, ik zou ook blij zijn als mijn vader op Wentworth Miller leek. Om over Naomi nog maar te zwijgen. Het gezinnetje van dat joch lijkt zo volmaakt dat ik zeker begrijp waarom hij dat roept. Je hoeft niet van Naomi Campbell, Wentworth Miller of Boris Becker te houden om in te kunnen zien dat het een aantrekkelijk gezin is. Want hoewel schoonheid, naar het spreekwoord, zich in 's schouwers oog bevindt, hebben deze mensen in vele schoonheidsopzichten wel drie streepjes voor.
Iets anders geldt voor een dame genaamd Samantha Brick. Vorige week las ik als een van de eersten haar artikel op mijn favoriete roddel&achterklap-site dailymail.co.uk. Ze verklaarde in het artikel dat ze door mannen werd aanbeden en door vrouwen werd verguisd, omdat ze zo vreselijk knap was. Uitvoerig vertelde zij dat ze vrijwel geen vriendinnen had, omdat iedere echtgenoot die een blik op haar wierp haar probeerde te verleiden. Jonge en oude mannen van verschillende nationaliteiten, rangen en standen: iedere man vond haar onweerstaanbaar. Piloten stuurden haar champagne. Vreemde mannen betaalden haar treinkaartje, betoverd door haar onaardse schoonheid. Haar pluspunten, naar eigen zeggen, waren haar blonde haar, haar lengte en haar slanke figuur.
De Dailymail zou de Dailymail niet zijn zonder foto's. Wat ik na deze lofzang op het ego verwachtte waren afbeeldingen van iemand die met recht knap genoemd kan worden. Zoals gezegd, schoonheid zit in 's schouwers oog, wel, ik kan een kleine opsomming geven van uiterlijke kenmerken waarvan ik denk te weten dat ze als 'mooi' worden beschouwd, hoe relatief en standplaatsgebonden dat ook is. Bijvoorbeeld: vol, glanzend haar, relatief grote ogen, een recht gebit, een symmetrisch gezicht, een gladde huid, een slank zandloperfiguur, een gemiddelde lengte (ergens tussen de 1.70 en 1.80m) en een gemiddelde schoenmaat. U begrijpt dat iemand die hier slechts gedeeltelijk of niet aan voldoet niet automatisch lelijk is. Bovendien is een belangrijke factor in mooi-zijn het hebben van een uitstraling, want vaak niet in uiterlijkheden te vatten valt.
Welnu. De foto van Samantha Brick maakte dat ik mijn wenkbrauwen optrok, en niet in bewondering. Wat ik zag was een zeer statische en geposeerde foto van een Russische boerin met kiespijn, een slecht postuur en een kleine centenbak, een bescheiden doch ontsierende pens en slap, futloos blond haar. Haar zelfbenoemde pluspunten kon ik zo snel niet vinden: ik zou haar niet lelijk willen noemen, maar vond het toch moeilijk te geloven dat mannen met bosjes voor haar vielen. Als ze al een immense uitstraling had gehad, kwam die op de foto niet naar voren.
Tegen zoveel misplaatst zelfvertrouwen valt niet op te boksen, bovendien heb ik er geen last van als zij zichzelf onweerstaanbaar heet vindt. De Dailymail is daarnaast geen toonaangevend, 'objectief' of 'wetenschappelijk' magazine – en dat pretenderen ze ook niet.
Reaguurders waren echter sneller met hun oordeel. Het artikel kreeg al snel zoveel reacties dat ik dacht dat het een sociaal experiment was. Velen spuwden hun gal over onooglijke Samantha Brick en haar vreselijk arrogantie. De meest gehoorde commentaren waren deze: 'Je bent bepaald geen plaatje, luv, droom lekker verder!' en 'Vrouwen hebben geen hekel aan je omdat je knap bent, maar omdat je arrogant, zelfingenomen en dom bent - het is je arrogantie die je werkelijk onaantrekkelijk maakt.'
Heel Groot-Brittannië kotst nu van Samantha Brick, en dat allemaal door één artikel. Ze is in een talkshow geweest om zich te verdedigen en schreef een tweede artikel, waarin ze verklaart dat alle negativiteit die ze over zich heen kreeg bewijst dat ze gelijk heeft.
Het gezichtspunt wat ik met de reaguurders deel is dat haar opmerkingen over haar schoonheid misplaatst zijn, omdat ze niet zo wereldschokkend knap of charmant is als ze zelf denkt. Ik begrijp dan ook wel dat dat het label arrogant krijgt; ze maakt de claim namelijk niet waar. Ook haar echtgenoot, een wat aftandse Franse walrus van eenenvijftig met een groot geweer, is niet het model wat je naast haar zou verwachten als je Bricks partners aan haar eigen vermeende schoonheid af zou meten. (Al is dat een natuurlijk een vals idee. Kijk maar naar Boris Becker.)
Buiten beschouwing gelaten of Samantha het label 'knap' verdient denk ik dat het überhaupt niet slim is om van jezelf in het openbaar te zeggen dat je jezelf knap vindt – als je het doet op de manier zoals zij het doet. Als ze, maatschappelijk gezien, knap was geweest, had dat haar namelijk niet minder arrogant gemaakt – alleen had ze haar bewering dan nog ergens mee kunnen staven. Als de schoonheid van de vrijster in haar vrijers oog ligt, dan kan zij evenmin claimen dat de opmerkingen van anderen uit jaloezie ontspruiten – net zo goed als zij mag zeggen dat ze zichzelf knap vindt, mogen anderen zeggen dat zij haar lelijk, dom en kortzichtig vinden. Niemand heeft tegenwoordig nog iets aan énkel geslepen messen...
En de moraal van dit verhaal? Knappe jongetjes hebben driekwart van de wereld, spekkige fransozen trouwen met loensende Britten. Zou al het commentaar 'beautiful Samantha' echt niets doen, dan zou ze ook geen tweede artikel hebben hoeven schrijven. Als je het mij vraagt, is het gewoon een publiciteitsstunt om haar eigen blog wat meer onder de aandacht te brengen. Ze zeggen dat slimheid en knap zijn niet samengaan – wel, als Samantha niet op het een heeft ingeleverd, dan moet het wel op het andere geweest zijn, blijkbaar. Welke van de twee, dat oordeel laat ik aan u over. Haar storm past bijna niet meer in het whiskyglas: dát is pas knap...
dinsdag 10 april 2012
Hooi (2)
Dinsdagmiddag, rond vijven. De achttien graden Celsius die op de thermometer staan vertellen me dat ik mijn panty uit moet doen, maar eenmaal uit de zon daalt het kwik gestaag, dus ik houd hem aan. Het is mijn eerste vrije doordeweekse dag in tijden en ik heb haar doorgebracht met vriendin A., veel thee en een broodje Kwekkeboom-kalf op een plaatselijk terras. De serveerster, die een beetje getikt en niet zo savvy is, heeft vandaag een goed humeur. Wel zet ze tot vier keer toe onze bestellingen verkeerd neer (dat kan gebeuren) en deelt ze ons op twee verschillende tafels in. Aangezien zij de enige is die ons bedient en wij de hele middag aan dezelfde tafel hebben gezeten snap ik niet hoe dát kan gebeuren, maar de zon schijnt te hard om me er druk over te maken.
En nu is het tijd om over te gaan tot de orde van de dag. Mijn fiets is bij de fietsenmaker, dus ik ben lopend boodschappen gaan doen. Ik laad de spullen in mijn tas en net als ik op huis aan wil gaan, wordt mij de weg versperd door een oude man in een scootmobiel. Oh ja. Het is William, met wie ik al eerder goede gesprekken heb gehad. (Hooi)
Hij glundert, ik zie het boordje van zijn witte shirt in zijn hals. Hij ziet er goed uit. Vrijpostig als altijd pakt hij mijn hand en ik lach, ondanks zijn onbeschaamdheid. Eigenlijk heb ik een zwak voor mannen die me overrompelen, al mag hij dat natuurlijk niet weten. 'Niet zo klef doen hoor,' vertel ik hem, 'Laat u mij eens snel los!' Er zijn grenzen, zelfs voor oude bruine mannen in scootmobielen, en hoewel ik deze man niet vrees, ken ik hem evenmin. Ik zie niet in waarom hij me aan zou moeten raken. Hij is stil, lijkt geschrokken, en ik wil hem niet schofferen, dus ik vraag hem hoe het gaat. Hij kijkt me trots aan: 'Ik kan weer een klein beetje lopen!' Wat volgt is een uitgebreide litanie en ik laat hem praten, opnieuw vertederd. Hij vraagt naar mijn welzijn en ik antwoord hem beleefd. Hij vraagt naar mijn werk, ik zeg hem dat mijn contract niet wordt verlengd. Op zijn gezicht verschijnt een wolk en hij maakt een geluid dat afkeuring en teleurstelling uitdrukt. 'Meissie, dat spijt me zeer zeer zeker voor je,' zegt hij hoofdschuddend. 'Zééeér vervelend, ja, zéér.' Vertel mij wat. Maar William zou William niet zijn als hij niet even zou poken, want ik weet dat hij dat graag doet.
'Wat zegt je vriend er van?' Het vriendje dat ik in een parallel universum zeker heb zou zeggen dat hij het heel vervelend voor me vond. William knikt. 'Woon je met hem samen?' Ik woon niet samen met mijn parallelvriendje, nee. 'Waar is je ring dan?' De ring waar hij op doelt is thuis – thuis bij een nog nader te bepalen juwelier. Lieve meisjes liegen niet, en zijn voor zichzelf nog het liefst. 'Wil je dan niet trouwen?' Ik wil best trouwen. Tijd voor een wedervraag.
'Ben jij getrouwd geweest?' Oei. Deksel. Beerput. Geest. Fles. Onomkeerbare scheikundige processen. Donkere wolk. 'Ik had een vriendin. Toen ik ziek werd, in 2001, heeft ze me niet meer gebeld. Ziek was ik, maar ze heeft niet gebeld.' (Weer dat geluid.) 'Later belde ze, toen vroeg ik haar: waarom bel je me? Je hoeft niet meer te bellen. Ja toch?' Hij kijkt meewarig naar me. Het probleem met William, zo realiseer ik me voor de zoveelste keer, is dat zijn uiterlijk en leeftijd sympathie wekken. Dat gaat verder dan de scootmobiel, want eigenlijk associeer ik die dingen met bewuste arbeidsongeschiktheid en het grote verschil tussen mijn bruto en mijn nettoloon. Het zijn die grote bruine ogen, de pruillip die eigenlijk gewoon een asbak inclusief rookgoot is en de pauzes tussen zijn woorden. Alsof ik deze maand niet al genoeg over TOVTJAPs geschreven had.
Het is natuurlijk een onschuldig opaatje. Maar niet voor het eerst zie ik een wellustige tinteling in zijn ogen als hij het onderwerp listig op wat lichamelijke en seksuelere zaken brengt. Wat maar het beste gepareerd kan worden met een gulle lach en een beetje spot.
De mededeling over mijn contract was geen leugen. En ik geef toe: in tijden van persoonlijke onzekerheid ben ik vatbaarder voor vrijmoedigheden, die ik anders zou verwijzen daar het rijk der onbeschoftheid, bij gebrek aan rijk der fabelen. (Was het maar zo'n feest...) Plotseling haal ik een stukje eigenwaarde uit mannelijke aandacht – terwijl dat normaal toch zeker veel minder het geval is. En dat de man in kwestie zo oud is als het meisje van Yde lijkt me ook niet te deren...
'Ja, en toen hoefde het van mij niet meer, toch?' haalt hij me uit mijn dagdroompje. 'Dat vond ik wel heel jammer voor haar...' Ik vraag me af of ik het goed gehoord heb: zij verlaat hem en hij vindt het jammer voor haar? Ik zeg niet dat het niet kan, maar zie gelijk 's mans pragmatische houding: her loss, whatevah!! Het is maar goed dat ik slechts één kant van het verhaal te horen krijg.
'Als ik thuis ben, ga ik even koken,' gaat hij verder, terwijl hij met zijn lippen smakt. 'Mmmmh, rijst... kip, en een beetje kousenband. Van gisteren!' Ik duw mijn pak diepvriesspinazie onopvallend wat dieper naar onderen. 'En dan ga ik eerst baden, en daarna: lekker eten in mijn jockey!' Ik heb dit woord vaak genoeg gehoord om te weten dat ik dit niet had hoeven weten. Maar nee, het is nog niet genoeg. 'Dat doe jij toch ook wel?'
Eten in mijn onderbroek? Neen. En als ik het deed, hield ik het voor me. Tijd voor een vermoorde onschuld. 'Koken? Natuurlijk wel!' William begrijpt de hint. Hij praat nog wat verder en zo kom ik aan de weet dat hij 'een schat van een meid' als huishoudster heeft; maar dat hij nog een nieuwe zoekt... en aangezien ik binnenkort veel vrije tijd heb...?
Ik zal eerlijk zijn, reader dear. Mijn ware frustratie wordt getriggerd door William, maar hij is deze keer niet de enige oorzaak. Enkele weken geleden ontving ik via mijn werk een priek-priek-kaartje ('joehoe, ik ben er nog! Aandacht?! Aandacht?!') van een TOVTJAP – een polishedTJAP weliswaar, maar toch een TOVTJAP. Ideeën over beleefd-zijn en me van mijn beste kant laten zien plus nieuwsgierigheid maken dat ik al een tijdje twijfel over wat ik hiermee moet. Wat ik zeker weet, is dat ik het TOVTJAP-traject niet in wil. Niet als schoonmaakster, noch anderszins. En hoewel het een volkomen onschuldig kaartje is, lijkt de intentie erachter duidelijk. Wat ik als agressief en intrusief ervaar. En als ik met William praat, komt de opwinding hierover weer boven.
Stiekem verfoei ik mijzelf omdat ik nog aandacht schenk aan deze vrijpostige oude man met een speciale interesse voor mijn liefdesleven. Ik vind het oprecht fijn voor hem dat zijn gezondheid vooruit is gegaan, maar dat legitimeert zijn vrijheden nog niet. Zuchtend laat ik ze echter aan me voorbij trekken, omdat ik, zoals het een net meisje betaamt, oude mensen met respect behandel, ook als ze dat niet bij mij doen. Ik vertel William dat ik moet gaan koken, en laat hem alleen met zijn sores in de liefde. Ik ben moe. Rozen zijn rood, viooltjes blauw, en als je de veertig gepasseerd bent, vertrek dan gauw.
En nu is het tijd om over te gaan tot de orde van de dag. Mijn fiets is bij de fietsenmaker, dus ik ben lopend boodschappen gaan doen. Ik laad de spullen in mijn tas en net als ik op huis aan wil gaan, wordt mij de weg versperd door een oude man in een scootmobiel. Oh ja. Het is William, met wie ik al eerder goede gesprekken heb gehad. (Hooi)
Hij glundert, ik zie het boordje van zijn witte shirt in zijn hals. Hij ziet er goed uit. Vrijpostig als altijd pakt hij mijn hand en ik lach, ondanks zijn onbeschaamdheid. Eigenlijk heb ik een zwak voor mannen die me overrompelen, al mag hij dat natuurlijk niet weten. 'Niet zo klef doen hoor,' vertel ik hem, 'Laat u mij eens snel los!' Er zijn grenzen, zelfs voor oude bruine mannen in scootmobielen, en hoewel ik deze man niet vrees, ken ik hem evenmin. Ik zie niet in waarom hij me aan zou moeten raken. Hij is stil, lijkt geschrokken, en ik wil hem niet schofferen, dus ik vraag hem hoe het gaat. Hij kijkt me trots aan: 'Ik kan weer een klein beetje lopen!' Wat volgt is een uitgebreide litanie en ik laat hem praten, opnieuw vertederd. Hij vraagt naar mijn welzijn en ik antwoord hem beleefd. Hij vraagt naar mijn werk, ik zeg hem dat mijn contract niet wordt verlengd. Op zijn gezicht verschijnt een wolk en hij maakt een geluid dat afkeuring en teleurstelling uitdrukt. 'Meissie, dat spijt me zeer zeer zeker voor je,' zegt hij hoofdschuddend. 'Zééeér vervelend, ja, zéér.' Vertel mij wat. Maar William zou William niet zijn als hij niet even zou poken, want ik weet dat hij dat graag doet.
'Wat zegt je vriend er van?' Het vriendje dat ik in een parallel universum zeker heb zou zeggen dat hij het heel vervelend voor me vond. William knikt. 'Woon je met hem samen?' Ik woon niet samen met mijn parallelvriendje, nee. 'Waar is je ring dan?' De ring waar hij op doelt is thuis – thuis bij een nog nader te bepalen juwelier. Lieve meisjes liegen niet, en zijn voor zichzelf nog het liefst. 'Wil je dan niet trouwen?' Ik wil best trouwen. Tijd voor een wedervraag.
'Ben jij getrouwd geweest?' Oei. Deksel. Beerput. Geest. Fles. Onomkeerbare scheikundige processen. Donkere wolk. 'Ik had een vriendin. Toen ik ziek werd, in 2001, heeft ze me niet meer gebeld. Ziek was ik, maar ze heeft niet gebeld.' (Weer dat geluid.) 'Later belde ze, toen vroeg ik haar: waarom bel je me? Je hoeft niet meer te bellen. Ja toch?' Hij kijkt meewarig naar me. Het probleem met William, zo realiseer ik me voor de zoveelste keer, is dat zijn uiterlijk en leeftijd sympathie wekken. Dat gaat verder dan de scootmobiel, want eigenlijk associeer ik die dingen met bewuste arbeidsongeschiktheid en het grote verschil tussen mijn bruto en mijn nettoloon. Het zijn die grote bruine ogen, de pruillip die eigenlijk gewoon een asbak inclusief rookgoot is en de pauzes tussen zijn woorden. Alsof ik deze maand niet al genoeg over TOVTJAPs geschreven had.
Het is natuurlijk een onschuldig opaatje. Maar niet voor het eerst zie ik een wellustige tinteling in zijn ogen als hij het onderwerp listig op wat lichamelijke en seksuelere zaken brengt. Wat maar het beste gepareerd kan worden met een gulle lach en een beetje spot.
De mededeling over mijn contract was geen leugen. En ik geef toe: in tijden van persoonlijke onzekerheid ben ik vatbaarder voor vrijmoedigheden, die ik anders zou verwijzen daar het rijk der onbeschoftheid, bij gebrek aan rijk der fabelen. (Was het maar zo'n feest...) Plotseling haal ik een stukje eigenwaarde uit mannelijke aandacht – terwijl dat normaal toch zeker veel minder het geval is. En dat de man in kwestie zo oud is als het meisje van Yde lijkt me ook niet te deren...
'Ja, en toen hoefde het van mij niet meer, toch?' haalt hij me uit mijn dagdroompje. 'Dat vond ik wel heel jammer voor haar...' Ik vraag me af of ik het goed gehoord heb: zij verlaat hem en hij vindt het jammer voor haar? Ik zeg niet dat het niet kan, maar zie gelijk 's mans pragmatische houding: her loss, whatevah!! Het is maar goed dat ik slechts één kant van het verhaal te horen krijg.
'Als ik thuis ben, ga ik even koken,' gaat hij verder, terwijl hij met zijn lippen smakt. 'Mmmmh, rijst... kip, en een beetje kousenband. Van gisteren!' Ik duw mijn pak diepvriesspinazie onopvallend wat dieper naar onderen. 'En dan ga ik eerst baden, en daarna: lekker eten in mijn jockey!' Ik heb dit woord vaak genoeg gehoord om te weten dat ik dit niet had hoeven weten. Maar nee, het is nog niet genoeg. 'Dat doe jij toch ook wel?'
Eten in mijn onderbroek? Neen. En als ik het deed, hield ik het voor me. Tijd voor een vermoorde onschuld. 'Koken? Natuurlijk wel!' William begrijpt de hint. Hij praat nog wat verder en zo kom ik aan de weet dat hij 'een schat van een meid' als huishoudster heeft; maar dat hij nog een nieuwe zoekt... en aangezien ik binnenkort veel vrije tijd heb...?
Ik zal eerlijk zijn, reader dear. Mijn ware frustratie wordt getriggerd door William, maar hij is deze keer niet de enige oorzaak. Enkele weken geleden ontving ik via mijn werk een priek-priek-kaartje ('joehoe, ik ben er nog! Aandacht?! Aandacht?!') van een TOVTJAP – een polishedTJAP weliswaar, maar toch een TOVTJAP. Ideeën over beleefd-zijn en me van mijn beste kant laten zien plus nieuwsgierigheid maken dat ik al een tijdje twijfel over wat ik hiermee moet. Wat ik zeker weet, is dat ik het TOVTJAP-traject niet in wil. Niet als schoonmaakster, noch anderszins. En hoewel het een volkomen onschuldig kaartje is, lijkt de intentie erachter duidelijk. Wat ik als agressief en intrusief ervaar. En als ik met William praat, komt de opwinding hierover weer boven.
Stiekem verfoei ik mijzelf omdat ik nog aandacht schenk aan deze vrijpostige oude man met een speciale interesse voor mijn liefdesleven. Ik vind het oprecht fijn voor hem dat zijn gezondheid vooruit is gegaan, maar dat legitimeert zijn vrijheden nog niet. Zuchtend laat ik ze echter aan me voorbij trekken, omdat ik, zoals het een net meisje betaamt, oude mensen met respect behandel, ook als ze dat niet bij mij doen. Ik vertel William dat ik moet gaan koken, en laat hem alleen met zijn sores in de liefde. Ik ben moe. Rozen zijn rood, viooltjes blauw, en als je de veertig gepasseerd bent, vertrek dan gauw.
Labels:
ergernis,
identiteit,
man,
relaties,
waarheid
Abonneren op:
Posts (Atom)