Wekenlang stond onze afspraak gepland. Vriendin A., die in Den Haag woont, zou in mijn stadje langskomen. Het was zondag en ik wilde een fancy treat voor haar regelen, dus stiefelde ik op mijn hakken richting de plaatselijke Bakkerswinkel. Onderweg maakten wij nog een stop in een vintage-zaak (waar het altijd naar verschaalde stomerij en stof ruikt) maar we besloten de tweedehands wielrennershirts te laten voor wat ze waren.
Het gestresste meisje achter de toonbank van de Bakkerswinkel vertelde ons gestresst dat we hadden moeten reserveren. Maar dat hadden we niet gedaan. Volgende station: Broers. In het begin van mijn studententijd kwam ik hier nog wel eens om een tussenuurtje te overbruggen. Het café ligt goed in de loop en de bediening en prijzen waren toen heel redelijk. Een van de dingen waar wat op aan te merken viel was de akoestiek en het feit dat er vrij veel jonge kinderen aanwezig waren. Al was het dan een openbaar café en geen bibliotheek, sommige kindjes maakten het bont.
Een belangrijker punt dan de rust was de kleding van de serveersters. Tot een paar jaar geleden droegen zij shirtjes waar ik met alle liefde het label 'op vele fronten verkeerd' op zou willen plakken. Het waren longsleeves, maar omdat het personeel zo hard moest werken, stroopte iedereen zwoegend de mouwen op. Het lijfje was wit, met ergens bovenop de borst het logo van het café. Ik zeg wit, maar u begrijpt dat na vele wasbeurten het wit tot een beige-grijzige waas was verworden. Het logo was oranje-achtig en de mouwen paars, op dezelfde verwassen manier als het witbeige torsostuk. De kleuren stonden niemand en volgens mij was het shirt maar half van katoen, wat het werken ongetwijfeld vervelend maakte.
Eens at ik daar met een vriendin een tosti. Toen mijn serveerster haar arm optilde kreeg ik een jujube in donkerpaars te zien van heb-ik-jou-daar. Daar kon zij natuurlijk niets aan doen, maar onfris was het wel. Dat ze zweet is niet het probleem, als ik er vanuit mag gaan dat ze zich aan de ongeschreven regels van de dagelijkse douche heeft gehouden. Ik kan haar hard werken moeilijk kwalijk nemen en waarschijnlijk genoot zij evenmin van het showen van haar plekken aan mij. Je hebt bedrijfskleding nou eenmaal niet voor het uitkiezen. Meer geschokt was ik door de wetenschap dat dit zichtbare ongemak zo makkelijk verholpen kon worden – bijvoorbeeld door het dragen van zwart, zoals dat in veel horecagelegenheden gebruikelijk is.
Nog meer, lezer? Jawel. Niet alleen waren de shifts onderbezet en de shirtjes de verkeerde kleur, ze waren ook nog eens te kort. Ik durfde niet na te denken over de navelpluis die in mijn eten terecht was gekomen tijdens de deinende gang van mijn tosti van de keuken naar mijn tafel. De laaghangende verwassen-paarse sloof van de serveerster kon niet verhinderen dat ik ongewenst met haar onderrug en de onderkant van haar buik werd geconfronteerd; het stuk tussen navel en venusheuvel. De temperatuur van de tosti was al net zo schamper als mijn eetlust op dat moment.
Nodeloos te zeggen dat ik er sinds die noodlottige middag niet meer kwam. Dat maakte dat de slechte herinnering vervaagde. Bovendien wilde ik gewoon een gezellige middag en een taartje in plaats van eindeloos getwijfel over de locatie. Gezelligheid neem je zelf mee, ook als de accommodatie niet top is. En mijn voeten deden pijn. Dus we streken neer op de groene stoelen, aan de rechterkant van de zaal. Al snel kwam er een ober ons ons af. In de kaart was ons oog op iets lekkers en nostalgisch gevallen: poffertjes! (oh, ja, lekkerrrrrr!) Dat dit bij de kinderopties stond hadden we wel gezien, maar het leek ons niet zo'n probleem. Dat was het wel, zo zei de ober. Toen was er de keus tussen een stuk cheesecake of een cupcake. Bij de cupcakes stond vermeld dat ze van Lily's Cupcakes kwamen. De cheesecake was merk- of prestigeloos, dus toen er een serveerster (in een witte blouse, hoera!) naar onze tafel kwam vroeg ik haar wat er inbegrepen was bij de zes euro vijftig (!!) die ik voor het stukje taart zou betalen. Het kind rolde nog net niet met haar ogen, wel hoorde ik een onderdrukte zucht in haar antwoord. Het was 'een gewoon stukje taart, verder niets', wat ik 'kon gaan bekijken in de vitrine'.
Reader-dear, ik ben geen vrek. Ik vind het niet erg te moeten betalen voor eten buiten de deur. Maar zes euro vijftig voor een stukje taart gaat mijns inziens wel ver. Het moet dan wel een supersonisch goede taart zijn. Maar zelfs bij de Bakkerswinkel – die vermaard is om haar supersonische taarten en grote porties – vragen ze geen €6,50 per punt.
De zin 'in de vitrine' is in dit soort gelegenheden bovendien vaak code voor 'vanmorgen uit de diepvries gehaald' en 'vers' staat dan ook voor 'vers ontdooid'. Dat hoef geen ramp te zijn, maar vaker wel dan niet is de taart zó vers dat je jezelf een brain freeze en tandpijn bezorgt als je er een hap van neemt- als het al lukt om er een brok vanaf te bikken met je vorkje. En als je geluk hebt is de taart drie keer ingevroren geweest, zodat als je er met je bestek tegenaan tikt, hij spontaan uit elkaar valt. Je denkt zogezegd dat je taart hebt besteld, maar na drie dagen in de diepvries heeft alle taart de consistentie van te kort gebakken brownie.
Afijn, we bestelden dus maar met tegenzin ieder een cupcake à €3,25. Ik verwachtte iets met de doorsnede van een flinke koffiekop. Wat er op me afkwam had meer weg van een uit zijn krachten gegroeid waxinelichtje. Ik weet dat een cupcake compacter is dan een muffin. Ik weet ook dat bij muffins de kop expres heel ver naar buiten geplooid wordt, zodat het niet opvalt dat het steeltje van die paddenstoel niets meer voorstelt. Ik verwachtte een plat maar aantrekkelijk stukje gebak. Mijn cupcake zag er echter uit als de biopsie van een levercirroselijder.
Ik zette mijn vork erin; het ding gaf brokkelend de geest. Het binnenste was koud. Het enige wat het baksel nog bij elkaar hield was het papieren vormpje, waar alle cakemoleculen zich aan hadden vastgeklampt alsof hun laatste uur geslagen had. (en terecht, dat moment had al zo'n 72 uur geleden moeten plaatsvinden.) Ik liet mij niet ontmoedigen en zette het schoteltje naast mijn koffiekop, in een poging de boel wat te laten opwarmen. Ik had het heel gezellig met mijn vriendinnetje en wilde al die ongemakken daarom negeren. We spraken over koetjes en kalfjes en lachten heel wat af. Ik kreeg lieve cadeautjes en het was gezellig als vanouds.
Wat ik omwille van de gezelligheid nog meer negeerde was de zweem van volgescheten luiers die mijn neus in drong als de binnendeurse wind verkeerd stond. Ik dacht eerst dat ik het me verbeeldde, maar toen ik het aan mijn gezellin vroeg, gaf ze toe dat zij het ook rook. De geur was onmiskenbaar: geniepige babystront. Eerst ruik je de celstof, lege luier, vertrouwd en vertederend. Dan, als de geur halverwege je neus is, openbaart zich iets anders. Je receptoren vertellen je: something's fishy. Uiteindelijk zit de geur in je achterste trilharen en kun je de gepureerde tuinbonen-uit-pot die door het babylichaam zijn gegaan bijna proeven. Een hele vieze, zurige, doordringende lucht, die je bijna hypnotiseert. Je blijft snuiven, terwijl je je afvraagt: waarom doe ik dit eigenlijk, en wat ruik ik in hemelsnaam?
Als we naast de toiletten waren gaan zitten had ik het nog begrepen, maar die lagen een hele verdieping onder de onze en roken op geen enkele manier naar baby. Waar de geur dan wel vandaan kwam, durfde ik me niet af te vragen.
Ik barstte in lachen uit, dit was te erg voor woorden. De offers die we moesten brengen voor een ontspannen zondagmiddag waren wel heel groot. We dronken de automaatcappucino op en besloten in een ander café neer te strijken, waar we nog een uurtje zonder hinder of geurtjes koffie hebben gedronken.
En de moraal van dit verhaal? Reserveren moet je op tijd doen. Een volgende keer zal ik van tevoren bellen, zodat wij onze vorken en tanden in een zacht zoet taartje van de Bakkerswinkel kunnen laten zinken en thee bijgeschonken krijgen als de pot leeg is. We zullen thee drinken uit romantisch gebloemde kopjes en zo genieten van alle lekkernijen dat de herinnering aan de locatie van vorige keer zal verdrinken in rozenbloesem en frambozenglazuur. Verende muffins, lonkende worteltaart en romige cheesecake. De Broers bakt er niets van, maar een volgende keer zullen we meer krijgen dan duurbetaald windei – of eierwind. De enige gebakken lucht die ik wil proeven moet uit een meringue komen.....
dinsdag 27 december 2011
woensdag 21 december 2011
Pupil
Kent u het gevoel, lieve lezer, dat u overvalt wanneer u iets zegt of vindt wat wellicht niet in goede aarde valt, maar waar u evenmin van af wilt wijken? U werkt in de vluchtelingenzorg, en verbiedt uw kind thuis te komen met iemand die anders heet dan Jansen. U hebt niets tegen homoseksuelen, zolang uw buurman er maar geen is. U hebt hart voor het milieu en dierenwelzijn, en eet graag een stukje kipfilet à drie euro per kilo. U hebt een stiekeme zwak voor New Kids on The Block (en dan heb ik het over de muziek.) Uw lievelingsacteur is Chuck Norris.....
En dan die ene, waar wij ons allemaal weleens over buigen: iedereen heeft recht op een mening, zolang er maar geen anderen mee gekwetst worden.
Sommige van deze voorbeelden zijn onschuldig, maar hoe socialer het vlak van de voorkeur, hoe gevaarlijker het is om voor je mening uit te komen. Je kunt niet met goed fatsoen zeggen dat je niet van homoseksuelen (géén van alle, nimmer) houdt. (En inderdaad, zo'n claim is lastig te maken, vol te houden en te verdedigen – ik koos haar niet voor niets.)
Voor sommigen valt dit onder de noemer 'botte hypocrisie'. Ik denk dat het dieper zit. Ondanks en misschien dankzij mijn training in de sociale wetenschap weet ik dat iedereen oordeelt, iedereen vooroordelen heeft, aannames doet, vaak zonder zich hiervan bewust te zijn. Waar ik dankzij die training nog méér van overtuigd ben geraakt, is dat ik vind dat ik recht heb op mijn overtuigingen omtrent sociale en maatschappelijke kwesties als identiteit, seksualiteit of 'maatschappelijke positie'. (Voor de aanhalingstekens mag u mijn professoren danken...) Kort gezegd: ik vind dat er niets mis is met het hebben van (voor)oordelen an sich.
Laat ik dit snel nuanceren, voor u mij van onachtzaamheid beticht of een harde en oordelende natuur toedicht. (Ziet u het? Angst.) Zoals de voorbeelden die ik hierboven gaf illustreren dat men het ene kan vinden en het andere kan doen (bewust of onbewust) vind ik het, als we spreken over hypocrisie, het toppunt van hypocriet om je 'persoonlijke standplaatsgebondenheid' te ontkennen. Het is zeer verleidelijk om een oordeel te geven over de overtuigingen van anderen, zonder daarbij hand in eigen boezem te steken. Is dat steken altijd noodzakelijk? Neen. Vloeit het een uit het ander voort? Vaker niet dan wel. En u weet: een beter (sociaal) milieu begint bij jezelf.
Persoonlijke standplaatsgebondenheid. Daar bedoel ik mee dat je door je omgeving, je ervaringen en je opvoeding in de ruime zin van het woord bent gevormd tot wie je nu bent. Denk hierbij aan gezins-en familietradities, je leefomgeving, de mensen met wie je omgaat en je biologie-, maatschappijleer- en geschiedenisboeken, die zijn geschreven vanuit een bepaalde tijdgeest. Zij bepalen wat jij normaal en/of normatief vindt en dus ook wat je daarbuiten vindt vallen. Je kiest er maar tot op zekere hoogte voor, vandaar dat je je er niet altijd bewust van bent. En daar is niets mis mee, ook niet als sommige van je opvattingen (of oh hell, misschien allemaal) haaks staan op wat anderen denken. (Al is dat laatste onwaarschijnlijk, aangezien de mensen in je omgeving vaak op jou lijken en/of met dezelfde sets zijn gevormd.)
Dat betekent niet dat je alles wat je vindt moet verkondigen. Een eigen (heftige) mening hebben en compassie voor een ander tonen hoeven elkaar niet uit te sluiten. Je bent nou eenmaal niet alleen op de wereld (want anders kon je namelijk wel alles zeggen, maar dan was er weer niemand die luisterde enzovoort enzoverder) en rekening houden met de gevoelens van anderen is wel zo betamelijk.
Dit hele debat is overigens een gebed zonder eind, want hoe harder je roept dat je mag zeggen wat je vindt, hoe meer je laat weten dat je je bedreigd voelt. Anders gezegd: heel hard roepen dat iets je niet kan schelen duidt in deze sociale structuur op geldingsdrang, wat code is voor angst, geuit in een geforceerd-ontspannen en (en, niet maar) zéér defensieve houding. Ergo: angst, geldingsdrang, defensief. En we zijn weer terug bij af. Hoe dat werkt? Lees vooral verder.
De aanleiding voor mijn eigen kleine geforceerd-ontspannen uitbarsting zijn drie ontmoetingen van deze week. Drie mensen in mijn directe omgeving zeiden mij dat ze mijn blog (weer) eens ter hand gingen nemen. De eerste was mijn moeder, die ik niet graag teleurstel of ontrief. De tweede was mijn vriendinnetje Emy, wiens professionele en persoonlijke opinie ik zeer hoog acht. De laatste was een jongen die een tajine bij mij kocht, voor zijn moeder. Hij was onder de indruk van mijn vaardigheden met touw – graag imponeer ik hem ook met mijn teksten.
Deze drie toezeggingen, oh lezer, maakte dat ik plotseling na ging denken over hoe ik overkom in mijn blog. Mijn ouders en Emy kénnen mij, de tajinejongen niet. Het zijn alle vier intelligente mensen, die heus begrijpen dat mijn blog een bewerkte versie van een werkelijkheid is, en dat ik mijn blog niet ben. Dat neemt de angst maar gedeeltelijk weg. Sinds ik met mijn neus op de (blog)feiten ben gedrukt (Bewijslast) ben ik voorzichtiger met het opgeven van mijn blogadres.
Want staat er niet duidelijk op mijn blog dat het een persoonlijk document is? Is de transformatie van mijn gedachten naar tekst en narratief niet al een vorm van censuur- moet dat nog strakker? Als het zo persoonlijk is, waarom staat het dan online? En als ik bang ben voor reputatieschade, waarom dan überhaupt publiceren? Maar wat is het doel van de indekking 'persoonlijk' als ik geen hard standpunt in kan nemen?! Dilemma's, lezer, dilemma's! Ik wil niemand (mijzelf nog het minst) schaden met mijn stukken, en evenmin ontneem ik mijzelf graag het 'recht' op ongedwongen schrift. Gisteren nog zag ik echter een voorbeeld van een verkeerd geplaatst woord met grote gevolgen: de hoofdredacteur van de Jackie trad af na een uit de hand gelopen publicatie omtrent zangeres Rihanna. Ik zal hier het gewraakte woord niet herhalen, maar de hele sneeuwbal rond het woord bevatte een flinke steen voor mevrouw Hoeke. En ik durf te stellen dat als ze had geweten wat dit woord voor gevolgen had gehad, ze het niet geplaatst had, temeer omdat haar intenties niet slecht waren. Maar zoals Roland Barthes al heeft gesteld: in een tekst gaat het niet om de auteursintentie, maar om de lezersinterpretatie. Al heb ik zijn theorie wat opportunistisch gebruikt, ze gaat hier wel degelijk op.
(Voor de liefhebber: Gevolgen van een scheldwoord)
Wel, ik schrijf nu eenmaal graag. En hoewel ik het soms betreur dat mijn lezerspubliek niet zo groot is als dat van de Jackie biedt het andere zekerheden. Eerlijk is eerlijk, ik koester het label 'persoonlijk' als een warme deken. Het geeft me de valse zekerheid dat als ik ooit word aangesproken op mijn woorden, ik de verantwoording kan afschuiven op 'persoonlijke' en daarmee 'onverdedigbare' (want ongenaakbare) gronden. Ergens kan ik me echter voorstellen dat voor iemand die de schrijver niet kent de persoon achter de stukken overkomt als een rancuneuze, behaagzieke quasi-bourgeois met een hoop zelfmedelijden, een rampzalig liefdesleven en teveel tijd. Dat is toch spijtig, en best een hoge prijs voor 'persoonlijke (bestaat er andere?) vrijheid van meningsuiting'.
Om de schade te beperken doe ik dus het enige wat ik kan: ik probeer zoveel mogelijk rekening te houden met mijn eigen standplaatsgebondenheid, en mijn grenzen te erkennen en te bewaken. Ik hoef niet het leed van de wereld op me te nemen, altijd voor ieders standpunt begrip te tonen, alles van alle kanten te analyseren uit angst onevenwichtig te lijken. Ik gun mijzelf het recht op mijn gevoelens van verontwaardiging, verdriet, ongeloof, boosheid, spijt, verliefdheid, hoop. Deze blog is mijn uitlaatklep, niet die van alle anderen die ik er een rol in gun. Als je (ik) geen enkel scherp stijlmiddel meer mag gebruiken en altijd met ieders gevoelens rekening moet houden, wil ook niemand je (mijn) stukken lezen. En als ik mag kiezen ben ik liever te scherp dan een zijden sok.
No guts, no glory, want in tijden van verdediging doet het Engels het altijd beter. Mijn moeder blijft toch wel van me houden, en ik hoop dat ik mijn lezers kan vertrouwen in hun uitgestelde oordeel. Dus grijp ik hier de gelegenheid die Eva Hoeke niet kreeg: een oproep om de geschetste context niet uit het oog te verliezen. Vergeet Roland B. en denk aan mij, want ik denk ook aan u. De cirkel van defensiviteit omringt de mening immers altijd, daartegen verzet bieden is zinloos. Uiteindelijk gaat het allemaal om gezichtspunten en die hoeven niet gedeeld te worden. Voor al het andere zijn er zonnebrillen.
En dan die ene, waar wij ons allemaal weleens over buigen: iedereen heeft recht op een mening, zolang er maar geen anderen mee gekwetst worden.
Sommige van deze voorbeelden zijn onschuldig, maar hoe socialer het vlak van de voorkeur, hoe gevaarlijker het is om voor je mening uit te komen. Je kunt niet met goed fatsoen zeggen dat je niet van homoseksuelen (géén van alle, nimmer) houdt. (En inderdaad, zo'n claim is lastig te maken, vol te houden en te verdedigen – ik koos haar niet voor niets.)
Voor sommigen valt dit onder de noemer 'botte hypocrisie'. Ik denk dat het dieper zit. Ondanks en misschien dankzij mijn training in de sociale wetenschap weet ik dat iedereen oordeelt, iedereen vooroordelen heeft, aannames doet, vaak zonder zich hiervan bewust te zijn. Waar ik dankzij die training nog méér van overtuigd ben geraakt, is dat ik vind dat ik recht heb op mijn overtuigingen omtrent sociale en maatschappelijke kwesties als identiteit, seksualiteit of 'maatschappelijke positie'. (Voor de aanhalingstekens mag u mijn professoren danken...) Kort gezegd: ik vind dat er niets mis is met het hebben van (voor)oordelen an sich.
Laat ik dit snel nuanceren, voor u mij van onachtzaamheid beticht of een harde en oordelende natuur toedicht. (Ziet u het? Angst.) Zoals de voorbeelden die ik hierboven gaf illustreren dat men het ene kan vinden en het andere kan doen (bewust of onbewust) vind ik het, als we spreken over hypocrisie, het toppunt van hypocriet om je 'persoonlijke standplaatsgebondenheid' te ontkennen. Het is zeer verleidelijk om een oordeel te geven over de overtuigingen van anderen, zonder daarbij hand in eigen boezem te steken. Is dat steken altijd noodzakelijk? Neen. Vloeit het een uit het ander voort? Vaker niet dan wel. En u weet: een beter (sociaal) milieu begint bij jezelf.
Persoonlijke standplaatsgebondenheid. Daar bedoel ik mee dat je door je omgeving, je ervaringen en je opvoeding in de ruime zin van het woord bent gevormd tot wie je nu bent. Denk hierbij aan gezins-en familietradities, je leefomgeving, de mensen met wie je omgaat en je biologie-, maatschappijleer- en geschiedenisboeken, die zijn geschreven vanuit een bepaalde tijdgeest. Zij bepalen wat jij normaal en/of normatief vindt en dus ook wat je daarbuiten vindt vallen. Je kiest er maar tot op zekere hoogte voor, vandaar dat je je er niet altijd bewust van bent. En daar is niets mis mee, ook niet als sommige van je opvattingen (of oh hell, misschien allemaal) haaks staan op wat anderen denken. (Al is dat laatste onwaarschijnlijk, aangezien de mensen in je omgeving vaak op jou lijken en/of met dezelfde sets zijn gevormd.)
Dat betekent niet dat je alles wat je vindt moet verkondigen. Een eigen (heftige) mening hebben en compassie voor een ander tonen hoeven elkaar niet uit te sluiten. Je bent nou eenmaal niet alleen op de wereld (want anders kon je namelijk wel alles zeggen, maar dan was er weer niemand die luisterde enzovoort enzoverder) en rekening houden met de gevoelens van anderen is wel zo betamelijk.
Dit hele debat is overigens een gebed zonder eind, want hoe harder je roept dat je mag zeggen wat je vindt, hoe meer je laat weten dat je je bedreigd voelt. Anders gezegd: heel hard roepen dat iets je niet kan schelen duidt in deze sociale structuur op geldingsdrang, wat code is voor angst, geuit in een geforceerd-ontspannen en (en, niet maar) zéér defensieve houding. Ergo: angst, geldingsdrang, defensief. En we zijn weer terug bij af. Hoe dat werkt? Lees vooral verder.
De aanleiding voor mijn eigen kleine geforceerd-ontspannen uitbarsting zijn drie ontmoetingen van deze week. Drie mensen in mijn directe omgeving zeiden mij dat ze mijn blog (weer) eens ter hand gingen nemen. De eerste was mijn moeder, die ik niet graag teleurstel of ontrief. De tweede was mijn vriendinnetje Emy, wiens professionele en persoonlijke opinie ik zeer hoog acht. De laatste was een jongen die een tajine bij mij kocht, voor zijn moeder. Hij was onder de indruk van mijn vaardigheden met touw – graag imponeer ik hem ook met mijn teksten.
Deze drie toezeggingen, oh lezer, maakte dat ik plotseling na ging denken over hoe ik overkom in mijn blog. Mijn ouders en Emy kénnen mij, de tajinejongen niet. Het zijn alle vier intelligente mensen, die heus begrijpen dat mijn blog een bewerkte versie van een werkelijkheid is, en dat ik mijn blog niet ben. Dat neemt de angst maar gedeeltelijk weg. Sinds ik met mijn neus op de (blog)feiten ben gedrukt (Bewijslast) ben ik voorzichtiger met het opgeven van mijn blogadres.
Want staat er niet duidelijk op mijn blog dat het een persoonlijk document is? Is de transformatie van mijn gedachten naar tekst en narratief niet al een vorm van censuur- moet dat nog strakker? Als het zo persoonlijk is, waarom staat het dan online? En als ik bang ben voor reputatieschade, waarom dan überhaupt publiceren? Maar wat is het doel van de indekking 'persoonlijk' als ik geen hard standpunt in kan nemen?! Dilemma's, lezer, dilemma's! Ik wil niemand (mijzelf nog het minst) schaden met mijn stukken, en evenmin ontneem ik mijzelf graag het 'recht' op ongedwongen schrift. Gisteren nog zag ik echter een voorbeeld van een verkeerd geplaatst woord met grote gevolgen: de hoofdredacteur van de Jackie trad af na een uit de hand gelopen publicatie omtrent zangeres Rihanna. Ik zal hier het gewraakte woord niet herhalen, maar de hele sneeuwbal rond het woord bevatte een flinke steen voor mevrouw Hoeke. En ik durf te stellen dat als ze had geweten wat dit woord voor gevolgen had gehad, ze het niet geplaatst had, temeer omdat haar intenties niet slecht waren. Maar zoals Roland Barthes al heeft gesteld: in een tekst gaat het niet om de auteursintentie, maar om de lezersinterpretatie. Al heb ik zijn theorie wat opportunistisch gebruikt, ze gaat hier wel degelijk op.
(Voor de liefhebber: Gevolgen van een scheldwoord)
Wel, ik schrijf nu eenmaal graag. En hoewel ik het soms betreur dat mijn lezerspubliek niet zo groot is als dat van de Jackie biedt het andere zekerheden. Eerlijk is eerlijk, ik koester het label 'persoonlijk' als een warme deken. Het geeft me de valse zekerheid dat als ik ooit word aangesproken op mijn woorden, ik de verantwoording kan afschuiven op 'persoonlijke' en daarmee 'onverdedigbare' (want ongenaakbare) gronden. Ergens kan ik me echter voorstellen dat voor iemand die de schrijver niet kent de persoon achter de stukken overkomt als een rancuneuze, behaagzieke quasi-bourgeois met een hoop zelfmedelijden, een rampzalig liefdesleven en teveel tijd. Dat is toch spijtig, en best een hoge prijs voor 'persoonlijke (bestaat er andere?) vrijheid van meningsuiting'.
Om de schade te beperken doe ik dus het enige wat ik kan: ik probeer zoveel mogelijk rekening te houden met mijn eigen standplaatsgebondenheid, en mijn grenzen te erkennen en te bewaken. Ik hoef niet het leed van de wereld op me te nemen, altijd voor ieders standpunt begrip te tonen, alles van alle kanten te analyseren uit angst onevenwichtig te lijken. Ik gun mijzelf het recht op mijn gevoelens van verontwaardiging, verdriet, ongeloof, boosheid, spijt, verliefdheid, hoop. Deze blog is mijn uitlaatklep, niet die van alle anderen die ik er een rol in gun. Als je (ik) geen enkel scherp stijlmiddel meer mag gebruiken en altijd met ieders gevoelens rekening moet houden, wil ook niemand je (mijn) stukken lezen. En als ik mag kiezen ben ik liever te scherp dan een zijden sok.
No guts, no glory, want in tijden van verdediging doet het Engels het altijd beter. Mijn moeder blijft toch wel van me houden, en ik hoop dat ik mijn lezers kan vertrouwen in hun uitgestelde oordeel. Dus grijp ik hier de gelegenheid die Eva Hoeke niet kreeg: een oproep om de geschetste context niet uit het oog te verliezen. Vergeet Roland B. en denk aan mij, want ik denk ook aan u. De cirkel van defensiviteit omringt de mening immers altijd, daartegen verzet bieden is zinloos. Uiteindelijk gaat het allemaal om gezichtspunten en die hoeven niet gedeeld te worden. Voor al het andere zijn er zonnebrillen.
dinsdag 13 december 2011
Deur
Op saaie momenten wijdt het gros van Nederland zich tot de infotainmentsite nu.nl. Persoonlijk prefereer ik het Britse dailymail.co.uk voor mijn dagelijkse portie sleaze & dirt. Daarom weet ik ook altijd trivia vóór ze in Nederland bekend zijn, van mensen die in Nederland geen bel doen rinkelen.
Zinvol? High-brow? Zeker niet. Maar aangezien ik de Nederlandse celeb-scene dodelijk saai vind en nu.nl nooit sappige foto's heeft, wijk ik uit naar het buitenland.
Zo viel mijn oog op een artikel over een man die na de eerste date de dame in kwestie een anderhalf duizend woorden (!!) tellende mail had geschreven. Zijn date had namelijk niet meer gereageerd op zijn aanhoudende belletjes en sms-berichten. En hij wilde weten waarom. Ik zal u het plezier van het lezen van de mail niet helemaal ontnemen, maar hij voelde zich vooral gegriefd en misleid omdat hij vond dat ze duidelijke positieve signalen had afgegeven, die er op wezen dat ze met hem verder wilde.
(Voor de liefhebber: de mail in kwestie)
Ergens, lezer, kan ik sympathie opbrengen voor de man. Zoals u in de mail kunt lezen verexcuseert hij zich uitvoerig voor het medium mail en erkent dat woorden op papier de intonatie en gelaatsuitdrukkingen van een gesprek missen. Hij geeft zijn date zelfs nog 'kans' het nog eens met hem te proberen, als ze maar zou willen!
Wat opvalt, is dat hij spreekt over 'universele signalen' die hij van haar heeft opgevangen (zoals het spelen met haar haar, en het oogcontact) die hij heeft geïnterpreteerd als interesse in hem. En dit, oh lezer, is kenmerkend voor de amoureuze blindheid. Als je iemand leuk vindt, zie je wat je wil zien en geef je daar een meest positieve draai aan. Daar kan ik dan wel weer over meepraten, al heb ik nog nooit een man na een date gestalkt met een 1500 woorden tellend bericht. De mail van hierboven heeft dan ook niets met onderstaand relaas te maken. Wel kan ik u iets anders opbiechten: ik heb weleens een date geënsceneerd.
De man in kwestie sprak mij als eerste aan op een moment dat ik er niet op verdacht was. Hij was wel mijn type: lang, donkerharig. Hij verraste me nogal door me bij mijn volledige naam aan te spreken en iets te vragen over mijn woonplaats en ik schrok daarvan: ondanks mijn blog ben ik erg op mijn privacy gesteld en ik vond het niet zo leuk dat hij van alles van mij leek te weten, terwijl ik niet wist wie hij was. Toch kwam ik hem telkens tegen en hij maakte iets in me los waarvan ik niet zo goed wist wat ik ermee aan moest. We spraken elkaar nooit meer sinds die dag, maar ik vond het altijd erg fijn om hem te zien, dat wel. Ik dacht ook te merken dat hij mij wel leuk vond, maar achteraf bekeken was dat misschien niet zo.
Afijn, na zo'n vijf jaar van draaien besloot ik dat ik er toch maar iets mee moest gaan doen. Het was niet zo dat ik op hem gefixeerd was of niet naar andere mannen keek, maar ik bleef gewoon een zwak voor hem houden. We kenden elkaar echter niet, dus het kon ook zo maar zijn dat de crush die ik op hem had, gebaseerd was op borstelige wenkbrauwen, een groot voorhoofd en wat hete lucht. Om de zaken nog gecompliceerder te maken spotte ik hem regelmatig met een meisje dat in de verte wel iets van mij weg had. Ze was bruin en enthousiast, net als ik. Ik zou me verder niet met haar willen identificeren (ze had een tandvleeslach) maar het feit dat hij haar type leuk vond maakte dat ik dacht dat hij ook wel op mij zou kunnen vallen. Of zij überhaupt amoureus involved waren weet ik tot op de dag van vandaag niet, maar het besef dat mijn kansen konden keren werd ineens realiteit. Dat ik hen over vijf jaar achter een kinderwagen zou zien lopen en me dan nog eens af zou vragen 'wat-als....' of erger, 'dat had ik kunnen zijn', maakte dat ik besloot actie te nemen.
Ik stuurde hem een uitvoerig bekroond stuk literatuur met een cryptische tekst op het voorblad en hoopte er het beste van. De thematiek van het boek was zodanig dat ik, in mijn optimisme, zeker wist dat hij aan mij zou denken als hij het zou lezen. Na een kleine maand stuurde ik hem een tweede boek met de instructie het me terug te brengen in een kroeg.
Het was het leukste en gewaagdste wat ik ooit voor een man had gedaan. Het ging verder dan meisjesachtig betamelijk was. Maar als ik hiermee een eind kon maken aan de twijfel, was het het waard. Ook als het niets zou worden, wist ik zeker dat ik er alles aan gedaan had om het te laten werken. Inmiddels weet ik wat ik toen nog niet wilde geloven: als een man je wil, stapt hij wel op je af. Toen dacht ik nog dat hij misschien verlegen was, of niet zeker wist of ik hem leuk vond. Nou, dat wist hij dan hierna. Als het slaagde: prima. Als het niets werd: ook goed, dan kon ik nu écht verder, zonder wroeging over kinderwagens of lichaamstypes. Voor het eerst in mijn amoureuze leven zou ik harde actie nemen voor iemand die ik wilde, in plaats van de kans voorbij te laten gaan en mijn tijd te verspillen met twijfelen, zwijmelen en dagdromen.
Lieve lezer, dat pakte even anders uit dan ik dacht. Ik had kunnen weten dat het niets zou worden toen hij bij een eerste blik op mij vroeg: 'Kom je niet in opdracht van iemand anders?' Waarop ik, naïef en zonder de implicatie van deze woorden te willen snappen, verrast en ontkennend antwoordde. Vervolgens deed hij alsof hij mijn naam niet meer wist, of misschien wist hij 'm echt niet meer. Ook zei hij dat hij het 'dapper' van me vond en we gingen naar binnen voor een biertje.
We spraken over koetjes en kalfjes en hoewel ik vond dat het niet zo soepeltjes verliep als ik had gedacht, weet ik dat aan de aan beide kanten aanwezige nervositeit. Het gesprek kwam niet goed van de grond, omdat we eigenlijk niet veel gemeen hadden. Ik had me had verkeken op zijn aandacht voor mij, wat, achteraf gezien, logisch was. Hij had het boek, dat boek dat ik hem met zoveel zorg had toegestuurd, niet gelezen. 'Ik piekerde me suf over wie het geweest zou kunnen zijn en dacht aan een slechte grap. Ik verdacht al mijn exen...' Toen ik hem vroeg of hij zo'n lijst van rancuneuze exen had, ontkende hij. Dat hij het boek niet eens gelezen had, vond ik wel een beetje dom.
Ik schilder het nu af als een date from hell, maar dat was het niet, hoor. Hij was best onderhoudend, stelde oprecht geïnteresseerde vragen, vertelde over zijn leven en we zaten inmiddels aan drankje nummer drie. Zo vreselijk vond hij het dus niet en ik evenmin. Ik merkte gewoon dat we, ondanks wederzijdse inspanningen, niet op een lijn zaten - en dat werd steeds erger.
Het begon met de onthulling dat hij binnen anderhalve maand op reis zou gaan om onderzoek te doen. 'Waarom doe je dit, ik bedoel, waarom doe je dit nu?' Ik legde uit dat ik al een tijdje twijfels had en wilde kijken of mijn gevoelens gegrond waren. 'Want ik ga over zes weken naar het buitenland. Ik vroeg me af... want als je mijn hyvesprofiel in de gaten had gehouden, had je kunnen zien dat ik over zes weken vertrek....'
Het zal mijn taalkundige gevoeligheid wel geweest zijn, maar hij scoorde hier geen punten mee. We waren geen hyvesvrienden, dus ik zou helemaal niets zien, en ik had wel wat beters te doen dan zijn hyvesprofiel te checken op onregelmatigheden. Het was des te beter dat ik het nú deed, vóór hij naar zijn onderzoekslocatie was vertrokken, al wist ik daar niets van. Dank aan de voorzienigheid. Zijn voortdurende suggestie dat hij mijn zon, mijn maan en mijn sterrenhemel was ergerde me meer en meer. Nogmaals, ik denk dat een deel van mijn irritatie werd veroorzaakt door zijn onachtzame en directe woordkeus, maar kom óp, nee toch? Ik vond hem wel leuk, maar er zijn grenzen. Wat hij me eigenlijk verweet, was dat ik niet obsessief genoeg was geweest... strangé!
Toen hij me vroeg naar hoe ik op het idee was gekomen, kwam dit nog eens naar voren.
'Maar je had me geen boek hoeven sturen, ik bedoel, je had toch ook gewoon voor mijn deur kunnen gaan liggen, ofzo?'
Ik verzin dit niet, lieve lezer. Maar mijn incasseringsvermogen is groot, dat weet u inmiddels, en hij was nou eenmaal geen woordkunstenaar of enthousiaste lezer. Ik zou hem zeker niet dom willen noemen, hij deed zijn best en in zijn eigen vakgebied was hij ongetwijfeld heel briljant. Maar mijn talige zachtaardigheid en zijn ruwe metaforen waren op z'n minst zeer incompatibel.
Ik was dat akkefietje met mijn naam nog niet vergeten, ('Moeten wij elkaar ergens van kennen? Hoe heet jij ook alweer? Deirdre, toch?') bovendien sloeg ik bijna steil achterover van de absurditeit van dat voorstel. Hij bedoelde het vast niet zo erg als het klonk, maar het was de derde of vierde keer dat hij suggereerde dat ik beter mijn best had moeten doen. Luister, vader: zo heet ben je echt niet. In plaats van de ontspannen en soepele date die ik graag had gewild, werd de sfeer nu bijna vijandig. Ik kon mijn sarcasme niet meer onderdrukken, al betekende dat dat ik wellicht mijn eigen glazen in zou gooien.
'Vond je het opsturen van een boek niet origineel genoeg? En je zei net dat je me niet kende en niet wist wie ik was! Dus dat zou betekenen dat ik je gangen nauwlettend zou moeten nagaan, terwijl je me niet eens kent. Dat zou wel heel eng en behoorlijk obsessief geweest zijn, hè? Wat zou ik bovendien opschieten met het volgen van je doen en laten – ik doe graag andere dingen, zeker in de winter, en blijf graag strafbladvrij...'
Het was duidelijk dat we elkaar echt niet begrepen. Ik denk dat hij naast nieuwsgierig ook geschrokken was van het boek en geen hoogte kon krijgen van de ernst van mijn crush op hem. Maar als hij dacht dat ik geobsedeerd was door hem en zijn leven, zoals hij suggereerde, zou ik hem moeten teleurstellen. Gelukkig verontschuldigde hij zich nog voor zijn lompe binnenkomer, maar het kwaad was al geschied en ik kon niet anders dan hem daar gelijk in geven: hij was lomp geweest. Hij zei nogmaals dat hij het erg dapper vond wat ik gedaan had, en ik wenste hem een goede onderzoeksperiode. En zei dat als hij een tweede date wilde, hij me kon bellen, maar als hij niets meer van zich liet horen, ik ook genoeg wist. Op dat moment wist ik niet zeker of ik wel een tweede date wilde, maar weet dat aan de spanning, stress en de miscommunicatie. Het fijne was dat ik wist dat als ik binnen zes weken niets hoorde, ik niet meer hoefde te hopen. Ik had er alles aan gedaan om het te laten slagen.
De zes weken gingen voorbij. Er ging twee jaar voorbij. Laatst kwam hij met een vriend langs op mijn werk en heeft mij angstvallig vermeden. De vriend, die eigenlijk heel leuk was, keek mij breed grijnzend aan. Ik weet niet wat hij weet, maar heb maar neutraal-welwillend teruggekeken. Mijn date wist waar ik werkte en had dus niet langs hoeven komen. Als je het over dapper zijn hebt, was een 'hoi' voldoende geweest, maar zelfs dat was teveel. Maar goed, hij zal daar zo zijn redenen voor hebben gehad. Het is makkelijk om hier de scorned woman uit te hangen, en hoe meer ik hem zwart maak, hoe zwarter ik zelf word. Hij heeft niets verkeerd gedaan, op wat ongelukkige formuleringen na. Hij wilde niet, en dat is zijn goed recht. Niet de hele wereld wil mij. En hij heeft zich tijdens de date als een gentleman gedragen – dat is ook wat waard.
Om terug te komen op de aanleiding voor dit stuk: amoureuze blindheid kan je een werkelijkheid voorschotelen die niet overeenstemt met de werkelijkheid zoals ánderen die ervaren.
(Overigens: zoals de mailschrijver het spelen met je haar categoriseert als 'universeel symbool' is ook het niet terugbellen na een eerste date een universeel symbool. Alleen wenst hij dat niet te zien. Toegegeven, er zijn vele manieren om te laten weten dat je verder contact niet ziet zitten en stilte - zonder afspraken daarover - is niet de netste. Wat de mailschrijver heeft gedaan is echter evenmin netjes, of hoffelijk.)
En de moraal van dit verhaal? Twee dingen: zekerheid biedt troost, en verliefdheid vertroebelt je oordeel. We've all been there. Maar u weet wat het spreekwoord zegt: waar een deur sluit, gaat er een andere open.
Zinvol? High-brow? Zeker niet. Maar aangezien ik de Nederlandse celeb-scene dodelijk saai vind en nu.nl nooit sappige foto's heeft, wijk ik uit naar het buitenland.
Zo viel mijn oog op een artikel over een man die na de eerste date de dame in kwestie een anderhalf duizend woorden (!!) tellende mail had geschreven. Zijn date had namelijk niet meer gereageerd op zijn aanhoudende belletjes en sms-berichten. En hij wilde weten waarom. Ik zal u het plezier van het lezen van de mail niet helemaal ontnemen, maar hij voelde zich vooral gegriefd en misleid omdat hij vond dat ze duidelijke positieve signalen had afgegeven, die er op wezen dat ze met hem verder wilde.
(Voor de liefhebber: de mail in kwestie)
Ergens, lezer, kan ik sympathie opbrengen voor de man. Zoals u in de mail kunt lezen verexcuseert hij zich uitvoerig voor het medium mail en erkent dat woorden op papier de intonatie en gelaatsuitdrukkingen van een gesprek missen. Hij geeft zijn date zelfs nog 'kans' het nog eens met hem te proberen, als ze maar zou willen!
Wat opvalt, is dat hij spreekt over 'universele signalen' die hij van haar heeft opgevangen (zoals het spelen met haar haar, en het oogcontact) die hij heeft geïnterpreteerd als interesse in hem. En dit, oh lezer, is kenmerkend voor de amoureuze blindheid. Als je iemand leuk vindt, zie je wat je wil zien en geef je daar een meest positieve draai aan. Daar kan ik dan wel weer over meepraten, al heb ik nog nooit een man na een date gestalkt met een 1500 woorden tellend bericht. De mail van hierboven heeft dan ook niets met onderstaand relaas te maken. Wel kan ik u iets anders opbiechten: ik heb weleens een date geënsceneerd.
De man in kwestie sprak mij als eerste aan op een moment dat ik er niet op verdacht was. Hij was wel mijn type: lang, donkerharig. Hij verraste me nogal door me bij mijn volledige naam aan te spreken en iets te vragen over mijn woonplaats en ik schrok daarvan: ondanks mijn blog ben ik erg op mijn privacy gesteld en ik vond het niet zo leuk dat hij van alles van mij leek te weten, terwijl ik niet wist wie hij was. Toch kwam ik hem telkens tegen en hij maakte iets in me los waarvan ik niet zo goed wist wat ik ermee aan moest. We spraken elkaar nooit meer sinds die dag, maar ik vond het altijd erg fijn om hem te zien, dat wel. Ik dacht ook te merken dat hij mij wel leuk vond, maar achteraf bekeken was dat misschien niet zo.
Afijn, na zo'n vijf jaar van draaien besloot ik dat ik er toch maar iets mee moest gaan doen. Het was niet zo dat ik op hem gefixeerd was of niet naar andere mannen keek, maar ik bleef gewoon een zwak voor hem houden. We kenden elkaar echter niet, dus het kon ook zo maar zijn dat de crush die ik op hem had, gebaseerd was op borstelige wenkbrauwen, een groot voorhoofd en wat hete lucht. Om de zaken nog gecompliceerder te maken spotte ik hem regelmatig met een meisje dat in de verte wel iets van mij weg had. Ze was bruin en enthousiast, net als ik. Ik zou me verder niet met haar willen identificeren (ze had een tandvleeslach) maar het feit dat hij haar type leuk vond maakte dat ik dacht dat hij ook wel op mij zou kunnen vallen. Of zij überhaupt amoureus involved waren weet ik tot op de dag van vandaag niet, maar het besef dat mijn kansen konden keren werd ineens realiteit. Dat ik hen over vijf jaar achter een kinderwagen zou zien lopen en me dan nog eens af zou vragen 'wat-als....' of erger, 'dat had ik kunnen zijn', maakte dat ik besloot actie te nemen.
Ik stuurde hem een uitvoerig bekroond stuk literatuur met een cryptische tekst op het voorblad en hoopte er het beste van. De thematiek van het boek was zodanig dat ik, in mijn optimisme, zeker wist dat hij aan mij zou denken als hij het zou lezen. Na een kleine maand stuurde ik hem een tweede boek met de instructie het me terug te brengen in een kroeg.
Het was het leukste en gewaagdste wat ik ooit voor een man had gedaan. Het ging verder dan meisjesachtig betamelijk was. Maar als ik hiermee een eind kon maken aan de twijfel, was het het waard. Ook als het niets zou worden, wist ik zeker dat ik er alles aan gedaan had om het te laten werken. Inmiddels weet ik wat ik toen nog niet wilde geloven: als een man je wil, stapt hij wel op je af. Toen dacht ik nog dat hij misschien verlegen was, of niet zeker wist of ik hem leuk vond. Nou, dat wist hij dan hierna. Als het slaagde: prima. Als het niets werd: ook goed, dan kon ik nu écht verder, zonder wroeging over kinderwagens of lichaamstypes. Voor het eerst in mijn amoureuze leven zou ik harde actie nemen voor iemand die ik wilde, in plaats van de kans voorbij te laten gaan en mijn tijd te verspillen met twijfelen, zwijmelen en dagdromen.
Lieve lezer, dat pakte even anders uit dan ik dacht. Ik had kunnen weten dat het niets zou worden toen hij bij een eerste blik op mij vroeg: 'Kom je niet in opdracht van iemand anders?' Waarop ik, naïef en zonder de implicatie van deze woorden te willen snappen, verrast en ontkennend antwoordde. Vervolgens deed hij alsof hij mijn naam niet meer wist, of misschien wist hij 'm echt niet meer. Ook zei hij dat hij het 'dapper' van me vond en we gingen naar binnen voor een biertje.
We spraken over koetjes en kalfjes en hoewel ik vond dat het niet zo soepeltjes verliep als ik had gedacht, weet ik dat aan de aan beide kanten aanwezige nervositeit. Het gesprek kwam niet goed van de grond, omdat we eigenlijk niet veel gemeen hadden. Ik had me had verkeken op zijn aandacht voor mij, wat, achteraf gezien, logisch was. Hij had het boek, dat boek dat ik hem met zoveel zorg had toegestuurd, niet gelezen. 'Ik piekerde me suf over wie het geweest zou kunnen zijn en dacht aan een slechte grap. Ik verdacht al mijn exen...' Toen ik hem vroeg of hij zo'n lijst van rancuneuze exen had, ontkende hij. Dat hij het boek niet eens gelezen had, vond ik wel een beetje dom.
Ik schilder het nu af als een date from hell, maar dat was het niet, hoor. Hij was best onderhoudend, stelde oprecht geïnteresseerde vragen, vertelde over zijn leven en we zaten inmiddels aan drankje nummer drie. Zo vreselijk vond hij het dus niet en ik evenmin. Ik merkte gewoon dat we, ondanks wederzijdse inspanningen, niet op een lijn zaten - en dat werd steeds erger.
Het begon met de onthulling dat hij binnen anderhalve maand op reis zou gaan om onderzoek te doen. 'Waarom doe je dit, ik bedoel, waarom doe je dit nu?' Ik legde uit dat ik al een tijdje twijfels had en wilde kijken of mijn gevoelens gegrond waren. 'Want ik ga over zes weken naar het buitenland. Ik vroeg me af... want als je mijn hyvesprofiel in de gaten had gehouden, had je kunnen zien dat ik over zes weken vertrek....'
Het zal mijn taalkundige gevoeligheid wel geweest zijn, maar hij scoorde hier geen punten mee. We waren geen hyvesvrienden, dus ik zou helemaal niets zien, en ik had wel wat beters te doen dan zijn hyvesprofiel te checken op onregelmatigheden. Het was des te beter dat ik het nú deed, vóór hij naar zijn onderzoekslocatie was vertrokken, al wist ik daar niets van. Dank aan de voorzienigheid. Zijn voortdurende suggestie dat hij mijn zon, mijn maan en mijn sterrenhemel was ergerde me meer en meer. Nogmaals, ik denk dat een deel van mijn irritatie werd veroorzaakt door zijn onachtzame en directe woordkeus, maar kom óp, nee toch? Ik vond hem wel leuk, maar er zijn grenzen. Wat hij me eigenlijk verweet, was dat ik niet obsessief genoeg was geweest... strangé!
Toen hij me vroeg naar hoe ik op het idee was gekomen, kwam dit nog eens naar voren.
'Maar je had me geen boek hoeven sturen, ik bedoel, je had toch ook gewoon voor mijn deur kunnen gaan liggen, ofzo?'
Ik verzin dit niet, lieve lezer. Maar mijn incasseringsvermogen is groot, dat weet u inmiddels, en hij was nou eenmaal geen woordkunstenaar of enthousiaste lezer. Ik zou hem zeker niet dom willen noemen, hij deed zijn best en in zijn eigen vakgebied was hij ongetwijfeld heel briljant. Maar mijn talige zachtaardigheid en zijn ruwe metaforen waren op z'n minst zeer incompatibel.
Ik was dat akkefietje met mijn naam nog niet vergeten, ('Moeten wij elkaar ergens van kennen? Hoe heet jij ook alweer? Deirdre, toch?') bovendien sloeg ik bijna steil achterover van de absurditeit van dat voorstel. Hij bedoelde het vast niet zo erg als het klonk, maar het was de derde of vierde keer dat hij suggereerde dat ik beter mijn best had moeten doen. Luister, vader: zo heet ben je echt niet. In plaats van de ontspannen en soepele date die ik graag had gewild, werd de sfeer nu bijna vijandig. Ik kon mijn sarcasme niet meer onderdrukken, al betekende dat dat ik wellicht mijn eigen glazen in zou gooien.
'Vond je het opsturen van een boek niet origineel genoeg? En je zei net dat je me niet kende en niet wist wie ik was! Dus dat zou betekenen dat ik je gangen nauwlettend zou moeten nagaan, terwijl je me niet eens kent. Dat zou wel heel eng en behoorlijk obsessief geweest zijn, hè? Wat zou ik bovendien opschieten met het volgen van je doen en laten – ik doe graag andere dingen, zeker in de winter, en blijf graag strafbladvrij...'
Het was duidelijk dat we elkaar echt niet begrepen. Ik denk dat hij naast nieuwsgierig ook geschrokken was van het boek en geen hoogte kon krijgen van de ernst van mijn crush op hem. Maar als hij dacht dat ik geobsedeerd was door hem en zijn leven, zoals hij suggereerde, zou ik hem moeten teleurstellen. Gelukkig verontschuldigde hij zich nog voor zijn lompe binnenkomer, maar het kwaad was al geschied en ik kon niet anders dan hem daar gelijk in geven: hij was lomp geweest. Hij zei nogmaals dat hij het erg dapper vond wat ik gedaan had, en ik wenste hem een goede onderzoeksperiode. En zei dat als hij een tweede date wilde, hij me kon bellen, maar als hij niets meer van zich liet horen, ik ook genoeg wist. Op dat moment wist ik niet zeker of ik wel een tweede date wilde, maar weet dat aan de spanning, stress en de miscommunicatie. Het fijne was dat ik wist dat als ik binnen zes weken niets hoorde, ik niet meer hoefde te hopen. Ik had er alles aan gedaan om het te laten slagen.
De zes weken gingen voorbij. Er ging twee jaar voorbij. Laatst kwam hij met een vriend langs op mijn werk en heeft mij angstvallig vermeden. De vriend, die eigenlijk heel leuk was, keek mij breed grijnzend aan. Ik weet niet wat hij weet, maar heb maar neutraal-welwillend teruggekeken. Mijn date wist waar ik werkte en had dus niet langs hoeven komen. Als je het over dapper zijn hebt, was een 'hoi' voldoende geweest, maar zelfs dat was teveel. Maar goed, hij zal daar zo zijn redenen voor hebben gehad. Het is makkelijk om hier de scorned woman uit te hangen, en hoe meer ik hem zwart maak, hoe zwarter ik zelf word. Hij heeft niets verkeerd gedaan, op wat ongelukkige formuleringen na. Hij wilde niet, en dat is zijn goed recht. Niet de hele wereld wil mij. En hij heeft zich tijdens de date als een gentleman gedragen – dat is ook wat waard.
Om terug te komen op de aanleiding voor dit stuk: amoureuze blindheid kan je een werkelijkheid voorschotelen die niet overeenstemt met de werkelijkheid zoals ánderen die ervaren.
(Overigens: zoals de mailschrijver het spelen met je haar categoriseert als 'universeel symbool' is ook het niet terugbellen na een eerste date een universeel symbool. Alleen wenst hij dat niet te zien. Toegegeven, er zijn vele manieren om te laten weten dat je verder contact niet ziet zitten en stilte - zonder afspraken daarover - is niet de netste. Wat de mailschrijver heeft gedaan is echter evenmin netjes, of hoffelijk.)
En de moraal van dit verhaal? Twee dingen: zekerheid biedt troost, en verliefdheid vertroebelt je oordeel. We've all been there. Maar u weet wat het spreekwoord zegt: waar een deur sluit, gaat er een andere open.
Labels:
date,
kroeg,
liefde,
man,
omgangsvormen,
oordelen,
overpeinzing,
relaties,
verwachtingen
maandag 12 december 2011
Vrucht(eloos)
Uit een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek is gebleken dat er nu meer vrouwen dan mannen aan hoger onderwijs deelnemen: er zitten meer vrouwen dan mannen op een HBO of universiteit. Dit verbaast me niet. Ondanks alle feministische golven (zitten we nu niet in de vierde?) en strijd om gelijke betaling bij gelijk werk, heb je als meisje eigenlijk geen toekomst meer als je na de middelbare school niet gaat studeren.
Dat zit zo: zodra je van de middelbare school afkomt en je de keus maakt te gaan werken zonder vervolgopleiding vervalt vrijwel al het verschil tussen de onderwijstypen. Het verschil tussen meisje en jongen blijft echter wel bestaan. Als persoon zonder hogere opleiding kom je in zogenaamd 'ongeschoold werk' terecht waarin het niet meer zoveel uitmaakt of je met een VWO-, HAVO-, of VBMO-T- diploma je school verliet. Veel uren, fysiek zwaarder en vaak eentonig werk tegen het minimumloon. Als je een vrouw bent heb je vervolgens pech, want ouder worden of ervaring kweken in je baan zal je niet zo goed helpen als het mannen met dezelfde startpositie zou doen. In dat opzicht verschillen vrouwen nou eenmaal sowieso van mannen, hoogopgeleid of niet. Dat verschil heeft te maken met tradities, en met kinderen.
Ik heb het al eerder gezegd: al krijg je een kind met de meest flexibele en voorkomende man op aarde: zwangerschap (en eventueel borstvoeding) moet je als vrouw toch echt zelf doen. Bovendien is zwangerschap best een aanslag op je lichaam. Ik ken slechts één voorbeeld van een minister (de Franse minister Rachida Dati van Justitie) die geen zwangerschapsverlof opnam, haar kind via een (geplande?) keizersnede ter wereld bracht en vijf dagen later (!!) weer aan het werk was. Maar dat zijn de uitzonderingen. Kinderen krijgen betekent niet voorgoed het einde van je carrière, maar de opgelopen achterstand – in vergelijking met kinderloze vrouwen of mannen – wordt nooit meer helemaal ingehaald. En aangezien 1) de meeste vrouwen hun kinderen niet iedere dag naar de crèche/grootouders/BSO willen brengen en 2) ze minder verdienen dan mannen, dus het rendabeler is om zelf minder te gaan werken in plaats van dat de man dat doet (want kinderen kosten KLAUWEN met geld) is de keus voor een part-time baan snel gemaakt. En we weten allemaal dat je met part-time uren draaien veel minder makkelijk carrière maakt. En dus ook minder makkelijk een hoger salaris krijgt. En zo is de cirkel met al haar uitlopers weer rond.
Het punt hier, lieve lezer? Om als vrouw nog een beetje inkomen te genereren, moet je wel gaan studeren. Als je er voor kiest kinderloos te blijven zijn de gevolgen nog te beperken, maar kinderen en een carrière – net zo eentje als mannen hebben – kun je vergeten. Dat wil niet zeggen dat je zou hoeven kiezen of dat een vrouwencarrière minder waard is, zolang je je maar neer kan leggen bij dit verschil.
Hoogopgeleide vrouwen krijgen vaak minder en later kinderen dan vrouwen met minder opleiding. Ik denk dat dat minstens twee oorzaken heeft. Enerzijds kost opleiding krijgen tijd en geld. Iemand die op haar zeventiende van de HAVO afkomt en direct gaat werken is op haar twintigste wel toe aan een kind, terwijl iemand die op haar zeventiende van de HAVO afkomt, dan een jaar HBO doet en daarna nog een universitaire studie inclusief bestuursjaar, jaartje buitenland en een beetje freewheelen er op haar vierentwintigste misschien eens aan gaat denken. Ware het niet dat ze dan om zich heen ziet dat iedere kinderloze vrouw nog promotie maakt en ze dan besluit er nog maar even mee te wachten. En daaruit komt punt twee: een kind komt nooit uit. Tegen de tijd dat bij de meeste vrouwen de kinderwens (weer) sterker is geworden dan de carrièrewens, lukt het vaak niet meer zo snel om zwanger te raken. Laat staan als je nog een tweede of derde kind wil.
Ik denk dat je als moeder het beste actrice als beroep kunt hebben. De druk om slank te blijven is in de acteerwereld heel hoog. Die is overal heel hoog, maar waar je als dikke advocaat je ambt nog gewoon kunt uitoefenen, kun je een carrière als succesvol actrice op je dikke buik schrijven. Dus je zorgt dat je binnen no-time die buik hebt weggetraind. Het kind kan mee naar de set en jij kan werken als het kind slaapt. En aangezien je niet betaald wordt als je niet werkt en geen rollen krijgt als je niet slank blijft, ben je altijd lekker fit! Perfect.
Maar als je geen actrice bent, dan rijst de vraag: wanneer? Een paar jaar geleden las ik in het NRC een stuk van een dame die pleitte voor het krijgen van een kind tijdens je studie. Waarom? Tegen de tijd dat je klaar bent met je studie is het kind leerplichtig- dat botst dan niet met je werkschema. Bovendien krijg je naast stufi nog meer steun van de staat. Biologisch gezien is het een goed moment om een kind te krijgen. Een kind dwingt je om gezonder te leven. En je kunt fijn veel tijd met je spruit doorbrengen, want relatief volg je weinig uren college.
De realiteit is toch anders. Alle positieve argumenten van de schrijfster ten spijt – waarvan vooral het biologische mij het meest aanspreekt – is een kind krijgen geen sinecure. Allereerst zijn daar de financiën. Al vertrouw je op je stufi, liefdadigheid en God, een kind kost geld, veel geld. Ik denk ook dat het moeilijk studeren is met een (al dan niet huilend) kind op twee meter van je bureau annex slaapbank annex eettafel. Grote kans dat je sjeest. En zwangerschap is niet bijzonder genoeg om te tellen als 'bijzondere omstandigheid', al ben je nog zo verliefd op je eigen kind.
Je mag van geluk spreken als je ten tijde van de geboorte nog samen bent met de vader, want mannen zijn op hun achttiende nog zelden amoureus standvastig. (Al was het maar omdat ze zoveel keus hebben, waarmee ik maar weer op de kern van de zaak wijs.)
Hoe dan ook trekt de komst van het kind (de verantwoordelijkheid, het slaaptekort, het geldgebrek en het sekstekort als gevolg van de stekende hechtingen) onvermijdelijk zijn wissel op je relatie. Je bent te moe om te eten en het kind zuigt je letterlijk leeg, maar hee, je drinkt tenminste niet teveel. Je zou graag uithuilen bij je vriendinnen, maar die hebben tentamens en begrijpen je niet meer. Natuurlijk, ze vinden je kind schattig en willen er best een middagje op passen, bewonderen je om je 'gedurfde keuzes' waar ze zelf 'het lef niet voor zouden hebben' maar als het happy hour in de kroeg begint, blijf jij achter met een bordje koude Bambix. In je haar.
Als je na vier lange jaren (waarin je het for your sake hopelijk bij één kind hebt weten te houden) dan eindelijk klaar bent voor de arbeidsmarkt, is die waarschijnlijk niet (meer) klaar voor jou. Probeer maar eens een parttime baan te vinden op academisch niveau. Da's lastig. En al je ex-studiegenoten zijn al aan het werk, terwijl jij 'onderaan' moet beginnen. Dat is natuurlijk relatief – of je nou drie jaar vrijwilligerswerk in Bhutan gaat doen, een studiegerelateerde burn-out te boven moet komen of een kind krijgt maakt niet zoveel uit – maar je wordt er niet jonger op en dat kind kost alsmaar meer. Zo'n lange 'pauze' is makkelijker te boven te komen als je al eens gewerkt hébt. Kon je 'm vroeger bovendien nog naar je moeder doorschuiven, inmiddels verwacht spruit een antwoord op al zijn talrijke vragen, standjes op zijn driftbuien en applaus voor iedere foeilelijke tekening of van klei gefabriceerde waxinelichtjeshouder.
Mijn advies? Als je dan toch tijdens je studie een kind wil, zorg dan dat je zwanger raakt van je professor. Dan krijg je een slim kind, en de kans is groot dat hij waar hij in zijn huwelijk zijn vrouw alle kindgerelateerde klussen op heeft laten knappen vanwege zijn carrière, hij bij jullie kind veel meer betrokken zal zijn. Hij kan je helpen met je studie. Hij is inmiddels gewend aan het idee vader te zijn en hoeft zich niet meer te verschansen in zijn studeerkamer. Hij heeft nu het geld om educatief speelgoed voor het kind te kopen, zodat die briljante genen tot volle wasdom komen. Als je mazzel hebt is hij net gepensioneerd en heeft hij zeeën van tijd om zijn jongste telg voor te lezen uit de prachtigste boeken. Ideaal.
Negeer het licht verzakte lijf, de schonkige bilpartij, de hortende kamfer-en-teveel-espresso-adem die vanuit een indrukwekkend middelbare romp moet komen en de hoofdhuid die door de lokken schemert. Denk aan de dure wijn die je achter je kiezen hebt, de foto van twintig jaar geleden die je van hem hebt gezien, het collier waarmee hij je het hof maakt (oui, monsieur!) en de intellectuele gesprekken die jullie hebben gevoerd. Zoals ze in Groot-Brittannië zeggen: Lie back and think of England. En dan maar duimen dat het een jongen wordt.
Dat zit zo: zodra je van de middelbare school afkomt en je de keus maakt te gaan werken zonder vervolgopleiding vervalt vrijwel al het verschil tussen de onderwijstypen. Het verschil tussen meisje en jongen blijft echter wel bestaan. Als persoon zonder hogere opleiding kom je in zogenaamd 'ongeschoold werk' terecht waarin het niet meer zoveel uitmaakt of je met een VWO-, HAVO-, of VBMO-T- diploma je school verliet. Veel uren, fysiek zwaarder en vaak eentonig werk tegen het minimumloon. Als je een vrouw bent heb je vervolgens pech, want ouder worden of ervaring kweken in je baan zal je niet zo goed helpen als het mannen met dezelfde startpositie zou doen. In dat opzicht verschillen vrouwen nou eenmaal sowieso van mannen, hoogopgeleid of niet. Dat verschil heeft te maken met tradities, en met kinderen.
Ik heb het al eerder gezegd: al krijg je een kind met de meest flexibele en voorkomende man op aarde: zwangerschap (en eventueel borstvoeding) moet je als vrouw toch echt zelf doen. Bovendien is zwangerschap best een aanslag op je lichaam. Ik ken slechts één voorbeeld van een minister (de Franse minister Rachida Dati van Justitie) die geen zwangerschapsverlof opnam, haar kind via een (geplande?) keizersnede ter wereld bracht en vijf dagen later (!!) weer aan het werk was. Maar dat zijn de uitzonderingen. Kinderen krijgen betekent niet voorgoed het einde van je carrière, maar de opgelopen achterstand – in vergelijking met kinderloze vrouwen of mannen – wordt nooit meer helemaal ingehaald. En aangezien 1) de meeste vrouwen hun kinderen niet iedere dag naar de crèche/grootouders/BSO willen brengen en 2) ze minder verdienen dan mannen, dus het rendabeler is om zelf minder te gaan werken in plaats van dat de man dat doet (want kinderen kosten KLAUWEN met geld) is de keus voor een part-time baan snel gemaakt. En we weten allemaal dat je met part-time uren draaien veel minder makkelijk carrière maakt. En dus ook minder makkelijk een hoger salaris krijgt. En zo is de cirkel met al haar uitlopers weer rond.
Het punt hier, lieve lezer? Om als vrouw nog een beetje inkomen te genereren, moet je wel gaan studeren. Als je er voor kiest kinderloos te blijven zijn de gevolgen nog te beperken, maar kinderen en een carrière – net zo eentje als mannen hebben – kun je vergeten. Dat wil niet zeggen dat je zou hoeven kiezen of dat een vrouwencarrière minder waard is, zolang je je maar neer kan leggen bij dit verschil.
Hoogopgeleide vrouwen krijgen vaak minder en later kinderen dan vrouwen met minder opleiding. Ik denk dat dat minstens twee oorzaken heeft. Enerzijds kost opleiding krijgen tijd en geld. Iemand die op haar zeventiende van de HAVO afkomt en direct gaat werken is op haar twintigste wel toe aan een kind, terwijl iemand die op haar zeventiende van de HAVO afkomt, dan een jaar HBO doet en daarna nog een universitaire studie inclusief bestuursjaar, jaartje buitenland en een beetje freewheelen er op haar vierentwintigste misschien eens aan gaat denken. Ware het niet dat ze dan om zich heen ziet dat iedere kinderloze vrouw nog promotie maakt en ze dan besluit er nog maar even mee te wachten. En daaruit komt punt twee: een kind komt nooit uit. Tegen de tijd dat bij de meeste vrouwen de kinderwens (weer) sterker is geworden dan de carrièrewens, lukt het vaak niet meer zo snel om zwanger te raken. Laat staan als je nog een tweede of derde kind wil.
Ik denk dat je als moeder het beste actrice als beroep kunt hebben. De druk om slank te blijven is in de acteerwereld heel hoog. Die is overal heel hoog, maar waar je als dikke advocaat je ambt nog gewoon kunt uitoefenen, kun je een carrière als succesvol actrice op je dikke buik schrijven. Dus je zorgt dat je binnen no-time die buik hebt weggetraind. Het kind kan mee naar de set en jij kan werken als het kind slaapt. En aangezien je niet betaald wordt als je niet werkt en geen rollen krijgt als je niet slank blijft, ben je altijd lekker fit! Perfect.
Maar als je geen actrice bent, dan rijst de vraag: wanneer? Een paar jaar geleden las ik in het NRC een stuk van een dame die pleitte voor het krijgen van een kind tijdens je studie. Waarom? Tegen de tijd dat je klaar bent met je studie is het kind leerplichtig- dat botst dan niet met je werkschema. Bovendien krijg je naast stufi nog meer steun van de staat. Biologisch gezien is het een goed moment om een kind te krijgen. Een kind dwingt je om gezonder te leven. En je kunt fijn veel tijd met je spruit doorbrengen, want relatief volg je weinig uren college.
De realiteit is toch anders. Alle positieve argumenten van de schrijfster ten spijt – waarvan vooral het biologische mij het meest aanspreekt – is een kind krijgen geen sinecure. Allereerst zijn daar de financiën. Al vertrouw je op je stufi, liefdadigheid en God, een kind kost geld, veel geld. Ik denk ook dat het moeilijk studeren is met een (al dan niet huilend) kind op twee meter van je bureau annex slaapbank annex eettafel. Grote kans dat je sjeest. En zwangerschap is niet bijzonder genoeg om te tellen als 'bijzondere omstandigheid', al ben je nog zo verliefd op je eigen kind.
Je mag van geluk spreken als je ten tijde van de geboorte nog samen bent met de vader, want mannen zijn op hun achttiende nog zelden amoureus standvastig. (Al was het maar omdat ze zoveel keus hebben, waarmee ik maar weer op de kern van de zaak wijs.)
Hoe dan ook trekt de komst van het kind (de verantwoordelijkheid, het slaaptekort, het geldgebrek en het sekstekort als gevolg van de stekende hechtingen) onvermijdelijk zijn wissel op je relatie. Je bent te moe om te eten en het kind zuigt je letterlijk leeg, maar hee, je drinkt tenminste niet teveel. Je zou graag uithuilen bij je vriendinnen, maar die hebben tentamens en begrijpen je niet meer. Natuurlijk, ze vinden je kind schattig en willen er best een middagje op passen, bewonderen je om je 'gedurfde keuzes' waar ze zelf 'het lef niet voor zouden hebben' maar als het happy hour in de kroeg begint, blijf jij achter met een bordje koude Bambix. In je haar.
Als je na vier lange jaren (waarin je het for your sake hopelijk bij één kind hebt weten te houden) dan eindelijk klaar bent voor de arbeidsmarkt, is die waarschijnlijk niet (meer) klaar voor jou. Probeer maar eens een parttime baan te vinden op academisch niveau. Da's lastig. En al je ex-studiegenoten zijn al aan het werk, terwijl jij 'onderaan' moet beginnen. Dat is natuurlijk relatief – of je nou drie jaar vrijwilligerswerk in Bhutan gaat doen, een studiegerelateerde burn-out te boven moet komen of een kind krijgt maakt niet zoveel uit – maar je wordt er niet jonger op en dat kind kost alsmaar meer. Zo'n lange 'pauze' is makkelijker te boven te komen als je al eens gewerkt hébt. Kon je 'm vroeger bovendien nog naar je moeder doorschuiven, inmiddels verwacht spruit een antwoord op al zijn talrijke vragen, standjes op zijn driftbuien en applaus voor iedere foeilelijke tekening of van klei gefabriceerde waxinelichtjeshouder.
Mijn advies? Als je dan toch tijdens je studie een kind wil, zorg dan dat je zwanger raakt van je professor. Dan krijg je een slim kind, en de kans is groot dat hij waar hij in zijn huwelijk zijn vrouw alle kindgerelateerde klussen op heeft laten knappen vanwege zijn carrière, hij bij jullie kind veel meer betrokken zal zijn. Hij kan je helpen met je studie. Hij is inmiddels gewend aan het idee vader te zijn en hoeft zich niet meer te verschansen in zijn studeerkamer. Hij heeft nu het geld om educatief speelgoed voor het kind te kopen, zodat die briljante genen tot volle wasdom komen. Als je mazzel hebt is hij net gepensioneerd en heeft hij zeeën van tijd om zijn jongste telg voor te lezen uit de prachtigste boeken. Ideaal.
Negeer het licht verzakte lijf, de schonkige bilpartij, de hortende kamfer-en-teveel-espresso-adem die vanuit een indrukwekkend middelbare romp moet komen en de hoofdhuid die door de lokken schemert. Denk aan de dure wijn die je achter je kiezen hebt, de foto van twintig jaar geleden die je van hem hebt gezien, het collier waarmee hij je het hof maakt (oui, monsieur!) en de intellectuele gesprekken die jullie hebben gevoerd. Zoals ze in Groot-Brittannië zeggen: Lie back and think of England. En dan maar duimen dat het een jongen wordt.
woensdag 16 november 2011
Bad
Vandaag, reader-dear, het vervolg op de mijmering uit mijn adolescentie. Maakte ik u in een vorig stuk (Douche) nog deelgenoot van een wreed verstoorde pubermeisjesdroom, het volgende relaas is minder nostalgisch en meer liefdevol.
Op de weg naar school kwam ik altijd langs een veldje waar ezels stonden. U weet, ik ben helemaal geen dierenliefhebber, maar deze beesten trokken mij toch aan. Het weilandje bevond zich op een kwart van de route terug en vaak stopte ik even om de ezels te aaien voor ik aan het leeuwendeel van de reis begon. Soms regende het en had ik geen zin om naar huis te fietsen. Soms voelde ik me naar en zocht ik de ezels op om mijn gedachten af te leiden. Soms had ik iets te vieren en voerde ik de ezels naast gras een stukje liefde en geluk. Zoals gezegd, ik houd niet van dieren, maar hun onvoorwaardelijke aanwezigheid maakte dat ik af en toe zelfs tegen ze kletste en als ze er eens niet waren, vond ik dat oprecht jammer.
Dat er bij de weide ook een huis hoorde zag ik wel, en het voelde daarom een beetje stiekem en clandestien om ze te voeren. Ik verwachtte soms een standje van de bewoners van het huis. Maar ik voerde ze niets dan gras – wreedheid jegens dieren vind ik dan weer onnodig – en het waren doodgewone ezeltjes, een tikje suffig en blij met mijn aandacht. En ik dacht dat de mensen van het huis vast leuk zouden zijn - ze hadden een Alfa Romeo, wat getuigt van goede smaak. Rrrrrr.
(Ja, we bevinden ons nog steeds in de vijtienjarigenjarigen-modus. Werkt u even mee...)
Op een regenachtige middag was ik uit verveling de ezels aan het voeren toen er een mevrouw uit het huis kwam. Ze was slank, keurig gekapt, droeg een zwierige rok en haar hele voorkomen straalde klasse en rust uit. Ik schatte haar een jaar of zestig, haar haar was heel mooi bruinrood, ze had een klassiek gezicht en ze had de gezonde teint van iemand die actief is. Ze vroeg of ik een kopje thee wilde. U kan zich mijn aarzeling indenken: een halfjaar daarvóór was er een meisje van mijn leeftijd vermoord in de bossen en ik heb altijd geleerd dat je niet bij vreemden naar binnen moet stappen, al lijken ze nog zo aardig en zijn ze vrouwelijk en in de nazomer van hun leven. Moord komt in vele vormen, op dat vlak ben ik nooit naïef geweest. Maar de vrouw leek zo oprecht dat ik besloot het te doen. En tien minuten later dronk ik zalige thee uit een china-kopje en at ik een choconelly.
De dame, Willy, vertelde dat ze met haar man in het huis woonde en mij wel vaker had zien staan en het heel schattig vond dat ik de ezels voerde. Langzaamaan kon ik me ontspannen en we spraken over koetjes en kalfjes. Na een uurtje vertrok ik weer, helemaal tot rust gekomen en blij dat ik op mijn intuïtie vertrouwd had. Wat wel vaststond, was dat ik dit niet met mijn ouders kon delen. Op die leeftijd wilde ik sowieso niets met mijn ouders delen, maar ik had het gevoel dat ze dit niet zouden begrijpen. Achteraf vraag ik me af waarom dat gevoel zo sterk was, maar ik dacht oprecht dat ze boos zouden worden als ik ze zou vertellen dat ik thee had gedronken met een vreemde mevrouw en nog een koekje had gegeten ook. Iets waarvan ze mij op het hart hadden gedrukt het nooit en te nimmer te doen – ondanks dat ik een hele fijne middag had gehad, voelde het dus verkeerd. (Stom eigenlijk, want als Willy me na de derde keer wél wilde vermoorden, hadden mijn ouders een idee gehad van waar ze zouden kunnen beginnen met zoeken. Het puberbrein kent vele kronkels...)
Natuurlijk kreeg deze theesessie een vervolg. Ik ging niet wekelijks, maar toch wel vrij frequent naar Willy, Berry en hun prachtige huis met de superfragiele china-kopjes. Die hadden wij thuis niet, en choconelly's evenmin. Theedrinken deden we niet op die manier, tenzij er bezoek kwam. En het huis van mijn gastvrouwe was veel romantischer dan het huis van mijn ouders. Ze hadden een Friese staartklok die rustig tikte en een hond. (Ik ben bang voor honden, maar probeerde dat niet te laten merken aan mijn gastvrouw en heer.) Wat me opviel was de enorme rust en sfeer dat het huis uitstraalde. Als ik er vandaan kwam voelde ik me nog de hele avond mellow. Heerlijk.
U moet begrijpen, op die leeftijd is alles wat je ouders doen slecht en lelijk en alles wat zij mooi vinden en nastreven stom en oud. Ik heb het al eerder gezegd: je bent zestien (okee, vijftien) of je bent het niet. Achteraf kan ik het natuurlijk relativeren maar deze lieve, hartelijke mensen boden mij precies wat ik nodig had in die periode: een luisterend oor, een warm kopje thee en hun al even warme harten. Iets waarvan ik, als de wispelturige, chagrijnige, ietwat kortzichtige en vooral verwarde puber die ik was, niet zag dat ik dat ook van mijn ouders kreeg.
Ik werd dan ook snel verliefd op hen, hun huis, hun servies, hun auto en hun hond, die ik op een gegeven moment zelfs durfde te aaien.
Een keer had ik een lekke band. Willy leende me zonder aarzeling haar fiets en toen ik 's middags de fiets terugbracht, had Berry 'm voor me geplakt. Hij was inmiddels gepensioneerd maar hij had de gaafste baan op aarde: reclamejinglebedenker. ('Wasmachines leven langer met Calgon!' komt mede uit zijn pen. Ain't that the coolest?!!)
Toen ik tweede werd bij een dichterswedstrijd, had Willy het artikel voor me uit de krant geknipt. Toen ik aanwezig was bij een symposium over onderwijs, had diezelfde krant een en profil van mijn gezicht pontificaal op de voorpagina gezet. Ook toen kreeg ik van haar het artikel, keurig in een mapje. (Zelf woonde ik in een ander gebied, dus wij ontvingen die krant niet eens. Ik schrok dan ook een beetje toen ik mijzelf zo groot afgebeeld zag.) Ik voelde me geliefd, wat op die leeftijd en misschien op iedere leeftijd belangrijker is dan geliefd zijn.
Maar aan alle mooie dingen komt een eind, en daarbij was het unheimische gevoel dat ik tegen de wil van mijn ouders inging nooit helemaal verdwenen. Ik voelde me niet schuldig over mijn bezoekjes, dat zeker niet, maar wel over het gegeven dat ik ze geheim hield. Ondanks alles wilde ik geen geheimen hebben voor mijn ouders. Eén triljoenste deel van mijn geest was daarom opgelucht toen ik slaagde voor mijn eindexamen en niet meer langs die route hoefde te fietsen. Maar op de laatste dag – ik had een lief kaartje en een blikje drop voor mijn weldoeners gekocht – waren ze er niet. Ik liet het blikje achter bij de voordeur en heb ze nooit meer gezien.
Wat, lieve lezer, is dan de moraal van dit verhaal? Wat voor de een een ogenschijnlijk klein gebaar is, kan voor een ander zoveel betekenen. Wat ik op het kaartje schreef, Ik zal jullie nooit vergeten, is waar. Zij maakten mijn leven een stuk dragelijker op een simpele manier, misschien zonder het zelf te weten. En ik hoop dat als ik straks tegen de zestig loop, ik de wereld een wederdienst kan bewijzen door mijn huis en hart open te stellen voor zo'n zelfde verwarde puber. Ik denk met heel veel liefde en genegenheid terug aan deze mensen. Vandaag geen douche, maar een liefdevol, warm bad.
Op de weg naar school kwam ik altijd langs een veldje waar ezels stonden. U weet, ik ben helemaal geen dierenliefhebber, maar deze beesten trokken mij toch aan. Het weilandje bevond zich op een kwart van de route terug en vaak stopte ik even om de ezels te aaien voor ik aan het leeuwendeel van de reis begon. Soms regende het en had ik geen zin om naar huis te fietsen. Soms voelde ik me naar en zocht ik de ezels op om mijn gedachten af te leiden. Soms had ik iets te vieren en voerde ik de ezels naast gras een stukje liefde en geluk. Zoals gezegd, ik houd niet van dieren, maar hun onvoorwaardelijke aanwezigheid maakte dat ik af en toe zelfs tegen ze kletste en als ze er eens niet waren, vond ik dat oprecht jammer.
Dat er bij de weide ook een huis hoorde zag ik wel, en het voelde daarom een beetje stiekem en clandestien om ze te voeren. Ik verwachtte soms een standje van de bewoners van het huis. Maar ik voerde ze niets dan gras – wreedheid jegens dieren vind ik dan weer onnodig – en het waren doodgewone ezeltjes, een tikje suffig en blij met mijn aandacht. En ik dacht dat de mensen van het huis vast leuk zouden zijn - ze hadden een Alfa Romeo, wat getuigt van goede smaak. Rrrrrr.
(Ja, we bevinden ons nog steeds in de vijtienjarigenjarigen-modus. Werkt u even mee...)
Op een regenachtige middag was ik uit verveling de ezels aan het voeren toen er een mevrouw uit het huis kwam. Ze was slank, keurig gekapt, droeg een zwierige rok en haar hele voorkomen straalde klasse en rust uit. Ik schatte haar een jaar of zestig, haar haar was heel mooi bruinrood, ze had een klassiek gezicht en ze had de gezonde teint van iemand die actief is. Ze vroeg of ik een kopje thee wilde. U kan zich mijn aarzeling indenken: een halfjaar daarvóór was er een meisje van mijn leeftijd vermoord in de bossen en ik heb altijd geleerd dat je niet bij vreemden naar binnen moet stappen, al lijken ze nog zo aardig en zijn ze vrouwelijk en in de nazomer van hun leven. Moord komt in vele vormen, op dat vlak ben ik nooit naïef geweest. Maar de vrouw leek zo oprecht dat ik besloot het te doen. En tien minuten later dronk ik zalige thee uit een china-kopje en at ik een choconelly.
De dame, Willy, vertelde dat ze met haar man in het huis woonde en mij wel vaker had zien staan en het heel schattig vond dat ik de ezels voerde. Langzaamaan kon ik me ontspannen en we spraken over koetjes en kalfjes. Na een uurtje vertrok ik weer, helemaal tot rust gekomen en blij dat ik op mijn intuïtie vertrouwd had. Wat wel vaststond, was dat ik dit niet met mijn ouders kon delen. Op die leeftijd wilde ik sowieso niets met mijn ouders delen, maar ik had het gevoel dat ze dit niet zouden begrijpen. Achteraf vraag ik me af waarom dat gevoel zo sterk was, maar ik dacht oprecht dat ze boos zouden worden als ik ze zou vertellen dat ik thee had gedronken met een vreemde mevrouw en nog een koekje had gegeten ook. Iets waarvan ze mij op het hart hadden gedrukt het nooit en te nimmer te doen – ondanks dat ik een hele fijne middag had gehad, voelde het dus verkeerd. (Stom eigenlijk, want als Willy me na de derde keer wél wilde vermoorden, hadden mijn ouders een idee gehad van waar ze zouden kunnen beginnen met zoeken. Het puberbrein kent vele kronkels...)
Natuurlijk kreeg deze theesessie een vervolg. Ik ging niet wekelijks, maar toch wel vrij frequent naar Willy, Berry en hun prachtige huis met de superfragiele china-kopjes. Die hadden wij thuis niet, en choconelly's evenmin. Theedrinken deden we niet op die manier, tenzij er bezoek kwam. En het huis van mijn gastvrouwe was veel romantischer dan het huis van mijn ouders. Ze hadden een Friese staartklok die rustig tikte en een hond. (Ik ben bang voor honden, maar probeerde dat niet te laten merken aan mijn gastvrouw en heer.) Wat me opviel was de enorme rust en sfeer dat het huis uitstraalde. Als ik er vandaan kwam voelde ik me nog de hele avond mellow. Heerlijk.
U moet begrijpen, op die leeftijd is alles wat je ouders doen slecht en lelijk en alles wat zij mooi vinden en nastreven stom en oud. Ik heb het al eerder gezegd: je bent zestien (okee, vijftien) of je bent het niet. Achteraf kan ik het natuurlijk relativeren maar deze lieve, hartelijke mensen boden mij precies wat ik nodig had in die periode: een luisterend oor, een warm kopje thee en hun al even warme harten. Iets waarvan ik, als de wispelturige, chagrijnige, ietwat kortzichtige en vooral verwarde puber die ik was, niet zag dat ik dat ook van mijn ouders kreeg.
Ik werd dan ook snel verliefd op hen, hun huis, hun servies, hun auto en hun hond, die ik op een gegeven moment zelfs durfde te aaien.
Een keer had ik een lekke band. Willy leende me zonder aarzeling haar fiets en toen ik 's middags de fiets terugbracht, had Berry 'm voor me geplakt. Hij was inmiddels gepensioneerd maar hij had de gaafste baan op aarde: reclamejinglebedenker. ('Wasmachines leven langer met Calgon!' komt mede uit zijn pen. Ain't that the coolest?!!)
Toen ik tweede werd bij een dichterswedstrijd, had Willy het artikel voor me uit de krant geknipt. Toen ik aanwezig was bij een symposium over onderwijs, had diezelfde krant een en profil van mijn gezicht pontificaal op de voorpagina gezet. Ook toen kreeg ik van haar het artikel, keurig in een mapje. (Zelf woonde ik in een ander gebied, dus wij ontvingen die krant niet eens. Ik schrok dan ook een beetje toen ik mijzelf zo groot afgebeeld zag.) Ik voelde me geliefd, wat op die leeftijd en misschien op iedere leeftijd belangrijker is dan geliefd zijn.
Maar aan alle mooie dingen komt een eind, en daarbij was het unheimische gevoel dat ik tegen de wil van mijn ouders inging nooit helemaal verdwenen. Ik voelde me niet schuldig over mijn bezoekjes, dat zeker niet, maar wel over het gegeven dat ik ze geheim hield. Ondanks alles wilde ik geen geheimen hebben voor mijn ouders. Eén triljoenste deel van mijn geest was daarom opgelucht toen ik slaagde voor mijn eindexamen en niet meer langs die route hoefde te fietsen. Maar op de laatste dag – ik had een lief kaartje en een blikje drop voor mijn weldoeners gekocht – waren ze er niet. Ik liet het blikje achter bij de voordeur en heb ze nooit meer gezien.
Wat, lieve lezer, is dan de moraal van dit verhaal? Wat voor de een een ogenschijnlijk klein gebaar is, kan voor een ander zoveel betekenen. Wat ik op het kaartje schreef, Ik zal jullie nooit vergeten, is waar. Zij maakten mijn leven een stuk dragelijker op een simpele manier, misschien zonder het zelf te weten. En ik hoop dat als ik straks tegen de zestig loop, ik de wereld een wederdienst kan bewijzen door mijn huis en hart open te stellen voor zo'n zelfde verwarde puber. Ik denk met heel veel liefde en genegenheid terug aan deze mensen. Vandaag geen douche, maar een liefdevol, warm bad.
dinsdag 15 november 2011
Douche
Tijd voor een nieuw stukje blog, reader-dear. Vandaag een stuk vol liefde, waardering en nostalgie. Uit een nachtelijke mijmering kwamen twee dingen naar voren die ik mij herinner uit mijn adolescentie. Laat ik met de gekste beginnen: die is minder liefdevol, en meer nostalgisch.
Mijn gehele schooltijd heb ik doorgebracht in een andere stad dan mijn woonplaats. De eerste tien jaar werd ik gebracht, maar zodra ik mijn basisschool verruilde voor de middelbare, was ik oud genoeg om de drie kwartier per rit met de fiets af te leggen. Het hield me fit en mijn benen hebben er de vruchten van geplukt. Natuurlijk vond ik het niet altijd leuk, maar het wende snel en de weg was lang en recht. Het fietspad was bovendien secundair en er waren weinig stoplichten of interactie met ander verkeer. Met Eddie Vedder, Laurent Wolf of wat bijeengesprokkelde pretentieloze pop in mijn discman (ja!) legde ik de rit zes jaar lang twee keer per dag af, soms vaker. Ondanks deze muzikale bijstand was het wel vaak een saai stuk fietsen. Wat me opviel was dat er wel meer mensen waren die hetzelfde stuk aflegden. Waarmee ik natuurlijk bedoel: ik spotte 'bekenden'. Afgezien van de grote groep revo's die met een enorm tempo voorbij zoefden (als ik achter ze aanfietste verkortte het mijn reistijd met een kwartier) waren er meer eigenaardige types op de weg. Zo was daar de Snotterige Wielrenner. Op welk punt op de weg ik me ook bevond en welk seizoen het ook was, een meter nadat hij me had ingehaald, maakte hij zijn neus leeg op die kenmerkende wielrennersmanier die u vast bekend is. Smerig. Hoeft niet, vader. Smeerkees.
Ook was daar het elfenmeisje, dat ik alleen in de zomer zag en dat altijd op blote voeten fietste. Verder herkende ik ook van veraf de rode scooter van Jeroen K., een jongen die bij mij in de buurt woonde en waar ik al jaren in stilte verliefd op was. Hij was lang, had dik, golvend ravenzwart haar en een mooie neus, en hij zat op het categoraal gymnasium. Mijn broer en hij waren vrienden. Zucht... Jeroen had echter geen belangstelling voor me – althans, ik geloof niet dat hij me op die manier beschouwde. Ik denk niet dat ik überhaupt op zijn mental map voorkwam maar als hij al iets van me vond, zal dat schattig geweest zijn. Dat was geheel in lijn met zijn rechtschapen en ridderlijke opvoeding – en ik zal niet ontkennen dat ik dat jammer vond, alle ridderlijkheid ten spijt.
Een andere groep waren de revo's. Lezer, vergeeft u mij mijn revo-bashing van de laatste tijd. Ik heb niets tegen Hen, met een grote H. Maar toentertijd hebben ze zich tegenover mij van hun gekste en vreemdste kanten laten zien. Net zoals ik iedere dag naar school fietste, kwamen ook zij iedere dag op hetzelfde stuk weg. En waar ik bij slecht weer nog wel eens een lift bij mijn ouders kon loskrijgen of de bus nam, kwamen zij iedere dag op de fiets, sneeuw of geen sneeuw. Ik vond drie kwartier fietsen al lang, maar sommigen onder hen hadden er al een uur op zitten vóór ze langs mijn vertrekpunt kwamen en waren nog niet op punt van bestemming als ik dat wel was. Vandaar ook dat tempo. Als ik er achter aan fietste en contact legde met de achterste regionen vroegen ze me honderduit over mijn school. De jongetjes vroegen naar mijn nog niet bestaande seksleven, in niet mis te verstane termen. Niet verwonderlijk, want onder revo's is slechts sprake van voortplantingsseks. Genot is onkuis, is hun credo. Maar de hormonen razen natuurlijk net zo hard door het revopuberlijf als door ieder ander, en zonder uitlaatklep zelfs nog harder. De meisjes hielden zich in, zoals het meisjes betaamt, maar giechelden als een Bert, Hendrik of Hans heel hard (en herhaaldelijk!) vroeg of ik wilde neuken, waar ik naar toe ging, en of ik 'm in mijn kont wilde in het nabijgelegen bosje. Gelukkig duurde dit altijd maar even, want als de branie was weggeëbd (vaak stak ik mijn niet-revoneusje in de lucht, of ik reageerde helemaal niet) fietsten ze snel weer naar hun vrienden.
Alle meisjes droegen rokken, altijd. Sommigen hadden merkkleding (Esprit, Mexx, BirdDog, pareloorbelletjes, voorzichtige make-up) en anderen waren armer. Velen hadden lang haar, vaak in één of twee vlechten. De jongens droegen immer spijkerbroeken, Gaastra-jassen (rijk) Lidl-jassen (arm) Hush Puppies en bordeelsluipers nieuwe stijl – geen Todds of andere hete loafers maar slip-ins zonder veters, van het soort dat ook wel gedragen wordt door telefoonverkopers en McDonald's-medewerkers. Ze zouden verboden moeten worden, het is een smet op de esthetiek. Maar dat terzijde.
Een andere persoon die mij in die zes jaar opviel was een man die ik Zwalker heb gedoopt. Hij had een witte mountainbike, brede armen en als hij fietste bewoog hij zijn bovenlichaam van links naar rechts. Wat de balans van de fiets niet ten goede kwam. Zijn haar, dat tot over zijn schouders viel, zwiepte mee. In de zomer droeg hij hemden, in de winter sweaters. Van veraf leek het alsof een kruising tussen Kevin Sorbo en Spartacus op me af kwam fietsen. Als onze wegen elkaar kruisten verscheen er een glimlach van oor tot oor op zijn gezicht en hij grijnsde: 'Hoi!!'
Lieve lezer, wat ik nu ga vertellen is een onopgesmukte, onverdraaide versie van de waarheid. Luistert en huivert.
Na hem zo'n vier jaar maandelijks te hebben gespot, ging deze Zwalker een eigen leven leiden in mijn hoofd. Ik was nieuwsgierig naar wat hem dreef, en wist tegelijkertijd heel goed dat het weleens tegen zou kunnen vallen. Ook ik was onder invloed van hormonen. Fantasieën over romantische thee- en wijnsessies in het kasteel dat nabij lag en waar hij wel moest wonen waren mij niet vreemd. Toch deed ik ze af als nonsens. 'Deirdre, stel je niet zo aan,' zei ik tegen mijzelf. Ik weet nog precies wat ik dacht: 'Het feit dat hij overdag zulke lange fietstochten kan maken en nooit een jas aanheeft betekent niet dat hij een vrije geest is. Het betekent dat hij waarschijnlijk werk- en kansloos is. Hij heet helemaal geen Alain of Francois maar gewoon Bertram, Herman of Frithjof en hij woont niet in een kasteel. Op z'n best is hij de stalknecht met scoliose. Als hij hier in de buurt woont is dat in een papieren tochtige hut en plakt hij shampoosamples in damestijdschriften voor zijn brood. Laat. Het. Gaan.'
In mijn nog ongenuanceerde puberhoofd was thuiswerken en een oubollige naam hebben het toppunt van kansloosheid, dat begrijpt u. Je bent zestien of je bent het niet. Ik probeerde me er nog van te weerhouden, maar de nieuwsgierigheid won. Dus toen hij op een mooie dag weer langsfietste, hield ik hem staande.
Ik vond het heel spannend. Mijn hart klopte in mijn keel. 'Hoe heet je eigenlijk?' vroeg ik hem. Hij kwam een stukje dichterbij en ik zag dat wat ik altijd voor een gezonde tint had gehouden, een lappendeken van sproeten en uitslag was. Zijn gezicht, dat van veraf knap en gebruind had geleken, was onregelmatig en hij had een hele rare neus. Hij keek me nog altijd guitig aan, maar hij moet iets van afschuw op mijn gezicht hebben gezien. Ik was toen minder getraind in het vasthouden van een pokerface dan nu. En toen barstte de bom.
'Ik heet Herman, aangenaam!' Oh God. Nee toch. 'Mooie dag om te fietsen, hè?' Ik zei hem dat mijn tocht niet echt recreatief was. 'Maar jij fietst wel graag, toch?' Ik was vastbesloten me niet uit het veld te laten slaan door zijn naam. Daar kan hij toch niets aan doen. We kunnen niet allemaal Alastair heten, en hij was vast toch een prins.... 'Nou jah, ik werk thuis, dus ik heb veel tijd over, hè. Dus dan maar fietsen, hahaha!' Oh God. Oh, God.
Hij was eigenlijk best groezelig. Zijn witte sweater was niet wit, om over zijn tanden nog maar te zwijgen. Zijn haar hing in ongewassen slierten langs zijn gezicht en toen hij het achter zijn oor streek, zag ik dat hij een oorbel had – alweer een deceptie. Hoe langer ik met hem sprak, hoe meer hij weg had van Meneer Griezel, minus de baard. Maar nog gaf ik me niet gewonnen, nog wilde ik er niet aan geloven.
'Jeetje,' piepte ik. 'Dus je bent...schrijver?' Laatste hoop. 'Schrijver! Haha, nee hoor! Ik werk thuis! Ik ben thuiswerker!'
Ik geloof dat ik iets heb gestameld over haast en afspraken. Ik kan me niet meer herinneren dat ik afscheid heb genomen. Verdwaasd legde ik de rest van de weg naar huis af. Was dit het, was dit het echt? Was dit alles? Ondanks mijzelf moest ik wel lachen: hij was de belichaming van mijn ultieme angst, mijn nuffig dédain. Hoe groot was de kans dat hij daadwerkelijk Herman zou heten en écht thuiswerker zou zijn? Dat komt er nou van, zei ik tegen mijzelf, dat komt er nou van als je teveel dagdroomt over mannen en kastelen. Dit is je straf.
Daarna ben ik hem, opvallend genoeg, ook niet meer tegengekomen. En de moraal van dit verhaal? Is dat dan niet duidelijk? Kunt u dat zelf niet bedenken? Verwachting is een groot goed, dat is wat ik hier nog nog eens bevestigd zag. Wat niet wil zeggen dat ik niet meer geloof in een leven met een prins. Maar alles begint met een goede douche: al word je van een warme beter schoon.
Mijn gehele schooltijd heb ik doorgebracht in een andere stad dan mijn woonplaats. De eerste tien jaar werd ik gebracht, maar zodra ik mijn basisschool verruilde voor de middelbare, was ik oud genoeg om de drie kwartier per rit met de fiets af te leggen. Het hield me fit en mijn benen hebben er de vruchten van geplukt. Natuurlijk vond ik het niet altijd leuk, maar het wende snel en de weg was lang en recht. Het fietspad was bovendien secundair en er waren weinig stoplichten of interactie met ander verkeer. Met Eddie Vedder, Laurent Wolf of wat bijeengesprokkelde pretentieloze pop in mijn discman (ja!) legde ik de rit zes jaar lang twee keer per dag af, soms vaker. Ondanks deze muzikale bijstand was het wel vaak een saai stuk fietsen. Wat me opviel was dat er wel meer mensen waren die hetzelfde stuk aflegden. Waarmee ik natuurlijk bedoel: ik spotte 'bekenden'. Afgezien van de grote groep revo's die met een enorm tempo voorbij zoefden (als ik achter ze aanfietste verkortte het mijn reistijd met een kwartier) waren er meer eigenaardige types op de weg. Zo was daar de Snotterige Wielrenner. Op welk punt op de weg ik me ook bevond en welk seizoen het ook was, een meter nadat hij me had ingehaald, maakte hij zijn neus leeg op die kenmerkende wielrennersmanier die u vast bekend is. Smerig. Hoeft niet, vader. Smeerkees.
Ook was daar het elfenmeisje, dat ik alleen in de zomer zag en dat altijd op blote voeten fietste. Verder herkende ik ook van veraf de rode scooter van Jeroen K., een jongen die bij mij in de buurt woonde en waar ik al jaren in stilte verliefd op was. Hij was lang, had dik, golvend ravenzwart haar en een mooie neus, en hij zat op het categoraal gymnasium. Mijn broer en hij waren vrienden. Zucht... Jeroen had echter geen belangstelling voor me – althans, ik geloof niet dat hij me op die manier beschouwde. Ik denk niet dat ik überhaupt op zijn mental map voorkwam maar als hij al iets van me vond, zal dat schattig geweest zijn. Dat was geheel in lijn met zijn rechtschapen en ridderlijke opvoeding – en ik zal niet ontkennen dat ik dat jammer vond, alle ridderlijkheid ten spijt.
Een andere groep waren de revo's. Lezer, vergeeft u mij mijn revo-bashing van de laatste tijd. Ik heb niets tegen Hen, met een grote H. Maar toentertijd hebben ze zich tegenover mij van hun gekste en vreemdste kanten laten zien. Net zoals ik iedere dag naar school fietste, kwamen ook zij iedere dag op hetzelfde stuk weg. En waar ik bij slecht weer nog wel eens een lift bij mijn ouders kon loskrijgen of de bus nam, kwamen zij iedere dag op de fiets, sneeuw of geen sneeuw. Ik vond drie kwartier fietsen al lang, maar sommigen onder hen hadden er al een uur op zitten vóór ze langs mijn vertrekpunt kwamen en waren nog niet op punt van bestemming als ik dat wel was. Vandaar ook dat tempo. Als ik er achter aan fietste en contact legde met de achterste regionen vroegen ze me honderduit over mijn school. De jongetjes vroegen naar mijn nog niet bestaande seksleven, in niet mis te verstane termen. Niet verwonderlijk, want onder revo's is slechts sprake van voortplantingsseks. Genot is onkuis, is hun credo. Maar de hormonen razen natuurlijk net zo hard door het revopuberlijf als door ieder ander, en zonder uitlaatklep zelfs nog harder. De meisjes hielden zich in, zoals het meisjes betaamt, maar giechelden als een Bert, Hendrik of Hans heel hard (en herhaaldelijk!) vroeg of ik wilde neuken, waar ik naar toe ging, en of ik 'm in mijn kont wilde in het nabijgelegen bosje. Gelukkig duurde dit altijd maar even, want als de branie was weggeëbd (vaak stak ik mijn niet-revoneusje in de lucht, of ik reageerde helemaal niet) fietsten ze snel weer naar hun vrienden.
Alle meisjes droegen rokken, altijd. Sommigen hadden merkkleding (Esprit, Mexx, BirdDog, pareloorbelletjes, voorzichtige make-up) en anderen waren armer. Velen hadden lang haar, vaak in één of twee vlechten. De jongens droegen immer spijkerbroeken, Gaastra-jassen (rijk) Lidl-jassen (arm) Hush Puppies en bordeelsluipers nieuwe stijl – geen Todds of andere hete loafers maar slip-ins zonder veters, van het soort dat ook wel gedragen wordt door telefoonverkopers en McDonald's-medewerkers. Ze zouden verboden moeten worden, het is een smet op de esthetiek. Maar dat terzijde.
Een andere persoon die mij in die zes jaar opviel was een man die ik Zwalker heb gedoopt. Hij had een witte mountainbike, brede armen en als hij fietste bewoog hij zijn bovenlichaam van links naar rechts. Wat de balans van de fiets niet ten goede kwam. Zijn haar, dat tot over zijn schouders viel, zwiepte mee. In de zomer droeg hij hemden, in de winter sweaters. Van veraf leek het alsof een kruising tussen Kevin Sorbo en Spartacus op me af kwam fietsen. Als onze wegen elkaar kruisten verscheen er een glimlach van oor tot oor op zijn gezicht en hij grijnsde: 'Hoi!!'
Lieve lezer, wat ik nu ga vertellen is een onopgesmukte, onverdraaide versie van de waarheid. Luistert en huivert.
Na hem zo'n vier jaar maandelijks te hebben gespot, ging deze Zwalker een eigen leven leiden in mijn hoofd. Ik was nieuwsgierig naar wat hem dreef, en wist tegelijkertijd heel goed dat het weleens tegen zou kunnen vallen. Ook ik was onder invloed van hormonen. Fantasieën over romantische thee- en wijnsessies in het kasteel dat nabij lag en waar hij wel moest wonen waren mij niet vreemd. Toch deed ik ze af als nonsens. 'Deirdre, stel je niet zo aan,' zei ik tegen mijzelf. Ik weet nog precies wat ik dacht: 'Het feit dat hij overdag zulke lange fietstochten kan maken en nooit een jas aanheeft betekent niet dat hij een vrije geest is. Het betekent dat hij waarschijnlijk werk- en kansloos is. Hij heet helemaal geen Alain of Francois maar gewoon Bertram, Herman of Frithjof en hij woont niet in een kasteel. Op z'n best is hij de stalknecht met scoliose. Als hij hier in de buurt woont is dat in een papieren tochtige hut en plakt hij shampoosamples in damestijdschriften voor zijn brood. Laat. Het. Gaan.'
In mijn nog ongenuanceerde puberhoofd was thuiswerken en een oubollige naam hebben het toppunt van kansloosheid, dat begrijpt u. Je bent zestien of je bent het niet. Ik probeerde me er nog van te weerhouden, maar de nieuwsgierigheid won. Dus toen hij op een mooie dag weer langsfietste, hield ik hem staande.
Ik vond het heel spannend. Mijn hart klopte in mijn keel. 'Hoe heet je eigenlijk?' vroeg ik hem. Hij kwam een stukje dichterbij en ik zag dat wat ik altijd voor een gezonde tint had gehouden, een lappendeken van sproeten en uitslag was. Zijn gezicht, dat van veraf knap en gebruind had geleken, was onregelmatig en hij had een hele rare neus. Hij keek me nog altijd guitig aan, maar hij moet iets van afschuw op mijn gezicht hebben gezien. Ik was toen minder getraind in het vasthouden van een pokerface dan nu. En toen barstte de bom.
'Ik heet Herman, aangenaam!' Oh God. Nee toch. 'Mooie dag om te fietsen, hè?' Ik zei hem dat mijn tocht niet echt recreatief was. 'Maar jij fietst wel graag, toch?' Ik was vastbesloten me niet uit het veld te laten slaan door zijn naam. Daar kan hij toch niets aan doen. We kunnen niet allemaal Alastair heten, en hij was vast toch een prins.... 'Nou jah, ik werk thuis, dus ik heb veel tijd over, hè. Dus dan maar fietsen, hahaha!' Oh God. Oh, God.
Hij was eigenlijk best groezelig. Zijn witte sweater was niet wit, om over zijn tanden nog maar te zwijgen. Zijn haar hing in ongewassen slierten langs zijn gezicht en toen hij het achter zijn oor streek, zag ik dat hij een oorbel had – alweer een deceptie. Hoe langer ik met hem sprak, hoe meer hij weg had van Meneer Griezel, minus de baard. Maar nog gaf ik me niet gewonnen, nog wilde ik er niet aan geloven.
'Jeetje,' piepte ik. 'Dus je bent...schrijver?' Laatste hoop. 'Schrijver! Haha, nee hoor! Ik werk thuis! Ik ben thuiswerker!'
Ik geloof dat ik iets heb gestameld over haast en afspraken. Ik kan me niet meer herinneren dat ik afscheid heb genomen. Verdwaasd legde ik de rest van de weg naar huis af. Was dit het, was dit het echt? Was dit alles? Ondanks mijzelf moest ik wel lachen: hij was de belichaming van mijn ultieme angst, mijn nuffig dédain. Hoe groot was de kans dat hij daadwerkelijk Herman zou heten en écht thuiswerker zou zijn? Dat komt er nou van, zei ik tegen mijzelf, dat komt er nou van als je teveel dagdroomt over mannen en kastelen. Dit is je straf.
Daarna ben ik hem, opvallend genoeg, ook niet meer tegengekomen. En de moraal van dit verhaal? Is dat dan niet duidelijk? Kunt u dat zelf niet bedenken? Verwachting is een groot goed, dat is wat ik hier nog nog eens bevestigd zag. Wat niet wil zeggen dat ik niet meer geloof in een leven met een prins. Maar alles begint met een goede douche: al word je van een warme beter schoon.
Labels:
leefstijl,
man,
overpeinzingen,
pubers,
verwachtingen
woensdag 26 oktober 2011
Ondergoed
Dit, liever lezer, wordt een zeer persoonlijk en langdurig pleidooi met diepe emotionele wortels.
Ik wil ervoor pleiten, de vraag 'waar kom je vandaan' een zelfde reis te laten beleven als de vraag 'wat is je seksuele geaardheid'. In termen van politieke correctheid, bedoel ik. U wilt niet weten hoe vaak de vraag 'waar kom je vandaan' – en vele variaties hierop – mij gesteld is op grond van mijn uiterlijk en ik heb er genoeg van. Het maakt me boos, verdrietig, onzeker en wrevelig.
Laat ik de zaken nuanceren, oh lezer. Ik begrijp dat de vraag 'waar kom je vandaan' een vrij standaard gebruik is bij de kennismaking. Door de jaren heen heb ik ervaren dat mensen een ander antwoord verwachten dan ik dacht. In den beginne gaf ik altijd mijn woonplaats op als antwoord. Vervolgens de plek waar mijn middelbare school stond. Nog later de plaats waar mijn universiteit zich bevond, afgewisseld met de plek waar mijn ouders resideren. Als men niet tevreden was met deze antwoorden (vraag me niet waarom, want waarom zou dit niet genoeg zijn?) gaf ik bij uitzondering mijn geboorteplaats op, in de hoop hiermee voldaan te hebben aan de sociale wetten.
Maar voor sommigen was dit niet genoeg. Als ik als antwoord gaf: 'Blaricum' keken sommige mensen mij ongelovig of ongeduldig aan. 'Ja, vast wel. Maar ik bedoel: waar kom je oorspronkelijk vandaan?'
Ik vraag u, lieve lezer, wat bedoelt mijn vragensteller? Eens heb ik, verbaasd over zoveel pookzucht en nieuwsgierigheid, maar bereid tot pleasen, geduldig uitgelegd hoe mijn ouders elkaar hebben ontmoet. De vragensteller liep gewoon weg. Een andere keer kreeg ik als eerste vraag 'waar kom je vandaan?' toen 'ja, en wat is je achtergrond?' en daarna 'maar waar zijn je ouders geboren?' en 'maar waar liggen je roots dan?' Ook toen voldeden mijn antwoorden (Uit de buurt van Amsterdam, Literatuurwetenschap, Het zijn beiden stadsmensen, Eigenlijk ligt mijn hart bij de verkoop) wederom niet.
Ik ben niet achterlijk, lieve lezer. In het begin begreep ik oprecht niet wat men van mij verwachtte. U bent de eerste niet, laat ik dat voorop stellen. Ik krijg deze vragen al vanaf het moment dat ik mijn naam kan spellen. Wat mij naast het patroon in deze vragen opviel was dat mijn klasgenootje Kajal, geadopteerd door hartelijke gulle witte westerlingen die haar ongetwijfeld een beter bestaan boden dan ze bij haar moeder in Brazilië had gehad, de vraag ook kreeg. Maar Tjitske, melkwit, blauwogig en donkerblond, hoefde die vraag nooit te beantwoorden. En Wouter, Laura, Frederik en Thijs evenmin. Zelfs Sander, die rood haar had en van achteren McLaren heette, kreeg de vraag nooit.
In mijn basisschoolklas zaten maar twee niet-witte kinderen: Kajal en ik. In mijn tijd bestond het onderscheid tussen 'witte' en 'zwarte' scholen nog niet, maar ik kan met recht stellen dat mijn basisschool toentertijd een witte school was. Politiek witte kinderen, uit het midden- of hogere inkomenssegment, met klinkende namen en welgestelde achtergronden. En hoewel ik zoals altijd aarzel om mijzelf met wie dan ook over één kam te scheren hadden Kajal en ik alles met de anderen gemeen, behalve onze niet-witte huidskleur.
Als iemand Kajal vroeg waar ze vandaan kwam, vertelde ze altijd dat ze geadopteerd was. De tevredenheid die ik op gezichten zag verschijnen als ze zei: 'Ik ben geboren in Sao Paulo, maar ik ben geadopteerd!' maakten me duidelijk dat het goed zou zijn als ik ook zoiets zou zeggen. Mondhoeken krulden, ogen glansden, tanden blikkerden bij de ontdekking van een nieuwe exoot die al even gretig voldeed aan de verwachtingen. En daar wringt bij mij de schoen. Ik ben namelijk niet geadopteerd. Mijn 'afkomst', hoever je ook terug wil gaan, is in mijn ogen even exotisch als aardappelen geteeld in klei.
Ik ben geen diplomatenkind. Ik heb best wat trans-Atlantische vakanties achter de rug, maar veel exotischer dan dat wordt het niet. En inderdaad, mijn beide ouders zijn ook 'gewoon' geboren op Nederland grondgebied. Want stilzwijgend is dat ook de norm, dus als ik de vraag terúg stel ('En waar kom jij vandaan?') wordt er, na een verbaasde stilte, verklaard dat men 'gewoon' uit Diemen komt, of Utrecht, of 'gewoon' uit Limburg.
Let u op? Voor 'normale' mensen is het noemen van een provincie afdoende, terwijl ik nog geacht word de namen van de vingers van de arts die me opving toen ik geboren werd te specificeren.
Wat is de kern van mijn bezwaar, gewaardeerde lezer? Welnu!
De vraag 'waar kom je vandaan' sluit ieder antwoord in de strekking van 'hier' al uit nog voor 'kom' de mond uit is. Op grond van mijn uiterlijk wentelt de aanname, nee, de zekerheid dat ik niet 'van hier' kan komen, mag komen, zich in haar warme bed. Op grond van mijn haar en huidskleur mag mij de vraag 'waar kom je vandaan' opnieuw en opnieuw gesteld worden, tot het gewenste antwoord is opgediept, ook als dat antwoord niet bestaat. Mensen willen horen over adoptie, één of twee migrante ouders (of op z'n minst niet-wit) hechtings- en aanpassingsproblemen en als het meezit een vaderloze en gewelddadige jeugd, die ik hen niet geven kan.
Dit laatste is niet helemaal eerlijk, lezer, dat weet ik. Maar letterlijke en politieke kleur gaan vaak hand in hand, dat weet u net zo goed als ik.
Een tijdje heb ik er over gelogen en totale onzinverhalen opgedist. Af en toe verzon ik mooie exotische herkomsten voor mijzelf. Vaker hoefde ik zaken alleen maar te beamen ('Inderdaad, ik kom uit Brazilie!' 'Ja, ik ben Marokkaans!' 'Ja hoor, ik kom van de Kaapverdische Eilanden, alle zestien...') Het viel me op dat mensen niet eens luisterden naar wat ik zei, zolang ze hun eigen vermoedens en verwachtingen maar bevestigd zagen. ('Oh ja? wat leuk! Ik ken ook iemand die in Tanger op vakantie is geweest!') Verder zijn er nog de echte stommelingen ('Nederlands is een heel moeilijke taal, maar jij hebt helemaal geen accent! Geweldig!''Maar je hebt zo'n normale achternaam, dat had ik echt niet verwacht!') en de bewonderaars ('Je kunt vast goed dansen, het zit in je bloed....!')
Ik zal niet liegen, lieve lezer: mijn uiterlijk opent meer deuren dan dat er voor dichtgaan. Tegelijkertijd pas ik voor exotenfetisjisten m/v die vanwege een idee dat zij ooit ergens hebben gevormd, mijn hele wezen in dat idee willen proppen en me er nog op aanspreken als het niet blijkt te kloppen.
En het ergste is nog; ik ben altijd de gebeten hond. Geef ik het gewenste antwoord, dan betekent dat dat ik er op dezelfde bekrompen manier die ik vragenstellers verwijt vanuit ga dat mensen een 'etnisch' antwoord van mij verwachten, ook als dat niet zo hoeft te zijn. Geef ik niet het gewenste antwoord, dan is dat een uiting van de hechtings- en identiteitscrisis die ik heb opgelopen tijdens het adoptieproces en 'werk ik niet lekker mee'.
Laatst nog kreeg ik de vraag van een manspersoon die, op mijn ietwat ontwijkende antwoorden, verdedigde dat hij 'het heus niet erg vond, maar het gewoon wilde weten'. U heeft genoeg stukken van mij gelezen om te weten dat deze formulering op meerdere vlakken uitgelegd kan worden. Ik laat dat nu maar achterwege: wel wil ik kwijt dat mijn tenen spontaan de andere kant op krulden na deze vraag. (Dat kwam later helemaal goed, hoor.) Maar ik mocht deze manspersoon en ben ook niet te beroerd om toe te geven dat een groot deel van dit complex zich in mijn hoofd afspeelt. Dat zei ik dan ook tegen hem.
Ik vind het niet fijn om over mijn etnische afkomst te moeten vertellen omdat het anderen de macht geeft om mij buiten te sluiten, en het verschil tussen henzelf en mijzelf te benadrukken. Ik kan het dan ook moeilijk geloven als er onder het mom van 'belangstelling en verder niets' naar mijn etniciteit gevraagd wordt. Het feit dat er wordt doorgevraagd als ik een eerste antwoord geef, bewijst dit. Want hoewel het verschil tussen mij en politiek witte anderen miniem is – het zit 'm alleen in mijn huidskleur – is het zichtbaar en onontkenbaar. Ik zeg niet dat de vragensteller liegt, ik denk dat hij of zij zich niet bewust is van het kleine deel, misschien twee of vijf procent, aan andere motieven dat de belangstelling vertroebelt. Gewenning, verwachting, sensatiezucht, exotenfetisjisme. Als het toch niet uitmaakt 'waar ik vandaan kom', waarom er dan überhaupt naar vragen?
Nog meer emotieve argumenten? Goed dan. Deel twee: het impliceert dat ik niet meer ben dan mijn uiterlijk. Deel drie: het geeft me het gevoel dat ik mijn bestaan moet verantwoorden. Deel vier: het voegt niets toe aan wie ik ben. Al grijpt dit eigenlijk terug op deel twee: ik ben bang om gereduceerd te worden tot het idee in iemands hoofd op grond van mijn uiterlijk, zonder dat ik er iets tegen kan doen, zelfs als het een positief idee is. Deel vijf: ik vind dat ik net zoals ieder 'normaal' persoon – en hiermee bedoel ik iedereen wiens etniciteit niet zichtbaar is in zijn uiterlijk of naam – het recht heb om mijn historie te laten beginnen bij mijzelf.
Wat hebben mijn voorouders, anders dan mijn directe ouders en wellicht mijn grootouders van beide kanten, te maken met de persoon die ben vandaag de dag? Vrij weinig. Eigenlijk niets. Bovendien heeft iedereen binnen vijf generaties wel een Indonesische, Marokkaanse, Franse, Surinaamse, Hongaarse, Molukse of Duitse voorouder. Ik vind het oneerlijk dat ik mijn stamboom aan vreemden uit moet tekenen, alleen maar omdat ik er niet-wit uitzie. En hieruit komt deel zes: ik vind mijn historie persoonlijk, net zo persoonlijk als mijn BH-maat, die ik ook niet bij de eerste ontmoeting aan iemand prijsgeef (en als het niet hoeft, helemaal nooit.) Waarom is het wel taboe om daarnaar te vragen nadat je me de hand hebt geschud, maar mag je me wel 'ter verantwoording roepen' over mijn niet-witte uiterlijk? Want zo voelt het, lieve lezer; iedere keer dat iemand vraagt 'waar kom je vandaan', voel ik me voor het blok gezet, veroordeeld, geobjectiveerd, buitenspel gezet. Uitgekleed.
Emoties, lieve lezer. Angst, woede, frustraties. Het feit dat ik deze vragen al meer dan twintig jaar krijg, draagt eraan bij. Maar wat wil ik van u?
Ik haast me te zeggen dat bovenstaand relaas persoonlijk is. Ik zou niet durven stellen dat dit voor iemand anders geldt anders dan voor mijzelf en dan nog heb ik er op sommige dagen meer last van dan op andere. Wat ik wel merk is dat de bal emoties – die ik op het moment van de vraag niet met goed fatsoen hard kan laten stuiteren om redenen die hierboven staan beschreven – steeds vuriger en groter wordt. En ik weet niet of dat iets goeds is. Ik denk eigenlijk van niet. Gelukkig kan ik erover schrijven.
Wat ik van u verlang? De volgende keer dat u iemand ontmoet waarvan u het naadje van de etnische kous wil weten, bijt u dan eens op uw lip. Met een beetje geluk is het een type Kajal en worden al uw exotismevragen als vanzelf beantwoord. Als u geen Kajal treft getuigt het van (nog meer) respect als u met het stellen van de vraag wacht tot u intiem genoeg bent om naar haar BH-maat te vragen, als haar afkomst u dan nog interesseert. In termen van intimiteit delen zij immers een voetstuk. Probeer het eens. Laat u verrassen. Stap buiten het hok. Voor zover dat mogelijk is...
Ik wil ervoor pleiten, de vraag 'waar kom je vandaan' een zelfde reis te laten beleven als de vraag 'wat is je seksuele geaardheid'. In termen van politieke correctheid, bedoel ik. U wilt niet weten hoe vaak de vraag 'waar kom je vandaan' – en vele variaties hierop – mij gesteld is op grond van mijn uiterlijk en ik heb er genoeg van. Het maakt me boos, verdrietig, onzeker en wrevelig.
Laat ik de zaken nuanceren, oh lezer. Ik begrijp dat de vraag 'waar kom je vandaan' een vrij standaard gebruik is bij de kennismaking. Door de jaren heen heb ik ervaren dat mensen een ander antwoord verwachten dan ik dacht. In den beginne gaf ik altijd mijn woonplaats op als antwoord. Vervolgens de plek waar mijn middelbare school stond. Nog later de plaats waar mijn universiteit zich bevond, afgewisseld met de plek waar mijn ouders resideren. Als men niet tevreden was met deze antwoorden (vraag me niet waarom, want waarom zou dit niet genoeg zijn?) gaf ik bij uitzondering mijn geboorteplaats op, in de hoop hiermee voldaan te hebben aan de sociale wetten.
Maar voor sommigen was dit niet genoeg. Als ik als antwoord gaf: 'Blaricum' keken sommige mensen mij ongelovig of ongeduldig aan. 'Ja, vast wel. Maar ik bedoel: waar kom je oorspronkelijk vandaan?'
Ik vraag u, lieve lezer, wat bedoelt mijn vragensteller? Eens heb ik, verbaasd over zoveel pookzucht en nieuwsgierigheid, maar bereid tot pleasen, geduldig uitgelegd hoe mijn ouders elkaar hebben ontmoet. De vragensteller liep gewoon weg. Een andere keer kreeg ik als eerste vraag 'waar kom je vandaan?' toen 'ja, en wat is je achtergrond?' en daarna 'maar waar zijn je ouders geboren?' en 'maar waar liggen je roots dan?' Ook toen voldeden mijn antwoorden (Uit de buurt van Amsterdam, Literatuurwetenschap, Het zijn beiden stadsmensen, Eigenlijk ligt mijn hart bij de verkoop) wederom niet.
Ik ben niet achterlijk, lieve lezer. In het begin begreep ik oprecht niet wat men van mij verwachtte. U bent de eerste niet, laat ik dat voorop stellen. Ik krijg deze vragen al vanaf het moment dat ik mijn naam kan spellen. Wat mij naast het patroon in deze vragen opviel was dat mijn klasgenootje Kajal, geadopteerd door hartelijke gulle witte westerlingen die haar ongetwijfeld een beter bestaan boden dan ze bij haar moeder in Brazilië had gehad, de vraag ook kreeg. Maar Tjitske, melkwit, blauwogig en donkerblond, hoefde die vraag nooit te beantwoorden. En Wouter, Laura, Frederik en Thijs evenmin. Zelfs Sander, die rood haar had en van achteren McLaren heette, kreeg de vraag nooit.
In mijn basisschoolklas zaten maar twee niet-witte kinderen: Kajal en ik. In mijn tijd bestond het onderscheid tussen 'witte' en 'zwarte' scholen nog niet, maar ik kan met recht stellen dat mijn basisschool toentertijd een witte school was. Politiek witte kinderen, uit het midden- of hogere inkomenssegment, met klinkende namen en welgestelde achtergronden. En hoewel ik zoals altijd aarzel om mijzelf met wie dan ook over één kam te scheren hadden Kajal en ik alles met de anderen gemeen, behalve onze niet-witte huidskleur.
Als iemand Kajal vroeg waar ze vandaan kwam, vertelde ze altijd dat ze geadopteerd was. De tevredenheid die ik op gezichten zag verschijnen als ze zei: 'Ik ben geboren in Sao Paulo, maar ik ben geadopteerd!' maakten me duidelijk dat het goed zou zijn als ik ook zoiets zou zeggen. Mondhoeken krulden, ogen glansden, tanden blikkerden bij de ontdekking van een nieuwe exoot die al even gretig voldeed aan de verwachtingen. En daar wringt bij mij de schoen. Ik ben namelijk niet geadopteerd. Mijn 'afkomst', hoever je ook terug wil gaan, is in mijn ogen even exotisch als aardappelen geteeld in klei.
Ik ben geen diplomatenkind. Ik heb best wat trans-Atlantische vakanties achter de rug, maar veel exotischer dan dat wordt het niet. En inderdaad, mijn beide ouders zijn ook 'gewoon' geboren op Nederland grondgebied. Want stilzwijgend is dat ook de norm, dus als ik de vraag terúg stel ('En waar kom jij vandaan?') wordt er, na een verbaasde stilte, verklaard dat men 'gewoon' uit Diemen komt, of Utrecht, of 'gewoon' uit Limburg.
Let u op? Voor 'normale' mensen is het noemen van een provincie afdoende, terwijl ik nog geacht word de namen van de vingers van de arts die me opving toen ik geboren werd te specificeren.
Wat is de kern van mijn bezwaar, gewaardeerde lezer? Welnu!
De vraag 'waar kom je vandaan' sluit ieder antwoord in de strekking van 'hier' al uit nog voor 'kom' de mond uit is. Op grond van mijn uiterlijk wentelt de aanname, nee, de zekerheid dat ik niet 'van hier' kan komen, mag komen, zich in haar warme bed. Op grond van mijn haar en huidskleur mag mij de vraag 'waar kom je vandaan' opnieuw en opnieuw gesteld worden, tot het gewenste antwoord is opgediept, ook als dat antwoord niet bestaat. Mensen willen horen over adoptie, één of twee migrante ouders (of op z'n minst niet-wit) hechtings- en aanpassingsproblemen en als het meezit een vaderloze en gewelddadige jeugd, die ik hen niet geven kan.
Dit laatste is niet helemaal eerlijk, lezer, dat weet ik. Maar letterlijke en politieke kleur gaan vaak hand in hand, dat weet u net zo goed als ik.
Een tijdje heb ik er over gelogen en totale onzinverhalen opgedist. Af en toe verzon ik mooie exotische herkomsten voor mijzelf. Vaker hoefde ik zaken alleen maar te beamen ('Inderdaad, ik kom uit Brazilie!' 'Ja, ik ben Marokkaans!' 'Ja hoor, ik kom van de Kaapverdische Eilanden, alle zestien...') Het viel me op dat mensen niet eens luisterden naar wat ik zei, zolang ze hun eigen vermoedens en verwachtingen maar bevestigd zagen. ('Oh ja? wat leuk! Ik ken ook iemand die in Tanger op vakantie is geweest!') Verder zijn er nog de echte stommelingen ('Nederlands is een heel moeilijke taal, maar jij hebt helemaal geen accent! Geweldig!''Maar je hebt zo'n normale achternaam, dat had ik echt niet verwacht!') en de bewonderaars ('Je kunt vast goed dansen, het zit in je bloed....!')
Ik zal niet liegen, lieve lezer: mijn uiterlijk opent meer deuren dan dat er voor dichtgaan. Tegelijkertijd pas ik voor exotenfetisjisten m/v die vanwege een idee dat zij ooit ergens hebben gevormd, mijn hele wezen in dat idee willen proppen en me er nog op aanspreken als het niet blijkt te kloppen.
En het ergste is nog; ik ben altijd de gebeten hond. Geef ik het gewenste antwoord, dan betekent dat dat ik er op dezelfde bekrompen manier die ik vragenstellers verwijt vanuit ga dat mensen een 'etnisch' antwoord van mij verwachten, ook als dat niet zo hoeft te zijn. Geef ik niet het gewenste antwoord, dan is dat een uiting van de hechtings- en identiteitscrisis die ik heb opgelopen tijdens het adoptieproces en 'werk ik niet lekker mee'.
Laatst nog kreeg ik de vraag van een manspersoon die, op mijn ietwat ontwijkende antwoorden, verdedigde dat hij 'het heus niet erg vond, maar het gewoon wilde weten'. U heeft genoeg stukken van mij gelezen om te weten dat deze formulering op meerdere vlakken uitgelegd kan worden. Ik laat dat nu maar achterwege: wel wil ik kwijt dat mijn tenen spontaan de andere kant op krulden na deze vraag. (Dat kwam later helemaal goed, hoor.) Maar ik mocht deze manspersoon en ben ook niet te beroerd om toe te geven dat een groot deel van dit complex zich in mijn hoofd afspeelt. Dat zei ik dan ook tegen hem.
Ik vind het niet fijn om over mijn etnische afkomst te moeten vertellen omdat het anderen de macht geeft om mij buiten te sluiten, en het verschil tussen henzelf en mijzelf te benadrukken. Ik kan het dan ook moeilijk geloven als er onder het mom van 'belangstelling en verder niets' naar mijn etniciteit gevraagd wordt. Het feit dat er wordt doorgevraagd als ik een eerste antwoord geef, bewijst dit. Want hoewel het verschil tussen mij en politiek witte anderen miniem is – het zit 'm alleen in mijn huidskleur – is het zichtbaar en onontkenbaar. Ik zeg niet dat de vragensteller liegt, ik denk dat hij of zij zich niet bewust is van het kleine deel, misschien twee of vijf procent, aan andere motieven dat de belangstelling vertroebelt. Gewenning, verwachting, sensatiezucht, exotenfetisjisme. Als het toch niet uitmaakt 'waar ik vandaan kom', waarom er dan überhaupt naar vragen?
Nog meer emotieve argumenten? Goed dan. Deel twee: het impliceert dat ik niet meer ben dan mijn uiterlijk. Deel drie: het geeft me het gevoel dat ik mijn bestaan moet verantwoorden. Deel vier: het voegt niets toe aan wie ik ben. Al grijpt dit eigenlijk terug op deel twee: ik ben bang om gereduceerd te worden tot het idee in iemands hoofd op grond van mijn uiterlijk, zonder dat ik er iets tegen kan doen, zelfs als het een positief idee is. Deel vijf: ik vind dat ik net zoals ieder 'normaal' persoon – en hiermee bedoel ik iedereen wiens etniciteit niet zichtbaar is in zijn uiterlijk of naam – het recht heb om mijn historie te laten beginnen bij mijzelf.
Wat hebben mijn voorouders, anders dan mijn directe ouders en wellicht mijn grootouders van beide kanten, te maken met de persoon die ben vandaag de dag? Vrij weinig. Eigenlijk niets. Bovendien heeft iedereen binnen vijf generaties wel een Indonesische, Marokkaanse, Franse, Surinaamse, Hongaarse, Molukse of Duitse voorouder. Ik vind het oneerlijk dat ik mijn stamboom aan vreemden uit moet tekenen, alleen maar omdat ik er niet-wit uitzie. En hieruit komt deel zes: ik vind mijn historie persoonlijk, net zo persoonlijk als mijn BH-maat, die ik ook niet bij de eerste ontmoeting aan iemand prijsgeef (en als het niet hoeft, helemaal nooit.) Waarom is het wel taboe om daarnaar te vragen nadat je me de hand hebt geschud, maar mag je me wel 'ter verantwoording roepen' over mijn niet-witte uiterlijk? Want zo voelt het, lieve lezer; iedere keer dat iemand vraagt 'waar kom je vandaan', voel ik me voor het blok gezet, veroordeeld, geobjectiveerd, buitenspel gezet. Uitgekleed.
Emoties, lieve lezer. Angst, woede, frustraties. Het feit dat ik deze vragen al meer dan twintig jaar krijg, draagt eraan bij. Maar wat wil ik van u?
Ik haast me te zeggen dat bovenstaand relaas persoonlijk is. Ik zou niet durven stellen dat dit voor iemand anders geldt anders dan voor mijzelf en dan nog heb ik er op sommige dagen meer last van dan op andere. Wat ik wel merk is dat de bal emoties – die ik op het moment van de vraag niet met goed fatsoen hard kan laten stuiteren om redenen die hierboven staan beschreven – steeds vuriger en groter wordt. En ik weet niet of dat iets goeds is. Ik denk eigenlijk van niet. Gelukkig kan ik erover schrijven.
Wat ik van u verlang? De volgende keer dat u iemand ontmoet waarvan u het naadje van de etnische kous wil weten, bijt u dan eens op uw lip. Met een beetje geluk is het een type Kajal en worden al uw exotismevragen als vanzelf beantwoord. Als u geen Kajal treft getuigt het van (nog meer) respect als u met het stellen van de vraag wacht tot u intiem genoeg bent om naar haar BH-maat te vragen, als haar afkomst u dan nog interesseert. In termen van intimiteit delen zij immers een voetstuk. Probeer het eens. Laat u verrassen. Stap buiten het hok. Voor zover dat mogelijk is...
Labels:
emotie,
etniciteit,
identiteit,
klasse,
kleur
dinsdag 18 oktober 2011
Ui(tje)
Zaterdagmiddag, vespertijd. Naast mij op het blauwe bankje zit een meisje dat een ijsje eet. Tegenover haar zit haar vriendinnetje, dat hetzelfde doet. Ik heb mijn muziek zo zacht staan dat ik ze kan horen. Wat ik zie: degelijke panties, Geox-ballerina's, knielange rokken, en een jongen die voorbij stormt. Aan de gepijnigde blik in zijn wanhopige ogen denk ik te merken dat hij een wc zoekt. Een paar weken tevoren had ik diezelfde blik in mijn ogen en de pijn straalde uit naar mijn blaas. Over een aantal minuten zal de gruwelijke waarheid ook hem ten deel vallen: deze trein heeft geen wc. Arme kerel.
De trein vertrekt richting Arnhem. Mijn kleine coupégezellen hebben gewinkeld met z'n tweeën. Ik schat ze een jaar of dertien, maar tegelijkertijd heeft vooral die ene iets tijdloos over zich. Ze zien eruit alsof ze gereformeerd zijn, maar niet ouderwets of overdreven preuts, zoals je dat weleens ziet bij gereformeerde vrouwen. Neen, dit zijn Esprit-gereformeerden uit het hogere segment. Of tenminste wannabe-Esprit. Maar toch bezitten ze die troosteloze tijdloosheid die eenenveertig niet van eenentwintig onderscheidt.
Ik stel me voor dat Sjoukje en Machteld, roepnaam Maggi, vanmorgen gezellig naar Utrecht zijn getogen om daar eens lekker stout de bloemetjes buiten te zetten. Moeders heeft ze op het hart gedrukt om goed op elkaar te passen en niet te praten met vreemden. De C&A werd bezocht, de V&D, en die sletterige winkel waar je met je moeder nooit ingaat: de H&M. En na een lange dag is de tijd nu rijp om terug te keren naar Veenendaal. Net op tijd voor het avondeten.
Ach, lieve lezer, het kost me weinig moeite Sjoukje en Machteld af te schilderen als twee kleine provinciaaltjes. Maar als de doorgewinterde stedeling die ik graag pretendeer te zijn meen ik de stichtelijkheid door de gier en hun hooggesloten shirtjes heen te ruiken. Sjoukje heeft een kleine onderbeet die haar in de loop der jaren nog onaantrekkelijker zal maken. Nu geeft het haar gezicht iets onnozels. Samen met haar rode brilletje met rond montuur (lang leve de kinderbril!) verleent het haar suffige autoriteit en een voorzichtige schattigheid. Al zal ze die niet nodig hebben als ze over vijf jaar trouwt met Gértjan, de zoon van de slager.
Nicht Machteld, roepnaam Maggi, lijkt me de oudste. Ze heeft een iets kleiner ijsje dan haar nicht en is sneller klaar. Uit haar nu al ietwat pafferig en deegkleurig gezicht met fijne, gesprongen adertjes spreekt een jeugd vol koude winters, fietstochten van Veenendaal naar het Lodenstein in Hoevelaken en doorgekookte stamppot met maagzuurjus en uitgelopen uien. Haar bleekblauwe ogen staan hard. In tegenstelling tot haar nicht, die er wat softer uitziet, wekt Machteld de indruk dat ze je zal neerhoeken als je haar Maggi noemt terwijl ze dat niet wil. Het woord stevig is hier nu eens wel op zijn plaats. Het is niet dat ze dik is, nee, nu nog niet. Maar uit haar hele voorkomen straalt een potigheid die je niet zou verwachten bij een meisje van die leeftijd – gesteld dat ze niet stiekem tóch eenentwintig is.
Nu Sjoukje ook klaar is met haar ijsje, richt ze zich op het informatiebord, dat aangeeft wanneer de trein Veenendaal zal bereiken. Eerlijk is eerlijk, de meisjes zijn heel bedeesd en rustig. Ik heb geen last van ze en dat is weleens anders. (Rails) Ergens vind ik het fijn om te zien dat ze geen mascara of lippgloss dragen en met elkaar praten, in plaats van met hun telefoons. Al zijn ze aan het kibbelen. Machteld heeft een telefoon, wellicht de telefoon, waarmee ze contact houdt met de persoon die hen van het station komt halen. Toen de trein vertrok was de verwachting dat hij Veenendaal-West om 18.30 zou bereiken. Dit is dan ook het tijdstip dat er is gecommuniceerd naar het thuisfront. Bij station Bunnik blijkt echter dat de trein drie hele minuten vertraagd is. Sjoukjes stress en bijbehorende paniek hierom worden door Machteld verstandig en snel afgewend met een sms. Bij station Driebergen is de voorspelling echter alweer veranderd. Er komt een conducteur langs. In de rozerode portemonnee van Sjoukje zie ik een kaartje steken met de tekst God's antwoord (nee, die apostrof verzin ik niet) en daaronder iets wat op een set aanwijzingen lijkt.
'Nu moet die trein niet nog sneller gaan rijden – ik heb net ge-smst dat we er om tien over half zullen zijn!' snibt Machteld. 'Nee hoor, je hebt naar het verkeerde station gekeken!' Boze bleekblauwe blik. Een zucht. 'Nee lieve schat, kijk dan! Jij kijkt naar Veenendaal, maar je moet naar Veenendaal-WEST kijken, sukkel, duhhus!' 'Oh ja....je hebt gelijk...' Einde dis. Sjoukje heeft een dikke huid, dat heb ik allang gezien. Alsof het de persoon die op ze staat te wachten uit zal maken of ze om half precies of om drie over half aankomen. Maar dat gaat het brein van een dertienjarige natuurlijk te boven. En afspraak is afspraak.
Vechtlustig steekt Sjoukje haar prominente onderkaak nog een stukje naar voren. Doe maar niet, kind. Je wordt er niet knapper van. 'Nou ja, dan moet ze maar even wachten, hoor!' Machteld reageert niet. Het gesprek neemt een andere wending en Sjoukje vraagt zich hardop af, waar het piepsignaal toe dient dat klinkt als de deuren van de trein zich sluiten. Wederom wordt ze hard gedist door Machteld: 'Ei, denk eens na!' Want, zo stelt Machteld, het piepsignaal is er om vogels van de treinkabels te verjagen.
Ik bijt op mijn lip. Sjoukje zou er beter aan doen het kaartje uit haar portemonnee nog eens te raadplegen in plaats van haar heil bij Machteld te zoeken. Dat zou haar een hoop onnodige bokken schelen. Als de trein wegrijdt zie ik hoe ze verder bakkeleien.
Me dunkt dat Maggi misschien maar met Gértjan moet trouwen, dan kan ze zich richten op het afblaffen van haar eigen talrijke kroost. Onderbeet-Sjoukje vindt wel iemand anders die haar centenbakje wil zoenen. Ze is dan wel vrij onaantrekkelijk, uiteindelijk verliezen een hoop mensen hun looks. Bovendien schijnt het bij gereformeerden (met een grote G) niet om het uiterlijk te gaan, maar om innerlijke waarden als vergevingsgezindheid, een sterk bekken, zuinigheid en naastenliefde. Als je na de wittebroodsweken slechts een zoutpilaar hebt om op terug te vallen, voel je je toch bekocht. Dan ben je met een lief-en-lelijk meisje met een huid als een ui toch beter af. Ook al heeft ze klapkuiten.
Ik hoop in ieder geval dat de trein op tijd aankomt in Veenendaal-West, zodat de balkenbrij nog warm is. En dat de vogels die op de treinkabels zitten Maggi een 'triple chocolate'-koekje van eigen deeg geven. Dat zou een goede combi vormen met de verdroogd-zure rozijn van haar innerlijk en haar deegachtige complexie. Halvegare.
De trein vertrekt richting Arnhem. Mijn kleine coupégezellen hebben gewinkeld met z'n tweeën. Ik schat ze een jaar of dertien, maar tegelijkertijd heeft vooral die ene iets tijdloos over zich. Ze zien eruit alsof ze gereformeerd zijn, maar niet ouderwets of overdreven preuts, zoals je dat weleens ziet bij gereformeerde vrouwen. Neen, dit zijn Esprit-gereformeerden uit het hogere segment. Of tenminste wannabe-Esprit. Maar toch bezitten ze die troosteloze tijdloosheid die eenenveertig niet van eenentwintig onderscheidt.
Ik stel me voor dat Sjoukje en Machteld, roepnaam Maggi, vanmorgen gezellig naar Utrecht zijn getogen om daar eens lekker stout de bloemetjes buiten te zetten. Moeders heeft ze op het hart gedrukt om goed op elkaar te passen en niet te praten met vreemden. De C&A werd bezocht, de V&D, en die sletterige winkel waar je met je moeder nooit ingaat: de H&M. En na een lange dag is de tijd nu rijp om terug te keren naar Veenendaal. Net op tijd voor het avondeten.
Ach, lieve lezer, het kost me weinig moeite Sjoukje en Machteld af te schilderen als twee kleine provinciaaltjes. Maar als de doorgewinterde stedeling die ik graag pretendeer te zijn meen ik de stichtelijkheid door de gier en hun hooggesloten shirtjes heen te ruiken. Sjoukje heeft een kleine onderbeet die haar in de loop der jaren nog onaantrekkelijker zal maken. Nu geeft het haar gezicht iets onnozels. Samen met haar rode brilletje met rond montuur (lang leve de kinderbril!) verleent het haar suffige autoriteit en een voorzichtige schattigheid. Al zal ze die niet nodig hebben als ze over vijf jaar trouwt met Gértjan, de zoon van de slager.
Nicht Machteld, roepnaam Maggi, lijkt me de oudste. Ze heeft een iets kleiner ijsje dan haar nicht en is sneller klaar. Uit haar nu al ietwat pafferig en deegkleurig gezicht met fijne, gesprongen adertjes spreekt een jeugd vol koude winters, fietstochten van Veenendaal naar het Lodenstein in Hoevelaken en doorgekookte stamppot met maagzuurjus en uitgelopen uien. Haar bleekblauwe ogen staan hard. In tegenstelling tot haar nicht, die er wat softer uitziet, wekt Machteld de indruk dat ze je zal neerhoeken als je haar Maggi noemt terwijl ze dat niet wil. Het woord stevig is hier nu eens wel op zijn plaats. Het is niet dat ze dik is, nee, nu nog niet. Maar uit haar hele voorkomen straalt een potigheid die je niet zou verwachten bij een meisje van die leeftijd – gesteld dat ze niet stiekem tóch eenentwintig is.
Nu Sjoukje ook klaar is met haar ijsje, richt ze zich op het informatiebord, dat aangeeft wanneer de trein Veenendaal zal bereiken. Eerlijk is eerlijk, de meisjes zijn heel bedeesd en rustig. Ik heb geen last van ze en dat is weleens anders. (Rails) Ergens vind ik het fijn om te zien dat ze geen mascara of lippgloss dragen en met elkaar praten, in plaats van met hun telefoons. Al zijn ze aan het kibbelen. Machteld heeft een telefoon, wellicht de telefoon, waarmee ze contact houdt met de persoon die hen van het station komt halen. Toen de trein vertrok was de verwachting dat hij Veenendaal-West om 18.30 zou bereiken. Dit is dan ook het tijdstip dat er is gecommuniceerd naar het thuisfront. Bij station Bunnik blijkt echter dat de trein drie hele minuten vertraagd is. Sjoukjes stress en bijbehorende paniek hierom worden door Machteld verstandig en snel afgewend met een sms. Bij station Driebergen is de voorspelling echter alweer veranderd. Er komt een conducteur langs. In de rozerode portemonnee van Sjoukje zie ik een kaartje steken met de tekst God's antwoord (nee, die apostrof verzin ik niet) en daaronder iets wat op een set aanwijzingen lijkt.
'Nu moet die trein niet nog sneller gaan rijden – ik heb net ge-smst dat we er om tien over half zullen zijn!' snibt Machteld. 'Nee hoor, je hebt naar het verkeerde station gekeken!' Boze bleekblauwe blik. Een zucht. 'Nee lieve schat, kijk dan! Jij kijkt naar Veenendaal, maar je moet naar Veenendaal-WEST kijken, sukkel, duhhus!' 'Oh ja....je hebt gelijk...' Einde dis. Sjoukje heeft een dikke huid, dat heb ik allang gezien. Alsof het de persoon die op ze staat te wachten uit zal maken of ze om half precies of om drie over half aankomen. Maar dat gaat het brein van een dertienjarige natuurlijk te boven. En afspraak is afspraak.
Vechtlustig steekt Sjoukje haar prominente onderkaak nog een stukje naar voren. Doe maar niet, kind. Je wordt er niet knapper van. 'Nou ja, dan moet ze maar even wachten, hoor!' Machteld reageert niet. Het gesprek neemt een andere wending en Sjoukje vraagt zich hardop af, waar het piepsignaal toe dient dat klinkt als de deuren van de trein zich sluiten. Wederom wordt ze hard gedist door Machteld: 'Ei, denk eens na!' Want, zo stelt Machteld, het piepsignaal is er om vogels van de treinkabels te verjagen.
Ik bijt op mijn lip. Sjoukje zou er beter aan doen het kaartje uit haar portemonnee nog eens te raadplegen in plaats van haar heil bij Machteld te zoeken. Dat zou haar een hoop onnodige bokken schelen. Als de trein wegrijdt zie ik hoe ze verder bakkeleien.
Me dunkt dat Maggi misschien maar met Gértjan moet trouwen, dan kan ze zich richten op het afblaffen van haar eigen talrijke kroost. Onderbeet-Sjoukje vindt wel iemand anders die haar centenbakje wil zoenen. Ze is dan wel vrij onaantrekkelijk, uiteindelijk verliezen een hoop mensen hun looks. Bovendien schijnt het bij gereformeerden (met een grote G) niet om het uiterlijk te gaan, maar om innerlijke waarden als vergevingsgezindheid, een sterk bekken, zuinigheid en naastenliefde. Als je na de wittebroodsweken slechts een zoutpilaar hebt om op terug te vallen, voel je je toch bekocht. Dan ben je met een lief-en-lelijk meisje met een huid als een ui toch beter af. Ook al heeft ze klapkuiten.
Ik hoop in ieder geval dat de trein op tijd aankomt in Veenendaal-West, zodat de balkenbrij nog warm is. En dat de vogels die op de treinkabels zitten Maggi een 'triple chocolate'-koekje van eigen deeg geven. Dat zou een goede combi vormen met de verdroogd-zure rozijn van haar innerlijk en haar deegachtige complexie. Halvegare.
donderdag 6 oktober 2011
Sleutel
Toen ik zaterdagnacht terugkwam van een avondje stappen trof ik mijn buurman aan voor de portiekdeur. Ik wist dat het mijn buurman was omdat ik een aantal weken geleden terugkwam van spinningles (zweterige verfomfaaide bedoeling, onflatteuze biefstukbroek, onverwachte ontmoeting) en hij toen de deur voor me openhield. Op de een of andere manier brengt hij me van mijn stuk, want ook toen stamelde ik een nerveuzig 'hoi' en liet mijn post, sleutels en sporttas beurtelings uit mijn handen vallen. Zonder hier gelijk een amoureus of label met bijbedoelingen aan te willen hangen – zoals gezegd, ik ken hem niet en onze ontmoetingen vonden in het donker plaats – kan ik wel zeggen dat het een imposant figuur is. Hij is lang, aantrekkelijk en rustig. Voor zover ik dat kan beoordelen.
Hoewel ik hem deze keer al bij de deur zag staan en me dus een beetje kon voorbereiden, was het deze keer niet anders. Eigenlijk is het niet de bedoeling dat je je fiets in het gemeenschappelijk portaal stalt maar ik had hem de volgende morgen weer nodig en als ik 'm daar zou stallen, zou dat zo'n tien minuten schelen. Aan zijn fiets te zien, was hij hetzelfde van plan.
Hij legde uit dat hij zijn voordeursleutel vergeten was. Ik vroeg hem, hoe hij dan zijn appartement binnen zou komen. Ik begreep eerst niet dat hij die sleutel wél bij zich had. In het ergste geval mocht hij wel een nachtje bij mij doorbrengen; hij kon moeilijk in het trappenhuis slapen! Maar zover kwam het gelukkig niet. 'Dus ik ben blij dat jij er bent! Anders had ik via het balkon naar binnen moeten klimmen; dat heb ik wel vaker gedaan!' Oh. Okee. We liepen samen naar binnen en hij wachtte geduldig tot ik mijn fiets gestald had. Mijn slot wilde niet, mijn oordopjes raakten verstrikt in mijn spaken, ik stootte mijzelf in het kruis met mijn bagagedrager en tot overmaat van ramp stroomde er plotseling snot over mijn bovenlip en ik had geen zakdoekje bij de hand. Ge.Nant. Ik probeerde het vocht zo discreet mogelijk weg te vegen en bleef in het donker, uit angst dat hij me zou zien. Ondertussen probeerde hij een gesprekje aan te knopen, dat schatje. 'Ben je uit geweest?' Ik bevestigde dat. Hij was wezen werken en nodigde me uit om een keer langs te komen. De naam van de kroeg waar hij werkte leek echter heel veel op de naam van een kledingketen en ik verwarde de twee met elkaar. Toen hij zei dat hij op vrijdag en zaterdag werkte vertelde ik hem dan ook dat ik op die tijdstippen óók moest werken – maar ik werk overdag en hij natuurlijk 's nachts. Anders stonden we hier überhaupt niet. Maar dat bedacht ik pas toen ik in mijn bedje lag.
'Woon jij boven mij?' vroeg hij. Ik moest even nadenken en toen zei ik: 'Ja, ik denk van wel.' Hij keek me een beetje vreemd aan. Ik denk dat hij doelde op de etage boven hem in plaats van het precieze appartement boven hem, wat ik in gedachten had. Ook dat bedacht ik pas toen ik in mijn bedje lag. 'Nou, ik zie je vast snel wel weer,' zei ik, toen we de twee trapjes naar zijn etage hadden afgelegd. 'We zijn ten slotte buren, toch?' 'Ja,' zei hij, 'Nou, slaap lekker..... Buurvrouw!'
Ik weet nog altijd niet hoe hij heet. Ik heb het niet gevraagd, want dan zou hij me ongetwijfeld een hand toesteken en dat wilde ik, begrijpelijk, vermijden. Ik weet niets van hem, behalve waar hij werkt. Tuurlijk kom ik een keer langs, hij lijkt me heel aardig. En ik zou graag een betere indruk bij hem achterlaten, in plaats van die van een stuntelende, beschonken onbeholpen bimbo. Ik was alleen maar moe en niet dronken, maar hij zal denken van wel. En ik neem het hem niet kwalijk, het was een gênante vertoning.
Ik ken niet zoveel mensen in mijn gebouw, en de mensen die ik wel ken, delen mijn levensovertuiging niet. Of beter gezegd, ik deel die van hen maar tot op zekere hoogte. Deze jongen leek me er een die wel in mijn straatje zou passen, amoureus of anderszins. Hij is lang en ik kon zien dat hij flink wat tijd in de sportschool doorbracht – daar houd ik wel van. Je bent single of je bent het niet. Maar ook als hij al lang en breed een schat van een meid naast zich heeft, is het investeren in burenvriendschap de moeite waard. Ik wil onze nachtelijke ontmoetingen onder geen beding verranzen. Hij leek me oprecht leuk.
Want de laatste tijd, lieve lezer, heb ik last van een rare blinde vlek als het om mannen gaat. Overal waar ik kijk zie ik mannen die heel leuk lijken. Maar als ze dichterbij komen, schrik ik me een hoedje. Die avond nog was het raak geweest in de eerste kroeg waar ik en mijn vriendinnetje neerstreken. Vanaf minuut een had ik de aandacht van een lange man met een ruitjeshemd en een grote bos donkere krullen. Hij bleef kijken. Toen mijn vriendinnetje even naar de WC ging, zag hij zijn kans schoon en sprak me aan. Ik heb het al vaker gezegd: moed verdient aandacht. Maar pas toen hij, op mijn uitnodiging, naast me kwam zitten, zag ik dat hij a) ouder was dan ik dacht en b) ik hoorde dat hij een spraakgebrek had en c) dat hij al een glas teveel ophad. Per ongeluk nam ik een slokje uit zijn glas. Hoe ik daarachter kwam? Hij had een rum-c. (De 'ola mag wegblijven, want zoveel cola zat er niet in.)
Het gesprekje dat we hadden was ook wel vreemd. Op mijn vraag wat hij deed, antwoordde hij; 'Dat wil je niet weten!' Op mijn vraag: 'wat houdt je bezig in het leven?' zei hij: 'veel...' Hij leek overdonderd. Of misschien was hij ook tot een aantal realisaties gekomen toen hij me van dichtbij zag. Maar ik ben wel zoveel hinde (ja, die houden we erin, Hooi) dat ik denk van niet. We vertrokken snel daarna naar een Havana en hij vatte dit vertrek op als een afwijzing. Dat mag, al probeer ik me altijd zo menselijk en beleefd mogelijk te gedragen. Maar hij keurde me geen blik meer waardig. Oh well.
In de kroeg waar we daarna kwamen waren alleen maar hele jonge mannen. (<20) Een van de weinigen die ons aansprak was blond en vrij spichtig. Hij bleek homoseksueel. Wat hij in het oor van mijn vriendinnetje fluisterde weet ik niet. Wij spraken over rolpatronen en hij dacht dat ik wel het type meisje was dat een man wilde die haar, in zijn eigen woorden, 'op het strand in het zand drukte en haar eens goed pakte.' 'Ik wil het ook wel doen, hoor,' zei hij, 'Dat lijkt me vet lachen! Ik weet dat je al sopt bij de gedachte aan mij in mijn onderbroek!' Ik zou hem moeten teleurstellen, maar in plaats daarvan verbeet ik mijn lachen en begon over iets anders. Ik heb het al eerder gezegd: dat je homo bent, wil niet zeggen dat je alles maar kunt zeggen of me, à la Gok Wan, overal mag betasten. En om eerlijk te zijn twijfelde ik aan zijn homoseksuele status na die opmerking. Het zou wel een goede truc zijn.
Ondanks het gebrek aan mannelijk schoon was het toch een leuke avond en toen ik bij mijn buurman aankwam was ik dan ook ontspannen en in een goed humeur. Eindelijk een man van mijn kaliber. Ha. Dus binnenkort breng ik even een bezoek aan zijn kledingzaak, pardon, kroeg. Ik neem aan dat het een bartender is, maar gezien zijn armen kan het ook best een uitsmijter zijn. Of hij kan geweldig goede mojito's schudden! Er is maar een manier om daar achter te komen....
Hoewel ik hem deze keer al bij de deur zag staan en me dus een beetje kon voorbereiden, was het deze keer niet anders. Eigenlijk is het niet de bedoeling dat je je fiets in het gemeenschappelijk portaal stalt maar ik had hem de volgende morgen weer nodig en als ik 'm daar zou stallen, zou dat zo'n tien minuten schelen. Aan zijn fiets te zien, was hij hetzelfde van plan.
Hij legde uit dat hij zijn voordeursleutel vergeten was. Ik vroeg hem, hoe hij dan zijn appartement binnen zou komen. Ik begreep eerst niet dat hij die sleutel wél bij zich had. In het ergste geval mocht hij wel een nachtje bij mij doorbrengen; hij kon moeilijk in het trappenhuis slapen! Maar zover kwam het gelukkig niet. 'Dus ik ben blij dat jij er bent! Anders had ik via het balkon naar binnen moeten klimmen; dat heb ik wel vaker gedaan!' Oh. Okee. We liepen samen naar binnen en hij wachtte geduldig tot ik mijn fiets gestald had. Mijn slot wilde niet, mijn oordopjes raakten verstrikt in mijn spaken, ik stootte mijzelf in het kruis met mijn bagagedrager en tot overmaat van ramp stroomde er plotseling snot over mijn bovenlip en ik had geen zakdoekje bij de hand. Ge.Nant. Ik probeerde het vocht zo discreet mogelijk weg te vegen en bleef in het donker, uit angst dat hij me zou zien. Ondertussen probeerde hij een gesprekje aan te knopen, dat schatje. 'Ben je uit geweest?' Ik bevestigde dat. Hij was wezen werken en nodigde me uit om een keer langs te komen. De naam van de kroeg waar hij werkte leek echter heel veel op de naam van een kledingketen en ik verwarde de twee met elkaar. Toen hij zei dat hij op vrijdag en zaterdag werkte vertelde ik hem dan ook dat ik op die tijdstippen óók moest werken – maar ik werk overdag en hij natuurlijk 's nachts. Anders stonden we hier überhaupt niet. Maar dat bedacht ik pas toen ik in mijn bedje lag.
'Woon jij boven mij?' vroeg hij. Ik moest even nadenken en toen zei ik: 'Ja, ik denk van wel.' Hij keek me een beetje vreemd aan. Ik denk dat hij doelde op de etage boven hem in plaats van het precieze appartement boven hem, wat ik in gedachten had. Ook dat bedacht ik pas toen ik in mijn bedje lag. 'Nou, ik zie je vast snel wel weer,' zei ik, toen we de twee trapjes naar zijn etage hadden afgelegd. 'We zijn ten slotte buren, toch?' 'Ja,' zei hij, 'Nou, slaap lekker..... Buurvrouw!'
Ik weet nog altijd niet hoe hij heet. Ik heb het niet gevraagd, want dan zou hij me ongetwijfeld een hand toesteken en dat wilde ik, begrijpelijk, vermijden. Ik weet niets van hem, behalve waar hij werkt. Tuurlijk kom ik een keer langs, hij lijkt me heel aardig. En ik zou graag een betere indruk bij hem achterlaten, in plaats van die van een stuntelende, beschonken onbeholpen bimbo. Ik was alleen maar moe en niet dronken, maar hij zal denken van wel. En ik neem het hem niet kwalijk, het was een gênante vertoning.
Ik ken niet zoveel mensen in mijn gebouw, en de mensen die ik wel ken, delen mijn levensovertuiging niet. Of beter gezegd, ik deel die van hen maar tot op zekere hoogte. Deze jongen leek me er een die wel in mijn straatje zou passen, amoureus of anderszins. Hij is lang en ik kon zien dat hij flink wat tijd in de sportschool doorbracht – daar houd ik wel van. Je bent single of je bent het niet. Maar ook als hij al lang en breed een schat van een meid naast zich heeft, is het investeren in burenvriendschap de moeite waard. Ik wil onze nachtelijke ontmoetingen onder geen beding verranzen. Hij leek me oprecht leuk.
Want de laatste tijd, lieve lezer, heb ik last van een rare blinde vlek als het om mannen gaat. Overal waar ik kijk zie ik mannen die heel leuk lijken. Maar als ze dichterbij komen, schrik ik me een hoedje. Die avond nog was het raak geweest in de eerste kroeg waar ik en mijn vriendinnetje neerstreken. Vanaf minuut een had ik de aandacht van een lange man met een ruitjeshemd en een grote bos donkere krullen. Hij bleef kijken. Toen mijn vriendinnetje even naar de WC ging, zag hij zijn kans schoon en sprak me aan. Ik heb het al vaker gezegd: moed verdient aandacht. Maar pas toen hij, op mijn uitnodiging, naast me kwam zitten, zag ik dat hij a) ouder was dan ik dacht en b) ik hoorde dat hij een spraakgebrek had en c) dat hij al een glas teveel ophad. Per ongeluk nam ik een slokje uit zijn glas. Hoe ik daarachter kwam? Hij had een rum-c. (De 'ola mag wegblijven, want zoveel cola zat er niet in.)
Het gesprekje dat we hadden was ook wel vreemd. Op mijn vraag wat hij deed, antwoordde hij; 'Dat wil je niet weten!' Op mijn vraag: 'wat houdt je bezig in het leven?' zei hij: 'veel...' Hij leek overdonderd. Of misschien was hij ook tot een aantal realisaties gekomen toen hij me van dichtbij zag. Maar ik ben wel zoveel hinde (ja, die houden we erin, Hooi) dat ik denk van niet. We vertrokken snel daarna naar een Havana en hij vatte dit vertrek op als een afwijzing. Dat mag, al probeer ik me altijd zo menselijk en beleefd mogelijk te gedragen. Maar hij keurde me geen blik meer waardig. Oh well.
In de kroeg waar we daarna kwamen waren alleen maar hele jonge mannen. (<20) Een van de weinigen die ons aansprak was blond en vrij spichtig. Hij bleek homoseksueel. Wat hij in het oor van mijn vriendinnetje fluisterde weet ik niet. Wij spraken over rolpatronen en hij dacht dat ik wel het type meisje was dat een man wilde die haar, in zijn eigen woorden, 'op het strand in het zand drukte en haar eens goed pakte.' 'Ik wil het ook wel doen, hoor,' zei hij, 'Dat lijkt me vet lachen! Ik weet dat je al sopt bij de gedachte aan mij in mijn onderbroek!' Ik zou hem moeten teleurstellen, maar in plaats daarvan verbeet ik mijn lachen en begon over iets anders. Ik heb het al eerder gezegd: dat je homo bent, wil niet zeggen dat je alles maar kunt zeggen of me, à la Gok Wan, overal mag betasten. En om eerlijk te zijn twijfelde ik aan zijn homoseksuele status na die opmerking. Het zou wel een goede truc zijn.
Ondanks het gebrek aan mannelijk schoon was het toch een leuke avond en toen ik bij mijn buurman aankwam was ik dan ook ontspannen en in een goed humeur. Eindelijk een man van mijn kaliber. Ha. Dus binnenkort breng ik even een bezoek aan zijn kledingzaak, pardon, kroeg. Ik neem aan dat het een bartender is, maar gezien zijn armen kan het ook best een uitsmijter zijn. Of hij kan geweldig goede mojito's schudden! Er is maar een manier om daar achter te komen....
woensdag 5 oktober 2011
Arg(ern)us
In mijn vorige buurt had ik een buurvrouw die zo vreselijk nieuwsgierig was dat ze 's avonds vast hoofdpijn had van al dat kijken. In mijn straat kon er geen blad van de boom vallen of buurvrouw Bep had het in het vizier. Dat ging ook op voor bezoek, het doen van boodschappen of het maken van een wandeling. Ze schroomde ook niet om me aan te spreken op mijn gedrag, in haar onvervalste platte accent: 'Jehháát bezsoekhèèh? Wasj datsje moeda?' Nu moet ik zeggen dat ik af en toe blij was met de bemoeienis van deze godmother. Haar aanwezigheid zorgde ervoor dat mijn fiets in mijn bezit bleef en haar kleinzoon op straat kon spelen zonder overreden te worden. Maar vaker kwam haar bemoeizucht me de keel uit.
Hetzelfde gold voor de mensen die, toen ik mijn scriptie nog niet afhad, vroegen wanneer ik 'nou eindelijk eens' mijn scriptie af ging maken. Ik ben de eerste die zal toegeven dat het allemaal flink wat langer duurde dan gepland. Een deel van deze reacties heb ik zelf over me afgeroepen door mijn frustraties over de duur van mijn schrijven te ventileren. Ik heb het dan niet over de goed bedoelde adviezen van hen die wisten waren ze over spraken: dat was alleen maar fijn. Maar de enigen die echt recht van spreken hadden waren de personen die mijn studie betaalden: mijn ouders. Toch kreeg ik van relatieve vreemden deze voor mij confronterende en vrijpostige vraag. In het begin belangstellend, later smalend. Mensen uit de sportschool die, zodra ik mijn hoofd liet zien, me vroegen of ik 'al' afgestudeerd was. Er was zelfs een collega die, uit de goedheid van haar hartje in volle onschuld, me ieder uur dat ik met haar werkte, vertelde dat ik het af moest maken - alsof ik dat zelf niet bedacht had – liefst binnen gehoorsafstand van klanten. (Of misschien was dat toeval.) In reactie op haar vragen, die werkelijk goedbedoeld maar daarom niet minder vervelend waren, kreeg ik ook van een ander dezelfde vraag.
Deze persoon, die niet eens precies wist wat ik studeerde, het woord 'universiteit' nauwelijks kon spellen, laat staan dat ze er ooit een van binnen had gezien, vroeg mij wanneer ik 'nou eindelijk eens af ging studeren, want het duurde wel errrug lang!'
Excuse me, what business is that of yours? Vraag ik soms wanneer jij 'nou eindelijk eens' een man vindt, 'nou eindelijk eens' om leert gaan met je emoties zonder je bokkenpruik op anderen af te reageren of 'nou eindelijk eens een keer' gaat beginnen aan het wegwerken van die tien kilo middenrif teveel van je??!!! De onbeschaamdheid! Mijn beleefde inborst maakte dat ik mijn thee binnenhield en bedaard antwoordde: 'Het komt wanneer het komt.' Per slot van rekening was het mijn zaak, mijn project en al klaag ik erover, dat betekent nog niet dat jij dat ook mag doen. Bewaar je dedain dus maar voor je moeder.
Net zo'n frustratie geeft mijn health kick. Het afgelopen jaar ben ik erg bezig geweest met mijn gezondheid en mijn gewicht. Mijn hart is van nature niet zo vreselijk sterk en ik ben een flinke tijd zwaarder dan betamelijk geweest. Nooit maagband-dik en echt lelijk zal ik wel nooit worden, maar het is voor alle delen van mijn fysieke en mentale gezondheid beter als ik op een gewicht ben waarvan ik vind dat het bij me past. Om dat te bereiken probeer ik dingen uit. Niet alles werkt. Wat ik wel weet, is dat ik van drank een opgezette buik krijg, een ongebreidelde vraatzucht, een slechte huid, cellulite en een onderkin.
Wekelijks spendeer ik zo'n acht uur in de sportschool. Al die inspanningen worden teniet gedaan na een glas wijn. Dat vind ik het maar zelden waard. Als ik een lijf wil dat in de buurt komt van dat van een topsporter, moet ik denken en eten als een topsporter – minus de enorme hoeveelheid koolhydraten. Kiezen is opofferen. Mijn lijn, die altijd op een precair evenwicht berust, komt me zeker niet aanwaaien. En dan nog noemen vreemde oude mannen me 'stevig'. (Hooi)
De andere kant hiervan is dat mijn gewicht invloed heeft op mijn zelfvertrouwen. Slank zijn lost geen problemen op in het sociale vlak: de mensen die niet van me hielden toen ik dikker was, zullen niet van me houden als ik twintig kilo verlies. Ik weet dat slank zijn niet zaligmakend is. Je bent wie je bent, ongeacht je gewicht. Toch worden mensen beoordeeld en afgerekend op hun gewicht. Daarnaast is het niet alleen cosmetisch: sporten heeft altijd een positief effect, óók als je het niet op de weegschaal of in de spiegel ziet. Sporten verandert ook je lichaamsvorm en je vetpercentage. Je hoeft je dus niet blind te staren op een kledingmaat. Maar iedereen die ooit boven zijn ideale gewicht of kledingmaat heeft gezeten, weet hoe heerlijk het voelt om weer in je favoriete spijkerbroek te glijden. Helemaal als dat een bewuste keus is geweest. Ontken het maar niet. En met het oog op komende sollicitaties kan ik ieder greintje zelfvertrouwen gebruiken dat ik vinden kan. Nu heb ik nog de tijd om me af te beulen en mijn conditie en gewicht op peil te houden. Ik wil zelfvertrouwen uitstralen, me goed voelen en genoeg energie hebben om me vol op een baan te storten. Drank hoort daar eventjes niet bij.
Ik mis het niet. Mijn vrienden missen het wel. Ik dacht altijd dat ik me niet anders gedroeg als ik gedronken had en in grote lijnen klopt dat. Ik vestig nooit de aandacht op mijn drankje. Maar ik merk dat het stigma dat op niet-drinkers ligt, nog altijd zwaar weegt. Mismoedig wordt er naar het glas cola in mijn hand gestaard. Een enkele medelijdende zucht wordt mijn kant op geworpen. Mensen zijn teleurgesteld en verslijten mij voor suf, alleen maar omdat ik niet drink. Want alleen orthodoxe gelovigen, kinderen en slappe mensen drinken niet. Natuurlijk, feestjes zijn iets minder leuk als iedereen lam is en ik niet. Maar de keerzijde is dat als ik wel drink, ik dik word en helemaal geen zin heb in feestjes. Laat staan dat ik de foto's kan verdragen die worden genomen. Iedere hoek is dan namelijk ongunstig en schildert mijn lijf af als puilend en wanstaltig. Mijn borsten lijken gigantisch, mijn buik is enorm en gezwollen en mijn benen komen tevoorschijn als zuilen van zwoerd: massief, bleek en bobbelig. Het is erger dan een Hunkemöller- pashokje.
Het punt is dat de mensen die me beschimpen en belachelijk maken vanwege mijn geheelonthoudersstijl in hun eigen leven nog veel rigoureuzere keuzes maken waar niemand iets over zegt. Ik ken een dame die schampere opmerkingen over mij maakte, maar haar arm brak tijdens een eigen lijnpoging omdat ze uit slapte tegen de vlakte sloeg. Dat mag dan weer wel, maar als ik me aan mijn eigen regels houdt, ben ik niet meer leuk.
Newsflash: ik ben liever slanker, gezonder en succesvoller dan het vadsige lachertje van de week. Ik begrijp het wel: het is prettig om iemand in je directe omgeving te hebben naast wie je altijd beter afsteekt. Hoe erg out of shape je ook bent, het is geruststellend om iemand te kennen die er nog slechter aan toe is. Women will be women. Maar ik pas voor die positie.
Al eerder heb ik een lange health kick gehad: toen heb ik ruim twee jaar geen druppel alcohol naar binnen gewerkt en de effecten waren duidelijk zichtbaar. Toen ik na die tijd weer eens een avondje meedronk, omdat ik dat namelijk wél lekker vind werd ik grif bijgeschonken en aangemoedigd, door te drinken. Het was na een etentje met vrienden en in huiselijke kring. Mijn half serieuze vraag op zoveel enthousiasme ('Jij vindt mij leuker als ik dronken ben, hè?') werd met een volmondig JA beantwoord.
Achteraf werd door diezelfde enthousiast schenkende persoon spottend gezegd dat ik 'niet dronk, maar wel een fles rum naar binnen werkte, huhuhuhuh'. Mijn lage tolerantiegrens maakte de opmerking sowieso onmogelijk. Meer nog dan van de eerste opmerking stond ik versteld van de tweede. Is dat eerlijk, nodig, aardig of discreet? Is het een blijk van ware vriendschap? Ik vind van niet.
Bovendien beslis ik nog altijd zelf wanneer ik wel en niet drink: het is niet zo dat omdat ik besluit een tijd niet te drinken, die 'verordening' vanaf dat moment voorgoed in werking is getreden en ik 'de regels breek' of iets 'verkeerd' doe als ik wel een glas drink. Het is mijn beslissing, mijn project, mijn leven en mijn lichaam. Nogmaals: bewaar je dedain maar voor je moeder, met cirrose toe.
En de moraal van dit lange verhaal? Bemoei je met je eigen zaken en steek je haviksneus in je eigen verzakte boezem, dan komt het allemaal terecht. Met een beetje geluk heb ik dan genoeg aan de sportschool om mijn frustraties te uiten in plaats van mijn lezers mee te sleuren in mijn ergernissen. Leuke tijden benadrukken is tenslotte net zo sociaal wenselijk als drinken. En iedereen wil ergens bij horen: ik ook! Bij de grote groep vlotte, strakke, sportievelingen. Dus tenzij iemand mij een glas zalige droge cava aanbiedt zeg ik voorlopig: mais non, merci.
Hetzelfde gold voor de mensen die, toen ik mijn scriptie nog niet afhad, vroegen wanneer ik 'nou eindelijk eens' mijn scriptie af ging maken. Ik ben de eerste die zal toegeven dat het allemaal flink wat langer duurde dan gepland. Een deel van deze reacties heb ik zelf over me afgeroepen door mijn frustraties over de duur van mijn schrijven te ventileren. Ik heb het dan niet over de goed bedoelde adviezen van hen die wisten waren ze over spraken: dat was alleen maar fijn. Maar de enigen die echt recht van spreken hadden waren de personen die mijn studie betaalden: mijn ouders. Toch kreeg ik van relatieve vreemden deze voor mij confronterende en vrijpostige vraag. In het begin belangstellend, later smalend. Mensen uit de sportschool die, zodra ik mijn hoofd liet zien, me vroegen of ik 'al' afgestudeerd was. Er was zelfs een collega die, uit de goedheid van haar hartje in volle onschuld, me ieder uur dat ik met haar werkte, vertelde dat ik het af moest maken - alsof ik dat zelf niet bedacht had – liefst binnen gehoorsafstand van klanten. (Of misschien was dat toeval.) In reactie op haar vragen, die werkelijk goedbedoeld maar daarom niet minder vervelend waren, kreeg ik ook van een ander dezelfde vraag.
Deze persoon, die niet eens precies wist wat ik studeerde, het woord 'universiteit' nauwelijks kon spellen, laat staan dat ze er ooit een van binnen had gezien, vroeg mij wanneer ik 'nou eindelijk eens af ging studeren, want het duurde wel errrug lang!'
Excuse me, what business is that of yours? Vraag ik soms wanneer jij 'nou eindelijk eens' een man vindt, 'nou eindelijk eens' om leert gaan met je emoties zonder je bokkenpruik op anderen af te reageren of 'nou eindelijk eens een keer' gaat beginnen aan het wegwerken van die tien kilo middenrif teveel van je??!!! De onbeschaamdheid! Mijn beleefde inborst maakte dat ik mijn thee binnenhield en bedaard antwoordde: 'Het komt wanneer het komt.' Per slot van rekening was het mijn zaak, mijn project en al klaag ik erover, dat betekent nog niet dat jij dat ook mag doen. Bewaar je dedain dus maar voor je moeder.
Net zo'n frustratie geeft mijn health kick. Het afgelopen jaar ben ik erg bezig geweest met mijn gezondheid en mijn gewicht. Mijn hart is van nature niet zo vreselijk sterk en ik ben een flinke tijd zwaarder dan betamelijk geweest. Nooit maagband-dik en echt lelijk zal ik wel nooit worden, maar het is voor alle delen van mijn fysieke en mentale gezondheid beter als ik op een gewicht ben waarvan ik vind dat het bij me past. Om dat te bereiken probeer ik dingen uit. Niet alles werkt. Wat ik wel weet, is dat ik van drank een opgezette buik krijg, een ongebreidelde vraatzucht, een slechte huid, cellulite en een onderkin.
Wekelijks spendeer ik zo'n acht uur in de sportschool. Al die inspanningen worden teniet gedaan na een glas wijn. Dat vind ik het maar zelden waard. Als ik een lijf wil dat in de buurt komt van dat van een topsporter, moet ik denken en eten als een topsporter – minus de enorme hoeveelheid koolhydraten. Kiezen is opofferen. Mijn lijn, die altijd op een precair evenwicht berust, komt me zeker niet aanwaaien. En dan nog noemen vreemde oude mannen me 'stevig'. (Hooi)
De andere kant hiervan is dat mijn gewicht invloed heeft op mijn zelfvertrouwen. Slank zijn lost geen problemen op in het sociale vlak: de mensen die niet van me hielden toen ik dikker was, zullen niet van me houden als ik twintig kilo verlies. Ik weet dat slank zijn niet zaligmakend is. Je bent wie je bent, ongeacht je gewicht. Toch worden mensen beoordeeld en afgerekend op hun gewicht. Daarnaast is het niet alleen cosmetisch: sporten heeft altijd een positief effect, óók als je het niet op de weegschaal of in de spiegel ziet. Sporten verandert ook je lichaamsvorm en je vetpercentage. Je hoeft je dus niet blind te staren op een kledingmaat. Maar iedereen die ooit boven zijn ideale gewicht of kledingmaat heeft gezeten, weet hoe heerlijk het voelt om weer in je favoriete spijkerbroek te glijden. Helemaal als dat een bewuste keus is geweest. Ontken het maar niet. En met het oog op komende sollicitaties kan ik ieder greintje zelfvertrouwen gebruiken dat ik vinden kan. Nu heb ik nog de tijd om me af te beulen en mijn conditie en gewicht op peil te houden. Ik wil zelfvertrouwen uitstralen, me goed voelen en genoeg energie hebben om me vol op een baan te storten. Drank hoort daar eventjes niet bij.
Ik mis het niet. Mijn vrienden missen het wel. Ik dacht altijd dat ik me niet anders gedroeg als ik gedronken had en in grote lijnen klopt dat. Ik vestig nooit de aandacht op mijn drankje. Maar ik merk dat het stigma dat op niet-drinkers ligt, nog altijd zwaar weegt. Mismoedig wordt er naar het glas cola in mijn hand gestaard. Een enkele medelijdende zucht wordt mijn kant op geworpen. Mensen zijn teleurgesteld en verslijten mij voor suf, alleen maar omdat ik niet drink. Want alleen orthodoxe gelovigen, kinderen en slappe mensen drinken niet. Natuurlijk, feestjes zijn iets minder leuk als iedereen lam is en ik niet. Maar de keerzijde is dat als ik wel drink, ik dik word en helemaal geen zin heb in feestjes. Laat staan dat ik de foto's kan verdragen die worden genomen. Iedere hoek is dan namelijk ongunstig en schildert mijn lijf af als puilend en wanstaltig. Mijn borsten lijken gigantisch, mijn buik is enorm en gezwollen en mijn benen komen tevoorschijn als zuilen van zwoerd: massief, bleek en bobbelig. Het is erger dan een Hunkemöller- pashokje.
Het punt is dat de mensen die me beschimpen en belachelijk maken vanwege mijn geheelonthoudersstijl in hun eigen leven nog veel rigoureuzere keuzes maken waar niemand iets over zegt. Ik ken een dame die schampere opmerkingen over mij maakte, maar haar arm brak tijdens een eigen lijnpoging omdat ze uit slapte tegen de vlakte sloeg. Dat mag dan weer wel, maar als ik me aan mijn eigen regels houdt, ben ik niet meer leuk.
Newsflash: ik ben liever slanker, gezonder en succesvoller dan het vadsige lachertje van de week. Ik begrijp het wel: het is prettig om iemand in je directe omgeving te hebben naast wie je altijd beter afsteekt. Hoe erg out of shape je ook bent, het is geruststellend om iemand te kennen die er nog slechter aan toe is. Women will be women. Maar ik pas voor die positie.
Al eerder heb ik een lange health kick gehad: toen heb ik ruim twee jaar geen druppel alcohol naar binnen gewerkt en de effecten waren duidelijk zichtbaar. Toen ik na die tijd weer eens een avondje meedronk, omdat ik dat namelijk wél lekker vind werd ik grif bijgeschonken en aangemoedigd, door te drinken. Het was na een etentje met vrienden en in huiselijke kring. Mijn half serieuze vraag op zoveel enthousiasme ('Jij vindt mij leuker als ik dronken ben, hè?') werd met een volmondig JA beantwoord.
Achteraf werd door diezelfde enthousiast schenkende persoon spottend gezegd dat ik 'niet dronk, maar wel een fles rum naar binnen werkte, huhuhuhuh'. Mijn lage tolerantiegrens maakte de opmerking sowieso onmogelijk. Meer nog dan van de eerste opmerking stond ik versteld van de tweede. Is dat eerlijk, nodig, aardig of discreet? Is het een blijk van ware vriendschap? Ik vind van niet.
Bovendien beslis ik nog altijd zelf wanneer ik wel en niet drink: het is niet zo dat omdat ik besluit een tijd niet te drinken, die 'verordening' vanaf dat moment voorgoed in werking is getreden en ik 'de regels breek' of iets 'verkeerd' doe als ik wel een glas drink. Het is mijn beslissing, mijn project, mijn leven en mijn lichaam. Nogmaals: bewaar je dedain maar voor je moeder, met cirrose toe.
En de moraal van dit lange verhaal? Bemoei je met je eigen zaken en steek je haviksneus in je eigen verzakte boezem, dan komt het allemaal terecht. Met een beetje geluk heb ik dan genoeg aan de sportschool om mijn frustraties te uiten in plaats van mijn lezers mee te sleuren in mijn ergernissen. Leuke tijden benadrukken is tenslotte net zo sociaal wenselijk als drinken. En iedereen wil ergens bij horen: ik ook! Bij de grote groep vlotte, strakke, sportievelingen. Dus tenzij iemand mij een glas zalige droge cava aanbiedt zeg ik voorlopig: mais non, merci.
dinsdag 4 oktober 2011
Hooi
Op het pleintje bij mijn plaatselijke supermarkt werd ik bij aankomst bij mijn fiets verrast door een bruine man op leeftijd. Ik had een zware tas bij me en keek hem verwonderd aan. 'Ik kom naar je toe,' zei hij. 'Nu kom ik naar jou toe!' Ik trok mijn wenkbrauwen op, maar het was werkelijk een oude man en hij leek kortademig, dus ik maakte me niet teveel zorgen.
'Nou, welkom!' zei ik dan ook. 'Ik zag jou al,' begon hij, licht verwijtend, 'ik zag jou al vorige week! En ik stak mijn hand op. Maar jij, jij keek niet eens op of om!'
Dit, lieve lezer, klinkt als een befaamde truc. Ik had niets met die man te schaften, was hem niets verplicht en kende hem niet. Reden genoeg om hen te negeren. Dat is wat mensen die elkaar niet kennen doen, volgens de auteur van De Naakte Aap.
Waarschijnlijk had ik hem vrijpostig gevonden en daarom niet op of om gekeken. Nog waarschijnlijker was dat ik zo in gedachten verzonken was dat ik hem helemaal niet heb opgemerkt. Hij keek me de hele tijd aandachtig aan en ik hoorde zijn adem door lagen slijm heen piepen. Hij rookte een dunne sigaar. Net toen ik bedacht dat ik me nu wel genoeg van mijn lieve-meisjeskant had laten zien, zeeg hij neer op mijn fiets. Jammerrrrrrrr.....
Bedachtzaam ging hij verder: 'Ja... Ja, ik weet wel dat jij zo niet bent, hoor. Jij bent niet zo, jij bent een goed meisje. Ik weet het wel, hoor.' Hij lachte raspend. 'Woon je hier in de buurt?' Hoe bonafide hij ook mocht klinken, deze vraag beantwoord ik altijd met enige reserve. (Schoffelen) Gelukkig nam hij me het werk uit handen. 'Je woont hier in de buurt, niet?' Ik beaamde dat. 'En u?' Hij zei dat hij in de flat tegenover het winkelcentrum woonde; 'Ik woon daar als single persoon!'
Goed hoor, opaatje. Zijn archaïsch nette taalgebruik en geaffecteerde manier van spreken maakten me duidelijk dat het een Surinamer was. Iets in hem deed me aan mijn geliefde ome Humbert denken, een verre neef van wijlen mijn opa. Ik had deze man slechts eenmaal ontmoet toen ik op vakantie was. Ondanks dat het buiten zo'n zeventwintig graden celsius was ging hij altijd onberispelijk correct gekleed in driedelig grijs. Hij droeg een hoed en gebruikte een wandelstok en had ogen die van ouderdom zo blauw waren als de bodem van de Adriatische zee. Ik ken niemand die meer indruk op me maakte dan hij. Ik ben nou eenmaal gevoelig voor mannen met charisma en hij oefende een grote aantrekkingskracht op me uit. Ik probeerde mijn adoratie wel te verbergen, maar mijn broer had gelijk toen hij – half ongelovig, half triomfantelijk – opmerkte dat Humbert wel mijn type man was.
Toen ik bij thuiskomst dit gevoel probeerde uit te leggen aan mijn vriendinnetjes merkte er eentje in volle onschuld op: 'Ik kan het me zo voorstellen, je ziet hem nog net geen dansje doen!!' en ze maakte wat vage dansgebaren met een denkbeeldige wandelstok. Het kostte me grote moeite niet NEEEHEEE, NATUURLIJK NIET!!! in haar gezicht te schreeuwen. Ze sloeg zo vreselijk de plank mis dat ik naar adem snakte. Ik beschreef de vleesgeworden Phileas Fogg, zij had een coon in haar hoofd, een Jolicoeur, een Uncle Tom. Wat ik bedoelde stond echt haaks op wat ze trachtte te beschrijven en ik hield dan ook vlug mijn mond, voor de gedachte nog verder bezoedeld zou worden door haar foutieve beschrijving. Dat ze überhaupt dacht dat ik onder de indruk zou kunnen zijn van zoiets ging mij ook boven de pet. Maar blijkbaar was mijn adoratie wel overgekomen, alleen stelde zij zich bij 'stijlvolle zwarte man op leeftijd' een buck voor. Okee. Opinies verschillen. Zucht...
De man die voor me stond had nog geen tiende van het charisma van mijn oom Humbert. Eigenlijk hadden ze, op zijn leeftijd na, helemaal niets gemeen. Maar zijn rustige manieren en zijn bedachtzame woorden (toegegeven, die werden waarschijnlijk eerder veroorzaakt door emfyseem dan door het werkelijke denkproces) deden me terugverlangen naar de vredige tijd die ik toen beleefd had. De man die voor me stond droeg geen driedelig grijs maar een spijkerbroek. Toch zag hij er verzorgd uit. Hij droeg sokken met een motiefje, een vrij nieuwe spijkerbroek, bruine loafers, een overhemd, een spencer en een iets aftands jasje. Ondanks dat hij wat plekken had overgeslagen kon ik aan het kleine scheerwondje zien dat hij zich die morgen geschoren had en hij rook niet vreselijk naar tabak, zoals rokende oude mannen soms kunnen doen. Al zorgde ik wel dat ik op gepaste afstand van hem bleef. Maar zijn vingernagels waren helderroze.
Deze ontmoeting was een duidelijk staaltje bruine-mensen-krentenbrood. Het idee dat ik als bruin persoon een band (zou) (moeten) heb(ben) met andere bruine personen heb ik wel vaker in actie gezien. Het is een ongeschreven en misschien wel niet-bestaande regel, een 'ding' dat zich niet laat vangen en evenmin laat verklaren. Het idee komt uit hetzelfde straatje als de 'vrouwelijke solidariteit'; dat vrouwen wereldwijd en taalbarrière-overschrijdend een band hebben of een gesprek met elkaar aangaan vanwege hun GGD: hun vagijn en hun borsten. Dat u zich er een voorstelling van kan maken....
De man legde uit dat hij een paar jaar geleden een hersenbloeding had gehad, rechtszijdig verlamd was geraakt en nu iedere dag een stukje naar het winkelcentrum liep, met zijn scootmobiel. Hij vroeg hoe ik heette en haastte zich uit te leggen dat hij een Chinese achternaam had. Dat zou best kunnen; hoewel hij veel creoolse trekken had was hij wel klein zoals Chinezen vaak zijn en licht van kleur. In zijn gezicht zag ik het Chinese in ieder geval niet zo terug. Ik zag het überhaupt niet zo terug. Het boeide me verder eigenlijk ook niet zo. De man ging verder en ik kwam aan de weet dat zijn Chinese grootvader kinderen had gekregen met een Indiaanse vrouw. Enig, zeg. Ik knikte maar eens. Over zijn eigen ouders hield hij zijn mond. Ik vroeg dan ook niet verder. Waarschijnlijk was hij wel trots op zijn Chinese en Indiaanse roots maar niet op zijn Creoolse. Daar hebben wel meer bruine mensen last van, je kunt er Fanon op naslaan.
Koket ging meneer verder: 'Ik werd gepest met mijn naam, vroeger. Ze zeiden dat ik geen land heb!' Ik glimlachte en knikte nog maar eens. 'Werkelijk?' Dat leek me, in het multiculturele veelkleurige Suriname, nogal onwaarschijnlijk. Zijn bruine ogen gleden over mijn lichaam.'Maar jij bent ook gemixt!' Weer die toon. Ik vertelde hem wat ik altijd vertel: dat ik een wereldburger ben. Hij zei niets. Plotseling verdween de onschuldige opa en kwam de wellusteling in hem naar boven. Hij floot door zijn tanden. 'Maar je bent stevig! Je bent een flinke meid! Stevig, ben je!!' Voor ik een reactie kon bedenken op deze constatering ging hij verder: 'Ik kijk vaak naar je, hoor! Je ziet er goed uit, ja hoor! Je mag er zijn!'
Lieve lezer, ik zal eerlijk zijn. Het is niet de eerste keer dat een man zoiets tegen me zegt, al namen ze het woord 'stevig' niet eerder in de mond. Maar ondanks de positieve toon en de goede bedoelingen vind ik de benaming stevig geen compliment, al is het wel zo bedoeld. Sterker, het kost me moeite om niet in elkaar te krimpen. Geen enkel meisje zou dat als een compliment opvatten. Als meisje wil je gracieus gevonden worden, sierlijk, fijntjes, chique, gedistingeerd. Je wil een hinde zijn, een hinde met lange ledematen, grote ogen, een scherp brein en een aaibare, zachte vacht. Geen schattig varkentje met korte dikke pootjes, een aandoenlijk vadsig bewegelijk rompje en stug rughaar dat ronkend knort van genoegen bij de geur van verse aardappelschillen. En stevig impliceert spijtig genoeg dat laatste, in mijn opinie.
Los van dit alles beviel de richting van het gesprek me niet zo, dus ik zei hem dat ik afspraken had en vertrok. Zijn hoge leeftijd en immobiliteit mogen dan vertrouwen hebben gewekt, vragen als de zijne doen dat zeker niet. Hij stond op van mijn fiets en greep mijn hand, toch weer de broze greep van een oude, zieke man. Ik kneep harder dan hij, en hij mompelde nog maar eens: ' ...Stevig...!' Nu durf ik, spreekwoordelijk gezien, bijna geen boodschappen meer te doen. Het scheelt dat hij niet weet hoe ik echt heet, of waar ik precies woon, of de waarheid over mijn baan. Als hij mag claimen dat hij Chinees-Indiaans is, mag ik ook over mijzelf beweren wat ik wil. Als hij naar het welbevinden van mijn vriend informeert, mag ik zeggen dat hij het goed maakt. Want hoewel je scootmobielen niet zomaar loskrijgt bij het ziekenhuis en je longemfyseem moeilijk kunt faken, stond hij verrassend lang op zijn benen en de schittering in zijn ogen was er een van een berekenende oude bok. Daar helpt geen raspend lachje of onzorgvuldige scheerwond aan.
Hij mag mij stevig vinden, ik ben hinde genoeg om daar niet in te trappen. Fluks trok ik aan mijn kuierlatten.... ik houd van vers gras, niet van vrijpostig hooi.
'Nou, welkom!' zei ik dan ook. 'Ik zag jou al,' begon hij, licht verwijtend, 'ik zag jou al vorige week! En ik stak mijn hand op. Maar jij, jij keek niet eens op of om!'
Dit, lieve lezer, klinkt als een befaamde truc. Ik had niets met die man te schaften, was hem niets verplicht en kende hem niet. Reden genoeg om hen te negeren. Dat is wat mensen die elkaar niet kennen doen, volgens de auteur van De Naakte Aap.
Waarschijnlijk had ik hem vrijpostig gevonden en daarom niet op of om gekeken. Nog waarschijnlijker was dat ik zo in gedachten verzonken was dat ik hem helemaal niet heb opgemerkt. Hij keek me de hele tijd aandachtig aan en ik hoorde zijn adem door lagen slijm heen piepen. Hij rookte een dunne sigaar. Net toen ik bedacht dat ik me nu wel genoeg van mijn lieve-meisjeskant had laten zien, zeeg hij neer op mijn fiets. Jammerrrrrrrr.....
Bedachtzaam ging hij verder: 'Ja... Ja, ik weet wel dat jij zo niet bent, hoor. Jij bent niet zo, jij bent een goed meisje. Ik weet het wel, hoor.' Hij lachte raspend. 'Woon je hier in de buurt?' Hoe bonafide hij ook mocht klinken, deze vraag beantwoord ik altijd met enige reserve. (Schoffelen) Gelukkig nam hij me het werk uit handen. 'Je woont hier in de buurt, niet?' Ik beaamde dat. 'En u?' Hij zei dat hij in de flat tegenover het winkelcentrum woonde; 'Ik woon daar als single persoon!'
Goed hoor, opaatje. Zijn archaïsch nette taalgebruik en geaffecteerde manier van spreken maakten me duidelijk dat het een Surinamer was. Iets in hem deed me aan mijn geliefde ome Humbert denken, een verre neef van wijlen mijn opa. Ik had deze man slechts eenmaal ontmoet toen ik op vakantie was. Ondanks dat het buiten zo'n zeventwintig graden celsius was ging hij altijd onberispelijk correct gekleed in driedelig grijs. Hij droeg een hoed en gebruikte een wandelstok en had ogen die van ouderdom zo blauw waren als de bodem van de Adriatische zee. Ik ken niemand die meer indruk op me maakte dan hij. Ik ben nou eenmaal gevoelig voor mannen met charisma en hij oefende een grote aantrekkingskracht op me uit. Ik probeerde mijn adoratie wel te verbergen, maar mijn broer had gelijk toen hij – half ongelovig, half triomfantelijk – opmerkte dat Humbert wel mijn type man was.
Toen ik bij thuiskomst dit gevoel probeerde uit te leggen aan mijn vriendinnetjes merkte er eentje in volle onschuld op: 'Ik kan het me zo voorstellen, je ziet hem nog net geen dansje doen!!' en ze maakte wat vage dansgebaren met een denkbeeldige wandelstok. Het kostte me grote moeite niet NEEEHEEE, NATUURLIJK NIET!!! in haar gezicht te schreeuwen. Ze sloeg zo vreselijk de plank mis dat ik naar adem snakte. Ik beschreef de vleesgeworden Phileas Fogg, zij had een coon in haar hoofd, een Jolicoeur, een Uncle Tom. Wat ik bedoelde stond echt haaks op wat ze trachtte te beschrijven en ik hield dan ook vlug mijn mond, voor de gedachte nog verder bezoedeld zou worden door haar foutieve beschrijving. Dat ze überhaupt dacht dat ik onder de indruk zou kunnen zijn van zoiets ging mij ook boven de pet. Maar blijkbaar was mijn adoratie wel overgekomen, alleen stelde zij zich bij 'stijlvolle zwarte man op leeftijd' een buck voor. Okee. Opinies verschillen. Zucht...
De man die voor me stond had nog geen tiende van het charisma van mijn oom Humbert. Eigenlijk hadden ze, op zijn leeftijd na, helemaal niets gemeen. Maar zijn rustige manieren en zijn bedachtzame woorden (toegegeven, die werden waarschijnlijk eerder veroorzaakt door emfyseem dan door het werkelijke denkproces) deden me terugverlangen naar de vredige tijd die ik toen beleefd had. De man die voor me stond droeg geen driedelig grijs maar een spijkerbroek. Toch zag hij er verzorgd uit. Hij droeg sokken met een motiefje, een vrij nieuwe spijkerbroek, bruine loafers, een overhemd, een spencer en een iets aftands jasje. Ondanks dat hij wat plekken had overgeslagen kon ik aan het kleine scheerwondje zien dat hij zich die morgen geschoren had en hij rook niet vreselijk naar tabak, zoals rokende oude mannen soms kunnen doen. Al zorgde ik wel dat ik op gepaste afstand van hem bleef. Maar zijn vingernagels waren helderroze.
Deze ontmoeting was een duidelijk staaltje bruine-mensen-krentenbrood. Het idee dat ik als bruin persoon een band (zou) (moeten) heb(ben) met andere bruine personen heb ik wel vaker in actie gezien. Het is een ongeschreven en misschien wel niet-bestaande regel, een 'ding' dat zich niet laat vangen en evenmin laat verklaren. Het idee komt uit hetzelfde straatje als de 'vrouwelijke solidariteit'; dat vrouwen wereldwijd en taalbarrière-overschrijdend een band hebben of een gesprek met elkaar aangaan vanwege hun GGD: hun vagijn en hun borsten. Dat u zich er een voorstelling van kan maken....
De man legde uit dat hij een paar jaar geleden een hersenbloeding had gehad, rechtszijdig verlamd was geraakt en nu iedere dag een stukje naar het winkelcentrum liep, met zijn scootmobiel. Hij vroeg hoe ik heette en haastte zich uit te leggen dat hij een Chinese achternaam had. Dat zou best kunnen; hoewel hij veel creoolse trekken had was hij wel klein zoals Chinezen vaak zijn en licht van kleur. In zijn gezicht zag ik het Chinese in ieder geval niet zo terug. Ik zag het überhaupt niet zo terug. Het boeide me verder eigenlijk ook niet zo. De man ging verder en ik kwam aan de weet dat zijn Chinese grootvader kinderen had gekregen met een Indiaanse vrouw. Enig, zeg. Ik knikte maar eens. Over zijn eigen ouders hield hij zijn mond. Ik vroeg dan ook niet verder. Waarschijnlijk was hij wel trots op zijn Chinese en Indiaanse roots maar niet op zijn Creoolse. Daar hebben wel meer bruine mensen last van, je kunt er Fanon op naslaan.
Koket ging meneer verder: 'Ik werd gepest met mijn naam, vroeger. Ze zeiden dat ik geen land heb!' Ik glimlachte en knikte nog maar eens. 'Werkelijk?' Dat leek me, in het multiculturele veelkleurige Suriname, nogal onwaarschijnlijk. Zijn bruine ogen gleden over mijn lichaam.'Maar jij bent ook gemixt!' Weer die toon. Ik vertelde hem wat ik altijd vertel: dat ik een wereldburger ben. Hij zei niets. Plotseling verdween de onschuldige opa en kwam de wellusteling in hem naar boven. Hij floot door zijn tanden. 'Maar je bent stevig! Je bent een flinke meid! Stevig, ben je!!' Voor ik een reactie kon bedenken op deze constatering ging hij verder: 'Ik kijk vaak naar je, hoor! Je ziet er goed uit, ja hoor! Je mag er zijn!'
Lieve lezer, ik zal eerlijk zijn. Het is niet de eerste keer dat een man zoiets tegen me zegt, al namen ze het woord 'stevig' niet eerder in de mond. Maar ondanks de positieve toon en de goede bedoelingen vind ik de benaming stevig geen compliment, al is het wel zo bedoeld. Sterker, het kost me moeite om niet in elkaar te krimpen. Geen enkel meisje zou dat als een compliment opvatten. Als meisje wil je gracieus gevonden worden, sierlijk, fijntjes, chique, gedistingeerd. Je wil een hinde zijn, een hinde met lange ledematen, grote ogen, een scherp brein en een aaibare, zachte vacht. Geen schattig varkentje met korte dikke pootjes, een aandoenlijk vadsig bewegelijk rompje en stug rughaar dat ronkend knort van genoegen bij de geur van verse aardappelschillen. En stevig impliceert spijtig genoeg dat laatste, in mijn opinie.
Los van dit alles beviel de richting van het gesprek me niet zo, dus ik zei hem dat ik afspraken had en vertrok. Zijn hoge leeftijd en immobiliteit mogen dan vertrouwen hebben gewekt, vragen als de zijne doen dat zeker niet. Hij stond op van mijn fiets en greep mijn hand, toch weer de broze greep van een oude, zieke man. Ik kneep harder dan hij, en hij mompelde nog maar eens: ' ...Stevig...!' Nu durf ik, spreekwoordelijk gezien, bijna geen boodschappen meer te doen. Het scheelt dat hij niet weet hoe ik echt heet, of waar ik precies woon, of de waarheid over mijn baan. Als hij mag claimen dat hij Chinees-Indiaans is, mag ik ook over mijzelf beweren wat ik wil. Als hij naar het welbevinden van mijn vriend informeert, mag ik zeggen dat hij het goed maakt. Want hoewel je scootmobielen niet zomaar loskrijgt bij het ziekenhuis en je longemfyseem moeilijk kunt faken, stond hij verrassend lang op zijn benen en de schittering in zijn ogen was er een van een berekenende oude bok. Daar helpt geen raspend lachje of onzorgvuldige scheerwond aan.
Hij mag mij stevig vinden, ik ben hinde genoeg om daar niet in te trappen. Fluks trok ik aan mijn kuierlatten.... ik houd van vers gras, niet van vrijpostig hooi.
Abonneren op:
Posts (Atom)