Vers terug van mijn trip naar The Phone House ben ik blij dat ik mag fietsen, zodat dat me afleidt van mijn ergernis. Amper een maand geleden, op 20 september, kreeg ik bij het oversluiten van mijn abonnement een nieuwe telefoon. Een dag later kocht ik een hoesje van gewatteerd leer.
Ik ben zuiniger op mijn spullen dan sommige moeders op hun kinderen, dus ik hoopte de levensduur van mijn nieuwe 'foon te kunnen verlengen met wat bescherming. Op die manier zou ik er nog minstens twee jaar plezier van kunnen hebben.
Die hoop was van korte duur. Gisteren haalde ik mijn gezicht open aan mijn telefoon: van de achterkant is een stuk afgescheurd, en dat maakte een kras in mijn wang. Omdat de aankoop zo vreselijk recent was, verwachtte ik service van de winkel en toog er dus optimistisch heen. Wel, dat optimisme vervloog sneller dan yuppen uit een Vogelaarwijk.
De jongen achter de balie vertelde mij zonder ook maar één blik op mijn meegebrachte contract te werpen dat hij me niet helpen kon. Ook de scheur in mijn 'foon kon zijn aandacht niet vasthouden. Hij had, zo vertelde hij vermoeid en zonder me aan te kijken, vorige week nog een meisje in de winkel gehad – met haar moeder! – dat op vrijdag een telefoon had gekocht en waarvan op maandag eenzelfde scheur als in de mijne was gekomen. Extra vervelend, want ze had haar telefoon niet verzekerd...
En voor haar hadden ze niets kunnen doen, dus kon hij voor mij ook niets doen.
Phone House-logica op haar best.
Dat is te zeggen: hij zou mijn telefoon met alle liefde voor me opsturen, maar daar zou ik voor moeten betalen, ondanks de recente aankoopdatum. Ik wees hem erop dat hij toch de plicht had om een deugdelijk product te leveren en dat mijn klacht niet onredelijk was: immers, ik had een hoesje ter bescherming aangeschaft en had niet met mijn telefoon gegooid. Hij kwam opnieuw met het meisje – en haar moeder! – op de proppen. Nu had ze echter een barst in haar beeldscherm en opnieuw vermeed hij oogcontact.
Niet dat ik zo graag in de gele, uitdrukkingsloze ogen van die bijzonder stugge man wilde staren, maar als mensen zich dingen herinneren kijken ze vaak omhoog, niet naar beneden alsof ze liegen. Ongeacht of hij nog zeventien meisjes – met hun moeders! – achter de hand had die een uur na aankoop al nul op rekest kregen bij de bekendmaking van hun klacht: ik wilde dat hij mij hielp. Hulp, in de vorm van een nieuw en gratis achterkantje. Dat leek me niet teveel gevraagd.
Hij bleef echter doen alsof hij mij een dienst bewees door de fabrikant de schuld te geven en herhaalde keer op keer dat hij best mijn telefoon op wilde sturen, maar dat hij me nu al 'met 100% zekerheid' kon vertellen dat ze (wie?) dit niet zouden vergoeden, omdat 'zulke schade' niet onder de fabrieksgarantie valt. 'Het is namelijk valschade...'
Nu vraag ik u. Ik heb met de fabrikant niets te schaften, ik heb slechts met de winkelier een appel te schillen. Die scheur is allicht ergens door veroorzaakt, maar ik kan me niet herinneren dat ik mijn telefoon heb laten vallen. Dat zou bovendien niet uit moeten maken: een telefoon is geen basketbal, maar hij moet wel bestendiger zijn dan een blaadje ouwel. En ik heb hem ten alle tijde in zijn beschermhoesje gelaten – ik ben er normaal mee omgegaan in de korte tijd dat ik hem bezit.
Kortom: ik heb mijn deel volbracht, meer kun je van mij niet verwachten. En dat ik mij moet verdedigen en bewijzen gaat eigenlijk al ver – ik kom niet voor niets terug naar die winkel. Alsof ik niets beters te doen heb! Het is dat dames niet vloeken...
Op de man spelen is kinderachtig en niet constructief, maar het is het enige wat mij rest in deze zeer onrechtvaardige strijd. De jamaar-jamaar-positie bevalt mij niet, maar Geeloog lijkt er van te genieten en dat ergert me nog het meest. Ik kom in de verleiding om hem de naam van het meisje – of haar moeder! – te vragen, zodat ik eens kan overleggen over deze aanfluiting. Schandalig.
Op het moment dat het er toe doet geeft The Phone House niet thuis.
Knock, knock, en wat hebben we hiervan geleerd? Blijf kloppen tot je een ons weegt, want de service van The Phone House is phoney.
donderdag 31 oktober 2013
zaterdag 26 oktober 2013
Nulancering
U weet, ik ben een vrouw van deze tijd. Ik recycle. Ik kannibaliseer soms spullen, of kleren. Ik scheid afval. Ik denk na over wat mijn consumptiegedrag betekent voor het milieu. Ik probeer zuinig te leven (al is de reden daarvoor niet alléén altruïsme). Ik heb een smartphone, een tablet en een dubbele opladerset voor in mijn tas. Ik geef graag geld uit aan kwaliteit.
En als iemand zegt dat alles vroeger beter was, vraag ik me af over welke periode hij het heeft.
Want natuurlijk lijkt alles van vroeger beter, al is het maar omdat je brein je slechts aan de cheesecake herinnert en de hondenpoep voor het gemak vergeet, als in een relatie met een slecht vriendje. Mis ik soms de fletse kleuren van tv, mislukte wazige vakantiefoto's, mijn logge, kwetsbare CD-speler of de rokerscoupés in de trein? Zeker niet. Ik ben een hopeloze romanticus, en tegelijkertijd een realist.
Maar er zijn dingen die ik wel in ere hersteld zou willen zien. Theedrinken zonder telefoon op tafel, bijvoorbeeld. Het krijgen van verjaardagskaarten van papier, en handgeschreven brieven. Als gezin aan tafel eten, zonder leden die snel ergens heen moeten, te laat komen of de afspraak helemaal niet halen en dat dan via een app kenbaar maken. Van tevoren weten hoeveel een reis met het OV gaat kosten. Belschaamte in de trein en andere publieke ruimten. Algehele discretie. Oprechte privacy – je niet druk hoeven over hackers of de registratie van je gedrag. Niet altijd en overal maar bereikbaar zijn. Foto's kijken wanneer ik daarvoor kies.
En dan zijn er nog de dingen waar ik geen concessies in wil doen. Inmiddels kent u, trouwe lezer, mijn standpunt als het om liefde gaat: ik juich gelijkwaardigheid, verantwoordelijkheid nemen en nadenken m/v nét zo hard toe als beschaafd gedrag en hoffelijkheid. Ik kom het beste tot mijn recht in het gezelschap van een man die de paraplu draagt, de deur openhoudt en mij drankjes aanbiedt in plaats van andersom. En al zou daar iets mis mee zijn, dan zou ik het nog niet anders willen zien. Een ander object waar ik zeer aan gehecht ben is mijn MP3-speler met losse batterij.
U leest het goed, ik zei 'MP3-speler' en niet 'Ipod': die heb ik nooit bezeten. Ik ben een Philipskoper uit BBP-steun en nostalgie, ondanks dat ik weet dat mijn personal audio heus in dezelfde Oosterse fabriek wordt gemaakt als Sony. Maar mijn MP3-speler is nog niet kapot. En ik ben gewend aan het logo.
(Da's geen inhoudelijke reden, maar dat geeft niet. Nostalgie is immers een onaantastbaar argument en feiten hebben daar weinig mee van doen – je hoeft maar naar de opwinding over Zwarte Piet te kijken om te weten dat dat waar is.)
Want een bij-effect van alle geweldige ontwikkelingen van de afgelopen twintig jaar is de gigantische afdankzucht. En dat terwijl 'oudere' producten vaak veel degelijker in elkaar zitten.
Wat is echter het nut van een telefoon met een levensduur van zeven jaar als de consument van zijn versie 3.1 af wil zodra er - veelal binnen twee maanden - een 3.2. wordt gemaakt? Eigenlijk komt het beide partijen goed uit dat de kwaliteit niet zo hoog is – dat schept een excuus voor de aanschaf van iets nieuws en het aanwakkeren van het idee dat 'nieuw' automatisch 'beter' betekent.
De reden voor dit stuk, reader dear, zit 'm vooral in dat ik na lang en veel zoeken weer een Philips-dealer heb gevonden die ze nog verkoopt: MP3 op AAA. Blijdschap ahoy. Ooit zal ik de omschakeling moeten maken, maar dat wil ik nu nog niet. Het kan me niet schelen dat een interne batterij langer meegaat: ik ken mijzelf en weet dat ik dat opladen vergeten zal. Batterijen – oplaadbare! – werken voor mij goed genoeg.
Ik sluit mijn ogen en houd vast aan dat kleine staafje.
Alles was vroeger beter, omdat je niet beter wist.
En als iemand zegt dat alles vroeger beter was, vraag ik me af over welke periode hij het heeft.
Want natuurlijk lijkt alles van vroeger beter, al is het maar omdat je brein je slechts aan de cheesecake herinnert en de hondenpoep voor het gemak vergeet, als in een relatie met een slecht vriendje. Mis ik soms de fletse kleuren van tv, mislukte wazige vakantiefoto's, mijn logge, kwetsbare CD-speler of de rokerscoupés in de trein? Zeker niet. Ik ben een hopeloze romanticus, en tegelijkertijd een realist.
Maar er zijn dingen die ik wel in ere hersteld zou willen zien. Theedrinken zonder telefoon op tafel, bijvoorbeeld. Het krijgen van verjaardagskaarten van papier, en handgeschreven brieven. Als gezin aan tafel eten, zonder leden die snel ergens heen moeten, te laat komen of de afspraak helemaal niet halen en dat dan via een app kenbaar maken. Van tevoren weten hoeveel een reis met het OV gaat kosten. Belschaamte in de trein en andere publieke ruimten. Algehele discretie. Oprechte privacy – je niet druk hoeven over hackers of de registratie van je gedrag. Niet altijd en overal maar bereikbaar zijn. Foto's kijken wanneer ik daarvoor kies.
En dan zijn er nog de dingen waar ik geen concessies in wil doen. Inmiddels kent u, trouwe lezer, mijn standpunt als het om liefde gaat: ik juich gelijkwaardigheid, verantwoordelijkheid nemen en nadenken m/v nét zo hard toe als beschaafd gedrag en hoffelijkheid. Ik kom het beste tot mijn recht in het gezelschap van een man die de paraplu draagt, de deur openhoudt en mij drankjes aanbiedt in plaats van andersom. En al zou daar iets mis mee zijn, dan zou ik het nog niet anders willen zien. Een ander object waar ik zeer aan gehecht ben is mijn MP3-speler met losse batterij.
U leest het goed, ik zei 'MP3-speler' en niet 'Ipod': die heb ik nooit bezeten. Ik ben een Philipskoper uit BBP-steun en nostalgie, ondanks dat ik weet dat mijn personal audio heus in dezelfde Oosterse fabriek wordt gemaakt als Sony. Maar mijn MP3-speler is nog niet kapot. En ik ben gewend aan het logo.
(Da's geen inhoudelijke reden, maar dat geeft niet. Nostalgie is immers een onaantastbaar argument en feiten hebben daar weinig mee van doen – je hoeft maar naar de opwinding over Zwarte Piet te kijken om te weten dat dat waar is.)
Want een bij-effect van alle geweldige ontwikkelingen van de afgelopen twintig jaar is de gigantische afdankzucht. En dat terwijl 'oudere' producten vaak veel degelijker in elkaar zitten.
Wat is echter het nut van een telefoon met een levensduur van zeven jaar als de consument van zijn versie 3.1 af wil zodra er - veelal binnen twee maanden - een 3.2. wordt gemaakt? Eigenlijk komt het beide partijen goed uit dat de kwaliteit niet zo hoog is – dat schept een excuus voor de aanschaf van iets nieuws en het aanwakkeren van het idee dat 'nieuw' automatisch 'beter' betekent.
De reden voor dit stuk, reader dear, zit 'm vooral in dat ik na lang en veel zoeken weer een Philips-dealer heb gevonden die ze nog verkoopt: MP3 op AAA. Blijdschap ahoy. Ooit zal ik de omschakeling moeten maken, maar dat wil ik nu nog niet. Het kan me niet schelen dat een interne batterij langer meegaat: ik ken mijzelf en weet dat ik dat opladen vergeten zal. Batterijen – oplaadbare! – werken voor mij goed genoeg.
Ik sluit mijn ogen en houd vast aan dat kleine staafje.
Alles was vroeger beter, omdat je niet beter wist.
zaterdag 19 oktober 2013
Dar(o)jee(!)ling
'Als wij de liefde gaan bedrijven ben ik de baas,' zegt de jongen in de rode polo tegen me.
Klare taal. Ik weet niet meer precies hoe ik hier gekomen ben, maar het begon met een krant.
Ik ben op weg naar de supermarkt doen als hij me staande houdt en ik zonder mijn bril af te doen door wil lopen. 'Oh, dus je kunt me wel horen?!' Mijn muziek staat nooit zo hard dat ik anderen niet kan horen praten. En dit is nieuw.
Ik weet heel goed dat de slechtste vraag die je een passant kan stellen 'Mag ik je wat vragen?' is, want ook al haal je geld op voor blinde mijnwezen met aids én lepra, er is geen enkele stedeling die op die vraag nog reageert. Dus proberen wervers van nu het met andere dingen: ze stellen quasi-grappige vragen ('wat ga je eten vanavond?') en vragen om je ja-flow op gang te brengen ('houd jij van kinderen? En van dieren? Vind je pesten naar?') zodat je logica- en gewoontegetrouw ook 'ja' zegt als ze je vragen of je ze wilt steunen. Of deze: ze steken je een hand toe en stellen zich voor, terwijl ze ook om jouw naam vragen. Héél gevaarlijk en het werkt op meerdere fronten, want naast de ingang die ze dat verschaft, wijs je iemand die je 'kent' minder snel af. Maar hee, hoe komen de kindjes anders uit de vicieuze cirkel van kindslavernij?
Deze jongen helpt geen kindjes. Hij wil me een NRC-abonnment aansmeren. En hoe fijn ik die krant ook vind, ik heb geen tijd voor een abonnement. Juist de vrijblijvendheid van een weekendeditie vind ik prettig – dat maakt afwisselen ook makkelijker. Toch heeft hij me te pakken, want op zijn vraag waar ik naar luister, geef ik gedwee antwoord. I'm losing my game, in vroeger tijden had de blik in mijn ogen hem zelfs door mijn zonnebril heen tegengehouden om me aan te spreken. Maar ik ben soft geworden. En hij heeft wel iets.
'Pearl Jam? Ik ben nog nooit een meisje tegengekomen dat van Pearl Jam hield,' zegt hij. Ik wijs hem er op dat mijn bril dient om botoxlittekens te verbergen. Hij is geen partij voor me.
'Gaan we wat drinken, bij jou thuis?' Ik schiet in de lach, niet eens vanwege het voorstel maar vooral vanwege de stapels kleren, mijn onopgemaakte bed, kruimels op de vloer en paperassen die aan het begin van het weekend wachten op verwerking. Dit soort dingen moet je me op zondagmiddag vragen als ik mijn lakens gestreken heb, niet als ik in the process ben vlak na een drukke week. Ik ben netjes op het neurotische af, maar zelfs ik heb mijn rommelige uren. En dit soort thee – bij alle andere oriëntalistische, seksistische onrechtvaardigheid uit dit voorstel heb ik me al lang geleden zuchtend neergelegd – drink ik liever bij andere mensen in plaats van in mijn eigen huis. Het is bovendien zijn idee.
'Oh, je vind me dus niet leuk genoeg?' pruilt hij gemaakt. Ik zeg hem dat als hij me beter wil leren kennen hij me kan bellen en we thee kunnen gaan drinken in de stad. Na mijn faaldate van een kleine maand geleden is dit lomp met een andere L, maar ik ervaar het als minder kwetsend, zelfs als grappig. (En dat is, als ik er over nadenk, best zorgelijk.)
'Liefje, maar liefje!' roept hij breed grijnzend, terwijl hij zijn handen soepel om mijn middel vleit, zijn neus in mijn haar steekt en me onbetamelijk dicht tegen zich aantrekt. 'Hoe gaan we ooit aan onze drie prachtkinderen beginnen als je niet met me mee naar huis wilt?!'
God, ik moet toch eens leren hier minder gevoelig voor te worden. Hij gaat veel te ver en ik laat het nog toe ook. Schaamteloos speelt hij de ik-wil-een-baby-en-grijp-je-middel-troefkaart uit. Goede zet, maar dat mag hij natuurlijk niet weten. 'Je mag de moeder van je toekomstige kinderen wel met wat meer respect behandelen,' kaats ik terug. 'Op deze manier is het enige huis waar ik heen ga dat voor ongehuwde moeders! Dus kom eerst maar met een ring op de proppen, dan praten we daarna verder.'
Hoe het afliep? Voor een kopje Darjeeling ben ik altijd wel te porren. Voor andere soorten thee heb ik toch echt wat meer bedenktijd nodig. En die gratis weekend-NRC steek ik hoe dan ook in mijn tas. Ha.
Pak de ketel. The heat is on.
Klare taal. Ik weet niet meer precies hoe ik hier gekomen ben, maar het begon met een krant.
Ik ben op weg naar de supermarkt doen als hij me staande houdt en ik zonder mijn bril af te doen door wil lopen. 'Oh, dus je kunt me wel horen?!' Mijn muziek staat nooit zo hard dat ik anderen niet kan horen praten. En dit is nieuw.
Ik weet heel goed dat de slechtste vraag die je een passant kan stellen 'Mag ik je wat vragen?' is, want ook al haal je geld op voor blinde mijnwezen met aids én lepra, er is geen enkele stedeling die op die vraag nog reageert. Dus proberen wervers van nu het met andere dingen: ze stellen quasi-grappige vragen ('wat ga je eten vanavond?') en vragen om je ja-flow op gang te brengen ('houd jij van kinderen? En van dieren? Vind je pesten naar?') zodat je logica- en gewoontegetrouw ook 'ja' zegt als ze je vragen of je ze wilt steunen. Of deze: ze steken je een hand toe en stellen zich voor, terwijl ze ook om jouw naam vragen. Héél gevaarlijk en het werkt op meerdere fronten, want naast de ingang die ze dat verschaft, wijs je iemand die je 'kent' minder snel af. Maar hee, hoe komen de kindjes anders uit de vicieuze cirkel van kindslavernij?
Deze jongen helpt geen kindjes. Hij wil me een NRC-abonnment aansmeren. En hoe fijn ik die krant ook vind, ik heb geen tijd voor een abonnement. Juist de vrijblijvendheid van een weekendeditie vind ik prettig – dat maakt afwisselen ook makkelijker. Toch heeft hij me te pakken, want op zijn vraag waar ik naar luister, geef ik gedwee antwoord. I'm losing my game, in vroeger tijden had de blik in mijn ogen hem zelfs door mijn zonnebril heen tegengehouden om me aan te spreken. Maar ik ben soft geworden. En hij heeft wel iets.
'Pearl Jam? Ik ben nog nooit een meisje tegengekomen dat van Pearl Jam hield,' zegt hij. Ik wijs hem er op dat mijn bril dient om botoxlittekens te verbergen. Hij is geen partij voor me.
'Gaan we wat drinken, bij jou thuis?' Ik schiet in de lach, niet eens vanwege het voorstel maar vooral vanwege de stapels kleren, mijn onopgemaakte bed, kruimels op de vloer en paperassen die aan het begin van het weekend wachten op verwerking. Dit soort dingen moet je me op zondagmiddag vragen als ik mijn lakens gestreken heb, niet als ik in the process ben vlak na een drukke week. Ik ben netjes op het neurotische af, maar zelfs ik heb mijn rommelige uren. En dit soort thee – bij alle andere oriëntalistische, seksistische onrechtvaardigheid uit dit voorstel heb ik me al lang geleden zuchtend neergelegd – drink ik liever bij andere mensen in plaats van in mijn eigen huis. Het is bovendien zijn idee.
'Oh, je vind me dus niet leuk genoeg?' pruilt hij gemaakt. Ik zeg hem dat als hij me beter wil leren kennen hij me kan bellen en we thee kunnen gaan drinken in de stad. Na mijn faaldate van een kleine maand geleden is dit lomp met een andere L, maar ik ervaar het als minder kwetsend, zelfs als grappig. (En dat is, als ik er over nadenk, best zorgelijk.)
'Liefje, maar liefje!' roept hij breed grijnzend, terwijl hij zijn handen soepel om mijn middel vleit, zijn neus in mijn haar steekt en me onbetamelijk dicht tegen zich aantrekt. 'Hoe gaan we ooit aan onze drie prachtkinderen beginnen als je niet met me mee naar huis wilt?!'
God, ik moet toch eens leren hier minder gevoelig voor te worden. Hij gaat veel te ver en ik laat het nog toe ook. Schaamteloos speelt hij de ik-wil-een-baby-en-grijp-je-middel-troefkaart uit. Goede zet, maar dat mag hij natuurlijk niet weten. 'Je mag de moeder van je toekomstige kinderen wel met wat meer respect behandelen,' kaats ik terug. 'Op deze manier is het enige huis waar ik heen ga dat voor ongehuwde moeders! Dus kom eerst maar met een ring op de proppen, dan praten we daarna verder.'
Hoe het afliep? Voor een kopje Darjeeling ben ik altijd wel te porren. Voor andere soorten thee heb ik toch echt wat meer bedenktijd nodig. En die gratis weekend-NRC steek ik hoe dan ook in mijn tas. Ha.
Pak de ketel. The heat is on.
Labels:
identiteit,
klasse,
liefde,
omgangsvormen,
overpeinzingen,
relaties,
seks
maandag 14 oktober 2013
Frame
Topografie was nooit mijn sterkste kant – daarom ben ik zo dankbaar voor het bestaan van Google Maps. Mijn fiets, mijn mooie, soepele, ranke fiets is onvrijwillig van eigenaar gewisseld en ik wil per se zo'n zelfde soort fiets. Marktplaats biedt uitkomst. Ik had het op de basisschool druk met het uitblinken in andere dingen in plaats van het prikken van hepatitisvlaggetjes – het is niet gek dat ik de busrit van drie kwartier met goede moed begin.
Ik ga op reis en ik neem mee: mijn onontbeerlijke zonnebril, een editie van Psychologie Magazine, een liter Spa, een tube zonnebrand en een multitool voor moeren. Bestemming: Bleskensgraaf. (waar? Nou, dáár dus - naast Spotvogelendam.)
Op een kwart van de rit heb ik het meest interessante uit PM wel gehad en nu valt het me op dat we door een landschap rijden dat me aan Frankrijk doet denken: velden vol met gele aren van het een of ander waar de wind vakantieachtig doorheen waait, een slingerende weg waar maar plek is voor één auto tegelijk, en gemoedelijke tegenliggers die desondanks toch nét tien kilometer per uur te hard blijven rijden.
Eenmaal aangekomen bij Nieuwkoop Dorp vertelt Google Maps me dat ik één minuut heb om naar de volgende halte te lopen. Die moet dus vlakbij zijn. Maar ik zie haar niet. Ik zie überhaupt niet veel: volgens mij heeft heel Nieuwkoop siësta. En met 'heel Nieuwkoop' bedoel ik haar voltallige tienkoppige populatie, huisdieren incluis.
Ah, een local! 'Meneer, pardon? Ik moet naar Bleskensgraaf...?' 'Bleskensgraaf? Hmm, hhm, aha, hmmm. Dan moet u een andere halte hebben.'
Lang leve de smaltown willingness. Het scheelt dat er maar twee haltes in het dorp zijn en dat de halte waar ik uitstapte, afvalt. De bus gaat namelijk maar één keer per uur.
Als ik in het achtpersoonsbusje stap, bestuurd door een vrijwilliger van over de 65, vraag ik de bestuurder of hij me wil waarschuwen als we bij mijn halte zijn. 'U weet zelf waar dat is?'
Wie is hier nou de buschauffeur?! Okee, nevermind. Gedurende dertig minuten zit ik alléén in de bus en ik moet me concentreren, want het haltebord zit maar aan één kant van de weg, en niet altijd rechts. En de temperatuur is inmiddels flink opgelopen – mijn gedachten verdampen nog vóór ze zijn opgebloeid.
Ik bel voor de zekerheid aan bij een boerderij, want als ik nu de verkeerde richting uit loop, kan ik het schudden. Een vriendelijke man vertelt me dat ik er ongeveer twintig huizen naast zit. En in deze contreien komt dat neer op een afstand van krap drie kilometer, op een weg zonder trottoir, uitzicht, huizen of fietspaden. Allright. Daar gaan we. Ik zit op de juiste weg, alleen ben ik nog 2500 meter verwijderd van mijn plek van bestemming. Maar de zon schijnt, het is droog en ik heb mijn Spa, mijn bril, en mijn zonnebrand. Ik heb wel voor hetere vuren gestaan.
Uiteindelijk kom ik aan bij een grote boerderij. Het moet gezegd worden: we zitten in de middle of nowhere, maar ze woont prachtig. Deze vrouw heeft smaak. Mijn smaak. Daarom hebben we ook dezelfde fiets...
Na een kort onderhoud bestijg ik de fiets en nu begint mijn race tegen de klok. Ik moet vóór de spits op Rotterdam CS zijn, anders krijg ik mot met de NS. Het is nu 15.20, ik weet niet precies waar ik heen moet en darn, ik heb het heet.
Verbeten en toch opgewekt trap ik me door de weilanden, tot ik bij Sliedrecht op de sprinter kan stappen en vanaf daar mijn weg kan vervolgen. Er is geen conducteur die dit gezicht kan weerstaan, en waarschijnlijk hebben ze wel wat beters te doen dan mij en mijn fiets lastig te vallen. Na ongeveer twee uur reizen kan ik dan eindelijk naar huis fietsen. Heerlijk. Ik vergeet alle sores meteen: onafhankelijkheid en vrijheid smaken mij beter dan polderstof en de geur van gier. De wereld ligt weer aan mijn wielen! En vanaf nu bewaak ik mijn nieuwverworven vrijheid met drie sloten. Eens verworven blijft gegeven, als het aan mij ligt. (En dat doet het.)
Ik ga op reis en ik neem mee: mijn onontbeerlijke zonnebril, een editie van Psychologie Magazine, een liter Spa, een tube zonnebrand en een multitool voor moeren. Bestemming: Bleskensgraaf. (waar? Nou, dáár dus - naast Spotvogelendam.)
Op een kwart van de rit heb ik het meest interessante uit PM wel gehad en nu valt het me op dat we door een landschap rijden dat me aan Frankrijk doet denken: velden vol met gele aren van het een of ander waar de wind vakantieachtig doorheen waait, een slingerende weg waar maar plek is voor één auto tegelijk, en gemoedelijke tegenliggers die desondanks toch nét tien kilometer per uur te hard blijven rijden.
Eenmaal aangekomen bij Nieuwkoop Dorp vertelt Google Maps me dat ik één minuut heb om naar de volgende halte te lopen. Die moet dus vlakbij zijn. Maar ik zie haar niet. Ik zie überhaupt niet veel: volgens mij heeft heel Nieuwkoop siësta. En met 'heel Nieuwkoop' bedoel ik haar voltallige tienkoppige populatie, huisdieren incluis.
Ah, een local! 'Meneer, pardon? Ik moet naar Bleskensgraaf...?' 'Bleskensgraaf? Hmm, hhm, aha, hmmm. Dan moet u een andere halte hebben.'
Lang leve de smaltown willingness. Het scheelt dat er maar twee haltes in het dorp zijn en dat de halte waar ik uitstapte, afvalt. De bus gaat namelijk maar één keer per uur.
Als ik in het achtpersoonsbusje stap, bestuurd door een vrijwilliger van over de 65, vraag ik de bestuurder of hij me wil waarschuwen als we bij mijn halte zijn. 'U weet zelf waar dat is?'
Wie is hier nou de buschauffeur?! Okee, nevermind. Gedurende dertig minuten zit ik alléén in de bus en ik moet me concentreren, want het haltebord zit maar aan één kant van de weg, en niet altijd rechts. En de temperatuur is inmiddels flink opgelopen – mijn gedachten verdampen nog vóór ze zijn opgebloeid.
Ik bel voor de zekerheid aan bij een boerderij, want als ik nu de verkeerde richting uit loop, kan ik het schudden. Een vriendelijke man vertelt me dat ik er ongeveer twintig huizen naast zit. En in deze contreien komt dat neer op een afstand van krap drie kilometer, op een weg zonder trottoir, uitzicht, huizen of fietspaden. Allright. Daar gaan we. Ik zit op de juiste weg, alleen ben ik nog 2500 meter verwijderd van mijn plek van bestemming. Maar de zon schijnt, het is droog en ik heb mijn Spa, mijn bril, en mijn zonnebrand. Ik heb wel voor hetere vuren gestaan.
Uiteindelijk kom ik aan bij een grote boerderij. Het moet gezegd worden: we zitten in de middle of nowhere, maar ze woont prachtig. Deze vrouw heeft smaak. Mijn smaak. Daarom hebben we ook dezelfde fiets...
Na een kort onderhoud bestijg ik de fiets en nu begint mijn race tegen de klok. Ik moet vóór de spits op Rotterdam CS zijn, anders krijg ik mot met de NS. Het is nu 15.20, ik weet niet precies waar ik heen moet en darn, ik heb het heet.
Verbeten en toch opgewekt trap ik me door de weilanden, tot ik bij Sliedrecht op de sprinter kan stappen en vanaf daar mijn weg kan vervolgen. Er is geen conducteur die dit gezicht kan weerstaan, en waarschijnlijk hebben ze wel wat beters te doen dan mij en mijn fiets lastig te vallen. Na ongeveer twee uur reizen kan ik dan eindelijk naar huis fietsen. Heerlijk. Ik vergeet alle sores meteen: onafhankelijkheid en vrijheid smaken mij beter dan polderstof en de geur van gier. De wereld ligt weer aan mijn wielen! En vanaf nu bewaak ik mijn nieuwverworven vrijheid met drie sloten. Eens verworven blijft gegeven, als het aan mij ligt. (En dat doet het.)
donderdag 3 oktober 2013
Zadel
Om mijn knieën wat meer bewegingsvrijheid te geven tijdens het fietsen, heb ik mijn kokerrok vlak vóór ik mij op het zadel neervleidde tot ver bovenaan mijn dijen opgeschort. Ik heb een dikke panty aan en het is tóch donker, bovendien wil ik vaart kunnen maken en dat gaat niet als je knieën nog geen dertig centimeter uit elkaar kunnen. Toch schrik ik een beetje als er een jongen naast me komt fietsen. Ik herken hem: het is de jongen die zojuist vóór mij in de supermarktrij stond. Hij heeft, zoals ze bij Opsporing Verzocht zo pc zeggen, 'een Noord-Afrikaans uiterlijk'.
'Mevrouw... sorry, ik had geen Bonuskaart...' verontschuldigt hij zich. Dat hij geen kaart heeft, neem ik hem geenszins kwalijk, dus zijn actie verbaast me. 'Dat geeft niet hoor,' knik ik vriendelijk, en vervolg mijn weg. Hij blijft naast me fietsen. 'Ik dacht, misschien wilt u iets van mij?' Ik weet niet waar dit heen gaat, maar mijn sarcasme neemt de overhand. 'Ja, ik wilde je Bonuskaart. Verder niets.' Hij is even stil. 'Maar u kwam zo dichtbij... ik dacht, misschien wilt u iets van mij...ik vraag het voor de zekerheid gewoon, weet u.... '
Nu kijk ik opzij. Het is donker, dus hij ziet mijn opgetrokken wenkbrauwen niet. 'Ik kwam dichterbij omdat je vóór me in de rij stond, jongen. Zo gaan die dingen....' 'Ja, maar u vroeg om mijn kaart, en toen kwam u dichterbij, dus ik dacht, voor de zekerheid... Hoe oud bent u eigenlijk?'
Prettig dat ik zelfs met opgeschorte rokken en wat overexposure nog de u-reflex uitlok. En terecht. Fijntjes herinner ik hem aan twee dingen.
'Als je me met 'u' aanspreekt heb je zelf ook wel een idee, toch?' De jongen lacht. ' Jah, okee...hoe oud ben je? Ik vertel hem dat ik dertig ben. Gretig licht hij me in over zijn leeftijd – 23. Hij vertelt me dat hij monteur is, pas drie maanden in deze buurt woont, drie broertjes en vier zussen heeft en vlak bij mij geresideerd is. 'Heeft u een vriend?' Ik zeg van wel. 'Maar ik dacht dat u iets van me wilde,' begint hij weer. 'U raakte me ook nog aan...'
Zucht. Waar hij op doelt is een toevallige ontmoeting van vingers bij het boodschappenscheidbalkje. Ik weet niet wat deze booi denkt, maar nu wordt het irritant.
'Luister, jongen,' zeg ik, expres inhakend op wat ik hoop dat hij aan Noord-Afrikaans traditioneel gevoel heeft, 'het spijt me dat je je aangerand voelt, okee? Zoals je kunt zien ben ik een net meisje. Als ik iets van je had gewild, had ik dat nooit zó aan je kenbaar gemaakt, want nette meisjes doen dat niet op die manier. Vervelend voor je dat je het verkeerde idee hebt gekregen, want dat was de bedoeling niet.'
Hij blijft stil, denkt even na en schudt me dan berouwvol de hand. 'Jah okee. U heeft gelijk.'
We fietsen even in stilte naast elkaar en dan klopt hij plotseling vrijpostig even op mijn 'ontblote' dijbeen. 'Maarreeeh... je bent wel dik geworden, hoor! Hier...' En hoepla, wég met het gevousvoyeer...Ik negeer het gevoel dat die opmerking teweegbrengt – kritiek van een vreemde op mijn gewicht zet me aan het denken. Maar hij heeft geen recht van spreken. En om eerlijk te zijn denk ik dat hij het zegt om me uit mijn evenwicht te brengen. Nou, dan kan hij 't krijgen ook.
'Dus je vindt je me dik, maar je wilde toch even checken of ik 'iets van je wilde'?! Je woont hier toch pas drie maanden? Hoe weet je dan of ik dikker ben dan eerst? Heb je ooit tegen één van je zusters gezegd dat ze dik was, of tegen je moeder, na al die zwangerschappen? Heb je toen een hengst gekregen? Neem van mij aan, jongetje, dat je niet tegen een vrouw moet zeggen dat ze dik is, al komt ze zestien kilo aan in een week.'
Het afscheid is kort en koel, zoals te verwachten viel. Ik zet mijn fiets in de berging en laat mijn dessert in de ijskast. Morgen is er weer een dag.
'Mevrouw... sorry, ik had geen Bonuskaart...' verontschuldigt hij zich. Dat hij geen kaart heeft, neem ik hem geenszins kwalijk, dus zijn actie verbaast me. 'Dat geeft niet hoor,' knik ik vriendelijk, en vervolg mijn weg. Hij blijft naast me fietsen. 'Ik dacht, misschien wilt u iets van mij?' Ik weet niet waar dit heen gaat, maar mijn sarcasme neemt de overhand. 'Ja, ik wilde je Bonuskaart. Verder niets.' Hij is even stil. 'Maar u kwam zo dichtbij... ik dacht, misschien wilt u iets van mij...ik vraag het voor de zekerheid gewoon, weet u.... '
Nu kijk ik opzij. Het is donker, dus hij ziet mijn opgetrokken wenkbrauwen niet. 'Ik kwam dichterbij omdat je vóór me in de rij stond, jongen. Zo gaan die dingen....' 'Ja, maar u vroeg om mijn kaart, en toen kwam u dichterbij, dus ik dacht, voor de zekerheid... Hoe oud bent u eigenlijk?'
Prettig dat ik zelfs met opgeschorte rokken en wat overexposure nog de u-reflex uitlok. En terecht. Fijntjes herinner ik hem aan twee dingen.
'Als je me met 'u' aanspreekt heb je zelf ook wel een idee, toch?' De jongen lacht. ' Jah, okee...hoe oud ben je? Ik vertel hem dat ik dertig ben. Gretig licht hij me in over zijn leeftijd – 23. Hij vertelt me dat hij monteur is, pas drie maanden in deze buurt woont, drie broertjes en vier zussen heeft en vlak bij mij geresideerd is. 'Heeft u een vriend?' Ik zeg van wel. 'Maar ik dacht dat u iets van me wilde,' begint hij weer. 'U raakte me ook nog aan...'
Zucht. Waar hij op doelt is een toevallige ontmoeting van vingers bij het boodschappenscheidbalkje. Ik weet niet wat deze booi denkt, maar nu wordt het irritant.
'Luister, jongen,' zeg ik, expres inhakend op wat ik hoop dat hij aan Noord-Afrikaans traditioneel gevoel heeft, 'het spijt me dat je je aangerand voelt, okee? Zoals je kunt zien ben ik een net meisje. Als ik iets van je had gewild, had ik dat nooit zó aan je kenbaar gemaakt, want nette meisjes doen dat niet op die manier. Vervelend voor je dat je het verkeerde idee hebt gekregen, want dat was de bedoeling niet.'
Hij blijft stil, denkt even na en schudt me dan berouwvol de hand. 'Jah okee. U heeft gelijk.'
We fietsen even in stilte naast elkaar en dan klopt hij plotseling vrijpostig even op mijn 'ontblote' dijbeen. 'Maarreeeh... je bent wel dik geworden, hoor! Hier...' En hoepla, wég met het gevousvoyeer...Ik negeer het gevoel dat die opmerking teweegbrengt – kritiek van een vreemde op mijn gewicht zet me aan het denken. Maar hij heeft geen recht van spreken. En om eerlijk te zijn denk ik dat hij het zegt om me uit mijn evenwicht te brengen. Nou, dan kan hij 't krijgen ook.
'Dus je vindt je me dik, maar je wilde toch even checken of ik 'iets van je wilde'?! Je woont hier toch pas drie maanden? Hoe weet je dan of ik dikker ben dan eerst? Heb je ooit tegen één van je zusters gezegd dat ze dik was, of tegen je moeder, na al die zwangerschappen? Heb je toen een hengst gekregen? Neem van mij aan, jongetje, dat je niet tegen een vrouw moet zeggen dat ze dik is, al komt ze zestien kilo aan in een week.'
Het afscheid is kort en koel, zoals te verwachten viel. Ik zet mijn fiets in de berging en laat mijn dessert in de ijskast. Morgen is er weer een dag.
Abonneren op:
Posts (Atom)