Zondagmorgen, rond tienen. Na een ziekbed van een kleine week, waarin de uitgangen van mijn lichaam zwaar op de proef gesteld zijn, is vandaag een dag om wat stamina op te bouwen. Ik ben over het algemeen zo gezond als een vis maar als het toeslaat (en met 'het' bedoel ik de ziektekiem, die dan al geen kiem meer is, maar een bodysnatcher met de gretigheid van een bonenstaak on meth) is het ook goed raak. En altijd als ik beter ben, voel ik me als Olivier uit Korenvliet, die de balans van zijn leven opgemaakt ziet worden. Je voelt je? Goed. Weer? Droog. Wat nu? Pak fiets. Doe fiets. Doe stop. Ga in. Pak tas. Doe beweeg.
Vol goede moed stap ik de spinningzaal binnen. Vorige week, reader-dear, was ik wat later dan normaal. Mijn twee favoriete plekken waren bezet. Dat hoeft geen ramp te zijn – het is maar een fiets en ik kan geen aanspraak maken op een reservering. Er zijn genoeg andere plekken en fietsen. En het is vervelend.
De fiets waar ik op terechtkwam had een tic in de trapper en de weerstand was ongetrapt en ongelijkmatig ingesteld, wat zeer ongemakkelijk was voor het verdelen van mijn energie. Als ik er op zat, kreeg ik de pedalen haast niet vooruit. Liftte ik mijn billen van het zadel dan vloog ik bijna voorover. Draaide ik er ter preventie vijf minuten bij op de weerstandsschijf, dan leek het alsof er een molensteen aan mijn wiel hing. Na tien minuten kwam ik er achter dat ik naast een zware roker en achter een lijfluchter zat. Lang verhaal kort: néén, dat niet nog eens.
Maar dat alles lijkt nu voorbij. Ik ben op tijd, het is rustig. Schuin achter mij zit een lange, magere man, die ik in de afgelopen weken al vaker heb gezien. Mijn favoriete plek en fiets zijn nog vrij. Ik claim ze snel. Op recuperation day – en op iedere andere dag – gun ik mijzelf dit soort kleine pleziertjes. Wel staan de fietsen onbehaaglijk dicht bij elkaar, maar daar kan ik niet zoveel aan doen. Over een klein kwartier zal ik het niet eens meer merken, mits de roker uit mijn buurt blijft vandaag.
Ik sport het liefste alleen. Sommige mensen sporten makkelijker met een sportmaatje en natuurlijk vind ik samen sporten motiverend en gezellig. Het gaat alleen wel ten koste van mijn concentratie. Dit soort sporten – zoals spinning – bedrijf ik het liefst ergens waar niemand me kent, zodat ik me geen zorgen hoef te maken over het contrast tussen mij-op-mijn-beter (of op mijn best) en mij-in-sportmodus en ik me totaal op het sporten kan richten, in plaats van op mijn verschijning. Ik sport graag zonder make-up, met mijn haar in een troosteloos staartje of knotje in een onflatteuze wielrennersbroek. Is dat onoverkomelijk? Zeker niet. Is het appetijtelijk? Ik denk van niet, al maakt het sommige mensen niet uit. Zou ik willen dat een potentiële liefdeskandidaat of werkgever me zo zag? Liever niet, al is er wat voor te zeggen me gade te slaan in het heetst van de strijd. Ik verloochen mijn hardwerkende lichaam niet, oh ijdelheid, en al zijn er charmantere momenten: het kan alleen maar beter worden.
Spinning is vanuit confectie-oogpunt een vreemde sport. Veel van mijn klasgenoten dragen spandex broeken met ingenaaide zeem. Bij mannen hangt in zo'n broek the full (of dankzij de zeem the fuller) package pontificaal in het zicht en bij vrouwen zorgt de zeem voor een kraamverband-meets-luier-effect dat den bil misvormt, het kruis desexualiseert en plaatselijk 10 centimeter omvang toevoegt. Voor een uurtje op de fiets is dat het overigens allemaal waard en niets om je druk over te maken: als je eenmaal zit is het hebben van een optisch dikke kont een van je minste problemen. Maar er kan een hoop gebeuren tussen kleedkamer en spinningzaal. En ik lijk tijdens die gebeurtenissen liefst zo min mogelijk op een Fernando Botero-muze. Ik vind sporten een persoonlijk moment, maar ook op persoonlijke momenten moet je voorbereid zijn op de buitenwereld. Gelukkig is er gekleurde vaseline, functioneel en vlot.
Bij het betreden van de zaal vervalt het verschil tussen de mensen onderling. Aan hun lijven kan ik niet zien of ik naast een docent, slager, winkelmedewerker of letselschadeadvocaat zit. Dunne mannenbenen en ongeschoren vrouwenbenen kunnen zich niet meer verbergen, cellulite schemert door pillende broeken, lijfluchten komen aan de oppervlakte. Een figurantenbijeenkomst van Das Parfum is er niets bij. De grote spiegels tegenover de spinners versterken dit nog eens. Het verleent ze een bepaalde kwetsbaarheid, al die mensen in de zaaldarm van spinningworst. En na het instellen van de fiets kan het Grote Zweten een aanvang nemen.
Een spinningles is mijn hedendaagse Korenvliet. Ik volg de opdrachten op, blij om de controle over mijn spieren gedoseerd los te laten en er helemaal voor te gaan. En ik ben niet alleen. Sommige mensen laten hun lichaam ritmisch meedeinen op de muziek. Anderen zegt het woord 'ritme' helemaal niets. Ik zie nekken steeds korter worden, kuiten verkrampen, vastberaden gezichten, bezwete haarslierten en stukgebeten lippen. Het lijkt een collectieve bevalling en dat is het eigenlijk ook. De parallel bestaat hieruit, dat men schaamte achterlaat bij de deur, het ondanks alle hulp toch zelf moet zien te klaren en de zaal pas verlaat als de teerling is geworpen.
Aan het einde verspreidt de happy sweaty glow zich door heel de klas. Onbehoorlijk grote gulpen water glijden door klokkende slokdarmen, spieren worden gerekt, zuchten worden geloosd. Er worden weer grapjes gemaakt, niemand let op de zweetplekken van zijn buurman. De sfeer is ontspannen en gemoedelijk, als bij een Oranjewedstrijd. Het is weer volbracht. Het zit er weer op. De klus is geklaard. We hebben het gedaan.
Volgende week, zelfde tijd, zelfde klas. Zeker, sport is een persoonlijk moment – een moment van een uur. En de moraal van het verhaal? Goed dan: je laten gaan kan af en toe heel lekker zijn, individueel collectief. Sporten en geboorte hebben wel wat van elkaar weg. Pietluttigheid is soms nuttig. Je voelt je? Moe, voldaan. Weer? Nat. Wat nu? Pak fiets. Ga huis. Ga in. Ga douche. Na een uurtje de controle te hebben overgegeven aan mijn instructeur, mag ik het nu weer zelf doen. De ziektekiem heeft mijn lichaam verlaten, de bonenstaak is verschrompeld. De draak is verslagen, het beest gedood. Ik heb weer autonomie over mijn lijf. Ik heb slechts één boodschap voor Olivier: Ga sluit.
zondag 26 februari 2012
dinsdag 14 februari 2012
Simulatie
De onmogelijke dikke Turk die zijn elleboog pijnlijk in mijn borsten plant sleept zijn dikke lichaam rustig verder naar het midden van de bus. Hij ziet niet eens wat hij gedaan heeft en zijn worstenvingers ploffen op het scherm van zijn telefoon. Een paar seconden hap ik naar adem, terwijl de pijn zich gonzend verspreidt. In je borsten gestoten worden is langdurig pijnlijk voor zo'n korte gebeurtenis, op dezelfde manier als je vingers branden. In eerste instantie voel je niets, dan pikken je hersenen het signaal op en koppelen het terug, veelvuldig en heftig. De pijn komt in groter wordende golven over je heen en voor je het weet ontsnapt er een kleine zucht aan je lippen. Ik kan me indenken dat een welgemikte stoot in het kruis hetzelfde aanvoelt voor het mannelijk smaldeel der natie. Maar de Turk in kwestie is zo dik dat hij zijn eigen kruis waarschijnlijk niet meer weet te vinden; bovendien is het goed beschermd door een dikke laag vet. Als het waar is dat er voor iedere vijf verloren kilo een centimeter meer tevoorschijn komt, ben ik in mijn eer aangetast door de nieuwe Ron Jeremy. Maar zover – pun intended – komt het vast niet. Want Ron Jeremy heeft groot respect voor vrouwen en dat is iets wat ik van deze man allesbehalve zeker weet.
Ach, lezer, pijn en vermoeidheid maken mij geniepig. Het is de bus van 7.15 richting het station, ik heb mij verslapen en zal mij aanstonds laten uitkafferen door simulatorsupervisor Rombout, die in zijn kritieken niemand spaart. Voor de vijfde dag op rij was ik rond 6.15 opgestaan om me voor te bereiden op een rijles in het inspirerende rijcentrum op ruim drie kwartier van mijn huis. Waarom er zoveel tijd zit tussen het moment waarop ik opsta en vertrek? Het is de bedoeling dat ik tijdens de lessen informatie absorbeer, combineer, abstraheer en reproduceer. Om dat goed te kunnen doen is het van belang dat ik geen haast hoef te maken in mijn reis, dat ik goed heb ontbeten en dat ik wakker ben – wakker genoeg om geen ongelukken te veroorzaken.
Voor de vijfde dag op rij stond ik om 6.15 op? Vier ochtenden lang ging het goed, al eiste het zijn tol. Vandaag werd ik wakker om tien voor zeven. Niet te laat voor een douche – verslapen krijgt geen voorrang op persoonlijke hygiëne – en een half, onbelegd stukje knäckebröd, naar binnen gewerkt terwijl ik mijn spijkerbroek over mijn heupen trok en mijn andere hand bezig was eyeliner op te brengen. (het is een lange rit, de bus rijdt naar een legerbasis vol aantrekkelijke mannen en je zult net zien dat ik op de terugreis een ex-vriendje tegenkom, met zijn nieuwe vriendin, die vraagt hoe het met me gaat. U kent dat wel.)
So far, so good. Redelijk op tijd haastte ik mij zo goed en zo kwaad als het ging door herbevroren sneeuwsporen op de fiets naar de bushalte. Het leek allemaal toch nog op zijn pootjes terecht te komen. Ik tastte naar mijn portemonnee, mijn OV, om me direct te realiseren dat dat kaartje nog in mijn sporttas zat. De avond tevoren had ik mijn PIN en OV in mijn sporttas gestopt, omdat ik mijn reissaldo moest verhogen, maar toen ik uit de sportschool kwam, waren alle oplaadmogelijkheden al gesloten.
Daar stond ik dan, 's ochtends tien over zeven, temperatuur -6°C, zonder pinpas of OV. De twee laatste vingers van mijn rechterhand weigerden dienst en ook de vingers van mijn linkerhand trokken hun eigen plan. Wat nu, Deirdre? Wat ga je doen? DENK!
Ik had me niet zo erg gehaast om nu alsnog te laat te komen op mijn autorijles. Met mijn laatste centen (godzijdank had ik die nog net wel) kocht ik een enkele reis richting autorijlescentrum. Dat kaartje was echter maar drie kwartier geldig en mijn les duurde twee uur. Er lag sneeuw, ik had al een blaar en hoewel ik al heel blij was dat dit was gelukt, vreesde ik voor de terugreis.
Een rondje door mijn telefoonboek bracht me bij het nummer van een vriend die dicht bij de rijschool woonde. Na de les kon ik bij hem terecht voor een kopje thee en wat liquide steun. Pffieuw. Eind goed, al goed.
Maar eerst mijn rendez-vous met Rombout. Ik ben het met u eens, Rombout de Rijinstructeur klinkt beter, niettemin was het een simulatorcentrum. Het leek me een oude rot in het vak, en zijn didactische vaardigheden waren minstens net zo antiek. Tijdens dag één schrok ik er van, hoewel hij geen kwaad in de zin had. Ik kan me zijn frustratie ook wel indenken: de fouten die ik maakte waren in zijn ogen vast schlemielig en onlogisch. Maar dat was dan ook precies de reden dat ik betaalde voor toegang tot een virtuele realiteit – kritiek incluis, blijkbaar. Ik ben een Tweede Fase-kind, gewend aan trial, error en opbouwende kritiek. Zulk een luxe was mij hier toch niet echt gegund. Hij noemde me bovendien consequent ´Derdere´, wat ik onoplettend vond van iemand die zo op de details was. De eerste dag had ik er iets van gezegd, maar dat hielp natuurlijk niet. En halverwege dag twee vond ik het eigenlijk wel prettig – zijn ongezouten commentaar kwam op die manier minder hard binnen.
´Wat jij doet is helemaal verkeerd, echt helemaal verkeerd! Jij doet zó, terwijl het anders moet, dat zie je toch?! Haal je voet van de koppeling AF! HET IS GEEN VOETENBANK!!´
Malse bedoeling. Ik ben niet van suiker en had na een half uur en het op aanwijzing onbedoeld doodrijden van twee virtuele kinderen wel door dat hij zich gewoon slecht uitdrukte. Toen werd het vooral ergerlijk. Ik volg goede aanwijzingen ook wel op als er niet tegen me geschreeuwd wordt. Als Rombout graag schreeuwt, had hij honkbalcoach moeten worden in plaats van simulatorsupervisor. Daarnaast spraken de simulator en Rombout elkaar wel eens tegen, wat verwarrend was. Bovendien deed ik ook wel eens dingen goed die hij dan alsnog afkeurde, wat erg oneerlijk aanvoelde. Een voorbeeld: toen ik op een rotonde de geplande eerste afslag miste, reed ik net zo lang een rondje tot ik weer bij de juiste afslag was – zoals ieder weldenkend mens zou doen. Het commentaar: ´Derdere, ben je een ererondje aan het rijden, ben je een ererondje aan het maken soms?!´
Natuurlijk schiet ik er niets mee op wrok op een persoonlijke basis te koesteren, al vind ik dat zijn gedrag blijk geeft van mild machtsmisbruik. Dat hij niet inziet dat zijn leerstijl wellicht minder effectief is, vind ik opvallend, als je het hebt over het verwerven van inzicht. Ik betaal niet voor uitkaffering, en ik heb geen zin in het te over verdedigen van mijn rijkeuzes, in mijn eigen behoorlijk kostbare simulatortijd. In principe kan mijn rijstijl alleen maar verbeteren van zijn aanwijzingen. Ik probeer ze dan ook ter harte te nemen en me over zijn cynisme heen te zetten. Het draait om wat hij zegt, niet om hoe hij het zegt. Gesteld dat hij het allemaal goed bedoelt vraag ik me af waarom hij zich zo agressief opstelt, maar er staan grotere dingen op het spel. Als ik mijn rijbewijs snel en goed haal mag hij tegen me schreeuwen wat hij wil – maar het hoeft niet.
Had ik zin in een fijne kaffersessie first thing in the morning, nadat ik te laat uit bed was gestapt met een been dat zeker weten niet juister zou worden? Niet bepaald. Na anderhalf uur goedbedoelde maar slecht gebrachte ´tips´ en quasi-sarcastische opmerkingen was ik in staat Rombout te wurgen met de touwtjes van zijn eigen leesbril. Maar bij het zien van zijn wat Yoda-achtige porem en die bruine kraaloogjes liet ik mijn ergernis snel varen. Het ging hier om mij, niet om hem, en alles wat hij aan tips en trucs uit, op welke manier dan ook, zal ik gebruiken om me tijd en geld te besparen. Laat hij ´Derdere´ maar door de mangel halen: ik kom er wel overheen. Als ik mijn rijbewijs heb, volgt daarop vast een hete Alfa. Zodat ik mij niet meer in mijn voorfruit hoef te laten tikken door vadsige Turken met tunnelvisie.
Ben ik stressbestendig? Tuurlijk. Improviseren? Geen punt. Anticiperen? Gaat ook goed. Alert en ad rem reageren? Prima. Assertief? Op de juiste momenten. Ik zie het wel zitten met dat rijbewijs. Mocht ik nu een instructeur treffen die het geduld heeft van een peuter in plaats van een Turkse steen, dan ben ik vast door de wol geverfd. Tenslotte is Virtual Reality is het halve werk. Net echt.
Ach, lezer, pijn en vermoeidheid maken mij geniepig. Het is de bus van 7.15 richting het station, ik heb mij verslapen en zal mij aanstonds laten uitkafferen door simulatorsupervisor Rombout, die in zijn kritieken niemand spaart. Voor de vijfde dag op rij was ik rond 6.15 opgestaan om me voor te bereiden op een rijles in het inspirerende rijcentrum op ruim drie kwartier van mijn huis. Waarom er zoveel tijd zit tussen het moment waarop ik opsta en vertrek? Het is de bedoeling dat ik tijdens de lessen informatie absorbeer, combineer, abstraheer en reproduceer. Om dat goed te kunnen doen is het van belang dat ik geen haast hoef te maken in mijn reis, dat ik goed heb ontbeten en dat ik wakker ben – wakker genoeg om geen ongelukken te veroorzaken.
Voor de vijfde dag op rij stond ik om 6.15 op? Vier ochtenden lang ging het goed, al eiste het zijn tol. Vandaag werd ik wakker om tien voor zeven. Niet te laat voor een douche – verslapen krijgt geen voorrang op persoonlijke hygiëne – en een half, onbelegd stukje knäckebröd, naar binnen gewerkt terwijl ik mijn spijkerbroek over mijn heupen trok en mijn andere hand bezig was eyeliner op te brengen. (het is een lange rit, de bus rijdt naar een legerbasis vol aantrekkelijke mannen en je zult net zien dat ik op de terugreis een ex-vriendje tegenkom, met zijn nieuwe vriendin, die vraagt hoe het met me gaat. U kent dat wel.)
So far, so good. Redelijk op tijd haastte ik mij zo goed en zo kwaad als het ging door herbevroren sneeuwsporen op de fiets naar de bushalte. Het leek allemaal toch nog op zijn pootjes terecht te komen. Ik tastte naar mijn portemonnee, mijn OV, om me direct te realiseren dat dat kaartje nog in mijn sporttas zat. De avond tevoren had ik mijn PIN en OV in mijn sporttas gestopt, omdat ik mijn reissaldo moest verhogen, maar toen ik uit de sportschool kwam, waren alle oplaadmogelijkheden al gesloten.
Daar stond ik dan, 's ochtends tien over zeven, temperatuur -6°C, zonder pinpas of OV. De twee laatste vingers van mijn rechterhand weigerden dienst en ook de vingers van mijn linkerhand trokken hun eigen plan. Wat nu, Deirdre? Wat ga je doen? DENK!
Ik had me niet zo erg gehaast om nu alsnog te laat te komen op mijn autorijles. Met mijn laatste centen (godzijdank had ik die nog net wel) kocht ik een enkele reis richting autorijlescentrum. Dat kaartje was echter maar drie kwartier geldig en mijn les duurde twee uur. Er lag sneeuw, ik had al een blaar en hoewel ik al heel blij was dat dit was gelukt, vreesde ik voor de terugreis.
Een rondje door mijn telefoonboek bracht me bij het nummer van een vriend die dicht bij de rijschool woonde. Na de les kon ik bij hem terecht voor een kopje thee en wat liquide steun. Pffieuw. Eind goed, al goed.
Maar eerst mijn rendez-vous met Rombout. Ik ben het met u eens, Rombout de Rijinstructeur klinkt beter, niettemin was het een simulatorcentrum. Het leek me een oude rot in het vak, en zijn didactische vaardigheden waren minstens net zo antiek. Tijdens dag één schrok ik er van, hoewel hij geen kwaad in de zin had. Ik kan me zijn frustratie ook wel indenken: de fouten die ik maakte waren in zijn ogen vast schlemielig en onlogisch. Maar dat was dan ook precies de reden dat ik betaalde voor toegang tot een virtuele realiteit – kritiek incluis, blijkbaar. Ik ben een Tweede Fase-kind, gewend aan trial, error en opbouwende kritiek. Zulk een luxe was mij hier toch niet echt gegund. Hij noemde me bovendien consequent ´Derdere´, wat ik onoplettend vond van iemand die zo op de details was. De eerste dag had ik er iets van gezegd, maar dat hielp natuurlijk niet. En halverwege dag twee vond ik het eigenlijk wel prettig – zijn ongezouten commentaar kwam op die manier minder hard binnen.
´Wat jij doet is helemaal verkeerd, echt helemaal verkeerd! Jij doet zó, terwijl het anders moet, dat zie je toch?! Haal je voet van de koppeling AF! HET IS GEEN VOETENBANK!!´
Malse bedoeling. Ik ben niet van suiker en had na een half uur en het op aanwijzing onbedoeld doodrijden van twee virtuele kinderen wel door dat hij zich gewoon slecht uitdrukte. Toen werd het vooral ergerlijk. Ik volg goede aanwijzingen ook wel op als er niet tegen me geschreeuwd wordt. Als Rombout graag schreeuwt, had hij honkbalcoach moeten worden in plaats van simulatorsupervisor. Daarnaast spraken de simulator en Rombout elkaar wel eens tegen, wat verwarrend was. Bovendien deed ik ook wel eens dingen goed die hij dan alsnog afkeurde, wat erg oneerlijk aanvoelde. Een voorbeeld: toen ik op een rotonde de geplande eerste afslag miste, reed ik net zo lang een rondje tot ik weer bij de juiste afslag was – zoals ieder weldenkend mens zou doen. Het commentaar: ´Derdere, ben je een ererondje aan het rijden, ben je een ererondje aan het maken soms?!´
Natuurlijk schiet ik er niets mee op wrok op een persoonlijke basis te koesteren, al vind ik dat zijn gedrag blijk geeft van mild machtsmisbruik. Dat hij niet inziet dat zijn leerstijl wellicht minder effectief is, vind ik opvallend, als je het hebt over het verwerven van inzicht. Ik betaal niet voor uitkaffering, en ik heb geen zin in het te over verdedigen van mijn rijkeuzes, in mijn eigen behoorlijk kostbare simulatortijd. In principe kan mijn rijstijl alleen maar verbeteren van zijn aanwijzingen. Ik probeer ze dan ook ter harte te nemen en me over zijn cynisme heen te zetten. Het draait om wat hij zegt, niet om hoe hij het zegt. Gesteld dat hij het allemaal goed bedoelt vraag ik me af waarom hij zich zo agressief opstelt, maar er staan grotere dingen op het spel. Als ik mijn rijbewijs snel en goed haal mag hij tegen me schreeuwen wat hij wil – maar het hoeft niet.
Had ik zin in een fijne kaffersessie first thing in the morning, nadat ik te laat uit bed was gestapt met een been dat zeker weten niet juister zou worden? Niet bepaald. Na anderhalf uur goedbedoelde maar slecht gebrachte ´tips´ en quasi-sarcastische opmerkingen was ik in staat Rombout te wurgen met de touwtjes van zijn eigen leesbril. Maar bij het zien van zijn wat Yoda-achtige porem en die bruine kraaloogjes liet ik mijn ergernis snel varen. Het ging hier om mij, niet om hem, en alles wat hij aan tips en trucs uit, op welke manier dan ook, zal ik gebruiken om me tijd en geld te besparen. Laat hij ´Derdere´ maar door de mangel halen: ik kom er wel overheen. Als ik mijn rijbewijs heb, volgt daarop vast een hete Alfa. Zodat ik mij niet meer in mijn voorfruit hoef te laten tikken door vadsige Turken met tunnelvisie.
Ben ik stressbestendig? Tuurlijk. Improviseren? Geen punt. Anticiperen? Gaat ook goed. Alert en ad rem reageren? Prima. Assertief? Op de juiste momenten. Ik zie het wel zitten met dat rijbewijs. Mocht ik nu een instructeur treffen die het geduld heeft van een peuter in plaats van een Turkse steen, dan ben ik vast door de wol geverfd. Tenslotte is Virtual Reality is het halve werk. Net echt.
Abonneren op:
Posts (Atom)