zaterdag 30 maart 2013

Tissue

In de wachtkamer ruikt het naar angstzweet, gistend maagsap, ongewassen lijven en koorts. De gemiddelde leeftijd in het vertrek is 63 en dat komt alleen maar door de aanwezigheid van yours truly en de baby van de afgeleefde dertiger die vóór mij aan de beurt is.
Ik ben nooit ziek. Ik ben nooit ziek, tenminste nooit zo ziek dat ik een dokter nodig heb. Natuurlijk, ik voel me wel eens niet lekker, maar ik heb in geen tien jaar een dokter geraadpleegd. Ik probeer genoeg te bewegen en gezond te eten en ben zeker niet kleinzerig – gezond blijven is een taak, bijna een morele verplichting.
Daarom, lieve lezer, ben ik nerveus. Twee weken geleden viel ik zomaar flauw en sindsdien heb ik een hardnekkige hoofdpijn. Ook voel ik me moe en ik slaap slecht. En op een kinderlijke, vreemde manier ben ik teleurgesteld dat het me niet gelukt is, mijzelf gezond te houden. Het voelt alsof ik gefaald heb. Ik ben angstig, nieuwsgierig, gefascineerd en huilerig, maar niet tot onnodig lijden bereid, vandaar mijn consult.

Hoe ik denk dat het komt dat ik moe ben, vraagt de dokter, een sympathieke man van een jaar of 35.
Toen ik las dat hij in februari van dit jaar begonnen was als huisarts vreesde ik dat hij heel knap zou zijn, en jonger dan ik. Dat mag hij namelijk gerust zijn, maar het maakt het consult lastig. Ga jij maar eens je ziel en zaligheid blootgeven aan een arts die op David Gandy lijkt... juistem.
Dokter is niet lelijk, vers getrouwd en heeft het juiste beroep gekozen: hij wekt vertrouwen zonder amicaal te zijn. Bovendien ben ik te nerveus om me erg druk te maken over hoe ik overkom.

Ik vertel hem dat ik drie trappen lang met zacht genoegen naar een paar bewegende camelbruine laarzen heb gekeken en heb gedacht: 'goh, wat zijn dat toch mooie laarzen, die slijten bij anderen dus ook zo af!' voor ik doorhad dat ik naar de neuzen van mijn eigen schoenen staarde. Dat ik laatst ben uitgescholden omdat ik tot twee keer toe bleef staan voor een groen stoplicht. Dat ik in huilen uitbarst als mijn fietsslot niet meewerkt. Of ik moe ben? Breek me den bek niet open.

Dokter kijkt aardig en begripvol naar me. Ik vertel hem dat ik zo emotioneel ben en niet weet hoe dat komt. En ik voel hoe hete, nerveuze tranen van onmacht, wanhoop, frustratie en immense schaamte mijn wangen willen verpafferen. Het begint als een schattig paar tranen en ik zie sympathie op zijn gezicht. Ik geneer me verschrikkelijk – ik haat het om mijn zelfbeheersing te verliezen in het openbaar. Zeker gezien het feit dat ik deze man nauwelijks ken en vice versa: we kennen elkaars naam, maar daar houdt het op.
Daarom probeer ik me te beheersen, lieve lezer, uit alle macht. Vóór ik er echter iets tegen kan doen doet de ugly cry zijn intrede. Ik voel hoe mijn gezicht zich heel even vertrekt in die universele grimas van onbeheerst verdriet en ik zie door mijn tranen heen bladzijde negenentwintig van het epitome patientia hysterica op zijn gelaat verschijnen. De beste man schrikt van mijn verkreukelde gezicht, en terecht. Frappant dat in die vijf seconden dat ik mijzelf verlies, hij steeds beheerster wordt. Ik denk zelfs een glimp van walging op te vangen en kan hem geen ongelijk geven – waarlijk jankende volwassenen zijn afstotelijk om te zien.
Zelfs de tissue die ik voor mijn mond houd in een poging de schade te beperken kan dit moment niet meer terugdraaien. Al voel ik me opgelucht, sommige dingen kun je niet meer ont-zien, en dat betreur ik. Maar ik heb mij al deze tijd zelfs voor mijn lieve moeder groot gehouden. Als je je in de behandelkamer niet meer kunt laten gaan, waar dan wel? Liever hier dan, nou ja, waar dan ook.

Gelukkig valt hij niet uit zijn rol. Daarom is hij ook zo'n goede dokter. Vakkundig schraapt hij zacht zijn keel en stelt een bloedonderzoek voor, waar ik natuurlijk mee instem. Snotterend geef ik hem een beverig handje en probeer mijn rode ogen wat te temperen – ik moet nog langs de wachtkamer en de assistente.
Eén troost: de herinnering is vast vervaagd tegen de tijd dat wij elkaar weer zien. Niets rancuneuzer dan schaamte: het overvalt je op momenten waar je het niet verwacht, vertroebelt je herinneringen en je dromen en vooral: zie er maar eens vanaf te komen. Er zijn grenzen aan wat een dokter doen kan – dus zal ik het tijd moeten geven...

zaterdag 16 maart 2013

Mangel

Vrouwen zijn vaker met fruit vergeleken dan dat de weg naar Rome oud is. Na bloemen – vooral rozen - worden vooral perziken, kersen, passievruchten en druiven in verband gebracht met de zijdezachte huid, perfectie complexie en zachtgeurende hals van een mooie vrouw, liefst een onbereikbare.
Toen ik deze week een stuk fruit stond klein te hakken in de hoop mijn perzikhuidje te behouden zonder mijn appelbillen geweld aan te doen, drong het plotseling tot me door: niet vrouwen, maar mannen zijn net fruit. Specifieker: mannen zijn net mango's.

Het laat zich raden welke vrucht ik van zijn schil ontdeed. De jaap in kwestie had ik al zo'n twee weken op mijn koelkast liggen. Ons begin was hoopvol; ik legde hem op een warm plekje neer, liet hem nog aan niemand zien en verbeidde mijn tijd met hopen op het juiste moment om 'm soldaat te maken. Hij zou me vanzelf inseinen wanneer dat moment zou zijn, ik wist het zeker.
Na een week gaf hij een beetje mee, maar mijn ervaring leerde me eerder al dat een mango die rijp lijkt, dat nog niet is. Ik besloot, zoals het een net meisje betaamt, mijn handen thuis te houden om deze mango de kans te geven, naar mij toe te komen
Nog een paar nachten gingen voorbij. Hij veranderde van kleur, maar dat gaf niet: ik vond hem nog steeds aantrekkelijk. Ik was hem alweer bijna vergeten, toen hij plotseling weer in mijn blikveld verscheen. Ik had ander fruit pending, maar deze kerel leek er eindelijk klaar voor, dus ik plande hem in als tussendoortje.

Voorzichtig nam ik hem in mijn hand. Het was een jaap van formaat, maar ik hou wel van lijvige kerels. Ik zette hem het mes op de keel, pardon, schil, en sneed voorzichtig en dicht onder de huid. Je kunt de buitenkant nog zo goed inspecteren: het belangrijkste van een mango zit direct aan de oppervlakte en gaat van daaruit verder naar binnen. Dan komt de kern, die even ondoorgrondelijk is en hoe je ook graaft of snijdt, je komt niet verder.

Lieve lezer, de vrucht stonk niet, maar bij de eerste aanraking van het mes werd onder de schil een grote, groen-wit-bruine vlek zichtbaar – en mijn teleurstelling. In ijdele hoop sneed ik de vlek er af, maar net als bij kaas heeft het wegsnijden van de aangetaste delen weinig zin – de vrucht is al bedorven.

Had ik te lang gewacht, of was ons lot al beslist vóór we de boel konden blootleggen? Het enige wat ik zeker weet is dat ik er goed aan heb gedaan de schil te breken, anders waren de gevolgen nog erger geweest en had ik kokhalzend de vrucht moeten wegsmijten.
Volhardend in mijn beslissing – I'll have my caked shit and eat it, too! - heb ik mijn ogen gesloten en de goede delen maar opgegeten, zonder schuldgevoel, angst of bijsmaak. Het was leuk zolang het duurde. Mocht ik vannacht wakker worden omdat het vruchtvlees mijn lijf ijlings wil verlaten, dan kan ik dat slechts mijzelf verwijten. Ik was gewaarschuwd, maar stonk er met open ogen in. En niet voor het eerst.

De ware overeenkomsten tussen mango en man? Naar de écht goede moet je zoeken – en anderen betasten in the process. Wat je van ver haalt is vaak lekker. En laatst maar niet minst: om zeker te weten wat voor vruchtvlees je in de kuip hebt, moet je de mango hoe dan ook openmaken.
Doe je dat te vroeg, dan is onwillig, smakeloos, hard vlees je deel en is je kans verkeken. Wacht je te lang, dan zie je het te laat als je vrucht allang is heengegaan, jou achterlatend met wat bruine drab en een schimmeltje als het tegenzit.
Blij toe dat zowel mango's als mannen in grote getale gekweekt worden.

maandag 4 maart 2013

Louise

Tijdens een van mijn eerste banen, toen ik nog jong, naïef en onbedorven was, kwam er eens een witte vrouw met een allerschattigst bruin kind in een wagen de winkel waar ik werkte binnen. Het meisje leek op mij toen ik zo oud was en met het gretige narcisme dat met die leeftijd gepaard gaat viel ik op het kind aan. Het scheelde dat ze naar me kirde, haar kleine handjes uitstak en haar drie tanden bloot lachte. Ik was op slag verliefd en keek derhalve ook haar moeder aan met niets dan sterren in mijn ogen. De naam van het kind: Louise. Een naam om te onthouden. Louise zal waarschijnlijk dit jaar naar gymnasium twee overgaan; het leek me toen al een slim en sociaal kind.

Spoelt u even met mij mee? Het is maandag, vier maart 2013. De winkels zijn nog lekker leeg en dat bevalt me wel. In de plaatselijke Hema kom ik in het pad met damesbeenmode een vrouw tegen die me heel vriendelijk gedag zegt. Ik ben een net meisje en mijn humeur is dankzij die mooie dag net zo zonnig als het weer, dus ik groet vriendelijk doch behoudend terug. Deze stad zit vol met mafkezen m/v en alles wat ze nodig hebben is een nanoseconde te lang, of een woord zoals 'hallo'. Onze paden kruisen elkaar nog zo'n drie keer in de winkel, maar daar zoek ik niets achter. Tot ze me staande houdt.

'Je hebt zó'n bekend gezicht... heb ik jou niet.... ik heb een dochter die wat op je lijkt, ze is net zo bruin als jij – dat klinkt natuurlijk een beetje gek... Mijn dochter is ongeveer dertig en in verwachting van een tweeling – je lijkt zo vreselijk op iemand die ik ken...!'
Allright. Licht warrig verhaal van een trotse oma in wording. De vrouw is allicht geen mafkees, ze is een betrokken moeder in bezit van een bruine dochter. Dat schept vertrouwen en een band;
de band van het Genootschap der Bruine Mensen, ouders incluis.

'Oh, wat leuk, gefeliciteerd!' zeg ik. Eerlijkheid gebiedt mij te bekennen dat ik inderdaad benieuwd ben naar hoe de tweeling van de vrouw eruit ziet, omdat ik me dan een waanvoorstelling kan maken van hoe mijn nakomelingen eruit zouden kunnen komen te zien. Opzet geslaagd; gretig narcisme. Ze vraagt mijn naam, we komen tot de conclusie dat ze mij niet kent, we nemen hartelijk afscheid en ik verzet mijn gedachten.

En kwartiertje later kom ik haar nogmaals tegen, nu in de AH. 'We kennen elkaar nu wél, toch?' grap ik. Vlug sluit ze achter me aan in de rij. 'Ja, inderdaad,' straalt ze. Ze steekt haar hand uit. 'Louise!'. Ik slik – Louise!- en stel me nogmaals voor. 'God zegene je kind, ik ben heel, heel blij je ontmoet te hebben.' Nu voel ik me vreemd en in verlegenheid gebracht. Van zegeningen waar ik niet om gevraagd heb, word ik nerveus, al kan ik alle hulp gebruiken die ik krijgen kan. Aan de ene kant ben ik achterdochtig, schamper bijna, wil ik haar instinctief afstoten en belachelijk maken. Aan de andere kant blijft ze indringend naar me kijken – mijn aanblik emotioneert haar, zonder dat ik weet waarom. En het is niet nodig, zelfs ongepast, daar spot mee te drijven. We nemen voor de tweede keer hartelijk afscheid en ik haast mij met vraagtekens in mijn buik naar de naastgelegen bloemenstal.

Mijn zoektocht naar witte chrysanten wordt gestoord door een stem die ik inmiddels al te goed ken. 'Die roze zijn ook mooi,' zegt Louise zachtjes achter me. Ik draai me om. Ze ziet er uit alsof ze me iets wil vertellen, maar het komt er niet uit. Daar heeft ze waarschijnlijk teveel decorum en verstand voor – per slot van rekening heeft ze een dochter van dertig, en al is ze een vrouw, méér vragen druist tegen de wetten van de beleefdheid in. Maar datzelfde geldt voor mij.
Wat kan ik doen? Moet ik haar mijn nummer geven, zonder reden? Haar vragen om even koffie met me te drinken? Ik voel me beklemd, maar ben besluiteloos. En nu wil ik echt weg.

'We komen elkaar nog wel tegen, hoop ik?' zegt Louise. 'Dat hoop ik ook,' beaam ik, terwijl ik het onbehagen van me afschud en haar mijn sterrenogenblik geef. Ze zegent me nog een keer en nu neem ik haar zegen welwillend aan. Er is niets engs aan deze vrouw, en misschien vertelt ze me een volgende keer wat er aan de hand is.
Louise. Ik geloof niet in toeval, en denk dat deze ontmoeting nog wel een staartje krijgt. Of twee, afhankelijk van het geslacht van de tweeling.

zondag 3 maart 2013

Satchel

De meeste van mijn weken beginnen goed. Na een voldaan en druk weekend gloeien mijn wangen op maandag meestal nog na van de mojito's, sportschool en flirterige supermarktbezoeken en verlichten goede herinneringen de routinematige maandag.
Voor deze maandag gold dat niet. Ik had te weinig geslapen, had mijn pumps net iets te lang aan en the big O stond voor de deur – dwing me niet om uit te weiden, het is al erg genoeg. Ik voelde me helemaal niet energiek, jong, flirtacious of fabuleux. Ik voelde me hangerig, zielig en moe en alles leek tegen te zitten.
Vol zelfmedelijden sleepte ik me naar de supermarkt voor een zak verse spinazie en een boeketje broccoli. Je goed voelen begint tenslotte bij goed eten. Het was het singlestijdstip in de supermarkt, maar ik kon me zelfs niet verlustigen aan wat hete zakenmannen.

Voor me in de kassarij stonden twee meisjes van een jaar of dertien. De ene had een beugel, de ander een lange, gekrulde paardenstaart. Ze kochten zakdoekjes, verder niets. Het beugeltje had een hele mooie leren satchel, dat zag ik nog wel. Bijna net zo mooi als de dikke, leren laarzen van haar metgezel. Driewerf hoera voor kinderbijslag.
'Je moet niet zo stressen, daar word je oud van. Rimpels, weet je,' klapkauwt het beugeltje. Het was een wonder dat haar kauwgom zich niet aan die slotjes hechtte, want ze sprak nogal veel. Paardenstaart kijkt geschokt. 'Je hoeft niet zo te kijken, ik maak geen grapje, ik zweer 't: RIM! PELS!' Beugeltje draait wijs met haar ogen en vangt mijn blik. Ondanks mijzelf moet ik een beetje lachen; het meisje moet haar eerste puistje nog krijgen. We schuiven een stukje naar voren en Beugeltje legt zorgzaam een boodschapscheidbalkje tussen haar zakdoekjes en mijn boeketje. Ik knik liefjes. 'En groente eten, moet je ook,' gaat Beugeltje vrolijk verder. Ze prikt met een ronde, korte, afgebladderde nagel liefdevol in het gezicht van haar vriendin, die steeds benauwder begint te kijken, en loert met één oog nog steeds naar mij. Lang leve de goedkope nagellak. Ik besluit mijn stoïcisme op te geven en me voorgoed te profileren als oudere. 'Water drinken schijnt ook te helpen, en zonnebrand', opper ik. Ik houd mijn adem even in, dit soort bemoeizucht kan gemakkelijk worden afgestraft met een waar bemoei jij je in godsnaam mee in minder subtiele termen, zeker in deze buurt. Ik begrijp ook niet waarom ik überhaupt probeer bij te dragen aan een gesprek dat me niet aangaat, maar mijn vermoeide gemoed snakt naar waardering, in welke vorm dan ook. Vrouwen van midden zestig doen dit ook bij mij, ook als er niet op zit te wachten. En als ik eerlijk ben, zit ik er nooit op te wachten.

De bambi-ogen van het paardenstaartje worden nog wat groter. De afstraffing blijft uit – mijn advies wordt gewillig ingedronken. Beugeltje kijkt goedkeurend naar me. Ondanks mijn vermoeidheid heb ik namelijk BB cream op mijn neus en een broccolistronk op de lopende band om mijn gelijk te bewijzen. Maar dat van de BB hoeft zij niet te weten. Niet diamonds, maar secrets are a girl's best friend. En daar zal ze nog wel achter komen, als de beugel onder die volle lippen vandaan is.

Ook mijn bemoeizucht kent haar grenzen. Paardenstaartje werpt een afgunstige blik op de dikke leren tas waar ik de broccoli discreet in laat verdwijnen. Alsof zij iets heeft om zich zorgen over te maken, met zulke mooie laarzen en zo'n gaaf huidje. Geen rimpel in zicht: niet lichamelijk, noch geestelijk. En dat is iets wat ik, alle ledervet ten spijt, van mijzelf toch niet meer zeggen kan.
Aan de andere kant: met leeftijd en milde sores komen ook financiële vrijheid, hervonden zekerheid en relativeringsvermogen op je pad. Ik heb mijn eerste rimpel nog niet, maar weet wel dat op het moment dat hij (nee, geen zij) verschijnt, dat niet het eind van de wereld aankondigt. En zolang ik mijzelf kan troosten met broccoli en de naijverige blikken van een dertienjarig meisje, is er lang zoveel niet aan de hand. Brush that, sister.