In een gesprek op ons aller FB kwam de cover van Toto's Hydra ter sprake. De aanleiding was mijn niet aflatende adoratie van gitarist Slash, dankbaar onderwerp van mijn affectie. Sinds mijn vroegste jeugd heb ik ook een grote zwak voor de man die is afgebeeld op de cover van Hydra, al weet ik eigenlijk niet, wie dat is die er op afgebeeld staat.
Op de voorkant, die vrij blauwig is, staat een Slash-look-a-like (dus dáár heeft ie 't van!) maar het is Slash niet. Ik weet niet wie het precies is, ik denk Steve Lukather, want dat is het enige bandlid met Slash-achtig haar. Of het is toch Jeff Porcaro. Hoe dan ook, het is die man, die met zijn blote bast, leren jack, skinny jeans en laarzen maakte dat ik achtergrondzangeres bij Guns 'n Roses wilde worden, of bij Toto.
De connectie tussen Toto en Slash is er wel, in de persoon van Michael Jackson. Steve Lukather heeft namelijk een nummer voor Michael geschreven (Human Nature, dat inderdaad een duidelijke Toto-signatuur heeft) en de gitaarrif van Beat it is uitgevoerd door Eddie Van Halen maar intellectueel eigendom van Lukather. (Gelukkig zijn Eddie en Steve vrienden.) Bovendien heeft Lukather meegegitaard op Thriller. Wie heeft er nog meer meegespeeld op Thriller? Juist, Slash. Birds of a feather stick together... En als dochter van een Toto-liefhebber heb ik hier nieteens voor hoeven googelen...
Eenmaal thuis zocht ik op youtube even de clip op van een van mijn favoriete nummers, White Sister. Ik kon de tekst vroeger niet duiden, dat kan ik eigenlijk nog steeds niet, maar het mag de pret niet drukken. Ik ben eruit: ik houd van Jeff Porcaro, met heel mijn hart. Al bestaat Toto nu uit een viertal dikke oude mannen (hun hoogtijdagen liggen dan ook al een jaar of twintig in het verleden) die ene LP, dat ene nummer is zo heerlijk strak in elkaar gezet dat ik er gewoon een beetje van moet zuchten. Heerlijk! Overal op internet wordt Jeff geroemd om zijn strakke drumkunsten en ik kan ze niet anders dan gelijk geven. Maar het hangt niet alleen op Jeff, ook Steve 'Luke' Lukather voegt heel veel toe. Het fijne zit 'm vooral in de samenwerking van Toto als groep, waarbij ook de rol van de achtergrondzangeressen niet mag worden vergeten. De diepe, bijna hese stem van Lukather en die, ik mag wel zeggen, retestrakke drum van Jeff eronder maakt dat ik bij bijna ieder Toto-liedje denk: damn, wat zijn ze toch goed!
Na de dood van Jeff in 1992 lag Toto een beetje op zijn gat. Het werk van daarna is in mijn opinie ook minder goed. Ik ben het met de massa eens dat Jeff Porcaro een hele, hele goede drummer was, maar de kracht van dat strakke drumwerk zat 'm ook in de goede samenwerking met de anderen. Simon Philips is een prima drummer, maar hij zit spiritueel gewoon niet op hetzelfde niveau als Jeff zat met de rest van Toto. Je moet toch bijna Phil Collins heten om dat, zonder historie met de rest van de band, te kunnen evenaren. Om over die wisselingen van lead vocalists nog maar te zwijgen. Joseph Williams, zoon van de bekende John Williams (van het Jaws-thema) doet het als zanger goed naast Steve. Bobby Kimball, de eerste lead singer, keerde na Jeffs dood ook terug. Op recent beeldmateriaal – waar ik naar kijk tussen mijn vingers door – kost het zingen hem zichtbaar moeite en dat is pijnlijk om te zien. Zijn stem is gewoonweg vernacheld en hij had sowieso altijd al minder stembereik dan Steve. Ook achtergrondzanger Jean-Michel Byron heeft, op aandringen van de platenmaatschappij, een poging gedaan de lead vocals op zich te nemen, wat te horen is op de verzamelaar Past to Present. Rampzalig. Als achtergrondzanger deed hij het prima, maar voor lead vocalist is zijn stem te hoog en niet krachtig genoeg. Nee, ik zweer bij Steve.
Ik heb het dan wel over de Steve Lukather van twintig jaar en twintig kilo geleden. Bijvoorbeeld tijdens een optreden in Parijs, in 1990. Ik was toen nog een peuter, maar mijn vader draaide al wel Toto-platen. Wat ik zie als ik er nu naar kijk is een gitaarvirtuoos vol energie en levenslust. Hij stráált, en heeft lol in wat hij doet. Schijnbaar moeiteloos rollen de noten van zijn gitaar, die hij bespeelt alsof het zijn geliefde is. Zijn magere lijf en kinloze gezicht worden er op slag aantrekkelijker van. Zijn slangenleren schoenen en wapperende manen schrééuwen cool. Eigenlijk is hij daar nog veel sexyer dan Slash, want veel toegankelijker. Ik zie de emotie op zijn gezicht (ergo: ik zie zijn gezicht!) en dat maakt hem vreselijk heet. Met name het nummer English Eyes maakt dat ik er zeker van ben dat Steves twee mislukte huwelijken niet te wijten zijn aan zijn gitaarkunsten, letterlijk of allegorisch. Woef, woef.......
(Voor de liefhebber: English eyes live of I won't hold you back Op de achtergrond Jean-Michel Byron die hele gekke dansjes doet. Of deze. Als je goed luistert, hoor je Michael McDonald ook nog heel even! En iemand is zo aardig geweest heel Hydra online te zetten, met White sister op 32.20.)
Wat ik wil aangeven, is dat de drijvende kracht achter het Toto van vóór 1992 niet Jeff was. Als er al een drijvende kracht in de vorm van één persoon bij zat, dan was het Steve Lukather. Die stem, dat ontspannen spel, die relaxte attitude en die slangenleren schoenen (geen laarzen? Geen laarzen....) maken dat hij het helemaal is voor me. Maar eigenlijk ben ik er van overtuigd dat zelfs die credits niet kloppen. Het was niet één persoon, het was het Toto dat als één man samenspeelde. Een songwriter, een zanger, een keyboardspeler, een basgitarist, een drummer en de achtergrondzangers, die de verschillende compartimenten vormden van een goed geoliede, soepele machine. En met het wegvallen van het originele onderdeel 'drummer' heeft de machine nooit meer zo soepel gelopen als hij ooit deed. Alle moeite ten spijt.
In juli komt Toto, of wat er van over is, naar Nederland. De niet meer zo toonvaste Bobby Kimball die ieder nummer zingt alsof het z'n laatste kan zijn, Steve Lukather die nog steeds heel erg goed gitaar kan spelen en wiens stem ook twintig jaar rauwer is geworden, David Paich die eigenlijk in 1990 al aan het eind van zijn latijn was en een van de Porcaro-broers die al veertig jaar lekker staat te basgitaren achterin. Of misschien boffen de fans en is het toch Joseph Williams die komt zingen.
Ach, wat onaardig. Natuurlijk neem ik het de mannen niet kwalijk dat ze hun broodwinning niet in de bosjes hebben gegooid met Jeffs dood. Steve heeft zelfs nog een paar redelijke solo-albums op de markt gebracht. Natuurlijk neem ik ze hun dikke buiken, hun raspende stemmen en hun iets tragere vingers niet kwalijk. Het gaat om de muziek en twintig jaar is een lange tijd. Maar de charismatische helden uit mijn jeugd zijn er niet meer. Als ik naar dikke oude mannen wil kijken, kijk ik wel naar het Vragenuurtje. Gitaren veranderen daar weinig aan .
Gelukkig heeft iemand het concert in 1990 opgenomen en op DVD gezet, zodat ik nog kan genieten van Steve in al zijn genialiteit. Ik houd de mythe graag in stand, maar dat doet hij ook, met dye-it-yourself. Ik weet zeker dat hij, net als ik, de cover van Hydra er nog weleens bijpakt en dan zucht, misschien wel om dezelfde reden. En als ik ooit een liefdesliedje schrijf, dan zal het niet Jeff, Mike of Joseph heten. Zelfs geen Saul of Steve. Nee, ik zou het noemen naar de man waar ik ooit zo verliefd op was. De man die mijn kleine-meisjeshart stal nog vóór ik wist dat ik een hart bezat, en me van aanbidding kon laten gillen zoals zijn gitaar. Wiens scrawny body en diepblauwe ogen een magische aantrekkingskracht op me uitoefenden, omdat hij druipt van het broodnodige charisma waar ik zo gevoelig voor ben. De enige man die ik het ontbreken van een kin ooit vergeven heb vanwege zijn geweldige handen: Luke.
maandag 31 januari 2011
donderdag 27 januari 2011
Tang
Weerloos in de tandartsstoel ging me, tussen het boren en het afzuigen door, ineens een licht op. Mijn tandarts, een man van een jaar of vijfendertig met mooie schoenen, een rustgevend accent en een volle bos donker haar, was in mijn mond bezig te redden wat er te redden viel. Hij boorde, hakte, bikte, vulde en trok er flink op los. Gelukkig had hij me wel eerst verdoofd, dus ik voelde alleen het kraken van mijn tandwortels, en daarom had ik alle tijd om eens na te denken. Ik keek eerst naar de tv die boven mijn hoofd hing, maar toen ze bij Discovery's How it's made over het maken van stifttanden begonnen – oh, lot! – was de lol daar snel af. En ik was op mijzelf aangewezen.
Ik heb vijf jaar een beugel gehad, mijn tanden staan recht en ik ben een neurotische poetser (ja, dat dan weer wel!) maar achter die witte straalglimlach ging een hoop verrotting schuil. Omdat mijn rotte kiezen geen pijn deden, was de prikkel om er iets aan te doen niet zo groot. Natuurlijk wist ik wel dat ik de tandarts weer eens moest gaan bezoeken, maar zoals dat soms gaat, stelde ik het uit tot in de oneindigheid.
Tot afgelopen donderdag. Ik at een boterham met speculoos en merkte dat er iets hards meekwam. Het was een stuk van mijn tand, geen schilfer, nee, ik zag een stukje wit en een stukje paars (merg?) en het voelde alsof er ongeveer een kwart van mijn tand af was. Onontkenbaar moest ik hier wel snel wat aan laten doen. Ik zocht online een tandartspraktijk bij mij in de buurt, en schreef me in. (Ook hier was de vraag 'wanneer was uw laatste tandartsbezoek' onvermijdelijk...)
Vanmorgen was het dan zo ver. Na een zorgvuldig gekozen ontbijt (wél een ontbijt, maar geen ei, roquefort of pindakaas) trapte ik op mijn fiets naar de tandartspraktijk. Ik lijd niet echt aan tandartsangst, was het maar waar. Dan had ik namelijk nog een reden gehad voor mijn langdurige controleverzuim. Ik heb alleen maar tandartsschroom, veroorzaakt door mijn eigen nalatigheid, en, zo weet ik nu, de wat orthodoxe praktijken van mijn vorige tandarts. Maar het alternatief zou zijn dat ik niet ging, mijn tanden nog verder verrotten en ik op een gegeven moment alleen nog maar blanke vla zou kunnen eten. Om over de rest van de gezondheidsrisico's maar te zwijgen: slechte adem, verminderde weerstand, nooit meer glimlachen. Je kunt er zelfs hartproblemen en aderverkalking van krijgen. Dat is toch ironisch: je ogen sluiten voor tandencontrole kan ervoor zorgen dat je ze op den duur voorgoed sluit...
Ik was blij dat hij me geen standje gaf. Ik ben een volwassen vrouw, maar verwachtte het ergens toch. Mijn vorige tandarts was er een van den ouden stempel. Hij runde de praktijk met zijn vrouw, de assistente. Ik mocht altijd in haar hand knijpen als het pijn deed. En hoewel hij best goed was, liet hij zich niet door decorum weerhouden als mijn gedrag hem niet zinde. Hij was ook erg zuinig met verdoven: de enige keer dat ik verdoofd werd, was toen mijn kiezen getrokken werden ten behoeve van mijn beugel.
Hoe anders was deze nieuwe arts! Ik schrok van de gigantische spuit die hij gebruikte, maar dat ding bespaarde me een hoop sores. Gretig stak hij zeven centimeter naald in mijn gehemelte en binnen twee minuten was de helft van mijn gezicht onder zeil. Heerlijk.
(Ter vergelijking: bij mijn oude tandarts werd er in de tijd die het kostte om de verdoving in te laten werken twee mensen geholpen.)
Ik voelde dus geen pijn, al waren mijn tanden af en toe wat gevoelig. Hoewel dat in het niet viel bij de pijn die ik bij vorige behandelingen had ervaren, tastte ik uit automatisme naar de hand van de assistente. Die keek echter geïntrigeerd naar How it's made op de momenten dat ze niet hoefde te stofzuigen. Dat zou nog van pas komen als ze zelf ooit tandarts werd.
Mijn tandarts vroeg om wortelhevels en vlaghevels en werkte zich een slag in de rondte: ik zag de vastberadenheid in zijn groene ogen. De tand in mijn onderkaak wilde niet los en hij moest 'm splitsen voor hij 'm eruit kon trekken. Natuurlijk bloedde ik als een rund, maar dat is niet altijd erg: ik schrok er dan ook niet echt van. Net op het moment dat hij zijn bebloede handschoenen boven mijn mond hield, liep er een meisje van een jaar of zeven voorbij. Ik hoorde haar door de gang aankomen en de deur werd snel dichtgedaan. De tand wilde niet van wijken weten en op een gegeven moment moest m'n tandarts zoveel kracht op de ene kant van mijn kaak zetten dat ik vreesde dat hij er aan de andere kant uit zou schieten. Plotseling was ik blij dat ik een man als tandarts had.
Na een goed kwartier trekken was de klus dan toch geklaard. Ik mocht de tand mee naar huis nemen en zag dat er tussen de wortel en de tand nog allemaal tand zat (tandsteen? teveel yoghurt gegeten?) die maakte dat in plaats van een gladde overgang tussen tand en wortel de tand een soort van tutu aanhad. Misschien was dat wel het deel dat zoveel weerstand bood. Het was in ieder geval een flinke jaap van zo'n twee centimeter lang. En rot.
Ik was blij en opgelucht dat ik een eind had gemaakt aan de tandartsimpasse die zo lang had geduurd. Wat ik heb geleerd: ik hoef niet weg te lopen voor mijn problemen, want 1) de oplossing is vaak nabij en simpel en 2) het alternatief is ze in stand houden, wat tot escalatie leidt. Als ik eerder naar de tandarts was gegaan, had hij misschien niet zoveel hoeven vullen en had ik geen rotte kiezen gehad.
(Hij sprak overigens van het neutrale 'tandbederf' al las ik daar, met mijn schuldig gemoed, een beleefd-eufemistisch verwijt in. Boete is een dankbaar patroon, eh?)
De vraag is echter niet of ik ergens schuldig aan ben, maar hoe ik mijn gedrag kan veranderen en de situatie weer naar mijn hand kan zetten. Ik vergeet soms dat ik volwassen ben en dat los van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt, ik dus ook niet meer op een standje hoef te wachten alsof ik een kind was. Sterker nog, het vereist lef om je angsten onder ogen te komen.
Laten we wel wezen, naar de tandarts gaan is geen verdienste, het is onderdeel van je persoonlijke hygiëne. Het is geen prestatie die ik heb geleverd, het is noodzaak. En dat ik er zolang mee heb gewacht, is zonde, zeker gezien de consequenties. Toch had ik ook voor het alternatief kunnen kiezen: blanke vla en verkalkte aderen. En dat heb ik niet gedaan. Nee, ik heb ge-man-upped, zoals het hoort. Dit tandartsbezoek was een minor issue, maar de gedachte er achter is dat zeker niet. Flauw maar waar: het loont om je problemen bij de wortels aan te pakken, ook als die wortels willen blijven zitten. Krakende krachttraining voor hem, bofwangen en opluchting voor mij. Tenslotte is het de bedoeling dat ik mijn issues, groot en klein, in de tang houd. Niet andersom.
Ik heb vijf jaar een beugel gehad, mijn tanden staan recht en ik ben een neurotische poetser (ja, dat dan weer wel!) maar achter die witte straalglimlach ging een hoop verrotting schuil. Omdat mijn rotte kiezen geen pijn deden, was de prikkel om er iets aan te doen niet zo groot. Natuurlijk wist ik wel dat ik de tandarts weer eens moest gaan bezoeken, maar zoals dat soms gaat, stelde ik het uit tot in de oneindigheid.
Tot afgelopen donderdag. Ik at een boterham met speculoos en merkte dat er iets hards meekwam. Het was een stuk van mijn tand, geen schilfer, nee, ik zag een stukje wit en een stukje paars (merg?) en het voelde alsof er ongeveer een kwart van mijn tand af was. Onontkenbaar moest ik hier wel snel wat aan laten doen. Ik zocht online een tandartspraktijk bij mij in de buurt, en schreef me in. (Ook hier was de vraag 'wanneer was uw laatste tandartsbezoek' onvermijdelijk...)
Vanmorgen was het dan zo ver. Na een zorgvuldig gekozen ontbijt (wél een ontbijt, maar geen ei, roquefort of pindakaas) trapte ik op mijn fiets naar de tandartspraktijk. Ik lijd niet echt aan tandartsangst, was het maar waar. Dan had ik namelijk nog een reden gehad voor mijn langdurige controleverzuim. Ik heb alleen maar tandartsschroom, veroorzaakt door mijn eigen nalatigheid, en, zo weet ik nu, de wat orthodoxe praktijken van mijn vorige tandarts. Maar het alternatief zou zijn dat ik niet ging, mijn tanden nog verder verrotten en ik op een gegeven moment alleen nog maar blanke vla zou kunnen eten. Om over de rest van de gezondheidsrisico's maar te zwijgen: slechte adem, verminderde weerstand, nooit meer glimlachen. Je kunt er zelfs hartproblemen en aderverkalking van krijgen. Dat is toch ironisch: je ogen sluiten voor tandencontrole kan ervoor zorgen dat je ze op den duur voorgoed sluit...
Ik was blij dat hij me geen standje gaf. Ik ben een volwassen vrouw, maar verwachtte het ergens toch. Mijn vorige tandarts was er een van den ouden stempel. Hij runde de praktijk met zijn vrouw, de assistente. Ik mocht altijd in haar hand knijpen als het pijn deed. En hoewel hij best goed was, liet hij zich niet door decorum weerhouden als mijn gedrag hem niet zinde. Hij was ook erg zuinig met verdoven: de enige keer dat ik verdoofd werd, was toen mijn kiezen getrokken werden ten behoeve van mijn beugel.
Hoe anders was deze nieuwe arts! Ik schrok van de gigantische spuit die hij gebruikte, maar dat ding bespaarde me een hoop sores. Gretig stak hij zeven centimeter naald in mijn gehemelte en binnen twee minuten was de helft van mijn gezicht onder zeil. Heerlijk.
(Ter vergelijking: bij mijn oude tandarts werd er in de tijd die het kostte om de verdoving in te laten werken twee mensen geholpen.)
Ik voelde dus geen pijn, al waren mijn tanden af en toe wat gevoelig. Hoewel dat in het niet viel bij de pijn die ik bij vorige behandelingen had ervaren, tastte ik uit automatisme naar de hand van de assistente. Die keek echter geïntrigeerd naar How it's made op de momenten dat ze niet hoefde te stofzuigen. Dat zou nog van pas komen als ze zelf ooit tandarts werd.
Mijn tandarts vroeg om wortelhevels en vlaghevels en werkte zich een slag in de rondte: ik zag de vastberadenheid in zijn groene ogen. De tand in mijn onderkaak wilde niet los en hij moest 'm splitsen voor hij 'm eruit kon trekken. Natuurlijk bloedde ik als een rund, maar dat is niet altijd erg: ik schrok er dan ook niet echt van. Net op het moment dat hij zijn bebloede handschoenen boven mijn mond hield, liep er een meisje van een jaar of zeven voorbij. Ik hoorde haar door de gang aankomen en de deur werd snel dichtgedaan. De tand wilde niet van wijken weten en op een gegeven moment moest m'n tandarts zoveel kracht op de ene kant van mijn kaak zetten dat ik vreesde dat hij er aan de andere kant uit zou schieten. Plotseling was ik blij dat ik een man als tandarts had.
Na een goed kwartier trekken was de klus dan toch geklaard. Ik mocht de tand mee naar huis nemen en zag dat er tussen de wortel en de tand nog allemaal tand zat (tandsteen? teveel yoghurt gegeten?) die maakte dat in plaats van een gladde overgang tussen tand en wortel de tand een soort van tutu aanhad. Misschien was dat wel het deel dat zoveel weerstand bood. Het was in ieder geval een flinke jaap van zo'n twee centimeter lang. En rot.
Ik was blij en opgelucht dat ik een eind had gemaakt aan de tandartsimpasse die zo lang had geduurd. Wat ik heb geleerd: ik hoef niet weg te lopen voor mijn problemen, want 1) de oplossing is vaak nabij en simpel en 2) het alternatief is ze in stand houden, wat tot escalatie leidt. Als ik eerder naar de tandarts was gegaan, had hij misschien niet zoveel hoeven vullen en had ik geen rotte kiezen gehad.
(Hij sprak overigens van het neutrale 'tandbederf' al las ik daar, met mijn schuldig gemoed, een beleefd-eufemistisch verwijt in. Boete is een dankbaar patroon, eh?)
De vraag is echter niet of ik ergens schuldig aan ben, maar hoe ik mijn gedrag kan veranderen en de situatie weer naar mijn hand kan zetten. Ik vergeet soms dat ik volwassen ben en dat los van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt, ik dus ook niet meer op een standje hoef te wachten alsof ik een kind was. Sterker nog, het vereist lef om je angsten onder ogen te komen.
Laten we wel wezen, naar de tandarts gaan is geen verdienste, het is onderdeel van je persoonlijke hygiëne. Het is geen prestatie die ik heb geleverd, het is noodzaak. En dat ik er zolang mee heb gewacht, is zonde, zeker gezien de consequenties. Toch had ik ook voor het alternatief kunnen kiezen: blanke vla en verkalkte aderen. En dat heb ik niet gedaan. Nee, ik heb ge-man-upped, zoals het hoort. Dit tandartsbezoek was een minor issue, maar de gedachte er achter is dat zeker niet. Flauw maar waar: het loont om je problemen bij de wortels aan te pakken, ook als die wortels willen blijven zitten. Krakende krachttraining voor hem, bofwangen en opluchting voor mij. Tenslotte is het de bedoeling dat ik mijn issues, groot en klein, in de tang houd. Niet andersom.
maandag 3 januari 2011
Compost
Het begin van een nieuw jaar lijkt op het einde. Of het nou een kalenderjaar is, een schooljaar of de verjaardag van een gebeurtenis, reflectie is het sleutelwoord; de optelsom van een jaar vol successen, dieptepunten of matigheden. Daarnaast laat ik het in mijn eigen geval graag samenhangen met Nieuwe Beginnen. Ooit woonde ik naast mensen die ieder jaar na de winter hun tuin onderspitten en nieuwe dingen plantten. Aan het begin van de zomer deden ze hetzelfde. Helaas ging dat ieder jaar mis omdat zij of te vroeg, of juist te laat van start gingen met deze actie, waardoor hun tuin er, op één maand na, jaar na jaar na jaar verpieterd en slecht uitzag. Maar dat gaf niet, want zij begonnen iedere lente – dus, ieder jaar – letterlijk met een schone en vooral erg kale en naar koeienstront meurende lei. (Over ezels en stoten hebben we het straks nog.) Nu had ik meer met de buren van de andere kant, dus het perceel van de tuinierders viel me niet zo op, maar ik begrijp hun hang naar Nieuw Begin wel.
Bestaat er iets fijners dan Nieuw? Nee. Meestal zijn nieuwe dingen een vooruitgang ten opzichte van de oude, ze zijn een verbetering, een innovatie. Dr. Martens en de minidisc (watte?) uitgezonderd zit die nieuwe trui bijna altijd mooier en beter dan de oude, weet je pas hoe afgesleten je hakken zijn als je nieuwe hebt en is het lichaam van een nieuwe partner nog spannend en onontdekt. Stuurbekrachtiging maakt autorijden makkelijker, de waterkoker is sneller dan de fluitketel en al is de Senseo alweer op z'n retour, hij is veel mensen van dienst geweest. En dan zijn er nog de ontwikkelingen waar je afhankelijker van wordt in plaats van zelfstandiger: de TomTom en de mobiele telefoon (met name het adresboek).
Hoe dan ook: een Nieuw Begin lucht op, schept mogelijkheden, biedt hoop. Het creëert behoeften waarvan je niet wist dat ze er waren. Er is geen enkele reden waarom je niet nu, hier, vandaag, zou kunnen beginnen met afvallen, stoppen met roken, het uitmaken met die lapzwans van een partner of de relatie juist nog een kans geven. En toch wachten miljoenen mensen wereldwijd op 1 januari als aanleiding tot hun Nieuw Begin. Terwijl het juist veel origineler en fijner zou kunnen zijn om een 'eigen' datum te hebben voor je Nieuwe Begin. De zestiende maart, of negen oktober 2011, of zevenentwintig september. Zodat je niet kunt verschijnen bij Oprah als new year's resolutionist.
Het fijne voor de ontduikers onder ons is dat ze 1 januari natuurlijk als excuus kunnen gebruiken om er – waaraan dan ook – nog niet aan te hoeven beginnen, op 1 januari plechtige trouw beloven, op zeven januari dat alweer niet waar blijken te kunnen maken en vervolgens hun startdatum uit te stellen tot, jawel, 1 januari.
Het is makkelijk om dit af te doen als gebrek aan wilskracht, maar zo simpel ligt het natuurlijk niet. Want als je er – waarvoor dan ook – echt klaar voor bent, maakt het niet uit op welke dag je begint. Als je ergens echt klaar voor bent, heb je geen behoefte aan uitstel. En uitstel werkt daarbij vaak nog als een extra hindernis. Ga maar na: op het moment dat je jezelf in september belooft dat je vanaf 1 januari wekelijks gaat hardlopen, heb je daar op 31 december echt de moed niet meer voor – als het je dan nog te binnen schiet. Als je echt wil veranderen, meer wilt gaan sporten, je stiefkinderen liever wilt behandelen, die gangkast op wil ruimen, minder koffie wilt gaan drinken of het rustiger-aan doen op je werk, dan kun je daar het beste NU mee beginnen.
Een grote waarheid. Maar belangrijker nog dan het stellen van een realistisch doel is het scheppen van de juiste voorwaarden. Je kunt wel als doel hebben, niet meer te drinken, maar als je op vijftien januari een personeelsfeestje hebt op een wijnproeverij, komt daar natuurlijk niets van terecht. Je kunt wel als doel hebben, definitief te breken met je ex, maar dat romantische weekend waar hij je mee verrast, werkt daar niet bepaald aan mee. Zonder de juiste voorwaarden maak je het jezelf onnodig lastig, wat demotiveert.
Zelfs mijn buren wisten, in al hun Nieuw Begin-lust, dat hun pioenrozen niet zouden groeien zonder mest. Ze pakten het jaar na jaar hetzelfde aan, bemestten trouw de tuin, en ieder jaar gaf dat hetzelfde (magere) rendement. Al zou die terugkerende putlucht en treurige kaalheid voor mij een reden zijn om mijn tuinierdersvaardigheden eens stevig onder de loep te nemen (ezel, steen) blijkbaar was die kortdurende rozenpracht voor hen wél genoeg.
Het gras is niet altijd groener bij de buren, lieve lezer. Soms is er zelfs geen gras. Maar één ding is zeker: uit een hoop stront kunnen soms nog mooie dingen voortkomen.
Bestaat er iets fijners dan Nieuw? Nee. Meestal zijn nieuwe dingen een vooruitgang ten opzichte van de oude, ze zijn een verbetering, een innovatie. Dr. Martens en de minidisc (watte?) uitgezonderd zit die nieuwe trui bijna altijd mooier en beter dan de oude, weet je pas hoe afgesleten je hakken zijn als je nieuwe hebt en is het lichaam van een nieuwe partner nog spannend en onontdekt. Stuurbekrachtiging maakt autorijden makkelijker, de waterkoker is sneller dan de fluitketel en al is de Senseo alweer op z'n retour, hij is veel mensen van dienst geweest. En dan zijn er nog de ontwikkelingen waar je afhankelijker van wordt in plaats van zelfstandiger: de TomTom en de mobiele telefoon (met name het adresboek).
Hoe dan ook: een Nieuw Begin lucht op, schept mogelijkheden, biedt hoop. Het creëert behoeften waarvan je niet wist dat ze er waren. Er is geen enkele reden waarom je niet nu, hier, vandaag, zou kunnen beginnen met afvallen, stoppen met roken, het uitmaken met die lapzwans van een partner of de relatie juist nog een kans geven. En toch wachten miljoenen mensen wereldwijd op 1 januari als aanleiding tot hun Nieuw Begin. Terwijl het juist veel origineler en fijner zou kunnen zijn om een 'eigen' datum te hebben voor je Nieuwe Begin. De zestiende maart, of negen oktober 2011, of zevenentwintig september. Zodat je niet kunt verschijnen bij Oprah als new year's resolutionist.
Het fijne voor de ontduikers onder ons is dat ze 1 januari natuurlijk als excuus kunnen gebruiken om er – waaraan dan ook – nog niet aan te hoeven beginnen, op 1 januari plechtige trouw beloven, op zeven januari dat alweer niet waar blijken te kunnen maken en vervolgens hun startdatum uit te stellen tot, jawel, 1 januari.
Het is makkelijk om dit af te doen als gebrek aan wilskracht, maar zo simpel ligt het natuurlijk niet. Want als je er – waarvoor dan ook – echt klaar voor bent, maakt het niet uit op welke dag je begint. Als je ergens echt klaar voor bent, heb je geen behoefte aan uitstel. En uitstel werkt daarbij vaak nog als een extra hindernis. Ga maar na: op het moment dat je jezelf in september belooft dat je vanaf 1 januari wekelijks gaat hardlopen, heb je daar op 31 december echt de moed niet meer voor – als het je dan nog te binnen schiet. Als je echt wil veranderen, meer wilt gaan sporten, je stiefkinderen liever wilt behandelen, die gangkast op wil ruimen, minder koffie wilt gaan drinken of het rustiger-aan doen op je werk, dan kun je daar het beste NU mee beginnen.
Een grote waarheid. Maar belangrijker nog dan het stellen van een realistisch doel is het scheppen van de juiste voorwaarden. Je kunt wel als doel hebben, niet meer te drinken, maar als je op vijftien januari een personeelsfeestje hebt op een wijnproeverij, komt daar natuurlijk niets van terecht. Je kunt wel als doel hebben, definitief te breken met je ex, maar dat romantische weekend waar hij je mee verrast, werkt daar niet bepaald aan mee. Zonder de juiste voorwaarden maak je het jezelf onnodig lastig, wat demotiveert.
Zelfs mijn buren wisten, in al hun Nieuw Begin-lust, dat hun pioenrozen niet zouden groeien zonder mest. Ze pakten het jaar na jaar hetzelfde aan, bemestten trouw de tuin, en ieder jaar gaf dat hetzelfde (magere) rendement. Al zou die terugkerende putlucht en treurige kaalheid voor mij een reden zijn om mijn tuinierdersvaardigheden eens stevig onder de loep te nemen (ezel, steen) blijkbaar was die kortdurende rozenpracht voor hen wél genoeg.
Het gras is niet altijd groener bij de buren, lieve lezer. Soms is er zelfs geen gras. Maar één ding is zeker: uit een hoop stront kunnen soms nog mooie dingen voortkomen.
Abonneren op:
Posts (Atom)