maandag 1 oktober 2018

Bon bon

Afgelopen zomer verbleef ik een paar dagen in Antwerpen. Op amper een uur van Rotterdam heeft Antwerpen een weelderig winkelaanbod, géén donateurwervers (een verademing) en lekker eten. Ik voelde me er thuis. Daarom de special van vandaag: Vijftien Bevindingen Over Antwerpen

1. Roken is hier nog heel normaal. Word je in Nederland smalend, geërgerd of vies aangekeken als je rookt in een dichtbevolkte winkelstraat of als je je rook over de tosti van je buurman uitblaast op een drukbezet terras: hier kijkt niemand er van op. Sigaretten worden bij de plaatselijke lectuurshop aangeschaft. En dan niet één schattig pakje Marlboro, nee, meteen drie sloffen ineens. Precies genoeg voor het weekend. Gezellig boven de kinderwagen of voor én na de lunch, waarschijnlijk de enige maaltijd van de dag.
2. Antwerpen heeft chique bewoners: iedereen ziet er hier goed uit. Nu ben ik zelf a lipstick kinda girl, óók op vakantie. Da's namelijk geen reden om je standaarden te laten versloffen. Bovendien lag mijn hotel temidden van chique winkelstraten – de Kammenstraat, Huidevettersstraat en de Nationale – dan ben je het zo'n beetje aan je stand verplicht die winkels eer aan te doen. Mannen met mooie suède schoenen, boterzachte pullovers in fonkelende kleuren en vakkundige coiffures. Vrouwen met kleding van de fijnste stoffen, subtiele sieraden en een terrastintje. Om door een ringetje te halen.
3. De mensen zijn hier niet erg lang: dames maximaal 1.70m, heren maximaal 1.80m, helaas. Ze flirten niet (helaas).
4. Over anatomie gesproken: de meeste vrouwen hier hebben mooie benen. Over de rest van hun onderstel kan ik me niet uitlaten, maar hun kuiten zijn goedgevormd en rank. Niets van het Megan Markle-achtige gebrek aan definitie van kuit of de Hollandse polder-met-wind-tegen-kuit met haar geprononceerde spieren. Neen: precies de juiste mix van gespierd en verfijnd. Ik denk dat het komt omdat de mensen hier veel lopen en af en toe een lichte helling nemen.
5. De uitzondering op punt twee. Ik ben één dag naar de wijken naast het station gegaan.
In wat ik oneerbiedig zal aanduiden als 'de Aziestraat' en daarachter zag ik veel mensen die ik zal aanduiden als 'Jambersbelg': geen Marlboro maar Belinda of goedkoper (shag!), groezelige wifebeaters boven nog groezeligere hoogwaterpantalons van brandgevaarlijk polyester en, als je echt geluk hebt, een knipogend harige navel. Vale vrouwen met spaarzame, hard getekende onregelmatige wenkbrauwen en liplijnen uit hetzelfde potlood – bij voorkeur gitzwart. Plastic schoenen. Gympies. Afgebladderde nagellak en bovenal: tanden m/v die in bulderende hoestgrimas om de triestheid van het bestaan worden blootgegeven, in kleuren waar die van Johan Remkes bij verbleken, pun intended. Zie ook punt 1.
Aan vriendelijkheid boeten ze overigens niets in. Aan Nederlandstaligheid wel.
6. In de Aziëstraat, die me in sommige opzichten deed denken aan de Kruiskade, namen de verschillende ondernemers niet moeite de naam van hun uitbaterij in het Nederlands of het Frans op te schrijven, Thais/Chinees/Kantonees/Japans/Vietnamees is blijkbaar afdoende. De straat is erg smal, heeft geen duidelijke nummering, is niet goed verlicht of onderhouden en de ondernemers helpen elkaar luid converserend met het uitladen van koopwaar. Je kunt hier acupunctuur nemen terwijl je een maaltijd eet, of goederen verzendt, of een gokje waagt. Geen massagesalons, tenminste, niet aan de voorgevel.
7. Cafeïnevrije koffie is veel normaler dan in Nederland. Geen enkele keer werd ik aangekeken met de blik vol medelijden die normaal voor dat soort verzoeken gereserveerd is ('ach mietje, weet je wel wat je drinkt? Waarom koffiedrinken als je de cafeïne niet kunt velen...') Déca is normaal al niet zo heel erg lekker, maar de déca die je hier krijgt, is vaak nog wateriger dan normaal. Als je om troep vraagt, kun je het krijgen...
8. In musea, ik heb er een aantal bezocht, hangt de informatie niet tweetalig bij het museumstuk zoals in Holland, maar krijg je bij aanvang van de expositie een boekje mee. Ik voelde me meer dan ooit onthand zonder boekje en tegelijkertijd stimuleert dit wel dat je niet meteen afgaat op de informatie die je geboden wordt, maar éérst écht je ogen de kost geeft. Dat kán ook omdat niemand zich hoeft te verdringen vóór het stuk. De entreeprijs ligt een paar euro lager dan in Nederland.
9. Pruiken zijn hier booming business. In wat ik oneerbiedig zal aanduiden als 'de Joodse wijk' zag ik veel orthodox aangeklede mensen, compleet met pijpenkrullen en haarwerken waar menig uit het hoofd ontspruitende haardos nog een puntje aan kan zuigen. Ook in de straten buiten 'de Joodse wijk' zag ik haarstukken die niet van echt te onderscheiden waren. Mocht ik ooit een haarwerk nodig hebben of verlangen, dan weet ik waar ik er een laat maken.
10. Bedienend personeel maakt zich hier niet te sappel. Vele malen stond ik op het punt te vertrekken zonder een bestelling te hebben gedaan, zó lang duurde het soms voor er iemand naar me toekwam. Ook op tweede rondes is het lang wachten – blijkbaar trekt men hier andermans tijd graag uit voor laaannnggg tafelen.
11. Drank kan hier gewoon in de morgen. Biertje bij de eerste koffie van de dag? Daar ligt niemand wakker van.
12. Het leven begin sowieso later: enkel supermarkten zijn vóór elven open, de rest van de straat start zo om en nabij tien uur. Koopavond bestaat hier niet. Koopzondag evenmin.
13. Ik verwachtte bij de diverse antiekwinkels en bric-a-brac-markten mijn collectie Conway wel wat aan te kunnen vullen, maar dat is niet gelukt. Koperen scheepsklokken en kompassen te over, maar Wedgwood is uit. Limoges is daarentegen in.
14. Je hebt hier bonbonnerieën met bonbons die een knaak per stuk kosten. Echt waar. Omdat ze zo duur zijn koop je er weinig van en eet je ze met aandacht, waardoor ze hun hoge prijs eerder waard lijken. Briljant.
15. Antwerpen is een aanrader.

woensdag 26 september 2018

Wellington



Op mijn favoriete roddelsite, die van de Dailymail, werd ik geconfronteerd met de prangende eerstewereldproblemen van Sir Benjamin Slade. Deze Brit, wiens familie zich in de eerste helft van de negentiende eeuw in de adelstand verheven zag, zoekt nakomelingen.

Nu is Sir Ben, baron van de bovenste plank, in de herfst van z'n leven en op zoek naar een vrouwpersoon om zich mee voort te planten. In ruil voor een mannelijke heir and a spare – mocht er eentje vroegtijdig komen te overlijden of anderszins ongeschikt zijn om het landgoed te bestieren – krijg ze vijftigduizend pond per jaar zakgeld en kost en inwoning.
De beoogde barones (al valt dat nog te bezien) mag niet uit een land afkomstig zijn dat begint met een i en er mag evenmin groen in haar vlag van herkomst zitten.
Mevrouw moet in de baarleeftijd zitten maar óók het landgoed onderhouden, zodat Sir Ben met de helikopter mooie reisjes kan maken en vrienden op kan zoeken. Een fokpaard (hij spreekt over een breeder) tussen de 30 en 40 jaar oud lijkt hem daarom perfect. En als ze een jachtlicentie, vliegbrevet en rijbewijs heeft, is dat mooi meegenomen. Om een paar Slade-generaties van geringe lengte op te krikken is het daarnaast wenselijk dat ze minimaal 1.75 meet. Sir Ben houdt van 'lange' vrouwen die hard willen werken. Als ze lesbisch zijn is dat geen probleem.


Verleidelijk? Als ik door de denigrerende en vrouwonvriendelijke toon heen kijk, die hij waarschijnlijk bij zijn generatie, politieke overtuiging en sociale stand vindt horen, weet ik dat de naald ondanks de belofte van welstand niet de juiste kant op slaat.
Gesteld dat Sir Ben van dichtbij liever is dan op TV, lijkt het best een goede baan. Wel heb ik een paar op- en aanmerkingen. Ik kan meegaan in het idee dat de adel niet uit liefde trouwt – toch vind ik de term breeder onnodig respectloos en riekt ze meer naar azijn dan naar stroop. Niet gunstig voor zo'n kleine senior met flink wat noten op z'n zang.
Sir Ben is nu 72 jaar oud. De kwaliteit van wat een zoon moet worden is gegarandeerd minder dan toen hij hiermee had moeten starten, zo'n vijftig jaar geleden. Hoe ouder die wens, hoe groter de kans dat er in de uitwerking kans is op een kindje met afwijkingen. Wat op zichzelf geen probleem hoeft te zijn – als je genoeg geld hebt, is er altijd wel iemand die in je behoeften wilt voorzien en geld lijkt geen probleem, kom ik zo op – maar wél als Sir Ben nakomelingen wil die in staat zijn zijn (financiële) nalatenschap te besturen. Zo'n scenario zou het probleem van nakomelingen binnen één generatie beslechten: het geslacht Slade dooft uit als een kaars. Zonde van al Sir Bens energie.

Voor het gemak ga ik uit van een reageerbuisbevruchting, zodat alles en iedereen goed nagekeken kan worden. Gesteld dat dit lukt en alles slaagt: wie gaat het landgoed bestieren, de stallen uitmesten, de reeën afschieten, boekingen voor de bed & breakfast en bruiloften of de salarissen van het personeel regelen als ik met zwangerschapsverlof ben? Of gelden hier dezelfde middeleeuwse regels als voor de verbintenis: lie danwel push back and think of England, boterham met Marmite en kipper erin, uurtje nabloeden en hup, in de benen?
Als ik een groot deel van ons huwelijk geacht wordt zwanger te zijn, blijft er van dat werken op het landgoed namelijk niet veel over. Bovendien komen teveel zwangerschappen in korte tijd mijn gestel of dat van eventueel levend geboren kinderen niet ten goede.
Dan die baarpremie. Niets mis met aanhoudende waardering van je echtgenoot voor het op de wereld zetten van een baby, tenslotte zet je je leven en je gezondheid voor de rest van je leven op het spel. De meeste vrouwen krijgen daar echter een mooi sieraad voor, met goud en diamanten als aandenken, maar dat is iets tussen de echtelieden onderling. Als het om vertrouwen en discretie gaat had Slade niet naar de Britse Koffietijd moeten stappen. Dat is trouwens een flinke afknapper als ik eerlijk ben.
Waarom wil hij per se een event manager en een fokpaard ineen, is de eigenlijke vraag. Is zijn financiële situatie minder rooskleurig dan hij wil toegeven? Waarom is de nood nu ineens zo hoog?

Als laatste dan de toekomst. Word ik eveneens in de adelstand verheven (bij mijn huwelijk of nadat ik twee capabele zoons het leven heb geschonken) of heb ik mijn baarmoeder uit liefdadigheid uitgeleend? Welke van de twee zonen erft het landgoed, de huizen en het geld? Is er een erfdeel voor mij geregeld, of moet ik mijn leven gaan leiden via mijn zonen? Als ik een meisje krijg, wat voor rechten en plichten heeft zij dan?
Een leven als Lady Weddingplanner zie ik best zitten maar de voorwaarden zijn allemaal net iets te scherp, tegenover de veel minder duidelijke voordelen. Het advies dat ik Sir Ben kan geven is om de functies toch uit elkaar te trekken. Het is simpelweg wat veel voor één persoon – en dat de beoogde barones niet enkel lady of the manor kan spelen, kan ook na een eerste kennismaking besproken worden. Voor niets gaat de zon op, maar adel of niet, in mijn ogen is dit on-Engels bot.

Het gaat bovendien voorbij aan het gegeven dat de heir eerder geneigd is in pappa's voetsporen te treden als hij gelukkig is op het landgoed – wat bijvoorbeeld bewerkstelligd kan worden door een gelukkige, liefdevolle relatie tussen zijn ouders en veel gezamenlijke activiteiten, dineetjes en uitgebreide lunches met zelfgeschoten hertenvlees en door Maude de kokkin bereide beef Wellington.
Om over de spare maar te zwijgen, want welk doel dient die nog als de heir alles wil en kan? Verstoten we hem dan, of wordt hij afgescheept met een minderwaardige functie als butler van z'n broer? Bovendien moeten kleine Percival Allistair Julian en Theodore Edward natuurlijk al vroeg naar een of andere prestigieuze kostschool. Tegen de tijd dat ze thuiskomen om de praktische kant van het adeldom te leren loopt pappa tegen de honderd – een geluk als hij nog leeft.

Mijn conclusie: goed geprobeerd, helaas twintig jaar te laat. Er is maar zóveel dat een zeventigjarig lijf redden kan en het geld is blijkbaar niet toereikend, anders was mij een luizenleven als siermoeder geboden. Pessimisten kunnen zijn leeftijd aanvoeren als een voordeel ('je hoeft dit maximaal twintig jaar te verdragen') maar ik garandeer je: na zijn overlijden bepaalt de bedelstaf pas echt het ritme van de dans. Waarschijnlijk zit deze man tot over zijn oortjes in de schulden en komt de shite pas echt naar boven als hij dood is. En dan zit je met een verpauperd landgoed, twee kinderen zonder vader en een testamentair vastgelegde kast van een huis als een blok aan je been. Het enige wat je had is je goede (getrouwde) naam, maar die heb je te grabbel gegooid toen je instemde met deze overeenkomst, want dat kan sinds Koffietijd niet meer discreet. Ellende, wat ik je brom.
Nee. Was Sir Ben vijftig geweest, dan had ik me nog wel op kunnen offeren. Het vooruitzicht een berooide single mum te worden... dank je feestelijk, dan kies ik wel iemand van m'n eigen leeftijd om het leuk mee te hebben. De man die mij trouwt wil mij ongetwijfeld ook wel een financieel onbezorgd leven bieden, en samen met mij reisjes, beef Wellington en baby's maken. Tenslotte is dat een waarlijk edel leven...

P.S. Tot nu toe is Sir Ben niet vreselijk succesvol.

vrijdag 30 maart 2018

Dr Beat

Tandenknarsend loop ik de 600 meter naar mijn dichtstbijzijnde winkelcentrum op mijn nieuwe, krakende schoenen. Ik heb deze schoenen al een paar maanden maar heb ze nog nooit buiten gedragen – het is een paar Dr Martens en ik heb ze na lang twijfelen in een opwelling gekocht. Ja, dat kán: ik wist nog hoelang het eerste paar er over deed om bij me te passen. Ik kreeg ze vóór de eerste dag van de middelbare school en pas in het eerste trimester van de tweede klas leerde ik ze waarderen. Het bleek intuïtief een gouden greep: zonder het te weten trokken die schoenen me vanaf dag één naar het juiste hip- en populariteitsniveau.
Uiteindelijk heb ik er zeven jaar op gelopen. Ik droeg ze dag en nacht, zomer of winter, sneeuw of regen. Na dat eerste jaar van kwelling waren we een trio voor het leven. Wat in het geval van dat eerste paar zeven jaar duurde. Daarna heb ik ze nog drie jaar meegetorst terwijl ze eigenlijk al niet meer konden: er zaten scheuren aan de voorkant en het leer was nog verder uitgewoond dan de navel van Octomom. Ik kon er geen afstand van doen, want de schoenen waren nu verbonden met zeven jaar van mijn adolescente ontwikkeling. Mijn moeder had tussendoor nog wel een aantal keren gepoogd me te verleiden met een nieuw paar (blauwe, in tegenstelling tot mijn klassieke zwarte, en een keertje een paar van een minder stugge leersoort) maar ik liet me niet van het pad af brengen. Ik herinner me dat de Van Haren - zeg maar niets... - na een aantal jaar modellen op de markt bracht die er precies op leken, tot de zool en het labeltje aan de achterkant aan toe. Waarschijnlijk was er een patent verlopen (of nog net niet geschonden) en die nepversie maakte me woedend en smalend. Toch wist ik: de echte liefhebbers raakt dit niet.

Twee decennia later. Ik heb nu precies hetzelfde model gekocht als toen. Alleen fietste en liep ik toen wat meer (lees: betere uitloopmogelijkheden) en waar ik toen nog de lichaamsbouw en het onbezorgde leven had van een bevallige, ranke, langbenige hinde in een rustig en groen bos, ligt het risico nu op de loer dat die DM's me a) er oud uit laten zien, alsof ik vasthoud aan de hipheid van toen en middels het dragen ervan wil bewijzen dat ik écht nog wel relevant ben! b) me er uit laten zien als een overjarige alto, wat ik nooit ben geweest en waar ik ook niet de schijn van wil geven (associaties met ongewassenheid, groflinnen tunieken, harigblote kuiten M/V, gezichtspiercings, shagroken of het laten groeien daarvan in oksels/elders en doorgeslagen veganisme (waar die DM's dan weer haaks op staan, de hypocrisie!). Of c) het uiterlijk geven van een plaatwerker, want rank of licht zijn die schoenen nooit geweest.

Goedkoop trouwens ook niet. Dus daarom ga ik voor de bijl: ik héb ze gekocht, lopen zál ik! Online lees ik tips over uitlopen met dikke sokken, een maat groter kopen (nooit doen, want eenmaal uitgelopen zijn ze dan dus te groot, al die moeite voor niets) oprekken met natte theedoeken of bij de schoenmaker (op eigen risico) en, net als bij hakken met Louboutinhoogte: iedere dag ietsje langer aantrekken. Wat ik herken uit diverse fora is dat de schoen gemaakt lijkt te zijn voor mensen met speciale voeten: smal, en met een lage wreef. Mijn voeten zijn geen van beide, dus u kunt zich voorstellen waar dat wringt.
Ik ga alle trucs uitproberen die er zijn, zodat het deze keer geen jaar hoeft te duren en ik in het weekend op mijn ingelopen, soepele doc's koffie kan gaan drinken in novembers Londen, Bratislava of Rotterdam, of een andere stad waar ze mn edgy look op waarde weten te schatten.
Waarschijnlijk is dit het laatste paar dat ik voor mijzelf zal kopen, want ze zullen niet meer de wear and tear uit mijn eerste paar meemaken. Dat ze die schoenen ook in kindermaten maken zie ik als een risico voor de volksgezondheid: een onvolgroeide kindervoet heeft weliswaar baat bij een stevige schoen en genoeg steun, maar dit neigt naar het inbinden van je onderdaantjes, met alle podologische en wervelkolomproblemen van dien. Het enige succes daarin zal maken dat het arme kind de rest van het leven veroordeeld is tot het dragen van DM's. Oef.
Het is als de liefde voor een eisende echtgenoot of een tandartsbezoek voor een rotte kies: je weet dat het pijn gaat doen en toch wil je het, in afwachting van alle heerlijkheid die je daarna misschien wel ten deel valt. Net als het Calvin Harris-achtige vriendje dat pas opbloeide nadat je hem verliet, laten DM's zich pas na een flinke tijd waarderen. En net zoals bij prille vriendjes loont het om elkaar een beetje te kunnen missen, om elkaar af te kunnen tasten en te kunen bepalen wat voor jullie het beste werkt.
Ik dwaal af. Mijn oproep? Als je twijfelde over de aanschaf: twijfel niet langer, koop een paar. Geef het wat tijd (en misschien wat Walkaway) en dan komt het wel goed. Voor je het weet kun je er op dansen tot je er bij neervalt!

maandag 5 maart 2018

Siliconen

In een mooie kringloopwinkel achter de rechtsgeleerdheidfaculteit in Maastricht vond ik, naast een koperen Jezus en een mooie leren clutch, een editie van Rosita Steenbeeks De laatste vrouw.
In de trein op weg naar huis startte ik met lezen en voor ik thuis was bereikte ik de laatste pagina. Wat een zalig, sexy, zinderend boek. Het maakte me nieuwsgierig naar de auteur die, naar goed midjarentaggetiggebruik, op heel het achterplat was afgebeeld, zonder beschrijving van de inhoud van het boek. Maar als ik in de ogen van de foto kijk, zie ik in één oogopslag dat dat ook helemaal niet hoeft. Rosita is minstens zo knap als haar protagonist Suzanna.

De laatste vrouw
gaat over verleiding, en dat is wat ik er zo zinderend aan vind. Suzanna is geen jonge, naïeve verleidster zoals Lolita (die te jong is om de implicaties van wat ze doet te overzien, als je de lezing van Lolita-als-verleidster, die op zichzelf controversieel is, verkiest) en evenmin tot noodlottig verleiden genoopt zoals Nana (verkeerde tijdperk voor haar geslacht). Suzanna stort zich willens en wetens in een escortachtige setting met haar oudere, hoogopgeleide, puissant rijke en heet-dominante professor Roberto, op een moment dat ze zelf al oud genoeg is (achtentwintig en afgestudeerd) om die keus te maken. In dat opzicht zijn ze gelijken en dat maakt de roman sexy.
Niets is immers zo aantrekkelijk als intellect. Al is dat niet Suzanna's voornaamste overweging om tijd met hem door te brengen. Roberto is erudiet, gedistingeerd en Italiaans (met alles wat daar, vanuit de witnoordelijke optiek bijhoort). Jammer alleen dat hij ook melancholieke buien heeft, wat niet in dat plaatje past. Daarnaast kan hij enkel van hun fysieke aspect genieten als hij hardhandig en dominant met haar omspringt.
Suzanna is op zoek naar waardering voor haar mooie, slimme persoontje. Roberto kan haar dat niet gemakkelijk geven, geplaagd door jaloezie met een hint van schuldgevoel. Daarom gooien ze het over een vader-dochterlijke boeg. Dat maakt dat Suzanna ergens anders waardering gaat zoeken, maar ze blijft gevoelens voor Roberto koesteren. Voor de rest van het verhaal kan ik het boek aanraden.

Ooit wilde ik zijn zoals Suzanna. Eventjes dan, gedurende de eerste weken die ze bij Roberto doorbrengt. Een fantasie waarin ik me staande kon houden in conversatie met mijn oudere minnaar, liefst een professor, die me de betere en mooiere kanten van het leven zou laten zien. Iemand die me beschermt, toestaat en faciliteert om aan de dromerige kanten ervan te verblijven, zonder zorgen over carrière of geld, zodat mijn creativiteit ongehinderd tot volle wasdom kan komen en ik juist daaróm de mooiste werken produceer. Dat laatste punt is precies waar de vaderlijke crux zich bevindt; en waar hij ophoudt.
Iedereen die mij kent weet: ik word graag gepamperd met inhoud, en ik ben dol op mannen die dingen goed kunnen. Zoals schrijven, of oreren, of dichten. (Of alle drie. Hoor je me, Hafid?)
Het idee! Uit zo'n fling zou een ernstig en leuk kind ontspruiten met het begeerlijke IQ van papa. Dat de constructie tijdelijk zou zijn, tot ik hem niet meer weet te boeien en we allebei simpelweg te oud worden – ik voor hem en hij voor mij – zou ik voor lief nemen. Een breuk zou me eigenlijk wel goed uitkomen: op die manier kan ik de rest van mijn leven slijten met iemand die qua levensfase en leeftijd dichter bij mij ligt, met het lijf dat daarbij hoort. Ik hoef het niet eens te hebben over verdreven roze wolken, schellen en ogen, doorgeprikte zeepbellen, bij zinnen komen. Want het zou een weloverwogen, rationele keus zijn.
Waar ik maar mee zeggen wil: ik snap die Suzanna wel.

De roman zou geen roman zijn als een en ander niet wat rooskleuriger werd voorgesteld dan realistisch is. Er zijn weinig heerschappen die hun escorts weken aan een stuk fêteren in hun buitenhuis: wellicht is dat de schwung van eind jaren tachtig.
Al Roberto's charme en zonovergoten relaxte middagen in de villa ten spijt blijft een flink deel van het plot een opgeleukte seksuele transactie met een zieke, angstige, oude man, ongeacht wat Suzanna daar mee wint.
Ik vind dat Steenbeek er goed in slaagt hem menselijker te maken zonder hem als karikatuur neer te zetten. Tegelijkertijd zijn Suzanna's omzwervingen wat potsierlijk. Voor iemand die zo slim is, en relatief oud, leert ze te weinig van de ervaringen in haar leven.
En de moraal van het verhaal? Je zult het moeten rooien met de vader die je hebt, want een andere krijg je niet en bescherming tegen het leven kan een partner je niet geven. Wat er voor de een uitziet als een siliconen paplepel, is voor de ander gewoon los zand.

dinsdag 20 februari 2018

Voorbandig

De vorige keer dat er iets mis was met mijn fiets heb ik daar te lang mee rondgelopen. Het stuur zat los, dat gaf een fietservaring alsof bij iedere bocht en ieder genomen stoepje mijn voorwiel uit z'n vork zou vliegen. Ik vreesde voor mijn in een pijnlijk, kostbaar en langdurig proces rechtgezette gebit en had regelmatig visioenen van tanden op stoepen, vooral als het had gevroren.
Zover kwam het gelukkig niet. Ik reed op een goede dag langs de fietsentoko om naar m'n fiets te laten kijken. Vóór het zover was, mocht ik in het voorportaal op mijn beurt wachten, alwaar een wat groezelig aandoende man mijn fiets eens grondig bekeek. 'Er is iets mis met mijn stuur, het zit los,' zei ik ter inleiding, want de man selecteerde aan de spreekwoordelijke fietsenmakerspoort wie wél en wie geen consult met de echte fietsenmaker verdiende. Ik moest voor m'n zaak opkomen, zoveel was duidelijk.
'Je hebt wél. Een slag in je wiel,' zegt Pantagruel verwijtend, terwijl hij me tsk-tsk-tskt op de manier van iemand die met z'n tong een stukje kroketdraad tussen zijn voor- en snijtand vandaan wil zuigen. 'Dat weet ik, is niet erg, daar zit het probleem niet, denk ik,' stel ik hem gerust. Hij neemt mijn fiets van me over en rijdt een kwart meter heen en weer, om te kijken hoe een wiel met een slag rijdt. Een tikje uit het lood, geheel in lijn der verwachting. Dat wilde hij even verifiëren.
'Je hebt wél een slag in je wiel,' zegt hij nogmaals, alsof ik hem hier de schuld van ga geven op het moment dat Gargantua mijn fiets aanraakt. 'Dussehm... een slag, heb je, kijk, hiér, hiér! In je wiel. Daar gaan wij niets aan doen, die slag. Want je hebt wél een slag?!'
'Ja...ik zie het... ' zeg ik. Misschien zit er in het hoofd van Panta een draadje los. Zijn toon is in ieder geval aardig onheilspellend. Ik kan niet zeggen 'twistziek' maar dat kan het zomaar worden als ik hem in staat van beschuldiging stel over die slag, waar hij, de hemel weet waarom, naar loopt te hinten. Ik kom hier om m'n stuur te laten vastdraaien, niet om te bakkeleien over een slag in mijn wiel of om compensatie te eisen hiervoor. Misschien wil hij die moersleutel maat 62 aan de wand gebruiken om mijn hersens mee in te slaan of mijn knieschijf mee te molesteren. Misschien wil hij z'n cursus 'Winnend Ruziemaken Met Klanten' op mij oefenen. Als ik vandaag intact weg kan rijden met een vastgedraaid stuur is dat voor mij voldoende. Meer vraag ik niet.

Gelukkig komt daar de fietsenmaker aan, een jongen nog. Hij besteedt geen aandacht aan Panta, kijkt enkel naar mij. Hij lacht vriendelijk naar me en ziet meteen wat er aan de hand is. Hij zet m'n stuur vast met een reusachtige baco. Dat het zo simpel was, had ik niet verwacht. Panta kijkt beteuterd, hij had vast graag mijn knieschijf in z'n handen genomen als ik die wielslag in onze conversatie had betrokken. Geen relletjes vandaag en de fietsenmaker rekent dit onder 'service, nul euro!' terwijl hij me een knipoog geeft. Eind goed, al goed.

Ik heb een fijne week gehad, daarom lukt het me om mijn schouders op te halen over de lekke voorband die me in de fietsenstalling begroet. Dit zat er aan te komen: in de drie jaar dat ik mijn fiets heb, is geen van de banden lek geweest. Eigenlijk ben ik blij dat de band in dit tijdvak lek is geraakt, nu ik geen haast heb, nergens naar toe hoef en er niemand op me wacht. Bovendien zit de dichtstbijzijnde reparateur – níét Fietsenhal Gargantua en Panta-G – op krap een kilometer afstand. Het is helder en koud weer en een wandeling zal me goeddoen. Ik zet mijn muts op en kuier naar de fietsenmaker. De man die me begroet heeft mij drie fietsen geleden er eens eentje verkocht, maar herkent mij niet. Hij mist pigment in een van zijn irissen en dat fascineert me enorm. Zijn collega, een fluitende, kombuchadrinkende vlotte jongen met een rossig baardje en een beanie, verwisselt mijn binnen- en mijn buitenband nog vóór z'n thee koud is en dat voor het luttele bedrag van drie tientjes. Geen geld, gezien de snelheid en de moeite die ik mij nu heb afgekocht, al is het dan een voorband.
En wat hebben we hiervan geleerd? Grote problemen hebben soms kleine oplossingen. Ga met je problemen naar de juiste persoon, in plaats van te blijven klaverjassen met de knokgrage kneus. Van kombucha ga je razendsnel banden verwisselen. Af en toe onderhoud plegen op je liefste vervoermiddel is belangrijk. Beter je voorband lek dan je achterland.

vrijdag 9 februari 2018

G(e)rieflijk

Daar klonk hij dan: de bel voor de tweede ronde. Ik heb al eerder verkondigd dat ik – in de liefde meer dan op welk ander vlak – graag wil geloven in tweede kansen. Want net zo goed als ik tijdens een date in mijn enthousiasme en nervositeit soms precies het verkeerde zeg, of een verkeerd moment uitkies, overkomt dat anderen ook.
De praktijk is wel eens anders. Als ik eenmaal een slechte ervaring met iemand hebt gehad is de kans klein dat ik het nog eens wil proberen. Vanwege de negatieve associatie, de mestgeur waarmee dat contact omgeven is. Kleine rancune en schamperheid voeren dan de boventoon in mijn gedachten over die persoon: 'zoiets dóé je toch niet?!/zei hij dat nou écht?/dat kan hij toch niet ménen!'/ 'wát een ongelikte beer.../'
Het punt is dat hoe iets op mij overkomt, niet altijd zo bedoeld hoeft te zijn en dat de interpretatie vaak niet getoetst wordt, juist omdat je elkaar niet kent, het gezellig wilt houden, elkaar niet wilt kwetsen en het simpelweg te vroeg is om op je strepen te gaan staan.

Als ik, bijvoorbeeld op het moment dat m'n date had gesuggereerd dat een alfastudie makkelijker te volbrengen is dan een bètastudie, had gevraagd; 'beweer je nou echt dat je mijn titel minder waard vindt dan de jouwe – en denk je dat ik je daar leuker van ga vinden?' had hij dat natuurlijk (hopelijk!) ontkend. Dan was het een grap geworden, hadden we er misschien om kunnen lachen (met kiespijn) maar dan was het tenminste opengebroken. Dan had hij gewéten dat ik dit soort gedachten niet op prijs stel en had ik hém meteen een idee gegeven van hoe ik wens dat er met mij wordt omgesprongen. Aan hem dan de keus om zich aan te passen.

Dit in plaats van dat ik het hem stilzwijgend kwalijk neem dat hij mijn opleiding en DUS mijn hele wezen ziet als minder dan alles dat hij zelf ontplooit. Want zo werkt dat precies, nietwaar? in for the penny, in for the pound. Als hij dit kan zeggen (zomaar! nu al!) zegt dat DUS bereberereuzeveel over hoe hij mij en zichzelf überhaupt ziet - en hoe hij mij ziet is op dit moment belangrijk voor me. Waar haalt hij het gore lef vandaan, wie denkt hij wel, hoe kán hij, enzovoort, enzoverder.
Soms helpt het om elkaar dan een tijd niet te zien, zodat het mogelijk kan worden dat je elkaar tegen het lijf loopt en denkt: ik wilde jou niet meer zien, maar waarom was dat ook alweer?
Grote kans dat je het je dan weer herinnert, maar dat de scherpe kantjes er af zijn.

Dat was waar ik aan dacht, lieve lezer, toen ik in de afgelopen periode werd gecontacteerd door mannen uit het verleden. Ik werd gebeld door de man uit Scherm. Zoals u daarin kunt lezen dateert ons laatste rendezvous van langer dan drie jaar geleden en is het niet eens tot een eerste date gekomen. Ons contact verliep korzelig en stroef. Ik vroeg me dan ook af wat hem bewoog mij na zo'n lange tijd weer op te bellen.
Hoe dan ook: zoiets vereist lef. Misschien dronkemanslef, reinig-je-geweten-lef, opportunistenlef, scroll-door-je-contactenlijst-lef, maar dat is nog steeds lef. Met een kopje thee is er nog helemaal niets beslecht.
Eerlijk? Ik heb met de gedachte gespeeld het een kans te geven. Bij de man uit Scherm sloeg de naald net naar de verkeerde kant uit, omdat er, goed beschouwd, werkelijk niets goed ging tussen ons. Deze keer won nieuwsgierigheid het dus niet van achterdocht. Maar net zo goed als ik soms graag een tweede kans wil, kan ik die een ander gunnen.

Dezelfde gedachte had ik bij de man uit Code 020 en de man uit Trui, die na de zomer vanuit het niets weer contact opnamen. Met Trui ben ik zelfs nog wél iets gaan drinken, maar hij verdween daarna weer geruisloos uit beeld, kort, vurig en hevig als de syfilisaanval van een van de Fokkenstweeling. Het is fijn dat we het goed hebben kunnen afsluiten, ik heb me van een goede kant laten zien, ik heb een leuke avond gehad en daar ben ik dankbaar voor.

Het jammerlijke aan dit soort situaties is dat je niet kunt kiezen wie de bel luidt. Hen bellen is niet zo'n goed idee en daarnaast niet meer mogelijk, maar ik zou het bijvoorbeeld prettig vinden om een en ander met Basarov uit te spreken, of de man uit Gretig te laten weten dat ik wenste dat het anders was gelopen. Om op een betere manier afscheid te nemen. het weer leuk te hebben. Een betere indruk achter te laten. Op die manier van 'grief' weer naar 'geriefelijk' te kunnen komen.