woensdag 28 juli 2010

Profetisch

Als kind leer je om 'dankjewel' te zeggen als je iets krijgt, of dat nou een dienst, een voorwerp of een teken van affectie is. Natuurlijk hoef je niet altijd het woord 'dankjewel' te gebruiken: je kunt ook je dankbaarheid tonen door bijvoorbeeld de dienst te retourneren, de aardigheid voort te zetten (pay it forward!) of een variatie hierop. Mensen die echter op geen enkele manier hun dankbaarheid tentoonspreiden, al is het maar één keer, worden als sociaal apathisch en uitvreterig beschouwd. Dat is dus bepaald geen compliment. De keerzijde van de medaille is, dat als je elkaar voor alles expliciet en uitvoerig moet gaan bedanken, er een hoop kostbare tijd en energie verloren gaat. Als iemand je voor laat gaan in de rij voor de kassa, volstaat een simpel: 'dank je, dat is erg vriendelijk.' Bloemkransen zijn niet nodig. Behalve als je ervan uitgaat dat je het recht hebt vóór iemand te piepen die meer koopt dan jij. Zeg dan vooral helemaal niets, want valse dankbaarheid tonen is erger dan uitvreterij.
Zoals dat van nette kindjes (die opgroeien tot nette mensen) en vooral van nette meisjes wordt verwacht, zeg ik al dan niet woordelijk dankjewel voor de dingen die voor elkaar komen, terwijl ik daar zelf niet voor gewerkt heb. Als ik zie dat mijn fiets na het winkelen héél anders neerstaat dan ik 'm heb achtergelaten, til ik een volgende keer sneller een gevallen fiets overeind. Als ik ondanks dat ik te laat ben voor de bus toch nog mee mag rijden, beloon ik de chauf met mijn breedste glimlach. Als ik een drankje van een vriendin krijg, trakteer ik een volgende keer. En als ik een treinkaartje voorgeschoten krijg van een vreemde, stort ik het bedrag terug en doe ik m een biosbon cadeau. Zonder poespas, dankbetuigingen op schrift of serenades gaat dit zo al jaren goed. Naast dat ik het binnen een vriendschappelijke verhouding fijn vind om iets voor een ander te doen, vind ik het ook prettig om met het retourneren van een dienst – op welke manier dan ook – mijn onafhankelijkheid te bewaren. Ik zie niet graag dat aan mij verleende gunsten tegen me worden gebruikt als pressiemiddel, evenmin sta ik graag bij mensen in het krijt. Bij goede vrienden luistert dit niet zo nauw, maar hoe minder vriendschap, hoe strakker ik mijn 'optellijst van wederdiensten' bijhoudt- voor mijzelf en de ander.
Het wordt pas moeilijk als de wederpartij op eigen initiatief gewicht toe gaat kennen aan zijn dienst, in de trant mijn-twee-getrakteerde-whisky's-zijn-meer-waard-dan-jouw-vier-biertjes. Dat is alsof je voor je verloving van je partner een ring krijgt ter waarde van een half miljoen euro. Hoeveel zoenen je hem ook zal geven, hoe vaak je ook zal stofzuigen in zijn huis, hoe vaak je ook zijn diners zal koken: in termen van wederdienst zul je nooit genoeg kunnen doen om de gift van die ring te evenaren. Natuurlijk is het een slappe zak als hij de situatie zo bekijkt en je doet er beter aan om de verloving fluks te verbreken. Maar die verloofdes bestáán.
Niet alleen neemt hij de vrijheid om aan zijn gift méér waarde toe te kennen dan jij misschien voor ogen had, als totalitaire partij kan ook slechts hij bepalen wanneer jij je schuld voldaan hebt en bepalen wat precies 'telt' als wederdienst. Het doet me denken aan het plot van de film Le prophète, waarin een kansarme Arabier in een gevangenis ongevraagd bescherming krijgt van een Siciliaan. In ruil daarvoor mag de Siciliaan onbeperkt van zijn diensten gebruik maken en zijn ogen eruit lepelen als hij weigert. Het maakt niet uit dat de Arabier gedurende zijn tienjarige verblijf in de gevangenis voor hem schoonmaakt, zijn eten kookt, de was ophangt, de krant haalt. De Siciliaan ziet dat niet eens: het is voor hem vanzelfsprekend dat het gebeurt. Bovendien bepaalt hij en hij alleen wat 'telt' en wat niet 'telt' bij het inlossen van de 'schuld'. De uitdrukking die ik hiervoor graag gebruik is iemand een Bram draaien: iemand in zo'n positie brengen dat hij voor- noch achteruit kan, en dus altijd aan het kortste eind trekt, en dat dan tegen hem gebruiken.
(De Bram in kwestie, ik wens hem alle goeds, heeft de eerste twee niet bewust gedaan en het laatste helemaal niet.)
In de film loopt het niet goed af. De verlangens van de Siciliaan worden steeds absurder: hij eist allerlei dingen van de Arabier, uit hoofde van zijn 'schuld', die mettertijd ook steeds groter schijnt te worden.
Wie treft hier blaam? Heeft de Arabier niet gebruik gemaakt van de diensten van de Siciliaan? Wie weet, misschien was hij zonder Italiaanse bescherming verkracht en vermoord. Hij heeft genoten van de bescherming en mag een rekening verwachten. Maar is de Siciliaan op zijn beurt nog wel redelijk, door van de Arabier totale pijpendanserij te verwachten en geen van de 'wederdiensten' als zodanig te erkennen, ondanks dat de Arabier hem óók meerdere keren uit de put helpt? Het is waar dat zelfs vanuit 'objectief' oogpunt het redden van een leven met nog geen duizend wasjes ophangen en doorgebriefde complotten quitte te spelen valt. Maar om dat het subject dan de rest van zijn leven na te blijven dragen getuigt niet van veel mildheid, of van inlevingsvermogen. Wat kan de Arabier na het redden van zijn leven minder aan de Siciliaan verschuldigd zijn dan precies dat leven? Over iemand een Bram draaien gesproken...

Is de Arabier een ordinaire uitvreter, als hij die gunst op allerlei vlakken probeert te evenaren, maar daar natuurlijk nooit in zal slagen, vanwege de verstoorde machtsverhouding en de Gedraaide Bram? Staat de Siciliaan in zijn recht met zijn wat woekerachtige terugbetaalcondities? Als de Arabier écht een profeet was geweest, had hij zich misschien net zo lief laten vermoorden door zijn celgenoten. Had hij geweten hoe groot het offer en de implicaties van de redding waren, dan had hij de helpende hand misschien geweigerd. Maar nu kan hij niet meer terug, gedane zaken nemen geen keer. Hij zal moeten bloeden, of hij wil of niet.
Begrijpelijk is het gedrag van de Siciliaan wel. Hij heeft zijn nek uitgestoken, en wil daarvoor vérgaande compensatie. Verslavende compensatie. Het is altijd beter iemand in de tang te hébben dan je lurven er zelf in geklemd te zien. Hij neemt t er dan ook zonder scrupules van, niet gehinderd door enig gewetensbezwaar. De Arabier is dankbaar, maar in de ogen van zijn dorstige afnemer nooit dankbaar genoeg. Macht is lekker, en lekker smaakt naar meer. Vraag het de Siciliaan.

Hemd

Gister stond ik in de Hunkemoller mijn drie welverdiende onderbroeken uit de drie-voor-een-tientje-bak te zoeken toen ik bijna geramd werd door een flinke kinderwagen. Mijn Hunke vestiging is vrij krap maar ook wel gemoedelijk en ik was al blij met mijn nieuwe onderbroeken, dus ik reageerde niet bozig, maar wel nieuwsgierig. De wagen werd geduwd door een vrouw met een hoofddoek. Ze was bleek en tenger, maar zag er niet ongelukkig uit - haar ogen glinsterden. Haar man bevond zich ook in de winkel. Zij deed niets, haar man zocht haar ondergoed voor haar uit. Zoals veel mannen in de Hunkemoller liep hij trotsbeschaamd rond ('ik zoek sexy ondergoed voor mijn vrouw uit, al vind ik dat ik hier als man niets te zoeken heb') en vond het maar moeilijk, een keus te maken. Omdat ze zich allebei zo opzichtig gedroegen, hing er in de hele winkel een sfeertje van heimelijkheid. De gehoofddoekte vrouw keek even gepijnigd-trots als haar man, maar kon of wilde niet achter de kinderwagen vandaan. De man was drukdoenerig met een paar stukjes ondergoed. Op luide toon vroeg hij aan de verkoopster: 'Deze, '(hij wees op een plaatje van een model in een lila boxerstring met harthangertje boven de bilspleet) 'hebben jullie die ook? En de BH erbij?' De verkoopster moest een beetje lachen, maar wees hem op het rekje. Even later had hij weer een vraag: of een wit kanten string met veel tierelantijnen nog voorradig was. Welke maat, vroeg de verkoopster zachtjes zuchtend. De man rekte zich in zijn volle 1.73 op, stak zijn adelaarsneus de lucht in en riep: 'S! Toch, lieveling?' De vrouw glunderde en sidderde van trots, ze knikte zo woest dat de speelketting aan de kinderwagen begon te rinkelen. Ze keken elkaar aan met een veelbetekenende, broeierige blik. De hitsigheid was bijna tastbaar.
De man rekende af. Zijn vrouw was haar Membercard vergeten en ineens sloeg de sfeer om. De man werd kribbig. 'Je hebt er nu 56 euro op staan. Als je voor honderd euro hebt gekocht, krijg je een tientje korting. Maar als jij m telkens vergeet, komen we daar natuurlijk nooit aan!' 'Nee hoor, vorige keer ben ik 'm niet vergeten.' 'Jawel, en toen hebben we heel veel gekocht, maar toen was je dat ding ook al vergeten.' 'Nee, toen had ik 'm gewoon bij me. ' 'Nee, niet, want toen moesten ze het op de bon zetten. ' 'Luister, ik zeg je: ik had hem bij me...' Het wordt gênant. Het schattige, 'liberale moslimstel' gaat nu gewoon ordinair staan ruziën. De vrouw protesteert maar zwakjes. Het is ineens duidelijk wie de broek aanheeft. Nu komt de aap uit de mouw en gaan de mondhoeken omlaag. En mijn oriëntalistische gemoed fluistert me in: zie je wel? Dominante vent, natuurlijk, een onderdanige vrouw, ik wist het wel! Hij bepaalt zelfs wat voor ondergoed ze draagt, ze mag het niet eens zelf uitzoeken! Ondergoed cadeau krijgen is één ding. Het is al minder leuk als je man voor je bepaalt wat je aan zou moeten trekken zonder dat je daar zelf een stem in krijgt. Het stel heeft een mooie bel geblazen met hun heimelijke maniertjes: de suggestie dat er onder die saaie kleren, hoofddoek en geruisloze loafers een pitspoes verborgen zit die haar man gevangen houdt met haar lichaam, staat als een huis. De suggestie van een florerend, gelijkwaardig en vooral zéér erotisch seksleven wordt door hen beiden omarmd, zo ook door de rest van de winkel. Menig oriëntalist zou zijn vingers aflikken bij deze gesluierde 1000-en-1-nacht-fantasie van passionele nachten in een lila string met bilspleethangertje. De man ging er nog in mee, met zijn oh zo subtiele, veel te luid gestelde vraagjes en zijn besmuikte gelaatsuitdrukking. Dit gekissebis werkt echter ontnuchterend. Pats, daar spat de zeepbel uit elkaar. De wolf blaast het huis zelf omver. Dat ie zich zo laat opfokken door een vergeten Membercard...de andere klanten kijken misprijzend, triomfantelijk en vol medelijden naar de vrouw.
Het stel kijkt betrapt, bijna beschaamd, en verlaat snel de winkel. Van hun branie en zelfgenoegzaamheid – kijk ons eens moslim, modern en sexy zijn!! Ja, wij hebben seks, en hoe!! – is niets meer over. De vrouw is in haar hemd gezet, en zal het voorlopig niet uittrekken, schat ik zo in...

Plooien

Ik heb altijd geroepen dat ik niet (ge)studeer(d) (heb) om mijn ambities in poepluiers en papflessen te verdrinken. Ik wil wel kinderen. Ik weet alleen niet wanneer. Het enige wat ik zeker weet nog vóór ik ze heb, is dat ik wil dat ze genoeg aandacht van mij/ons krijgen en stabiel opgroeien.
Ik denk dat ik degene ben die na de geboorte (eventjes) thuis moet blijven. Al krijg ik een kind met de meest flexibele, geëmancipeerde man op aard', de kans is groot dat hij meer verdient omdat hij een man is, en het daarom rendabeler is om hem méér te laten werken. Bovendien kan hij nóg zo flexibel zijn: het baren zal ik toch echt zelf moeten doen. En hoewel er verhalen bekend zijn van vrouwen die met het kind aan de borst na een enkele dag alweer aan het werk gaan, denk ik niet dat ik tot die groep wil gaan behoren.
(Voor de liefhebber:
http://www.dailymail.co.uk/news/article-1249063/Headmistress-goes-school--7-hours-giving-birth.html)
Zou ik een gelukkige huisvrouw zijn? Mijn beeld van de huisvrouw zoals het nu is, schetst een fulltime moeder, die zorgt dat haar kinderen ontbijt, een douche, een knuffel en een kusje van papa hebben gehad voordat ze, ruim op tijd, op school aankomen. (Ik neem geen bakfiets. Dan liever zo'n hangbakje of zo'n achterlijke kinderfiets-zonder-voorwiel.) Vervolgens gaat mama (dat ben ik dus, maar ik praat over mijzelf in de derde persoon, ook tegen mijn kinderen) verstandige boodschappen doen. Daarna kletst ze een half uurtje bij met de buurvrouw (of de moeders op het schoolplein) om op de hoogte te blijven van alles wat er in haar wereld gebeurt. Eenmaal thuis aangekomen wachten de vaatwasser, het strijkgoed, de vuile was en de vuile ramen op hun dagelijkse routine. Als ik daarmee klaar ben haal ik de kinderen uit school. Na een kopje thee gaan ze aan hun huiswerk, hockeytraining, balletles of lekker spelen met een vriendje. Ik tref intussen de voorbereidingen voor het (zeer ambachtelijke en voedzaamverse) eten. Ik heb nog net de tijd om me even op te frissen als manlief de sleutel in het slot steekt. We eten gezellig samen en ik luister naar mijn mooie, succesvolle gezin. Als de kids slapen kijken hubby en ik nog wat tv, we lezen de krant of we oefenen op een liefdesbaby. En zo gaan de dagen voorbij.
Huismoederschap is een niet te onderschatten taak. Er wordt door sommigen op neergekeken, maar niets is meer misplaatst. Het huisvrouwschap is qua status te vergelijken met het beroep lerares of kleuterleidster: alledrie zijn ze makkelijk te interpreteren als 'pretberoepen' terwijl het juist de kleuterleidsters, moeders en (basisschool)docenten zijn die moeten zorgen dat kinderen uitgroeien tot gezonde, normale volwassenen met genoeg normen, waarden en sociaal besef.
De discussie of je een slechte(re) moeder bent als je part-of fulltime blijft werken na de geboorte van je kroost wil ik hier niet aangaan. Ik denk dat de rollen 'moeder' en 'werknemer' te combineren zijn. Ik denk dat 'persoonlijk geluk' (excusez les mots) en moederschap elkaar niet bijten, als dat persoonlijk geluk in betaald werk ligt. Iedere moeder moet dat voor zichzelf beslissen. Voor mij geldt: komt tijd, komt raad.
Wat ik wel merk is dat ik huishoudelijk werk zeer bevredigend vind. Nu ik met mijn scriptie bezig ben verzin ik soms uitvluchten om er niet aan te hoeven. Ik maak mijzelf wijs dat ik écht niet kan werken in een 'vieze' werkkamer, dus dat ik eerst moet stofzuigen. En even stoffen, als ik toch bezig ben. En een wasje draaien. Zo doe ik iets nuttigs, zodat ik me niet niet schuldig hoef te voelen over het vermijden van mijn scriptie. Als de koningin van het SOG strijk ik soms zelfs mijn beddengoed. Dan komt het satijn beter tot zijn recht, vertel ik mijzelf, en kan ik als een prinsesje slapen onder mijn gladgestreken lakens. Helaas heb ik in de regel niemand om dit kleine genot mee te delen, maar ach. Ongedeeld geneugt telt dubbel. Neuriënd haal ik mijn gloeiende strijkijzer geduldig over de weerbarstige plooien van mijn dekbedovertrek en kussenslopen. De kreukels wijken voor het Sissende Gevaar en laten een gladde, strakke baan achter. Dat heb ik toch maar mooi voor elkaar. Direct resultaat en dat met zo weinig moeite: heerlijk. Dat kan ik van m'n scriptie niet zeggen.
Is dat nog leuk als het niet om één overtrek gaat maar om bijvoorbeeld vier, waarvan één tweepersoons? Is het nog leuk als ik het iedere dag zou moeten doen, als alles wat ik op een dag schoon krijg de volgende dag weer teniet gedaan wordt door een speelpartij, een kleine bedplasser, een ongelukje in de keuken? Ik denk het niet. Ik denk dat het voor mij beter zou uitpakken als ik een baan buitenshuis zou houden. Zo ontkom ik ook mooi aan de luizenmoederverplichting en heb ik minder tijd om te letten op ongestreken beddengoed – dus hoef ik me er ook niet aan te ergeren. Met een beetje geluk kan ik me zelfs externe hulp veroorloven, die schoonmaakt terwijl ik ergens iets aan het managen ben.
Maar die instant bevrediging die huishoudelijk werk met zich meebrengt, ja, daar heb ik soms zelfs aangetaste nagels voor over. Als het met de scriptie even tegenzit, wacht er altijd wel een wasje.

Bachelor

Ik kom uit een gezin waarin het vanzelfsprekend is dat je na de middelbare school gaat studeren. Nadat ik met één val en twee keer opstaan mijn diploma in ontvangst had genomen, viel de keus op een studie literatuurwetenschap. Tot op de dag van vandaag weet ik niet precies waarom ik het ben gaan doen, maar na vijf jaar studie kan ik met zekerheid zeggen dat ´t bij me past. Ja, ik hield als kind van lezen (en nog steeds) maar dat onderdeel behelst eigenlijk maar een procentueel klein deel van de studie. Sterker, als er voor een vak twee boeken per week ingeroosterd staan náást 100 bladzijden lastige theoretische tekst (lang leve de vakpassionelen, want een ander woord suggereert iets onaardigs) ga je prioriteiten stellen. Lezen voor mijn plezier doe ik alleen in de vakantie en als ik eigenlijk zou kunnen slapen. Zo vakpassioneel ben ík dan wel weer. Ik ken mensen die nu zullen zeggen: oh, had jij daar moeite mee? Nou, ik niet hoor, met twee vingers in m´n neus, appeltje-eitje, enzovoort. Waarop ik, zoals het een goede literatuurwetenschapper betaamt alleen maar kan zeggen: het is mijn waarheid en zolang ik m kan staven houd ik eraan vast, met aandacht voor de standplaatsgebonden factoren in mijn argument. Punt.
Literatuurwetenschap past mij als een PVClegging, en ook die zitten weleens strak. Op een gegeven ogenblik kwam het punt waarop ik een bachelorscriptie moest gaan schrijven. In het huis waar ik toen woonde zat nog een meisje die zo´n beetje in dezelfde fase zat. Dat was leuk en gezellig. Omdat ik vreesde dat acht weken vrije tijd zouden leiden tot een haastig in elkaar geflanst prutswerk, kroop ik om de twee weken even bij mijn begeleider op schoot, spreekwoordelijk natuurlijk. Mijn professionele aanhankelijkheid deerde hem niet. Ik had hem nog nooit als docent gehad, maar het klikte tussen ons, en dat gaf mij hoop en zelfvertrouwen. Hij was gelukkig kritisch op mijn werk en ik kreeg uiteindelijk een redelijk hoog cijfer. Vóór de afloop en de becijfering had ik mij druk gemaakt over van alles: het niveau van de scriptie, of ik de theorie wel goed had uitgewerkt, het nut van de theorie bij mijn praktijkvoorbeelden, enzovoort, enzoverder. Samen met mijn huisgenoot, die hetzelfde doormaakte, typte, zweette, klaagde en dronk ik heel wat af. Toen ik nog geen student was begreep ik nooit hoe mensen vlak voor hun scriptie konden stoppen met hun studie. Sinds die bachelorscriptie kan ik me voorstellen hoe ze tot zo´n besluit komen. Ik ben onderdeel van het BaMa-systeem en heb dus mijn bachelordiploma om op terug te vallen, maar in het oude systeem was dat niet eens zo. Dat betekende bij stoppen dus minimaal vier jaar weggegooide studie (tijd, geld, moeite) alléén maar vanwege één laatste opdracht! Gruwel! Eeuwig zonde!
Uiteindelijk kwam het met zowel haar scriptie als de mijne wel goed. Misschien is het daarom, dat de stress voor mijn afstudeerscriptie later heeft toegeslagen. Ik ben inmiddels anderhalf jaar ouder en kan niet meer bij mijn begeleider op schoot kruipen, zelfs niet spreekwoordelijk. De onbevangenheid van toen en de verwachtingen die ik de eerste keer had, krijg ik niet meer terug. Maar in plaats van er dubbel zo hard op te letten en keihard voor mijzelf te zijn, laat ik me overmannen door een ik-weet-niet-wat-ik-moet-doen-gevoel. Ik weet dondersgoed wat er moet gebeuren, ik kan me er alleen niet toe zetten! WAAROM NIET!!! Het frustreert me zo erg, en ik heb al menig traan weggeslikt (echte meisjes wanhopen droog) bij de gedachte aan een eindeloze scriptieperiode. Het beeld van de eeuwige student (het is altijd een student geschiedenis, en een man) die na twaalf jaar eindelijk een keer zijn bul in ontvangst neemt, achtervolgt mij. Zo´n spijker-met-bierbuikerige man, een man, met kalende kruin en een matje, suède van Bommels en een rode broek, die tussen de frisgeschoren net-vierentwintigjarigen (of jonger) zijn rokerswishkytanden bloot grijnst en zijn handtekening zet. Van achteren zie je geen verschil tussen hen, het gevolg van slechte voeding en overmatig roken. Geen foto´s van deze toch nog heugelijke gebeurtenis, zijn ouders hebben niet de moeite genomen om te komen of zijn inmiddels overleden.
Zwalkend viert de eeuwige student het met een biertje. In zijn eentje, want al zijn studiegenoten zijn versnipperd over het land en hij is ze uit het oog verloren. Dat viert hij voor het gemak dan ook maar. En als hij mazzel heeft, kruipt er een derdejaars op zijn schoot in de Hofman, een naïef provinciemeisje dat er nog niet achter is dat die kroeg de pleisterplaats is voor kaarslichtmensen, mensen die bij kaarslicht nog net kunnen, zoals de eeuwige student. Een knappe derdejaars die bezig is met haar bachelorscriptie, en hoopt nog iets op te kunnen steken van een oude rot...

Kleur bekennen

Gisteren ging ik na de verjaardag van een goede vriendin terug met de trein. De locatie van het feestje was t Westerpark – voor mij, als ongeoefende stedeling, een onverwacht comfortabele wandeling langs de Haarlemmerstraat. Hoewel ik me graag dag en nacht laat inspireren door ontmoetingen, is een uitgaansavond in Amsterdam niet de beste gelegenheid om die inspiratie op te doen. Ik besloot dan ook om op de terugweg een bus te pakken. Nadat er een aantal bussen letterlijk aan mijn neus voorbij gingen, stopte er uiteindelijk eentje. Blijtrots pakte ik mijn chipkaart (genoeg saldo? Ikke wel!) en wachtte op het geruststellende acceptatiepiepje. Spijtig genoeg ging dat feest niet door. De buschauffeur (ja, daar issie weer!) legde uit dat ik via internet de mogelijkheid tot 'nachttarief' had moeten activeren. Hij had wel een oplossing: een kaartje kopen voor het luttele bedrag van 3.50. Wat ik dus maar deed. De vier resterende haltes waren hun geld dubbel en dwars waard: ik zag allemaal zwart landschap, en dat vanuit een comfortabele, rode GVA-stoel. De vaardige handen van de chauf reden mij veilig en wel naar mijn bestemming. Uitgerust en verkwikt kwam ik aan op CS....
Ik spoedde mij naar mijn trein. Daar zag ik buurjongen J. (hoe groot is die kans, in de straat zien we elkaar vrijwel nooit, maar nu, ergens in de nacht, op een locatie ver van huis, liep ik hem tegen het bepette lijf.) Samen stapten we de sprinter in, maar door een technische storing kwam de verwachte vertrektijd akelig dicht bij die van reguliere intercity (jeuhj!!) naar Utrecht. Ik besloot uit te stappen. J. moest naar de Bijlmer, en zo stond ik daar in mijn jeans en vestje op het tochtige station. Ik keek eens rond, want je moet als meisje toch iets doen. Mijn ogen geleden over de Sensationgangers. En toen zag ik hem: De Man.
Als het om mannen gaat geef ik altijd bijnamen, maar deze man een bijnaam geven zou wat onaardig zijn. Hij had hoegenaamd ook nog niets waarop ik hem kon bebijnamen. Spijkerbroek, intens paars shirt, polsbandje van de Paradiso. Onbestemde, nette schoenen, een lichte baardwaas op zijn wangen, smalle ogen, een neus die naar wippen neeg, maar het niet deed. Hij kijkt naar mij, naar mijn haar, en lacht. Ik geef hem mijn hagelwitte oor-tot-oor terug. Per slot van rekening staan we hier toch maar mooi met z'n tweeën te wachten op een intercity. Dat schept een band.
Vóór mijn neus staat een jong stel geconcentreerd elkaars amandelen te likken. De jongen heeft gespannen puisten naast zijn mond. Het meisje heeft zeer dikke kuiten. Ze zien mij niet, beneveld door vermoeidheid en warm speeksel. De trein komt. Het meisje gaat mee, de jongen blijft achter. Ik zorg dat ik in dezelfde coupé als De Man terechtkom. Er is een plek vrij náást hem, maar dat is mij iets te intiem. Bovendien heb ik er een dag werken op zitten en vrees ik voor mijn frisheid. Schuin tegenover hem, op een bankie-van-twee, kan ik hem veel beter in de gaten houden. Hij speelt met z'n telefoon, slaapt, drinkt een slokje, en kijkt mij net aan op het moment dat ik een winegum eet, mijn lippen getuit, mijn kin naar voren gestoken. Goed zo, D. Charmant.
Is het onzekerheid over zijn status, het gebrek aan pen&papier of de aanwezigheid van teveel andere mensen die maakt dat ik hem na een half uurtje met lichte spijt richting Totnooitmeerziens zie lopen? Ik weet het niet. Zijn hokkie-van-vier was helemaal vol en hij keek wel, maar ik durfde het toch niet aan hem mijn nummer toe te spelen. En jullie, lieve lezers, weten dat dat me normaal totaal geen moeite kost. Maar ik vraag me af, met wie hij anders dan met een geliefde kan sms'en om half twee 's nachts. De mogelijkheid dat hij over mij smste is vleiend, maar niet vreselijk plausibel. Ik zoek zijn ogen, en probeer zoveel mogelijk reebruine welwillendheid in de mijne te leggen. De kroegen zijn nog open, en ik ook. Hij hoeft alleen maar even te knikken en ik doe het. Eén knik, een handgebaar, nog één lach en ik waag t erop. Verlangen kent geen angst.

Daar gaat hij, zijn paarse shirt verdwijnt om de hoek. Mijn enige troost is dat we onze woonplaats delen, dat heerlijke dorp waar ik ook vaak vertoef. Als het is voorbestemd, kom ik hem wel weer tegen. Misschien heeft hij een vrouw en een jong kind. Misschien niet. Dag, Paars. Kák....

Onslow

Op ons aller FB las ik dat een van mijn vrienden zich ergerde aan alle kansloze en lelijke ouders die ze in de supermarkt zag. Hoewel wij wat jaren in leeftijd verschillen, en de kinderdiscussie voor mij niet opgaat, voel ik als overwegend single aan de ene kant met haar mee, en aan de andere kant maak ik me niet druk.
Het is lastig om als single hier iets over te zeggen zonder defensief over te komen. Op de een of andere manier ben je altijd in het nadeel. Laten we wel wezen: uiteindelijk vindt 99,8% van de mensen het prettig om een vaste partner te hebben, en ontkennen dat dat zo is (wat ik haar overigens niet verwijt) is ijdel. En dan heb ik het over degenen die ervoor openstaan, dus niet mensen die net uit een relatie komen of die zodanig met zichzelf in de knoop zitten dat een partner daar niet bij gaat helpen.
Ik heb geen vergelijkingsmateriaal, maar ik stel me zo voor dat tegenover de geborgenheid, vriendschap, maatschappelijke erkenning en vertrouwde seks in een relatie het single bestaan gelegenheid biedt voor seksuele diversiteit, nieuwe contacten (ik denk dat als ik een vriendje zou hebben, ik me iets behoudender zou gedragen) en de absolute vrijheid te doen en laten wat ik wil.
Het single-zijn heeft voor- en nadelen, net zo goed als het stel-zijn.
Ook ik zie weleens mensen lopen die significant minder leuk zijn dan ik. Ik zie het mooie in iedere persoon, en ik denk dat op ieder potje een dekseltje past, maar soms zie je stellen die significant minder leuk zijn dan jij. Onontkenbaar. Van het kaliber vraag-het-vijf-miljoen-mensen-wereldwijd-en-ze-geven-je-gelijk. Dat wil niet zeggen dat ze minder waard zijn of minder het geluk in het leven verdienen. Ik ben niet jaloers als ik een Sharona á la Vicky Pollard naast haar Sjon á la Onslow in de supermarkt diepvrieskroketten in hun kar zie laden, terwijl ze lurken aan roodgeruite bekers gratis koffie. Soms trekt er zelfs een rilling over mijn rug. Niettemin dringt zich de vraag op: wat hebben zij ontdekt waar ik nog niet achter ben? Het stelt me gerust dat als zelfs Vicky Pollard een man kan vinden, de mijne niet ver weg kan zijn. Tegelijkertijd verontrust het me: als zelfs Vicky Pollard een man heeft, waarom heb ik er dan geen?
Na een paar jaar twijfelen ben ik er achter: het heeft geen zin je deze vraag te stellen. Al was het maar omdat ik geen Vicky ben en nog minder een Onslow wil. De vergelijking is op zichzelf dus al zinloos. Vicky en Onslow vormen wel de groep kansloze stellen in de supermarkt, maar er zijn natuurlijk ook sexy, succesvolle, mooie koppels, met wie ik me liever identificeer. Ik ben minstens even leuk, maar/en single. Dit soort dingen gebeurt bij toeval, laat ik me vertellen. Kun je het toeval sturen? Ja. Is het dan nog toeval? Nee. Mag je hopen? Ja. Maar vergeet niet om het beste te maken van het single bestaan, als je er van uitgaat dat dat iets tijdelijks is.
Ik steek over geen van beide de loftrompet af. Over het single zijn niet, omdat ik dat zie als iets tijdelijks en daarmee impliciet als iets onwenselijks. Over het stel-zijn niet, omdat ik nog nooit langdurig onderdeel van een stel geweest ben. Wat ik lees in de bladen die ik koop uit nieuwsgierigheid naar andere gedachten dan mijn eigen, is dat je niet van een ander kunt houden als je niet van jezelf houdt. Ik heb mijn onzekerheden, net als iedereen, maar ik houd zeker van mijzelf. Misschien zelfs teveel, gewend als ik ben aan mijzelf zonder de levende bevestiging in bezit van scheerapparaat en das naast me. Ben ik dan te narcistisch om een man toe te laten? Te kieskeurig? Nee. Hoe verleidelijk deze valkuil ook is, ik heb een breed spectrum en houd van mannen in hun vele verschijningsvormen. Natuurlijk heb ik een eisenpakket. Ik zoek geen Onslow. Maar daar staat tegenover dat ik iemand zoek die bij me past, en ik heb ook flink wat te bieden. Dus ja, ik weiger de Onslow toe te laten in mijn leven, maar dat heeft met kieskeurigheid weinig van doen.
Mijn punt: ik geloof niet in de happy single, omdat in mijn opinie uiteindelijk iedereen verlangt naar huisje-boompje-beestje, inclusief man. Kwestie van bio-politiek. Niettemin pleit ik voor een herwaardering van de single-status, zonder mijzelf daarmee te slachtofferen. En als single-zijn toch iets tijdelijks is, zou ik er tegenaan kijken als tegen je eerste auto: wees er blij mee en koester wat je hebt, tot zich iets beters aandient.

Sjerp

Op zaterdagen werk ik in een kookwinkel. De meeste mensen die binnenstappen, zijn erg aardig. De dresscode is zwart, maar soms hebben wij themadagen. Bij de Giro d'Italia kwamen we in roze, en afgelopen zaterdag heb ik wat overgebleven koninginnedagversiering omgehangen, vanwege het WK. Een oranje guirlande op mijn hoofd,een sjerp om mijn middel en klaar is Kees!
Het is een grote winkel, met veel spullen. Ik kan me voorstellen dat dat intimiderend kan zijn, zeker als je iets kleins zoekt. Gelukkig zijn we geen van allen te beroerd om een zoekende klant even de weg te wijzen, óók als de vraag ietwat raar overkomt. We hebben bijvoorbeeld twee kassa's op de toonbank, met, hoe logisch, twee pinapparaten, precies zoals je het zou verwachten. De pinapparaten staan beide op logische plekken. Toch reikhalst negentig procent van de mensen in de rij bij kassa één naar het pinapparaat bij kassa twee, terwijl het 'eigen' apparaat pontificaal voor hun neus staat. Vice versa is dat ongeveer veertig procent. Onnodig, en een beetje gek, maar wie zijn wij om daarover te steggelen?
Hetzelfde geldt voor de Wand met de Pepermolens. Deze wand is recht tegenover de toonbank, links van de ingang, en bevat naar pepermolens ook zoutmolens, en nootmuskaatraspen. Als je bij de kassa naar de pepermolens vraagt, sta je er dus precies met je rug naartoe. De wand is zo vol en groot dat ik me niet kan voorstellen dat je eroverheen kijkt, maar dat gebeurt dus regelmatig. Afgelopen zaterdag kwam er een stel binnen, al wat op leeftijd. Ze komen wel vaker in de winkel. De vrouw is niet zozeer potig, maar van een taaiheid die maakt dat ik haar in gedachten het beroep van ziekenzuster of wezenverpleegster toeschrijf (ja, precies in die terminologie) compleet met vleeskleurig bruine kousen en een witte overhemdjurk, te strak bij de buste en te wijd bij de derriere, van dik jeukend katoen. Het soort zuster dat op de kinderafdeling zieke kindjes levertraan voert en zelf ook een paar lepels achteroverslaat in de hoop dat er codeïne inzit. Het leven is niet aardig voor haar geweest en daarom ziet zij de noodzaak ervan ook niet in. Ze heeft een gehandicapte zoon uit een fling met een zakenvriend van haar vader, die haar wel wilde bezoedelen, maar niet wilde huwen (zij was nog niet daadkrachtig in die tijd, dat kwam daarna pas.) Om haar onafhankelijkheid te bewaren wijdde zij haar leven aan snotneuzen en de bestrijding van rachitis. Op haar vijftigste trouwde ze met de weduwvader van één van haar patientjes. Ze is nooit knap geweest, maar zeker daadkrachtig. En nu is ze op zoek naar een pepermolen.
De vrouw stevende op de kassa af en riep, met haar daadkrachtige stem, 'Pepermolens!' Dit is natuurlijk geen manier om een winkel binnen te komen, maar als zij zo haar doel denkt te bereiken, wie zijn wij dan om daarover te steggelen? Met zachte hand wordt ze dan ook op de reuzenwand achter zich gewezen, waar al wat ze zou kunnen zoeken uitgestald staat. Ze is vastbesloten de gelegenheid om noten op haar zang te kunnen hebben, uit te buiten tot de laatste snik. Een van mijn collega's is de pineut. Mevrouw Daadkracht wil graag weten, hoe duur één pepermolen is, die in een setje wordt verkocht. Mijn collega: 'mevrouw, die komen in een setje!' Op haar aandringen wordt er speciaal voor haar een los prijsje gemaakt. Ze twijfelt, maar neemt uiteindelijk toch maar een setje van peper en zout. Alles goed en wel. Nu ben ik aan de beurt. Ze smijt het setje op de toonbank en blaft: 'Tasje!' Suikerzoet waarschuwend vraag ik, met de juiste nadruk in mijn stem: 'Wat zegt u??' Daadkracht, de subtiliteit zelve, kijkt me aan alsof ik achterlijk ben, en blaft maar nog eens: 'Tasje! En het is een cadeau.' Ze kijkt naar de oranje sjerp die over mijn borst hangt en snuift: 'Queen? Queen van wát? Koningin van de nacht zeker!! ' Tegen zoveel onbeschoftheid kan en wil ik niet op. Ik doe alsof ik haar niet hoor. Ik geef haar haar tasje met het peper-en- zoutstel, en ga maar snel verder. Van de weduwvader krijg ik een dankbare, hartelijke blik. 'Zeer vriendelijk bedankt, hoor!' fluistert hij, terwijl hij naar me knipoogt. Arme man. In zijn heupfles zit hoestdrank, daar kun je de donder op zeggen.

Schoffelen

Afgelopen maand suggereerde iemand dat ik te soft was. Ja, het is waar dat ik makkelijk contact met mensen leg, en daar komen soms leuke, en soms minder leuke dingen uit.
Zo voerde ik bijvoorbeeld vorige week nog een geanimeerd gesprek met mijn spinningdocent A. Deze man heb ik nooit anders gezien dan in een pakje van onvergevend geel, wat loopt van halverwege zijn gespierde dijen tot op zijn schouders. Ik heb me laten vertellen dat onder dat hansop ook nog een sixpack van jewelste schuilgaat, maar de strakheid van het pakje zegt mij eigenlijk al genoeg. Ik ben niet bovenmatig geïnteresseerd in deze man, maar zoals dat gaat, maak ik weleens een praatje met hem. We hebben het dan hoofdzakelijk over training, en wat we in onze weekenden voor leuks gaan doen, subliem gekanaliseerd in: 'En, ga je nog wat leuks doen van 't weekend?' Zo weet ik, dat hij zeer van tuinieren houdt, en dat hij aan hardlopen doet.
Ik, op mijn beurt, vind spinnen leuk, en onvermijdelijk is hij er dan ook vaak. Vorige week vroeg hij mij, waar ik woonde. Ik zei hem: ik woon achter de brug, rechts om de hoek. Een redelijk vaag antwoord, maar naar goed conversatiegebruik meende ik te kunnen beoordelen dat het noemen van een wijk in deze voldoende was. Ik dacht niet dat hij mijn exacte woonstraat (met dank aan de heer Hans A.) en huisnummer wilde weten. Helaas. A. reageerde fel, keek me geërgerd aan en zei met irritatie in zijn stem: 'Jaahaa... natúúrlijk! Ik woon óók achter-de-brug-en-rechts-om-de-hoek. Maar waar woon je precies??' Hij rolde nog net niet met zijn ogen.
Zijn reactie verbaasde me nogal. Niet alleen was ik nu minder dan ooit geneigd om hem mijn wooncoordinaten door te geven, ineens kreeg die vrij onschuldige vraag een hele andere lading. Hij is mijn instructeur, niet mijn tuinman, en dat moet zo blijven. Ik kan mijn begroeiing prima zelf cultiveren, daar heb ik geen inspectie bij nodig. Toen ik opmerkte, dat we dan buren moesten zijn, keek hij me niet-begrijpend aan. Mijn vaagheid was niet persoonlijk, maar werd het nu ineens wel. Ik zei hem dan ook, dat ik mijn adres aan niemand prijsgaf behalve mijn dokter, en dat hij het niet persoonlijk moest nemen. A. vroeg vervolgens nog: ik ben zeker te ver gegaan? Wat ik alleen maar kon bevestigen. Zijn gele pakje verdween spoedig daarna uit mijn gezichtsveld, nadat hij me nog wel een prettig weekend had gewenst. Onze verhouding is echter niet meer zo ontspannen. Ik vind het ergens een beetje jammer, maar mijn onverschilligheid wint. Dat hij me nu vermijdt, maakt mijn vermoedens over zijn tuinierdersmotieven alleen maar groter.
Ik houd mijn paadjes zelf wel netjes. Beter soft dan onbeschoft.