vrijdag 28 juni 2013

Panne

Toen ik hoorde dat een zeer gewaardeerde vrind een onfortuinlijk ongeluk had gekregen tijdens een skivakantie, haastte ik mij erheen. Zij woonde in het wonderschone Eindhoven. Dus ik stapte op de trein. Het station van Eindhoven is net als vele stations voorzien van twee uitgangen: ergo, je weet zeker dat als je de verkeerde kant uitslaat, je je bestemming nooit zult bereiken.
De oplossing hiervoor vond ik al snel in de vorm van twee dames op leeftijd. Vermoedelijk moeder en dochter, gezellig op stap. Nu moet ik bekennen dat, net zoals ik mensen van onder de rivieren als randstedeling soms niet versta, zij ongetwijfeld hetzelfde bij mij hebben. Toch spreek ik ABN, en aangezien die A voor 'algemeen' staat, en er weinig anders is dat ik hen te vragen zou hebben, ging ik er van uit dat ze mij zeker zouden begrijpen.

'Pardon, mag ik u iets vragen? Weet u misschien welke kant ik op moet voor de Kruisstraat?'

De dochter reageerde tenminste nog op mijn vraag. Haar ogen vernauwden zich en ze mompelde: 'Nee, nee, nee...' De moeder bleef stil, bekeek mij snel, pakte amechtig en onomwonden haar tas vast, klemde die steviger tegen zich aan en keerde me de rug toe. 'Vraag het maar bij een VVV, wij kunnen u nergens mee helpen...' deed dochter nog een duit in het zakje. Onwillekeurig bekeek ik mijzelf door hun ogen, maar kon niets ontdekken wat zo'n reactie uit zou kunnen lokken. Ik rook lekker, ik zag er netjes uit, ik ben een vrouw en ik vroeg niet om geld. Beter dan dat wordt het niet.

Juist omdat ik als vreemdeling wel eens hulp nodig heb, kijk ik er niet van op als iemand mij de weg vraagt. Van de man die mij afgelopen maandag voorzichtig staande hield – ik had hem een paar minuten daarvóór zoekend zien rondrijden – verwachtte ik een soortgelijke vraag toen hij begon met: 'Pardon, schone dame, mag ik u iets vragen? Bent u hier bekend?' Ik moest ontkennend antwoorden, maar zou mijn best doen als hij dat wilde. Het bleek hem echter niet om de weg te gaan. 'Ik heb een kookwinkel gehad, en ik heb wat spullen over. Weet u misschien iemand die hier behoefte aan heeft?'

Nu wil het toeval dat ik zo'n vier jaar in een kookwinkel heb gewerkt. Het toeval wil verder dat ik uitga van het goede in de mens, en opgegroeid ben in kringen waar mensen de waarheid spreken. Op een onbewust niveau wist ik wel dat als je je voorraad kwijt wilt, daar andere wegen voor zijn (verkopen met hoge korting, terugsturen naar je leverancier, doorverkopen aan een mede-ondernemer) maar ach, als ik een adres had geweten, had ik hem dat heus gegeven. Mijn eigen voorraad is dankzij het toeval ruim en afdoende. Toch deed ik hem de tip aan de hand.
'Nee, het zijn maar een paar spullen...' 'Oh,' zei ik. 'En wat gaat u nu doen?' 'Uh, op zoek naar anderen die mijn spullen misschien willen hebben,' zei de man. Nu pas ging er mij een licht op, maar ik besloot beleefd te blijven. 'Nee, ik bedoel, gaat u nu een nieuwe winkel openen? En waarin dan?' 'Oh, dat kan in van alles zijn....' vaagde de man verder.
Ik vond het gesprek op zijn einde en moest verder, dus ik maakte aanstalten. De man bekeek me aandachtig. 'Wat doet u in het dagelijks leven? Wat doet u vanavond? Houdt u van gezelligheid?'

Nu was het mijn beurt om hem aandachtig te bekijken, en stil te blijven. Hij was van middelbare leeftijd, met sproeten, plukken rossig haar, maximaal schoenmaat 42 en bijbehorende lichaamslengte. Zijn ogen waren onbestemd bleek, grijsachtig. Hij was niet lelijk, en precies onopvallend genoeg.
'Ik dacht ehm, misschien kunnen we een keer iets leuks doen? Wat drinken, vrijdag ofzo?'

Het licht, nu alarmerend groot en rood als de neus van een mandril, verblindde me zó erg dat ik niet kon ophouden met knipperen. 'Dat is een leuk voorstel,' knikte ik, 'en ik zou het graag bij dit gesprek laten, dat lijkt mij het beste, dankuwel.' De man ging natuurlijk akkoord, en wenste mij een prettige dag. Misschien had ik de kunst af moeten kijken van dat Eindhovense omaatje. Als hij überhaupt al een voorraad pannen bezát. Die meerdere-pannetjes-opzetten-techniek werkt niet bij mij... ouwe hosselaar...

zondag 16 juni 2013

Facet

Zo nu en dan laat ik me verleiden tot de aanschaf van een staatslot. De bekoring van een massa geld – enorm, of wat kleiner – is groot. En zoals velen droom ik weleens van de financiële zorgeloosheid die sommen van die grootte met zich meebrengt, al is het maar tijdelijk. Met die bedoel ik bijvoorbeeld vijf miljoen. Of zelfs één.
Het winnen van één miljoen zie ik als een aanmoedigingsprijs. Gesteld dat het belastingvrij is en je niet ook nog eens de helft moet afdragen (terug naar de bron!) maakt het in mijn geval het verschil tussen extreem comfort en een gewoon leven. Je hoort weleens verhalen (vooral uit Groot-Brittannië) van winnaars die alles verbrassen en uiteindelijk armer eindigen dan vóor het winnen van het bedrag. Nu schijnt er in Nederland winnaarsbegeleiding te zijn, maar ik weet niet of een miljoen al telt als hulpwaardig. Ik denk dat er te weinig te begeleiden valt. En dat is de aanmoediging die ik bedoel: een kleine zekerheid die je in staat stelt, een reis te maken of een nieuwe auto te kopen. De vervulling van één, één, relatief kleine wens.

Voor de kunst van het wachtplennen heb ik me laten inspireren door de Jehova's, die al tijden wachten op iets waarvan ze niet weten wat het precies is – ja, het einde van een onzuivere tijd, maar wat houdt dat precies in? – ze geloven heilig dat het komt en bereiden zich er daarom op eenzelfde devote manier op voor. Als je het maar lang en vurig genoeg hoopt, komt het vanzelf een keer, toch?
Als ik een miljoen zou winnen, zou ik mijzelf dertig jaar hypotheeksores besparen door een huisje te kopen. En ik zou opnieuw gaan studeren. Van wat er overbleef zou ik een personal trainer inhuren, en een wellnesscoach. Het is mijn geld, en het is niet zoveel, dus ik spendeer het het liefst aan mijn geluk en welzijn, maar delen levert goede energie op. Ik zou mijn naaste familie trakteren op iets leuks. En een beetje aan een goed doel schenken.
De rest zou ik op een spaarrekening zetten: beleggen is zó premillennium en voor je het weet is een dikbuikige sjacheraar er met je knaken vandoor. (Al is dat, nu ik er over nadenk, bij een bank niet anders. Misschien dan maar een kluis in mijn nieuwe huis, ondanks het gebrek aan rente.)

Voor nu blijft het bij een strakke planning. Mocht het mij ten deel vallen, dan zal ik tenminste niet aan stressverbrassing hoeven doen – dat scheelt alweer. Geen uitspattingen in vergankelijke dingen als kleding, voedsel of sieraden. Tenslotte kun je maar één paar schoenen tegelijk aan. Geen overprijsde reizen of louche investeringen. Neen. Kalmte, beleid, plan. Het scheelt dat ik me die cursus ook zónder een miljoen wel kan veroorloven.
Natuurlijk, het zou fijn zijn om niet op de prijs te hoeven letten als ik winkel, om eens twee complete outfits in één keer te kopen en om me moe te kunnen lopen op de Haarlemmerstraat, in de Bijenkorf of in het centrum van Den Bosch. Het zou fijn zijn om alleen Camps & Camps te dragen omdat ik dat mooi vind, en niet omdat ik me geen Schaap & Citroen kan veroorloven.
Maar toch: het idee dat als ik een maandje wacht, ik kleren voor een fractie van de prijs kan krijgen zou niet verdwijnen als ik meer geld had. Hollandse zuinigheid heeft nog nooit iemand windeieren gelegd.
(Ziet u het? Twee uitdrukkingen voor de prijs van één. Et voila.)

Ik zou het geld gebruiken om tijd te kopen om uit te vinden waar ik echt gelukkig van word, wat me werkelijk energie geeft, en aan mijn geestelijke gezondheid. Ik zou mijn stress afkopen, en me laten masseren. En ik zou zoeken naar manieren om het geld te vermeerderen in plaats van dat het alleen maar slinkt.
Hebzuchtig? Ik probeer het onderste uit de kan te halen van de kans die zich voordoet. Vergeleken met een Jehova's Getuige is mijn wachttijd daarnaast nog betrekkelijk kort. When life gives you lemonade, savour it! Ik hoef slechts te wachten tot de tiende van de maand om opnieuw in te stappen, mocht het deze keer niet zijn gelukt. Dat biedt perspectief.

zaterdag 15 juni 2013

Filet

Glimlachend vult hij de buik van kaiserbroodjes, triangels en ciabatta's met rucola, tomaat en brie. Mijn vaste recept is een bruine triangel met pompoenpitten, filet americain en paprika. Met peper, zonder zout, zonder boter. Ik denk dat hij Wilfred heet, Ivar, Egbert, of Theodoor, roepnaam Teddy. Waarschijnlijk is hij even lang als zijn vader en heeft hij zijn moeders lach. Zijn handen hanteren het mes vaardig en vlot en geen wens is hem teveel.

In Amsterdam, Utrecht of Groningen studeert iedereen van onder de dertig en kun je er vergif op innemen dat de serveerster die je drankje brengt, barista die je koffie maakt of medewerker die je kaartje knipt een jurist, antropoloog of econometrist in spé is. Dat is hier niet het geval.
Het voelt niet goed me te verlustigen aan de bakkersjongen, lieve lezer, en ik geef toe, het lijkt zelfs een tikje wanhopig. Leuke mannen kun je overal tegen het lijf lopen, maar wat ons scheidt is een toonbank met weekoud gebak, minstens twee jaar leeftijd in mijn nadeel en, als hij echt sec broodjessmeerder is, een wereld van verschillende interesses – en dan zeg ik het nog netjes.

Op maandag kwam ik Teddy tegen in de rij bij de supermarkt, in gewone kleding. Dat betekende twee dingen: hij werkte waarschijnlijk niet fulltime (hurray!) en hij herkende mij als eerste.
Juist omdat hij normale kleren aanhad duurde het even voor ik hem zag, maar die groene ogen grepen me alweer. 'Zal ik een tasje voor je pakken?' Ik ben dol op zorgzame mannen. 'Graag...' Als in een driestuiverromannetje raakten onze vingers elkaar onnodig en iets te lang en ik voel mijn wangen kleuren. Maar ik vertel mijzelf: niet iedere man die aardig is, heeft potentie. En belangrijker; niet iedere man die naar je lacht, wil je. Hij smeert alleen je broodje, Deirdre, stel je niet aan.

Donderdagmiddag, tijd voor de wekelijkse afdelinglunch. Het meisje achter de balie informeert me dat mijn bestelling niet klaar is, want mijn fax is niet doorgekomen. Niet de eerste keer, maar ik besluit rustig te blijven. Je moet de mensen die je eten bereiden niet kwaad maken, bovendien zou ze binnen enkele minuten mijn bestelling alsnog fixen. En wie komt daar van achter de coulissen tevoorschijn? Jawel: Theodorus.
'Het is mijn schuld, hoor,' grijnst hij.
Zelden heb ik onoprechtere woorden uit iemands mond horen komen.
'Sorry! Ik had jullie bestelling wel gezien, maar ik ben haar vergeten door te geven... ik werk niet meer op donderdag, begrijp je?'
Geeft niet hoor, faun, teddy, boefje dat je bent. De vraag Wanneer werk je dan wel? wil hard naar buiten, maar ik houd me in.

Dit zijn verdorie de jaren vijftig niet. Is dit nou het gedrag van een sophisticated yup? Moet ik mijn hart werkelijk schenken aan een man wiens leefwereld bestaat uit boterloze panini's, halfgare tarwekiemen en lijnzaad, hoe mooi zijn lach ook is? Desperate much?! – hij is niet eens patissier of zelfs maar ambachtelijk banketbakker....
Maar goed, liefde is overal, opleiding zegt weinig over 's mans karakter en bovendien is het met hoogopgeleide mannen tot op heden evenmin gelukt, dus misschien doe ik er beter aan mijn criteria te verruimen en hem niet af te schrijven op basis van een toevalligheid – tenslotte is opgeleid worden meer een kwestie van waar je geboren wordt dan van onwil. Als hij ooit het lef heeft me mee uit te vragen, kunnen we de hele avond praten over de voordelen van spelt boven tarwe en het ultieme lunchbroodje. Vraiment chaleureux, wat ik je bróm... of niet natuurlijk, maar dat geeft niks, want hij weet toch niet wat dat betekent. En los van alles kan het zomaar zijn dat hij inderdaad astronaut wordt. Of dat hij afknapt op mijn bevooroordeelde, lelijke houding. Het is angst, reader dear, verder niets.

Zolang er geen briefjes bij mijn broodje zitten onderneem ik sowieso geen actie. I'm a pretty girl and I don't wanna. Ik heb het al meerdere malen gezegd: ik gun mannen hun mannelijkheid en hun rol als man. En van een kerel die zo vaardig met een groot mes om kan gaan, verwacht ik wel wat. Extra paprika op mijn filet americain zou een goed begin zijn.