Mijn weg naar een auto gaat niet over rozen. Eerder over rotsen, kinderhoofden en spijkers. Nadat deze trip een aanvlucht nam, ergens in december vorig jaar, heb ik flink wat uren in de auto gezeten.
Inderdaad, ik had om een rustige instructeur gevraagd. Maar mijn eerste begeleider was zó rustig dat zelfs driewielers me nog inhaalden. Hij was daarnaast erg bezig met zijn gewicht, wat er in resulteerde dat hij vooral hongerig was en stonk, op een hele intrusieve manier. Soms was het zo erg dat ik me niet kon concentreren op de weg. Hij was best aardig tegen me, daar schortte het niet aan, maar ik schoot geen meter op en dat terwijl diezelfde meter doorliep, zogezegd. Ik was echter naïef – wist ik veel! – en allang dankbaar dat hij niet rookte – iets wat ik nog minder kan verdragen dan lijflucht, ondervoedingsadem en/of poriestank.
Dit probleem loste zich vanzelf op toen hij door omstandigheden stopte met werken. Ik kreeg een nieuwe instructeur, die weliswaar rookte, maar die mij in mijn eerste uur met hem meer hielp dan in het ganse halfjaar ervoor. Hij rookte bovendien niet in de auto, op mijn verzoek. Deze beste man stopte echter met werken op zaterdag en in zijn vakantie kreeg ik nog eens twee instructeurs, die allebei rookten alsof ze er betaald voor kregen. Of misschien was dan ook zo.
Net toen ik dacht dat nicotinedamp inherent was aan rijinstructeurs, kreeg ik een nietroker. Ik hoor u denken: heb ik iets tegen rokers? Neen, maar wel tegen roken, en van een instructeur die in de auto stapt terwijl hij zijn laatste hijs half in de auto uitblaast verzuren mijn hersenen en vernauwt mijn luchtpijp. En dat terwijl zuurstof zo cruciaal is voor het leerproces dat rijden is. Is het eerlijk dat ik mijn haar moet wassen omdat de persoon die ik betaal om mij te helpen rijden graag z'n bronchiën verschroeit? Ik dacht van niet. En we reden niet in een station met open dak, maar in een bescheiden vierdeurs Opel. Alsof een lesauto, met zijn zweethandige, nerveuzige en vooral talrijke bestuurders, niet al smerig genoeg is.
De teller stond inmiddels op vijf. Als permanente vervanger kreeg ik een hele zachtaardige, jonge kerel die ook al een project on the side had: zijn voorjaarsbruiloft. Gelukkig kwam dit niet tussen ons in te staan. En afgelopen week mocht ik dan eindelijk afrijden.
Uur U zou dinsdagmorgen plaatshebben. Maandagmiddag werd ik gebeld dat mijn instructeur ziek was en ik het met een andere instructeur zou moeten doen. U begrijpt, mijn hoop op slagen drukte zich terstond richting aardkern: een andere auto zo vlak voor het examen was een faliekante garantie op zak, op zakken dus. Rust nam het over van stress, zoals vaak in dit soort situaties als je er alles aan gedaan hebt maar er niets meer aan kunt doen, en ik besloot om alle gedachten los te laten. Soms lijkt het universum signalen af te geven. En als ik het nu niet zou halen, nou ja, dan bracht januari nog een poging.
Ik ging voor de bijl – nu maakte het niet veel meer uit. Mijn examinator leek op een van mijn eerste liefdes, wat verwarrend was. Ik verknalde het parkeren en de navigatietrip, maar we kwamen weer veilig bij het CBR. Zijn commentaar: 'Al sta jij een úúr te steken op een plek, ik zag dat je het veilig deed. Dus gefeliciteerd.'
Bedankt, sweetheart. Mijn dag is goed. Volgende week kan ik naar het gemeentehuis en daarna ligt de wereld niet alleen aan mijn voeten, ik kan mijn bolide, en dankzij die zes instructeurs om het even welke bolide op de rode loper houden die snelweg heet. Voor het eerst alleen, maar ik heb er vertrouwen in. Vergeet stress, vergeet geld, vergeet alles. Het enige wat telt is mijn roze multipass en mijn gaspedaal. Byeeeeeeeee.....
woensdag 26 december 2012
zondag 9 december 2012
Prep
Er zijn niet zo heel veel dingen die mij dagelijks angst inboezemen. Natuurlijk ben ik weleens bang dat een van mijn geliefden iets overkomt, maak ik me weleens zorgen over mijn carrière en toekomst en doet die grote harige spin op de muur me heus wel wat. Maar het feit dat ik Europeaan en Hollander ben, maakt dat ik me behoorlijk beschermd voel. Het Nederlandse rechtsysteem is vaak zelfs al te vredelievend, de overheid investeert in straatverlichting, SIRE-spotjes en lieveheersbeestjestrainingen en in termen van klimaat is Nederland haar eigen grootste dreiging met al dat gepomp (dág, NAP) want stormen of orkanen komen hier niet. En wat terrorisme met een grote T betreft: als er een aanslag komt, wordt die gepleegd op de eerste maandag van de maand om twaalf uur, dat geef ik je op een briefje.
Toch zijn er mensen die geloven dat de wereld zoals wij die kennen binnen nu en zeg tien jaar aan haar einde komt. NGC's Doomsday preppers is het programma dat een paar van deze mensen volgt (het zijn er meer dan je denkt). Ik ben sceptisch, vooral omdat ze niet precies weten waarop ze zich voorbereiden en wanneer dat gaat plaatsvinden. Al is dat ook precies de crux; voorbereiding is goed, maar een niet-aflatende staat van paraatheid is immers slecht vol te houden.
Geurbaniseerde Britse preppers hamsteren vooral voedsel: blikken bonen, beef jerkey, zakken rijst, dozen kaarsen. Plattelandspreppers hebben vaak meer grond en gebied tot hun beschikking zijn daarom meer bezig met zelfvoorzienend worden: leren jagen, konijntjes villen, op houtvuur koken en overleven in barre omstandigheden – maar wel met koffie. Al heb ik ook Amerikaanse – zwaar verzekerde – voedselvoorraden gezien waar de redactie van Extreme Couponing gerust een kijkje zou kunnen gaan nemen.
In een van de afleveringen filmden ze een man die naar Slowakije verhuisd was en daar zelfs zijn gezin zo ver had gekregen zijn opvattingen te delen: hij was de hele dag bezig met het zoeken en klaarmaken van eten. Blijkbaar had hij geen baan buitenshuis, maar zijn levensstijl maakte dat dus ook overbodig, al droeg hij wel confectiekleding. 's Avonds at het gezin vers geslachte haas en groenten uit de moestuin. Smullen. Ook zag ik een Amerikaanse prepper die een hele ondergrondse vesting had gebouwd, compleet met wapens, bubbelbad en ontspanningsruimten, waar hij rustig zijn leven zou kunnen voortzetten. Een ander, een Britse vrouw, hamsterde zelfs meer condooms en glijmiddel dan eten: 'Ook in tijden van stress hebben mensen seks!' Het is maar net wat je belangrijk vindt.
Het is vooral de overtuiging van deze mensen die me verbaast, en wat me opvalt is dat het ook nooit mensen zijn die midden in de maatschappij van nu staan. Dat kan natuurlijk ook niet, preppen is een special interest, maar het zijn nooit artsen, accountmanagers of basisschooldocenten. Eerder huisvrouwen, kluizenaars en renteniers. Vooral de Brit die zich er met schitterende ogen op leek te verheugen 'een leider te kunnen zijn in tijden van crisis en totale, totale anarchie' en wel dacht dat hij 'natuurlijk overwicht' zou hebben op een groep werkte op mijn lachspieren. Fijn te weten dat het voormalig pispaaltje van de school geen wrok zal koesteren als er een Dag des Oordeels aanbreekt, mits iedereen hem dan op handen draagt. Op de een of andere manier is de overtuiging van al deze preppers verbonden met geldingsdrang en lichte arrogantie: een manier om onverwerkt leed en een gebrek aan erkenning om te zetten in genoegdoening en reconciliation. Ze weten zeker dat er een ramp aankomt. Dat moet wel, want dat is de enige manier om een abrupt einde te maken aan jaren van bespotting en pesterij. Ik wilde zeggen dat het me ondoenlijk lijkt om je leven in teken te stellen van angst, maar dat is niet wat deze mensen doen. Het is helemaal geen angst die ze ervaren, het is voorpret.
Als ik zou mogen kiezen, zou ik toch gaan voor de zelfvoorziening-en ruilhandeloplossing. Hoewel ik betwijfel of je je ooit goed kunt voorbereiden op een meteorietinslag, raakt voedsel op een dag op, al sla je nog zoveel in. Pispaaltje zou in de nasleep van de ramp graag nog een soort lieflijke nieuwe communie zien ontstaan waarin mensen elkaar helpen, hun krachten bundelen en voor elkaar zorgen, maar geloof me: er is niets immoreler dan honger. Vaarwel moestuin, en wie moet de etensverzekering uitkeren als de banken er niet meer zijn? Wat heb je überhaupt aan het geld van de verzekering als geld geen waarde meer heeft? Uiteindelijk gaat het er dan inderdaad om hoe je een konijn te pakken krijgt vóór een ander het doet.
Het sleutelwoord hier is controle. Mocht er namelijk een natuur-, terroristische-, of epidemische ramp uitbreken, dan moet je op dat moment toch roeien met de riemen die je hebt. Blikopeners en Bowie-messen zijn hierbij cruciaal, maar ook het vermogen tot improviseren en ontspannen. Je kunt nou eenmaal niet over alles controle uitoefenen.
Dus de moraal van dit verhaal? Condooms brengen je ver, konijnen brengen je verder. En als er niet naar je geluisterd wordt op het schoolplein, is prepper worden nog altijd een betere oplossing dan schieten. Food for thought, zogezegd.
Toch zijn er mensen die geloven dat de wereld zoals wij die kennen binnen nu en zeg tien jaar aan haar einde komt. NGC's Doomsday preppers is het programma dat een paar van deze mensen volgt (het zijn er meer dan je denkt). Ik ben sceptisch, vooral omdat ze niet precies weten waarop ze zich voorbereiden en wanneer dat gaat plaatsvinden. Al is dat ook precies de crux; voorbereiding is goed, maar een niet-aflatende staat van paraatheid is immers slecht vol te houden.
Geurbaniseerde Britse preppers hamsteren vooral voedsel: blikken bonen, beef jerkey, zakken rijst, dozen kaarsen. Plattelandspreppers hebben vaak meer grond en gebied tot hun beschikking zijn daarom meer bezig met zelfvoorzienend worden: leren jagen, konijntjes villen, op houtvuur koken en overleven in barre omstandigheden – maar wel met koffie. Al heb ik ook Amerikaanse – zwaar verzekerde – voedselvoorraden gezien waar de redactie van Extreme Couponing gerust een kijkje zou kunnen gaan nemen.
In een van de afleveringen filmden ze een man die naar Slowakije verhuisd was en daar zelfs zijn gezin zo ver had gekregen zijn opvattingen te delen: hij was de hele dag bezig met het zoeken en klaarmaken van eten. Blijkbaar had hij geen baan buitenshuis, maar zijn levensstijl maakte dat dus ook overbodig, al droeg hij wel confectiekleding. 's Avonds at het gezin vers geslachte haas en groenten uit de moestuin. Smullen. Ook zag ik een Amerikaanse prepper die een hele ondergrondse vesting had gebouwd, compleet met wapens, bubbelbad en ontspanningsruimten, waar hij rustig zijn leven zou kunnen voortzetten. Een ander, een Britse vrouw, hamsterde zelfs meer condooms en glijmiddel dan eten: 'Ook in tijden van stress hebben mensen seks!' Het is maar net wat je belangrijk vindt.
Het is vooral de overtuiging van deze mensen die me verbaast, en wat me opvalt is dat het ook nooit mensen zijn die midden in de maatschappij van nu staan. Dat kan natuurlijk ook niet, preppen is een special interest, maar het zijn nooit artsen, accountmanagers of basisschooldocenten. Eerder huisvrouwen, kluizenaars en renteniers. Vooral de Brit die zich er met schitterende ogen op leek te verheugen 'een leider te kunnen zijn in tijden van crisis en totale, totale anarchie' en wel dacht dat hij 'natuurlijk overwicht' zou hebben op een groep werkte op mijn lachspieren. Fijn te weten dat het voormalig pispaaltje van de school geen wrok zal koesteren als er een Dag des Oordeels aanbreekt, mits iedereen hem dan op handen draagt. Op de een of andere manier is de overtuiging van al deze preppers verbonden met geldingsdrang en lichte arrogantie: een manier om onverwerkt leed en een gebrek aan erkenning om te zetten in genoegdoening en reconciliation. Ze weten zeker dat er een ramp aankomt. Dat moet wel, want dat is de enige manier om een abrupt einde te maken aan jaren van bespotting en pesterij. Ik wilde zeggen dat het me ondoenlijk lijkt om je leven in teken te stellen van angst, maar dat is niet wat deze mensen doen. Het is helemaal geen angst die ze ervaren, het is voorpret.
Als ik zou mogen kiezen, zou ik toch gaan voor de zelfvoorziening-en ruilhandeloplossing. Hoewel ik betwijfel of je je ooit goed kunt voorbereiden op een meteorietinslag, raakt voedsel op een dag op, al sla je nog zoveel in. Pispaaltje zou in de nasleep van de ramp graag nog een soort lieflijke nieuwe communie zien ontstaan waarin mensen elkaar helpen, hun krachten bundelen en voor elkaar zorgen, maar geloof me: er is niets immoreler dan honger. Vaarwel moestuin, en wie moet de etensverzekering uitkeren als de banken er niet meer zijn? Wat heb je überhaupt aan het geld van de verzekering als geld geen waarde meer heeft? Uiteindelijk gaat het er dan inderdaad om hoe je een konijn te pakken krijgt vóór een ander het doet.
Het sleutelwoord hier is controle. Mocht er namelijk een natuur-, terroristische-, of epidemische ramp uitbreken, dan moet je op dat moment toch roeien met de riemen die je hebt. Blikopeners en Bowie-messen zijn hierbij cruciaal, maar ook het vermogen tot improviseren en ontspannen. Je kunt nou eenmaal niet over alles controle uitoefenen.
Dus de moraal van dit verhaal? Condooms brengen je ver, konijnen brengen je verder. En als er niet naar je geluisterd wordt op het schoolplein, is prepper worden nog altijd een betere oplossing dan schieten. Food for thought, zogezegd.
zondag 2 december 2012
Beef, stuk
Vechten om een meisje is heldhaftig, maar in deze degenloze tijden zelden slim. Ik schrok vreselijk toen ik de foto's zag van het pak rammel dat Olivier Martinez, ex-bokser en ex-ván, heeft uitgedeeld aan Gabriel Aubry, verdienstelijk mooi en ex van de huidige love interest van de agressor.
De inzet was de dochter van Gabriel en zijn ex, Halle Berry. Deze vrouw heeft een talent voor het uitzoeken van handtastelijke mannen en ik dacht eerlijk gezegd dat ze met Gabriel eindelijk een stabiele partner had gevonden. De romance tussen hen bloeide zo'n zes jaar geleden op tijdens een fotoshoot. Helaas bloedde de liefde net zo hard weer dood. Dochter Nahla was toen twee. En sindsdien is het, uh, dunne mik en oude-jongens-krenterigbrood tussen die twee.
Gabriel wil er zijn voor zijn dochter, die als twee druppels water op hem lijkt. Halle wil dat niet en ontzegt hem contact – ze wilde zelfs naar Frankrijk verhuizen om een leven op te bouwen met haar nieuwe liefje Olivier. Dat was dan ook de aanleiding voor de knokpartij: Halle mag niet naar een ander continent verhuizen van de rechter en Olivier kon dat slecht verdragen, hoewel het zijn strijd helemaal niet is. Dus loste hij het op zijn Frans op, en dat ging minder liefdevol dan het klinkt.
Gabriels rechteroog is nu blauwzwart dichtgeslagen in plaats van flitsend groen. Zijn linkeroog is versierd met een snee, hij heeft een scheur in zijn lip en zijn mooie neus is twee keer zo dik als normaal. Op foto's van zijn slanke handen is te zien dat hij geen afweer- of agressorwonden heeft. Hij ziet er op de foto's letterlijk zo verslagen uit dat ik zijn gezicht in mijn handen wil nemen, hem over zijn wangen wil aaien en hem lieve zachte zoentjes wil geven.
(Al was dat hiervóór ook geen zware opgave... )
Eerst vond ik het laf dat Gabriel zich niet had verweerd. Het leek in eerste instantie ook alsof Gabriel, die naar verluid een anger management problem heeft, als eerste had uitgehaald – maar toen had ik de foto's nog niet gezien. Met het oog op de voogdij en zijn historie zou dat niet slim geweest zijn: dan had hij zijn bezoekrechten helemaal vaarwel kunnen zeggen. Ik had het hem overigens niet kwalijk genomen; waarom die sleazy squinty frenchman Olivier überhaupt zijn worstenvingers in deze voogdijbrij steekt is me niet duidelijk, want het kind is niet van hem en het is niet alsof hij al met Halle getrouwd is. Hij heeft de vader van zijn stiefkind-in-spé hoe dan ook te respecteren. Als hij echt zoveel van zijn verloofde houdt, zou die liefde eventuele wrok die hij voelt jegens haar ex dat moeten overstijgen.
En dan Halle nog. Ik heb nooit zo goed begrepen waarom Halle zo wordt verafgood door een groot deel van de wereld. Ik vind haar zeker niet lelijk, maar nou ook niet bijzonder knap – ze heeft een not so cute button nose en piekhaar en haar wat tacovormige hoofd wordt nog wat tacoachtiger door dat eeuwige stomme korte kapsel en daarbij heeft ze zes tenen per voet en draagt ze altijd, altijd slippers. (Toen ze nog met Gabriel samen was had ze trouwens lang haar – ik had kunnen weten dat het misging toen ze plotseling weer terugging naar die pixie slakrop.) Maar acteren gaat haar, door de bank genomen, best goed af.
Ik vind dat ze erop achteruit is gegaan. Van een lange, slanke, mooie man naar een gedrongen vechtlustige rat met poolhondogen is geen goede deal. Als dochter uit een eenoudergezin zou Halle zich in de handen moeten knijpen dat haar ex er wil zijn voor hun kind, in plaats van hem af te schilderen als een klaploper en hem in elkaar te laten slaan door haar huidige liefje. Want hoewel ik denk dat Olivier van zichzelf al agressief is – hij heeft vast op straat leren vechten, ergens in een Parijse banlieu – is het vreemd dat hij Gabriel schijnbaar zonder reden aanvliegt, bedreigt en zó toetakelt dat diens broodwinning in gevaar komt. Ik kan me niet voorstellen dat dat gebeurd zou zijn als Halle zich altijd liefdevol en respectvol over de vader van haar dochter heeft uitgelaten. Van iemand die zelf in elkaar is getrimd door haar eerste man, had ik bovendien meer actie verwacht; tien tegen één dat hij op een kwade dag haar of haar kind aanvliegt.
We zullen merken hoe dit afloopt. Misschien is Gabriel inderdaad niet de doting daddy die hij lijkt, en Halle niet de heks. Olivier blijft hoe dan ook de poolhond. Mocht Gabriel een nieuwe love interest zoeken om zijn family life credibility mee op te bouwen, dan mag hij me bellen, uitvreter of niet. Als de nood aan de man is, gaan we gewoon over op gehaktbrood.
De inzet was de dochter van Gabriel en zijn ex, Halle Berry. Deze vrouw heeft een talent voor het uitzoeken van handtastelijke mannen en ik dacht eerlijk gezegd dat ze met Gabriel eindelijk een stabiele partner had gevonden. De romance tussen hen bloeide zo'n zes jaar geleden op tijdens een fotoshoot. Helaas bloedde de liefde net zo hard weer dood. Dochter Nahla was toen twee. En sindsdien is het, uh, dunne mik en oude-jongens-krenterigbrood tussen die twee.
Gabriel wil er zijn voor zijn dochter, die als twee druppels water op hem lijkt. Halle wil dat niet en ontzegt hem contact – ze wilde zelfs naar Frankrijk verhuizen om een leven op te bouwen met haar nieuwe liefje Olivier. Dat was dan ook de aanleiding voor de knokpartij: Halle mag niet naar een ander continent verhuizen van de rechter en Olivier kon dat slecht verdragen, hoewel het zijn strijd helemaal niet is. Dus loste hij het op zijn Frans op, en dat ging minder liefdevol dan het klinkt.
Gabriels rechteroog is nu blauwzwart dichtgeslagen in plaats van flitsend groen. Zijn linkeroog is versierd met een snee, hij heeft een scheur in zijn lip en zijn mooie neus is twee keer zo dik als normaal. Op foto's van zijn slanke handen is te zien dat hij geen afweer- of agressorwonden heeft. Hij ziet er op de foto's letterlijk zo verslagen uit dat ik zijn gezicht in mijn handen wil nemen, hem over zijn wangen wil aaien en hem lieve zachte zoentjes wil geven.
(Al was dat hiervóór ook geen zware opgave... )
Eerst vond ik het laf dat Gabriel zich niet had verweerd. Het leek in eerste instantie ook alsof Gabriel, die naar verluid een anger management problem heeft, als eerste had uitgehaald – maar toen had ik de foto's nog niet gezien. Met het oog op de voogdij en zijn historie zou dat niet slim geweest zijn: dan had hij zijn bezoekrechten helemaal vaarwel kunnen zeggen. Ik had het hem overigens niet kwalijk genomen; waarom die sleazy squinty frenchman Olivier überhaupt zijn worstenvingers in deze voogdijbrij steekt is me niet duidelijk, want het kind is niet van hem en het is niet alsof hij al met Halle getrouwd is. Hij heeft de vader van zijn stiefkind-in-spé hoe dan ook te respecteren. Als hij echt zoveel van zijn verloofde houdt, zou die liefde eventuele wrok die hij voelt jegens haar ex dat moeten overstijgen.
En dan Halle nog. Ik heb nooit zo goed begrepen waarom Halle zo wordt verafgood door een groot deel van de wereld. Ik vind haar zeker niet lelijk, maar nou ook niet bijzonder knap – ze heeft een not so cute button nose en piekhaar en haar wat tacovormige hoofd wordt nog wat tacoachtiger door dat eeuwige stomme korte kapsel en daarbij heeft ze zes tenen per voet en draagt ze altijd, altijd slippers. (Toen ze nog met Gabriel samen was had ze trouwens lang haar – ik had kunnen weten dat het misging toen ze plotseling weer terugging naar die pixie slakrop.) Maar acteren gaat haar, door de bank genomen, best goed af.
Ik vind dat ze erop achteruit is gegaan. Van een lange, slanke, mooie man naar een gedrongen vechtlustige rat met poolhondogen is geen goede deal. Als dochter uit een eenoudergezin zou Halle zich in de handen moeten knijpen dat haar ex er wil zijn voor hun kind, in plaats van hem af te schilderen als een klaploper en hem in elkaar te laten slaan door haar huidige liefje. Want hoewel ik denk dat Olivier van zichzelf al agressief is – hij heeft vast op straat leren vechten, ergens in een Parijse banlieu – is het vreemd dat hij Gabriel schijnbaar zonder reden aanvliegt, bedreigt en zó toetakelt dat diens broodwinning in gevaar komt. Ik kan me niet voorstellen dat dat gebeurd zou zijn als Halle zich altijd liefdevol en respectvol over de vader van haar dochter heeft uitgelaten. Van iemand die zelf in elkaar is getrimd door haar eerste man, had ik bovendien meer actie verwacht; tien tegen één dat hij op een kwade dag haar of haar kind aanvliegt.
We zullen merken hoe dit afloopt. Misschien is Gabriel inderdaad niet de doting daddy die hij lijkt, en Halle niet de heks. Olivier blijft hoe dan ook de poolhond. Mocht Gabriel een nieuwe love interest zoeken om zijn family life credibility mee op te bouwen, dan mag hij me bellen, uitvreter of niet. Als de nood aan de man is, gaan we gewoon over op gehaktbrood.
zondag 25 november 2012
Gereserveerd
Lezen over gezeik is veel leuker dan lezen over leuke dingen. Leuke dingen leiden niet tot frustratie of herkenning, dus die deel ik zelden. Leuke dingen – leuke mannen, leuke dates, leuke uitjes – zijn daarnaast vaak veel te persoonlijk om in een blog te plempen, dus dat doe ik niet vaak. Ik heb weleens een man ontmoet die mijn blog las voordat hij mijn nummer had en angstig vroeg: 'Je gaat toch niet over mij schrijven?'
Los van dat ik niet graag met mannen omga die eigenlijk bang voor me zijn, zou ik mijzelf niet willen vleien met de gedachte dat mijn bescheiden lezerspubliek deze jongen voorgoed aan de schandpaal nagelt. Ik vind zijn angst (of zo determineer ik het) vleiend, maar dit is geen Volkskrant-column – dat mocht ik willen. Ik schrijf daarnaast zelden over rendates-vous die leuk waren; die houd ik voor mijzelf (en mijn date). De misery date-verhalen waar ik wél over blog zijn zó absurd dat ik ze de rest van de wereld niet wil onthouden, maar het zijn wel zulke excessen dat ik niet mag hopen dat een man die ze leest, ze na wil volgen. Ik weet heel goed dat het merendeel van het ongeveer-dertigjarig manvolk geen deuren in mijn gezicht dicht zal laten klappen, moeilijk zal doen over mijn twee wijntjes of kopjes thee of me zal vragen of ik niet voor zijn deur had kunnen gaan liggen. Maar die keer dat ik een date had met een man die mijn blog al te letterlijk nam, heeft me wel gewaarschuwd voorzichtiger met mijn schrijfsels te zijn.
(Zelfcensuur blijft een hangijzer: lees ook Pupil)
Lezen over crap die anderen overkomt is nou eenmaal veel leuker dan zoetsappige ik-ben-zooooo-gelukkig-kijk-de-foto's-maar-blogs. Zeuren wekt sympathie, love gushing wekt walging. Blij zijn doe je maar in je eigen tijd, en beeld. Ik houd van mannen, in al hun verschillende verschijningsvormen, en zou ook nooit een man zo te kakken zetten in een stuk tekst: als het een klootzak is, gun ik hem dat niet, en als het gewoon niet klikt, is te kakken zetten niet nodig, onvrouwelijk (inderdaad, van mij...) en onvolwassen.
Dus nu een zeurend stuk: over service. Toen ik laatst een tafel voor drie wilde reserveren op een vrijdagavond, kreeg ik bij zeven restaurants te horen dat er niet meer gereserveerd kon worden voor groepen kleiner dan zes personen. Wel kon ik in het wachten op een tafel alvast plaatsnemen aan de bar.
De laatste keer dat ik dat deed bedroeg de wachttijd een uur en was de drankrekening van de bar hoger dan die van de uiteindelijke tafel. Dank je feestelijk.
Ik vind het geen stijl dat ik, als ik een week van tevoren bel, niet kan reserveren voor mijn gezelschap. Is mijn geld soms niet goed genoeg, niet rendabel voor op een vrijdagavond, waar we vanwege de drukte toch al worden weggekeken? En de mensen die al zitten te eten, hoe hebben zij die tafel dan voor elkaar gebokst?
Ik reserveer juist omdat ik me wil verzekeren van een plek, zonder eerst mijn eetlust te bederven met uit armoede aangeschafte borrelhapjes en teveel wijn. Als het om het geld gaat, vormt dat sowieso geen argument, want als ik die tafel eenmaal krijg, is mijn trek grotendeels verdwenen.
Het plezier, de voorpret en de gastvrijheid waar ik voor wil betalen als ik uit eten ga verdampt ook. Bovendien zeg ik wel dat dit een service-issue is, maar het hele idee van een restaurant is toch dat ik betaal om er te mogen eten? Het is dus helemaal geen service om mij een tafel te geven: het is de kern van de dienst. Betalen voor wachten doe ik al bij de NS...
Ik snap dat fietsenmakers alleen nog maar vervangen en niet meer plakken. Ik snap dat de schoenmaker mijn schoenen niet meer gratis in de was zet. Ik snap dat er geen plakjes worst meer worden uitgedeeld bij de slager aan de toonbank. Maar dat ik zonder half dozijn geen tafel krijg in een restaurant, dat begrijp ik niet.
De volgende keer ga ik dus reserveren voor zes en zijn er drie personen onwel geworden op het punt van aanvang. Two can play that game. Hoe komt mijn pump daar anders tussen de deur?
(Maar als er iemand is die in zijn stamkroeg wil testen hoe lang het duurt voor we met z'n tweeën een plekkie krijgen, houd ik me aanbevolen... ik ben reuze onderhoudend en zal er niet over schrijven, erewoord.)
Los van dat ik niet graag met mannen omga die eigenlijk bang voor me zijn, zou ik mijzelf niet willen vleien met de gedachte dat mijn bescheiden lezerspubliek deze jongen voorgoed aan de schandpaal nagelt. Ik vind zijn angst (of zo determineer ik het) vleiend, maar dit is geen Volkskrant-column – dat mocht ik willen. Ik schrijf daarnaast zelden over rendates-vous die leuk waren; die houd ik voor mijzelf (en mijn date). De misery date-verhalen waar ik wél over blog zijn zó absurd dat ik ze de rest van de wereld niet wil onthouden, maar het zijn wel zulke excessen dat ik niet mag hopen dat een man die ze leest, ze na wil volgen. Ik weet heel goed dat het merendeel van het ongeveer-dertigjarig manvolk geen deuren in mijn gezicht dicht zal laten klappen, moeilijk zal doen over mijn twee wijntjes of kopjes thee of me zal vragen of ik niet voor zijn deur had kunnen gaan liggen. Maar die keer dat ik een date had met een man die mijn blog al te letterlijk nam, heeft me wel gewaarschuwd voorzichtiger met mijn schrijfsels te zijn.
(Zelfcensuur blijft een hangijzer: lees ook Pupil)
Lezen over crap die anderen overkomt is nou eenmaal veel leuker dan zoetsappige ik-ben-zooooo-gelukkig-kijk-de-foto's-maar-blogs. Zeuren wekt sympathie, love gushing wekt walging. Blij zijn doe je maar in je eigen tijd, en beeld. Ik houd van mannen, in al hun verschillende verschijningsvormen, en zou ook nooit een man zo te kakken zetten in een stuk tekst: als het een klootzak is, gun ik hem dat niet, en als het gewoon niet klikt, is te kakken zetten niet nodig, onvrouwelijk (inderdaad, van mij...) en onvolwassen.
Dus nu een zeurend stuk: over service. Toen ik laatst een tafel voor drie wilde reserveren op een vrijdagavond, kreeg ik bij zeven restaurants te horen dat er niet meer gereserveerd kon worden voor groepen kleiner dan zes personen. Wel kon ik in het wachten op een tafel alvast plaatsnemen aan de bar.
De laatste keer dat ik dat deed bedroeg de wachttijd een uur en was de drankrekening van de bar hoger dan die van de uiteindelijke tafel. Dank je feestelijk.
Ik vind het geen stijl dat ik, als ik een week van tevoren bel, niet kan reserveren voor mijn gezelschap. Is mijn geld soms niet goed genoeg, niet rendabel voor op een vrijdagavond, waar we vanwege de drukte toch al worden weggekeken? En de mensen die al zitten te eten, hoe hebben zij die tafel dan voor elkaar gebokst?
Ik reserveer juist omdat ik me wil verzekeren van een plek, zonder eerst mijn eetlust te bederven met uit armoede aangeschafte borrelhapjes en teveel wijn. Als het om het geld gaat, vormt dat sowieso geen argument, want als ik die tafel eenmaal krijg, is mijn trek grotendeels verdwenen.
Het plezier, de voorpret en de gastvrijheid waar ik voor wil betalen als ik uit eten ga verdampt ook. Bovendien zeg ik wel dat dit een service-issue is, maar het hele idee van een restaurant is toch dat ik betaal om er te mogen eten? Het is dus helemaal geen service om mij een tafel te geven: het is de kern van de dienst. Betalen voor wachten doe ik al bij de NS...
Ik snap dat fietsenmakers alleen nog maar vervangen en niet meer plakken. Ik snap dat de schoenmaker mijn schoenen niet meer gratis in de was zet. Ik snap dat er geen plakjes worst meer worden uitgedeeld bij de slager aan de toonbank. Maar dat ik zonder half dozijn geen tafel krijg in een restaurant, dat begrijp ik niet.
De volgende keer ga ik dus reserveren voor zes en zijn er drie personen onwel geworden op het punt van aanvang. Two can play that game. Hoe komt mijn pump daar anders tussen de deur?
(Maar als er iemand is die in zijn stamkroeg wil testen hoe lang het duurt voor we met z'n tweeën een plekkie krijgen, houd ik me aanbevolen... ik ben reuze onderhoudend en zal er niet over schrijven, erewoord.)
Labels:
angst,
bewijslast,
drank,
ergernis,
omgangsvormen
zaterdag 17 november 2012
Scripted
Sinds enkele weken wordt mijn aandacht getrokken door een nieuw tv-genre: de semirealitytelevisieserie. (drie keer woordwaarde!) Aanschouw de belichaming van deze pulp uit een potje met eigen ogen: Achter Gesloten Deuren, compleet met haar eigen website en hashtagvermelding.
Het uitgangspunt van AGD (mon dieu!) is dat levensechte verhalen worden nagespeeld door levensechte mensen. Ik heb niet alle afleveringen gezien, maar van de plusminus tien afleveringen die ik heb gescand gingen er toch zo'n zeven over zwanger zijn van je minnaar/ex/scharrel/zwager en de rest over koop,- lieg-, drank- of gokverslaving.
Waar, lieve lezer, komt deze aftandse poging tot catharsisverschaffing vandaan? Vraag kan het zeker niet geweest zijn: de acteurs (ik gebruik de term met grootste voorzichtigheid) zijn niet geweldig en kunnen alleen maar naar elkaar kijken met die ik-moet-poepen-blik die zo kenmerkend is voor de Hollandse soap. (De Blik! En dan: Het Inzoomen!) Je zou jezelf in de acteurs moeten kunnen herkennen omdat ze zoveel lijken op u en ik, maar dat lukt niet goed.
Elke aflevering is er een geheim, een ingewijde, een breekpunt en een happy of iets minder happy end. Na lang steggelen, 'thuisopnames' met een camera op een nachtelijk tijdstip en flink wat drankjes met de ingewijde (op telkens hetzelfde terras) bekent de hoofdpersoon altijd het geheim aan zijn of haar geliefde. De ingewijde geeft op het terras steevast het advies niet op te biechten en komt daar steevast achteraf op terug. Tussendoor worden kijkers opgeroepen mee te twitteren, hun reactie achter te laten op de website of beter nog, hun eigen verhaal te spuien op het AGD-forum – wat tot doel heeft het voor volgend seizoen te kunnen gebruiken, waarschijnlijk.
AGD is een kruising tussen GTST en Ricki Lake, maar dan zonder Ricki Lake. Alsof we na Oh Oh Cherso, Help, mijn man is klusser en Wie moet wie nou wat vragen? (kots!) zaten te wachten op nog een realityserie. Uit het leven gegrepen... met script! ga je moeder pesten, zeg.
Blijkbaar zijn er een heleboel vreemdgaande zwangeren, handtastelijke vaders, koopzuchtige vinexdertigers en drankverslaafde kakmadammen, en AGD bestaat bij de gratie ervan. Op het forum kon ik overigens ten tijde van het schrijven van dit stuk geen reactie ontdekken; maar dat kan natuurlijk ook komen omdat kijkers hun geheim niet op deze manier willen delen.
Uit onderzoek van uitzender Net5 (600 ondervraagden, ik gok Net5-kijkers) is in ieder geval gebleken dat zes op de tien één of meer geheimen met zich meedraagt. Middels dit onderzoek heeft Net5 de belabberde ziel en het zware geweten van haar kijkers uitgesplitst en doorgelicht tot de laatste snik. Drie onderwerpen kwamen naar boven, lieve lezer: het lijfelijke, den vagijn en en den haert.
Het onderdeel genante lichamelijke klachten was zó groot dat daarvoor fluks de scripted realityserie Dokters in het leven is geroepen. ('Het merendeel van deze dokters heeft in het echt óók een medische achtergrond'; need I say more?) Het tweede onderwerp dat veel aan bod kwam in de geheimencarrousel van het onderzoek sloeg op geheimen van seksuele aard – vandaar al die afleveringen met paternity-kwesties. De aanname dat één op de tien kinderen in Nederland een andere vader heeft dan gedacht, doet al langer de ronde, dus misschien is het tijd om dit cijfer naar boven bij te stellen.
(al loopt het volgens NRC-next allemaal zo'n vaart niet)
Een laatste opsteker uit deze geweldige studie is dat vrouwen een geheim maximaal 48 uur - maximaal 48 uur! - kunnen bewaren. (Zou dat inclusief of exclusief de nacht zijn? Eeehhmm...) Eerlijk is eerlijk, deze stelling komt uit een andere studie met méér deelnemers, maar staat toch op de site vermeld en houdt er blijkbaar verband mee. Wel, als het doel van AGD was om kijkers een behaaglijk platform en een luisterend oor te bieden, snijdt Net5 zichzelf hiermee toch echt in de vingers, want ik durf er mijn geboortecertificaat onder te verwedden dat de gemiddelde Net5kijker vrouwelijk is. Het mes waarmee de vivisectie is verricht snijdt, zogezegd, aan twee kanten.
Laat Net5 zich vooral bij haar leest houden en doen waar ze goed in is: Sex & The City, manverkiezingen en reisjes uit naam van de liefde. Dat is een vorm van onderzoek waar ze wél in uitblinkt: vrolijk, vrijblijvend, vivisexy.
Het uitgangspunt van AGD (mon dieu!) is dat levensechte verhalen worden nagespeeld door levensechte mensen. Ik heb niet alle afleveringen gezien, maar van de plusminus tien afleveringen die ik heb gescand gingen er toch zo'n zeven over zwanger zijn van je minnaar/ex/scharrel/zwager en de rest over koop,- lieg-, drank- of gokverslaving.
Waar, lieve lezer, komt deze aftandse poging tot catharsisverschaffing vandaan? Vraag kan het zeker niet geweest zijn: de acteurs (ik gebruik de term met grootste voorzichtigheid) zijn niet geweldig en kunnen alleen maar naar elkaar kijken met die ik-moet-poepen-blik die zo kenmerkend is voor de Hollandse soap. (De Blik! En dan: Het Inzoomen!) Je zou jezelf in de acteurs moeten kunnen herkennen omdat ze zoveel lijken op u en ik, maar dat lukt niet goed.
Elke aflevering is er een geheim, een ingewijde, een breekpunt en een happy of iets minder happy end. Na lang steggelen, 'thuisopnames' met een camera op een nachtelijk tijdstip en flink wat drankjes met de ingewijde (op telkens hetzelfde terras) bekent de hoofdpersoon altijd het geheim aan zijn of haar geliefde. De ingewijde geeft op het terras steevast het advies niet op te biechten en komt daar steevast achteraf op terug. Tussendoor worden kijkers opgeroepen mee te twitteren, hun reactie achter te laten op de website of beter nog, hun eigen verhaal te spuien op het AGD-forum – wat tot doel heeft het voor volgend seizoen te kunnen gebruiken, waarschijnlijk.
AGD is een kruising tussen GTST en Ricki Lake, maar dan zonder Ricki Lake. Alsof we na Oh Oh Cherso, Help, mijn man is klusser en Wie moet wie nou wat vragen? (kots!) zaten te wachten op nog een realityserie. Uit het leven gegrepen... met script! ga je moeder pesten, zeg.
Blijkbaar zijn er een heleboel vreemdgaande zwangeren, handtastelijke vaders, koopzuchtige vinexdertigers en drankverslaafde kakmadammen, en AGD bestaat bij de gratie ervan. Op het forum kon ik overigens ten tijde van het schrijven van dit stuk geen reactie ontdekken; maar dat kan natuurlijk ook komen omdat kijkers hun geheim niet op deze manier willen delen.
Uit onderzoek van uitzender Net5 (600 ondervraagden, ik gok Net5-kijkers) is in ieder geval gebleken dat zes op de tien één of meer geheimen met zich meedraagt. Middels dit onderzoek heeft Net5 de belabberde ziel en het zware geweten van haar kijkers uitgesplitst en doorgelicht tot de laatste snik. Drie onderwerpen kwamen naar boven, lieve lezer: het lijfelijke, den vagijn en en den haert.
Het onderdeel genante lichamelijke klachten was zó groot dat daarvoor fluks de scripted realityserie Dokters in het leven is geroepen. ('Het merendeel van deze dokters heeft in het echt óók een medische achtergrond'; need I say more?) Het tweede onderwerp dat veel aan bod kwam in de geheimencarrousel van het onderzoek sloeg op geheimen van seksuele aard – vandaar al die afleveringen met paternity-kwesties. De aanname dat één op de tien kinderen in Nederland een andere vader heeft dan gedacht, doet al langer de ronde, dus misschien is het tijd om dit cijfer naar boven bij te stellen.
(al loopt het volgens NRC-next allemaal zo'n vaart niet)
Een laatste opsteker uit deze geweldige studie is dat vrouwen een geheim maximaal 48 uur - maximaal 48 uur! - kunnen bewaren. (Zou dat inclusief of exclusief de nacht zijn? Eeehhmm...) Eerlijk is eerlijk, deze stelling komt uit een andere studie met méér deelnemers, maar staat toch op de site vermeld en houdt er blijkbaar verband mee. Wel, als het doel van AGD was om kijkers een behaaglijk platform en een luisterend oor te bieden, snijdt Net5 zichzelf hiermee toch echt in de vingers, want ik durf er mijn geboortecertificaat onder te verwedden dat de gemiddelde Net5kijker vrouwelijk is. Het mes waarmee de vivisectie is verricht snijdt, zogezegd, aan twee kanten.
Laat Net5 zich vooral bij haar leest houden en doen waar ze goed in is: Sex & The City, manverkiezingen en reisjes uit naam van de liefde. Dat is een vorm van onderzoek waar ze wél in uitblinkt: vrolijk, vrijblijvend, vivisexy.
zondag 11 november 2012
Smokey
Zaterdag was het dan zover: ik keek, in het kader van de I love Fifty Shades of Grey-maand op Net5, eindelijk dan de klassieker 9 1/2 Weeks. En hoewel ik mij eerst door de seksuele belevenissen van Danielle en Lange Frans, Jeroen Nieuwenhuize (woef!) en Dries R. en zoon heen moest worstelen was het dan eindelijk tijd voor Mickey Rourke en Kim Basinger.
Wat mij opviel, was dat Mickey Rourke vroeger vrij heet was. Wat mij nog meer opviel, is dat Kim Basinger nog steeds heet is, voor zover je een vrouw van vijftigplus met goed fatsoen heet kunt blijven noemen. Ondanks dat ik af en toe horendol werd van Kim's opgewonden gilletjes – iets te jongig voor de thirthysomething divorcee die ze portretteert – is het een romantische film, onschuldig en oprecht sexy zoals alleen films uit de jaren tachtig dat kunnen zijn. De film is slecht ontvangen, heeft een paar Razzies heeft gewonnen en kwam in opspraak door haar erotiek. Het acteerwerk is inderdaad niet om over naar huis te schrijven, maar voor iemand die Mickey achteraf 'een menselijke asbak' noemde zet Kim behoorlijk overtuigend neer dat ze haar tegenspeler onweerstaanbaar vindt. Twee uur lang zoenen en zweten met een hartstochtelijk roker verdient daarnaast sowieso een Oscar. Ik vind aankomen bovendien makkelijker. Waarom Charlize en Halle wel, maar Kim niet?
Inderdaad, voor die tijd zijn sommige scènes behoorlijk expliciet, maar godzijdank zijn haar (Kim én de film) de softfocusnavel, trillende tepels en stereotype kreuntjes bespaard gebleven. Wat plaatsvindt is rechttoe rechtaan gerampetamp – een beter woord kan ik er niet voor verzinnen – maar veelal met kleren aan, dus eigenlijk is het nogal braaf.
(maar ja, zie maar eens over Monster's Ball, Irreversible of Michael Winterbottom's Nine Songs heen te komen.)
De welbekende scène naast de ijskast, waar 'John' 'Elizabeth' volpropt met eten dat alleen Amerikanen in huis hebben (gelatinepudding, ready-made koekjesdeeg, marshmellow uit pot en andere smerigheden) duurt veel te lang en ontaardt in een kleverige vreetschuur: beetje ranzig. Wat er wel uit springt is het stuk op de trap van een soort sarcofaag. Dat zit zo: Elizabeth heeft zich die avond speciaal voor John verkleed als man, snor incluis. Als zij als twee mannen over straat gaan, worden ze daarop aangesproken. Elizabeth laat dat niet over haar kant gaan, tergt de spreker en dan zijn de rapen gaar. John en Elizabeth vluchten en weten hun achtervolgers af te schudden. Ze staan op dat moment onderaan een trap. Verhit van al die spanning en dat stukje rennen besluiten ze elkaar ter plekke te pakken: geen tijd te verliezen. Dat het regent, hun kleren doornat zijn en het geen zomer is, deert niet. John kleedt Elizabeth uit en neemt haar terstond zonder scrupules op de oh zo comfortabele trap. (Ze houdt haar herenschoenen aan; als ik niet beter wist zou ik er een paper over kunnen schrijven.) Een paar minuten lang hoor je als kijker slechts het geluid van vallende regen – ze hangen onder de afvoer van een goot – en kletsende buiken. Vraiment; wáárlijk sexy. Bijna net zo sexy als de slaapkamerbekentenissen van Dries Junior.
Ook de relatie tussen John en Elizabeth komt niet echt uit de verf. Hij zorgt net een tikje te obsessief voor haar, maar nagenoeg nergens in de film heeft ze daarover innerlijk conflict, gewetensbezwaar of dialoog met een vriendin. (Dat was kazig geweest, maar wel realistischer.)
De enige vriendin/collega die wel een rol hierin heeft gaat uit met Elizabeths ex, maar die verhaallijn krijgt evenmin een staart. Slechts één keer huilt Elizabeth krokodillentranen als John haar dwingt op handen en knieën wat geld op te rapen, maar dat is vrij snel voorbij als ze daarna weer in bed belanden. Het lijkt wel een stel bonobo's, niet zozeer omdat ze het zoveel doen, maar omdat ze seks als goedmaker, communicatiemiddel en tijdverdrijf gebruiken.
(Ik hoor de cynici onder u denken: wat is daar dan vreemd aan? Niets, hoor. Niets.)
Uiteindelijk verlaat Elizabeth John; dat komt vrij abrupt. Niks wees er namelijk op dat Elizabeth Johns verregaande aandacht onprettig vond. Wat overblijft is een flinterdun verhaal dat steunt op twee middelmatige acteurs met mooie lijven. Et voila; een klassieker is vlug verwekt. Geen ingewikkelde Stockholmsyndroomcomplotten, geëmancipeerde Bildungsplaatjes of verwerking van tot dan toe genegeerd jeugdtrauma. Maar dat past dan weer goed bij de Fifty Shades of Grey-hype. Wist u trouwens dat de eerste FSOG-geïnspireerde scheiding ook alweer een feit is? Niet te filmen...
En wat hebben we hiervan geleerd? Dat een mooi lijf en stomende seks geen garantie geven op een inhoudelijk gelukkige relatie of een blockbuster, zoveel is duidelijk. (Ik denk overigens wel dat het hélpt, hoor.) Dat één van de twee er altijd beter uitkomt, klopt óók, kijk maar naar Mickey. Kim heeft in ieder geval het 9 1/2 weeks-schip op tijd verlaten. Voor romantisch en knap zijn geef ik haar hoe dan ook een tien, met of zonder jarretelles, Gauloises, zweepjes of brogues.
Wat mij opviel, was dat Mickey Rourke vroeger vrij heet was. Wat mij nog meer opviel, is dat Kim Basinger nog steeds heet is, voor zover je een vrouw van vijftigplus met goed fatsoen heet kunt blijven noemen. Ondanks dat ik af en toe horendol werd van Kim's opgewonden gilletjes – iets te jongig voor de thirthysomething divorcee die ze portretteert – is het een romantische film, onschuldig en oprecht sexy zoals alleen films uit de jaren tachtig dat kunnen zijn. De film is slecht ontvangen, heeft een paar Razzies heeft gewonnen en kwam in opspraak door haar erotiek. Het acteerwerk is inderdaad niet om over naar huis te schrijven, maar voor iemand die Mickey achteraf 'een menselijke asbak' noemde zet Kim behoorlijk overtuigend neer dat ze haar tegenspeler onweerstaanbaar vindt. Twee uur lang zoenen en zweten met een hartstochtelijk roker verdient daarnaast sowieso een Oscar. Ik vind aankomen bovendien makkelijker. Waarom Charlize en Halle wel, maar Kim niet?
Inderdaad, voor die tijd zijn sommige scènes behoorlijk expliciet, maar godzijdank zijn haar (Kim én de film) de softfocusnavel, trillende tepels en stereotype kreuntjes bespaard gebleven. Wat plaatsvindt is rechttoe rechtaan gerampetamp – een beter woord kan ik er niet voor verzinnen – maar veelal met kleren aan, dus eigenlijk is het nogal braaf.
(maar ja, zie maar eens over Monster's Ball, Irreversible of Michael Winterbottom's Nine Songs heen te komen.)
De welbekende scène naast de ijskast, waar 'John' 'Elizabeth' volpropt met eten dat alleen Amerikanen in huis hebben (gelatinepudding, ready-made koekjesdeeg, marshmellow uit pot en andere smerigheden) duurt veel te lang en ontaardt in een kleverige vreetschuur: beetje ranzig. Wat er wel uit springt is het stuk op de trap van een soort sarcofaag. Dat zit zo: Elizabeth heeft zich die avond speciaal voor John verkleed als man, snor incluis. Als zij als twee mannen over straat gaan, worden ze daarop aangesproken. Elizabeth laat dat niet over haar kant gaan, tergt de spreker en dan zijn de rapen gaar. John en Elizabeth vluchten en weten hun achtervolgers af te schudden. Ze staan op dat moment onderaan een trap. Verhit van al die spanning en dat stukje rennen besluiten ze elkaar ter plekke te pakken: geen tijd te verliezen. Dat het regent, hun kleren doornat zijn en het geen zomer is, deert niet. John kleedt Elizabeth uit en neemt haar terstond zonder scrupules op de oh zo comfortabele trap. (Ze houdt haar herenschoenen aan; als ik niet beter wist zou ik er een paper over kunnen schrijven.) Een paar minuten lang hoor je als kijker slechts het geluid van vallende regen – ze hangen onder de afvoer van een goot – en kletsende buiken. Vraiment; wáárlijk sexy. Bijna net zo sexy als de slaapkamerbekentenissen van Dries Junior.
Ook de relatie tussen John en Elizabeth komt niet echt uit de verf. Hij zorgt net een tikje te obsessief voor haar, maar nagenoeg nergens in de film heeft ze daarover innerlijk conflict, gewetensbezwaar of dialoog met een vriendin. (Dat was kazig geweest, maar wel realistischer.)
De enige vriendin/collega die wel een rol hierin heeft gaat uit met Elizabeths ex, maar die verhaallijn krijgt evenmin een staart. Slechts één keer huilt Elizabeth krokodillentranen als John haar dwingt op handen en knieën wat geld op te rapen, maar dat is vrij snel voorbij als ze daarna weer in bed belanden. Het lijkt wel een stel bonobo's, niet zozeer omdat ze het zoveel doen, maar omdat ze seks als goedmaker, communicatiemiddel en tijdverdrijf gebruiken.
(Ik hoor de cynici onder u denken: wat is daar dan vreemd aan? Niets, hoor. Niets.)
Uiteindelijk verlaat Elizabeth John; dat komt vrij abrupt. Niks wees er namelijk op dat Elizabeth Johns verregaande aandacht onprettig vond. Wat overblijft is een flinterdun verhaal dat steunt op twee middelmatige acteurs met mooie lijven. Et voila; een klassieker is vlug verwekt. Geen ingewikkelde Stockholmsyndroomcomplotten, geëmancipeerde Bildungsplaatjes of verwerking van tot dan toe genegeerd jeugdtrauma. Maar dat past dan weer goed bij de Fifty Shades of Grey-hype. Wist u trouwens dat de eerste FSOG-geïnspireerde scheiding ook alweer een feit is? Niet te filmen...
En wat hebben we hiervan geleerd? Dat een mooi lijf en stomende seks geen garantie geven op een inhoudelijk gelukkige relatie of een blockbuster, zoveel is duidelijk. (Ik denk overigens wel dat het hélpt, hoor.) Dat één van de twee er altijd beter uitkomt, klopt óók, kijk maar naar Mickey. Kim heeft in ieder geval het 9 1/2 weeks-schip op tijd verlaten. Voor romantisch en knap zijn geef ik haar hoe dan ook een tien, met of zonder jarretelles, Gauloises, zweepjes of brogues.
woensdag 31 oktober 2012
Rover
'Mag ik u vervoersbewijzen zien alstublieft!' Ik weet uit ervaring dat dit een vraag zou moeten zijn, maar zo klinkt het niet. Zelfs conducteurs maken van deze zin intonatiegewijs nog half een vraag, al is het zien van dat blauwe uniform met rode accenten voor de meeste reizigers al genoeg signaal. Als de vrouw bij mij is vraagt ze mij hetzelfde. 'Uw vervoersbewijs. Reizigersonderzoek. Uw kaartje graag. Uw kaart.'
Lieve lezer, ik ben weliswaar moe, maar haar niet slecht gezind. Niettemin is dit de zoveelste keer dat mij om mijn gegevens wordt gevraagd – ik ben benieuwd naar wie ik die informatie verstrek. Dus ik vraag het.
'Waar is dit voor?' De vrouw kijkt me geërgerd, aan en geeft me een blik alsof ik heb gezegd dat ze naar rotte eieren stinkt. 'Ik scan alléén de code!' snibt ze. Dit is in geen enkel opzicht antwoord op mijn vraag. 'Ja, en wat gaat u met deze gegevens doen?' waag ik het nog eens. 'Ik kán uw gegevens niet ziehien, ik scan alléén de code op uw kaart, dusss....' De vrouw is duidelijk ontstemd en heeft plotseling vreselijke haast om weg te komen. Maar toen ze mijn kaart scande, had ze die haast nog niet, dus ik denk dat ze nog wel even een minuut voor me op kan brengen. 'Voor welk onderzoek gaat u de gegevens gebruiken?' varieer ik maar. 'Ik heb alleen uw code gescand,' sist ze tussen haar tanden, en haar ogen beginnen uit te puilen. Het lijkt me stug dat ik in al die treinen waar zij loopt de enige passagier ben die een vraag stelt, en geeneens een kritische, maar een belangstellende. Het lijkt me stug dat ze dat op de herintrederstraining niet behandeld hebben, de reden van deze dataverzameling.
De vrouw blijft echter doen alsof ik niet mee wil werken aan het onderzoek, waarmee zij mij op haar beurt ergert. 'Er is niets van u bekend, ik kan uw persoonlijke gegevens niet inzien, dusssss....' Ik heb mijn medewerking echter al verleend en bovendien heb ik een abonnement: de NS weet allang wanneer ik op welke trein stap, hoe laat ik reis, welk traject ik het vaakst afleg, en waar ik in- en uitcheck. Als ik niet mee had willen werken met het onderzoek, had ik gewoonweg vriendelijk bedankt. (Je kunt je afvragen waar zo'n onderzoek, zogenaamd anoniem, overigens überhaupt dan nog voor nodig is, aangezien ze, met een grote Z, reisgewijs alles al weten. Maar 'anonimiteit' is een geruststellend woord.)
Punt is wel dat ik mijn kaart, die bij tijd en wijle in contact staat met mijn bankrekening en veel van mijn andere persoonlijk gegevens, nu heb laten scannen door een vrouw van in de zeventig die zich niet legitimeert, geen herkenbare Rover-, NS- of Prorail-poncho draagt en daarnaast ook nog eens onvriendelijk is, terwijl zij het is die iets van mij nodig heeft. Ik sta mijn gegevens af en krijg daar geen vergoeding, noch informatie voor terug. Wie deze persoon is, wat zij precies heeft afgelezen, wat de vervolgstappen hierop zullen zijn, van wie het onderzoek uitgaat en wie haar de autoriteit heeft verschaft om mijn kaart min of meer op te eisen zijn vragen die door haar slechts met een paar rollende ogen en houd toch je KOP!!!-blikken worden beantwoord.
'U weet het niet,' stel ik nu maar een 'vraag' vast. 'Nee,' geeft de vrouw toe. 'Het is voor onderzoek,' gooit ze er triomfantelijk uit. Bedankt, zo ver waren we al, zus. 'Welk onderzoek?' Ik krijg een zucht. De vrouw begint kreten te spuien. 'Onderzoek. Onder reizigers. Reizigersonderzoek. Het Ministerie, het Ministerie van Verkeer en Waterstaat!' Oh, dáár kom ik verder mee. Het is niet dat ik zo graag wil zeiken, maar ik stel een doodnormale vraag en haar vaagheid ergert me. Ik snap best dat ze niet voor de lol op haar vrije woensdagmiddag die forensentrein induikt, maar als zij al niet weet wat ze doet, waarom zou ik er dan aan meewerken? Coherentie en causaliteit zijn blijkbaar niet de speerpunten van de training geweest. 'Wat onderzoeken ze dan?' 'Het is voor onderzoek,' herhaalt de vrouw. 'Het wordt óók gepubliceerd!'
Godsammezegenen, zeg. Het wordt ook gepubliceerd...nou, dolletjes! Blijkbaar boezemt dat haar ontzag en troost in, maar ik ben er niet van onder de indruk. 'Wáárrrr. Dan?' vraag ik haar scherp. Ik zie wel dat ze het helemaal gehad heeft met me, maar er is geen weg terug. Nu wil ik het weten ook. 'Dat weet ik niet!', krijst ze. 'Op internet!'
Okee. Ik geef het op, nu is het mijn beurt om te zuchten. Wat ik vooralsnog heb laten roven, lezerlief, is mijn gemoedsrust.
Lieve lezer, ik ben weliswaar moe, maar haar niet slecht gezind. Niettemin is dit de zoveelste keer dat mij om mijn gegevens wordt gevraagd – ik ben benieuwd naar wie ik die informatie verstrek. Dus ik vraag het.
'Waar is dit voor?' De vrouw kijkt me geërgerd, aan en geeft me een blik alsof ik heb gezegd dat ze naar rotte eieren stinkt. 'Ik scan alléén de code!' snibt ze. Dit is in geen enkel opzicht antwoord op mijn vraag. 'Ja, en wat gaat u met deze gegevens doen?' waag ik het nog eens. 'Ik kán uw gegevens niet ziehien, ik scan alléén de code op uw kaart, dusss....' De vrouw is duidelijk ontstemd en heeft plotseling vreselijke haast om weg te komen. Maar toen ze mijn kaart scande, had ze die haast nog niet, dus ik denk dat ze nog wel even een minuut voor me op kan brengen. 'Voor welk onderzoek gaat u de gegevens gebruiken?' varieer ik maar. 'Ik heb alleen uw code gescand,' sist ze tussen haar tanden, en haar ogen beginnen uit te puilen. Het lijkt me stug dat ik in al die treinen waar zij loopt de enige passagier ben die een vraag stelt, en geeneens een kritische, maar een belangstellende. Het lijkt me stug dat ze dat op de herintrederstraining niet behandeld hebben, de reden van deze dataverzameling.
De vrouw blijft echter doen alsof ik niet mee wil werken aan het onderzoek, waarmee zij mij op haar beurt ergert. 'Er is niets van u bekend, ik kan uw persoonlijke gegevens niet inzien, dusssss....' Ik heb mijn medewerking echter al verleend en bovendien heb ik een abonnement: de NS weet allang wanneer ik op welke trein stap, hoe laat ik reis, welk traject ik het vaakst afleg, en waar ik in- en uitcheck. Als ik niet mee had willen werken met het onderzoek, had ik gewoonweg vriendelijk bedankt. (Je kunt je afvragen waar zo'n onderzoek, zogenaamd anoniem, overigens überhaupt dan nog voor nodig is, aangezien ze, met een grote Z, reisgewijs alles al weten. Maar 'anonimiteit' is een geruststellend woord.)
Punt is wel dat ik mijn kaart, die bij tijd en wijle in contact staat met mijn bankrekening en veel van mijn andere persoonlijk gegevens, nu heb laten scannen door een vrouw van in de zeventig die zich niet legitimeert, geen herkenbare Rover-, NS- of Prorail-poncho draagt en daarnaast ook nog eens onvriendelijk is, terwijl zij het is die iets van mij nodig heeft. Ik sta mijn gegevens af en krijg daar geen vergoeding, noch informatie voor terug. Wie deze persoon is, wat zij precies heeft afgelezen, wat de vervolgstappen hierop zullen zijn, van wie het onderzoek uitgaat en wie haar de autoriteit heeft verschaft om mijn kaart min of meer op te eisen zijn vragen die door haar slechts met een paar rollende ogen en houd toch je KOP!!!-blikken worden beantwoord.
'U weet het niet,' stel ik nu maar een 'vraag' vast. 'Nee,' geeft de vrouw toe. 'Het is voor onderzoek,' gooit ze er triomfantelijk uit. Bedankt, zo ver waren we al, zus. 'Welk onderzoek?' Ik krijg een zucht. De vrouw begint kreten te spuien. 'Onderzoek. Onder reizigers. Reizigersonderzoek. Het Ministerie, het Ministerie van Verkeer en Waterstaat!' Oh, dáár kom ik verder mee. Het is niet dat ik zo graag wil zeiken, maar ik stel een doodnormale vraag en haar vaagheid ergert me. Ik snap best dat ze niet voor de lol op haar vrije woensdagmiddag die forensentrein induikt, maar als zij al niet weet wat ze doet, waarom zou ik er dan aan meewerken? Coherentie en causaliteit zijn blijkbaar niet de speerpunten van de training geweest. 'Wat onderzoeken ze dan?' 'Het is voor onderzoek,' herhaalt de vrouw. 'Het wordt óók gepubliceerd!'
Godsammezegenen, zeg. Het wordt ook gepubliceerd...nou, dolletjes! Blijkbaar boezemt dat haar ontzag en troost in, maar ik ben er niet van onder de indruk. 'Wáárrrr. Dan?' vraag ik haar scherp. Ik zie wel dat ze het helemaal gehad heeft met me, maar er is geen weg terug. Nu wil ik het weten ook. 'Dat weet ik niet!', krijst ze. 'Op internet!'
Okee. Ik geef het op, nu is het mijn beurt om te zuchten. Wat ik vooralsnog heb laten roven, lezerlief, is mijn gemoedsrust.
donderdag 18 oktober 2012
Parel (2)
(De aanleiding van dit verhaal? Lees Parel (1), de prequel)
Nog steeds hoeft een man maar een stem als een klok te hebben of een goede volle haardos en mijn baarmoeder maakt een sprongetje. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat ik al twintig jaar intens verliefd ben op Eddie Vedder. There, I said it.
Is hij de oorzaak van mijn voorliefde, de aanstichter of het meest sprekende voorbeeld? Ik weet wel dat toen ik het lastig had, Ten de enige cd was die in mijn discman zat (mijn discman, u weet wel) en ik vurig bad tot een god en alle amoureuze beschermheiligen om me een Eddie te zenden. Hoewel Eddie al vroeg van de markt was (ik wil niet zeggen gelukkig getrouwd, maar toch) en vooralsnog geen drank- of drugsverslaving heeft moeten overwinnen vind ik hem toch heet. Hij moet het, eerlijkheidshalve, niet hebben van zijn geweldige gitaarspel. (Daar hebben we namelijk John Frusciante voor, die zelfs als bleke, hologigie junk of hell, als vrouw, nóg briljant is.)
Hij moet het niet hebben van zijn statueske postuur of gave capriolen on stage. En dat hoeft misschien ook niet: Eddie heeft aan zijn stem genoeg.
In dat opzicht heeft Pearl Jam met het label grungeband misschien geluk gehad; in het begin van de jaren negentig was zwarte nagellak en mannenkohl nog echt iets uit de metal-hoek en niet bedoeld voor mainstreambands-die-niet-mainstream-wilden-zijn. De meeste grungers (vergeef me, ik ben eigenlijk te jong hiervoor) waren daarnaast te druk bezig met boos en ongewassen zijn om hun nagels te lakken. Maar toen ik de beelden van Pinkpop '92 nog eens bekeek vroeg ik me af hoe het kon dat Eddie, langharig en jongensachtig, zo'n stem uit zijn longen kon persen. Hij zag er bovendien helemaal niet ongewassen uit.
Damn. Het zal maar de man zijn die je slaapliedjes zingt...en wás hij dat maar.... Duidelijk is dat hij zich in ieder geval meer met muziek dan met z'n imago bezig lijkt te houden en al is dat iets wat ieder bandlid zegt ( 'het ging ons altijd alleen maar om de muziek, we waren bekend voor we het wisten, we konden er eigenlijk niet zo goed mee omgaan, roem heeft bij ons nooit op één gestaan, we wilden gewoon goede platen maken, kweel, kweel, kweel') ik ben toch geneigd het van hem te geloven. Over zijn privéleven is niet zo vreselijk veel bekend, en ook de rest van Pearl Jam is zelden in opspraak geraakt. Geen drugs, precies genoeg politieke voorkeur, geen drank, geen pijpbeurten in auto's of overspelige schandalen.
Sommigen noemen dat saai. Anderen consistent. Maar de glans van die l'oreallokken moet ergens door in stand worden gehouden; bovendien is een drugsdood vréselijk seventies.
Toen een man in een kroeg mij vroeg wat ik op mijn Ipod heb staan, moest ik hem teleurstellen – die bezit ik namelijk niet. En ergens was ik bang dat hij me gek, een vieze alto en te nostalgisch zou vinden als ik 'Pearl Jam' zou zeggen. Zou het tot verder contact komen, dan zou dat toch niet lang geheim blijven, dus ik besloot het toch maar te zeggen. Het is ook niet alsof ik alleen maar Ten luister. Maar het is wel een album waar ik telkens bij terug kom, of ik nou verdrietig, boos, hitsig of blij ben. En stiekem vind ik Ten een album wat het best tot zijn recht komt als je alleen bent, zodat je mee kunt grommen. Hij had best mee mogen luisteren, hoor. Maar dan had ik wellicht minder van Eddie genoten.
Dus tot PJ Nederland weer een keer aandoet draai ik Ten grijs, terwijl ik uitkijk naar mannen met stemmen als klokken maar ongetroebleerde geesten. Het muzikantenleven is tenslotte één grote farce, en hoewel die crazy funky style gemakkelijk te romantiseren is, wil ik niet eindigen als Amy Winehouse. Of Jeremy.
(Een dergelijk einde was ook voor John Frusciante nabij. Benieuwd waar dit heengaat? Lees het, vrees het, in Parel (3)
Nog steeds hoeft een man maar een stem als een klok te hebben of een goede volle haardos en mijn baarmoeder maakt een sprongetje. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat ik al twintig jaar intens verliefd ben op Eddie Vedder. There, I said it.
Is hij de oorzaak van mijn voorliefde, de aanstichter of het meest sprekende voorbeeld? Ik weet wel dat toen ik het lastig had, Ten de enige cd was die in mijn discman zat (mijn discman, u weet wel) en ik vurig bad tot een god en alle amoureuze beschermheiligen om me een Eddie te zenden. Hoewel Eddie al vroeg van de markt was (ik wil niet zeggen gelukkig getrouwd, maar toch) en vooralsnog geen drank- of drugsverslaving heeft moeten overwinnen vind ik hem toch heet. Hij moet het, eerlijkheidshalve, niet hebben van zijn geweldige gitaarspel. (Daar hebben we namelijk John Frusciante voor, die zelfs als bleke, hologigie junk of hell, als vrouw, nóg briljant is.)
Hij moet het niet hebben van zijn statueske postuur of gave capriolen on stage. En dat hoeft misschien ook niet: Eddie heeft aan zijn stem genoeg.
In dat opzicht heeft Pearl Jam met het label grungeband misschien geluk gehad; in het begin van de jaren negentig was zwarte nagellak en mannenkohl nog echt iets uit de metal-hoek en niet bedoeld voor mainstreambands-die-niet-mainstream-wilden-zijn. De meeste grungers (vergeef me, ik ben eigenlijk te jong hiervoor) waren daarnaast te druk bezig met boos en ongewassen zijn om hun nagels te lakken. Maar toen ik de beelden van Pinkpop '92 nog eens bekeek vroeg ik me af hoe het kon dat Eddie, langharig en jongensachtig, zo'n stem uit zijn longen kon persen. Hij zag er bovendien helemaal niet ongewassen uit.
Damn. Het zal maar de man zijn die je slaapliedjes zingt...en wás hij dat maar.... Duidelijk is dat hij zich in ieder geval meer met muziek dan met z'n imago bezig lijkt te houden en al is dat iets wat ieder bandlid zegt ( 'het ging ons altijd alleen maar om de muziek, we waren bekend voor we het wisten, we konden er eigenlijk niet zo goed mee omgaan, roem heeft bij ons nooit op één gestaan, we wilden gewoon goede platen maken, kweel, kweel, kweel') ik ben toch geneigd het van hem te geloven. Over zijn privéleven is niet zo vreselijk veel bekend, en ook de rest van Pearl Jam is zelden in opspraak geraakt. Geen drugs, precies genoeg politieke voorkeur, geen drank, geen pijpbeurten in auto's of overspelige schandalen.
Sommigen noemen dat saai. Anderen consistent. Maar de glans van die l'oreallokken moet ergens door in stand worden gehouden; bovendien is een drugsdood vréselijk seventies.
Toen een man in een kroeg mij vroeg wat ik op mijn Ipod heb staan, moest ik hem teleurstellen – die bezit ik namelijk niet. En ergens was ik bang dat hij me gek, een vieze alto en te nostalgisch zou vinden als ik 'Pearl Jam' zou zeggen. Zou het tot verder contact komen, dan zou dat toch niet lang geheim blijven, dus ik besloot het toch maar te zeggen. Het is ook niet alsof ik alleen maar Ten luister. Maar het is wel een album waar ik telkens bij terug kom, of ik nou verdrietig, boos, hitsig of blij ben. En stiekem vind ik Ten een album wat het best tot zijn recht komt als je alleen bent, zodat je mee kunt grommen. Hij had best mee mogen luisteren, hoor. Maar dan had ik wellicht minder van Eddie genoten.
Dus tot PJ Nederland weer een keer aandoet draai ik Ten grijs, terwijl ik uitkijk naar mannen met stemmen als klokken maar ongetroebleerde geesten. Het muzikantenleven is tenslotte één grote farce, en hoewel die crazy funky style gemakkelijk te romantiseren is, wil ik niet eindigen als Amy Winehouse. Of Jeremy.
(Een dergelijk einde was ook voor John Frusciante nabij. Benieuwd waar dit heengaat? Lees het, vrees het, in Parel (3)
woensdag 10 oktober 2012
Mo(n)sterd
Als fervent lezer en taalliefhebber doen sommige woorden mij pijn. Ik begrijp heel goed dat taal leeft en zoals veel levende dingen daarom verandert, maar aan sommige veranderingen kan ik niet wennen.
Ik heb begrepen dat toen de vroege voorloper van het Groene Boekje en de allereerste Van Dale nog niet waren verschenen, men zelf mocht bepalen hoe men het Hollandsch neerpende – of ganzeveerde, of liet optekenen, enfin, afijn... Het lijkt erop dat we terugkeren naar die tijd – zij het sneller in woord dan in geschrift. Ik kan daarnaast dan weer niet begrijpen hoe het komt dat hele volksstammen het traditionele (maar misschien is dat juist het struikelblok) Nederlands verlaten en massaal voor zichzelf bepalen (ja, dat kan dus, iets massaal voor jezelf bepalen) welke woorden ze willen gebruiken. Het onderscheid tussen straattaal, patois, pingtaal, streekuitdrukkingen, bargoens en Engels vervaagt, zeker waar het vervoegingen betreft. En omdat niemand meer schijnt te weten hoe het zou moeten – volgens het boekje – weet ik dat zo langzamerhand ook niet meer.
Wel erger ik me aan mensen (of moet ik personen zeggen?) die iets dat verkeerd (fout?) is gegaan nog een keertje overdoen en het resultaat nachecken, mensen die ergens aangeland zijn (om met een anglicisme aan te komen: wtf?) of met enorme zevenmijlslaarzen ergens doorheen fietsen. Ook van gezamenlijke collectieven en mensen die zich dingen beseffen word ik moe. Om maar te zwijgen over oneigenlijk gebruik van interpunctie en de apostrof (s'ochtends, gaan we weer s' iets drinken? me moeder heb gezegd beter niet) en personen die irriteren gebruiken waar ze ergeren bedoelen. Ook de heisa omtrent het koppel shock naast het perfect voldoende Nederlandse schokken kost mij hoofdbrekens: geschokt zijn verwordt tot in shock zijn (van: in shock verkeren) en vanaf daar de glijbaan af het moeras in:
het shockt me/ het is shockking (of erger: het is shockkend, Godbewaarme!)/ dat was me een shock!/ik was geshockt toen ik het hoorde.
Wát een woordenpoep. De nagel aan mijn doodskist, verdorie....
Andere fouten begrijp ik beter. Zambak, paddestoel, poszegel, schilpad, symptonen en zelfs percies zijn dingen die op papier niet snel verkeerd zullen gaan. (Het woord 'dingen' staat hier stilistisch, dat begrijpt u.) Maar sinds sjaal naast shawl mag en kado naast cadeau – een overblijfsel uit de jaren taggetig – moet ik over de spellingswijze van chagrijnig ook even nadenken. Gelukkig is het al snel goed: sjaggerijnig mag, chaggo kan ook, ontstemd is natuurlijk helemaal top en als ik sjagrijnig of zwaar klote neerzet weet óók iedereen wat ik bedoel. Maar gaat het daar om?
Hierover zijn de meningen wederom verdeeld. Natuurlijk begrijp ik de persoon die vertelt het enigste meisje uit de klas die geen laarzen had naar huis te hebben gebracht omdat hun geen soortement van laarzen te leen hadden. Ook kan ik wel wijs worden uit de bedoeling achter het schaamrood op de lippen hebben staan, ergens geen poot in zien, niets in de pap te brokkelen hebben of de ballen van de hoed weten. Maar duidelijker wordt er er niet van.
Eén troostrijk doembeeld: door dat niemand straks meer weet hoe het traditioneel gezien moet, kan en mag straks alles op het gebied van taal. Door de totale (en vooral complete) taalanarchie kan het spelen van de bereidwillige betweter je lelijk in den bil bijten. Daar kan geen Yellow Claw tegen op. Diegenen die hopen dat het Hollands blijft zoals het anno 1996 is vastgelegd, kunnen hun hart ophalen met de nog immer in trek zijnde papieren Van Dale. Voor andere kalveren is deze bron van kennis reeds een gedempte put. De mooiste verhaspeling om deze ontwikkeling te beschrijven las ik echter ergens op een forum (je zou wél en toch weer niet willen dat je haar had bedacht):
Maar dat is Abraham na de mosterd.
Ik heb begrepen dat toen de vroege voorloper van het Groene Boekje en de allereerste Van Dale nog niet waren verschenen, men zelf mocht bepalen hoe men het Hollandsch neerpende – of ganzeveerde, of liet optekenen, enfin, afijn... Het lijkt erop dat we terugkeren naar die tijd – zij het sneller in woord dan in geschrift. Ik kan daarnaast dan weer niet begrijpen hoe het komt dat hele volksstammen het traditionele (maar misschien is dat juist het struikelblok) Nederlands verlaten en massaal voor zichzelf bepalen (ja, dat kan dus, iets massaal voor jezelf bepalen) welke woorden ze willen gebruiken. Het onderscheid tussen straattaal, patois, pingtaal, streekuitdrukkingen, bargoens en Engels vervaagt, zeker waar het vervoegingen betreft. En omdat niemand meer schijnt te weten hoe het zou moeten – volgens het boekje – weet ik dat zo langzamerhand ook niet meer.
Wel erger ik me aan mensen (of moet ik personen zeggen?) die iets dat verkeerd (fout?) is gegaan nog een keertje overdoen en het resultaat nachecken, mensen die ergens aangeland zijn (om met een anglicisme aan te komen: wtf?) of met enorme zevenmijlslaarzen ergens doorheen fietsen. Ook van gezamenlijke collectieven en mensen die zich dingen beseffen word ik moe. Om maar te zwijgen over oneigenlijk gebruik van interpunctie en de apostrof (s'ochtends, gaan we weer s' iets drinken? me moeder heb gezegd beter niet) en personen die irriteren gebruiken waar ze ergeren bedoelen. Ook de heisa omtrent het koppel shock naast het perfect voldoende Nederlandse schokken kost mij hoofdbrekens: geschokt zijn verwordt tot in shock zijn (van: in shock verkeren) en vanaf daar de glijbaan af het moeras in:
het shockt me/ het is shockking (of erger: het is shockkend, Godbewaarme!)/ dat was me een shock!/ik was geshockt toen ik het hoorde.
Wát een woordenpoep. De nagel aan mijn doodskist, verdorie....
Andere fouten begrijp ik beter. Zambak, paddestoel, poszegel, schilpad, symptonen en zelfs percies zijn dingen die op papier niet snel verkeerd zullen gaan. (Het woord 'dingen' staat hier stilistisch, dat begrijpt u.) Maar sinds sjaal naast shawl mag en kado naast cadeau – een overblijfsel uit de jaren taggetig – moet ik over de spellingswijze van chagrijnig ook even nadenken. Gelukkig is het al snel goed: sjaggerijnig mag, chaggo kan ook, ontstemd is natuurlijk helemaal top en als ik sjagrijnig of zwaar klote neerzet weet óók iedereen wat ik bedoel. Maar gaat het daar om?
Hierover zijn de meningen wederom verdeeld. Natuurlijk begrijp ik de persoon die vertelt het enigste meisje uit de klas die geen laarzen had naar huis te hebben gebracht omdat hun geen soortement van laarzen te leen hadden. Ook kan ik wel wijs worden uit de bedoeling achter het schaamrood op de lippen hebben staan, ergens geen poot in zien, niets in de pap te brokkelen hebben of de ballen van de hoed weten. Maar duidelijker wordt er er niet van.
Eén troostrijk doembeeld: door dat niemand straks meer weet hoe het traditioneel gezien moet, kan en mag straks alles op het gebied van taal. Door de totale (en vooral complete) taalanarchie kan het spelen van de bereidwillige betweter je lelijk in den bil bijten. Daar kan geen Yellow Claw tegen op. Diegenen die hopen dat het Hollands blijft zoals het anno 1996 is vastgelegd, kunnen hun hart ophalen met de nog immer in trek zijnde papieren Van Dale. Voor andere kalveren is deze bron van kennis reeds een gedempte put. De mooiste verhaspeling om deze ontwikkeling te beschrijven las ik echter ergens op een forum (je zou wél en toch weer niet willen dat je haar had bedacht):
Maar dat is Abraham na de mosterd.
maandag 1 oktober 2012
Wol
Het bontkragenseizoen is weer geopend! dacht ik toen een sprietige Noord-Afrikaan me al zonnebloempitten kanend passeerde. Het was een dikke zestien graden – de jongen zou wel zweten – maar ik snap heel goed dat hij zoveel mogelijk profijt wil trekken uit zijn jas die hij vorig jaar voor veel geld heeft gekocht. Of daar ga ik dan maar vanuit.
Het toeval wil, lieve lezer, dat ik bijna nog doller ben op de winter dan op de zomer. Tegenover eindeloze zomeravonden vol rosé staan namelijk ik-wil-nog-niet-door-de-sneeuw-avonden vol rosé, de kans om ongemerkt in shape te komen en de tweede helft van december, waarin aan een stuk door wordt gefeest. Héérlijk.
De jongen met zijn krullen en zijn Woolrich-jas doet me denken aan mijn eigen winterjas, die na drie lange winters zijn beste tijd heeft gehad. Ik heb wat bij-jassen, maar mijn echte jas is nu werkelijk aan vervanging toe. En dat vind ik vervelend.
Net als bij je paar lievelingslaarzen ben ik er van overtuigd dat ik geen jas zal vinden die deze evenaart, en tegelijkertijd ga ik er toch maar naar op zoek. Bitter moet ik bekennen dat ik de collecties al angstvallig in de gaten hield. Het is niet zo dat de jas die ik wil zo opvallend of uitzonderlijk hoeft te zijn – ik wil juist graag een hele simpele, zodat hij overal bij past, stemmig is en ik kan variëren met accessoires. En juist dat, lieve lezer, is nog al een opgave.
Mijn ideale jas hoeft maar aan een paar eisen te voldoen. Hij moet van wol zijn. Hij moet single-breasted zijn. Ik raad iedereen met borsten boven een cuppie B aan om naar hetzelfde model te kijken, want double-breasted modellen maken gehakt van je taille (gesteld dat je die hebt, maar met een double-breasted is alle hoop sowieso verloren) en je lengte. (dito, en je hoeft maar naar Beth te kijken om te zien dat ik de waarheid spreek.
Hieruit vloeit natuurlijk voort dat hij goed getailleerd moet zijn – dat er überhaupt nog ongetailleerde jassen op de markt komen is te wijten aan de kindervingertjes van Rajesj, Yasmina en Laila die hun ogen al hebben verpest met werken in de fabriek, en bovendien niet weten wat een taille is, omdat die van henzelf naar buiten steekt als gevolg van rachitis, ze overdag niet buiten komen en hun eigen moeder altijd een nieuw kind in haar buik heeft.
Alleen voor vrouwen met een taille-heup-ratio van 1 of hoger maakt dit gebrek aan snit in een jas niet uit, maar dan nog verwijs ik naar het argument hierboven. Als je een bitterbal op stokjes bent – en met gewicht heeft dit niet per se te maken – betekent dat nog niet dat je er zo uit hoeft te zien.
Mijn jas moet niet te opvallend zijn: antraciet, marineblauw, mosgroen, in het ergste geval zelfs zwart. Fuchsiaroze, grasgroen of stemmig doch ziekelijk mosterd zijn aan mij niet besteed.(Ik ben bereid een uitzondering te maken voor kobaltblauw.)
Belangrijker: hij moet tot mijn knieën vallen.
(Dat is dus: niet tot op mijn billen (varkenspoten! dragonder-alert! om over dat optische achterwerk nog maar te zwijgen... ) niet tot halverwege mijn dij (drumstickbenen!) en niet tot halverwege mijn kuit (Summer Darkness, Blade). Tot op mijn knie.)
De revers moeten rustig zijn, in een V lopen en niet te kort zijn. Geen smerige Peter Pan-kragen, ouwelijke colkragen, kraagloze jassen, winterjassen met een boxing jacket-bovenkant, en absoluut géén ronde hals. Bontrandjes zijn al riskant. Ook asymmetrische lengten (achter langer dan voor, links-kort-rechts-lang of een kekke quasi-chique maar dodelijk onhandige overslag in terugvallende driehoek (met grote speld: BAH!) zijn uit den boze. Ik wil een symmetrische jas.
Verder wil ik zo min mogelijk opvallende details. Een fijne jaquard-print kan nog net, maar je bent al snel het meisje met die jas. Geen grove stiksels, contrastvlakken, geen grote zakken – en, nu we het er toch over hebben, by Jove, géén borstzakken. (Zal ik dat herhalen? Géén, géén borstzakken.)
Zo moeilijk is dat dus niet... U kunt zich de blijdschap voorstellen, reader-dear, die ik voelde toen ik twee jaar geleden een jas vond die aan dit alles voldeed. Hij was zo perfect dat ik vergat er twee te kopen. Een goede winterjas is een investering voor een jaar of drie als je geluk hebt en daarom het investeren waard, naar mijn idee. Voor de prijzen vans sommige jassen kan ik echter een heel schaap kopen en vervolgens de binnenkant nog verwerken tot tahine, koteletten, pittige worstjes, drankhoorns, waxinelichtjeshouders, haggis en wat dies meer zij. Ja, ik ben best bereid flink te dokken voor een goede jas, maar sommige winkels maken het bont, excusez les mots.
En nu moet ik dus toch voor de bijl. Ik heb nog even, kan nog een maandje toe met mijn zomerjas, maar dan begint de tijd echt te dringen. Ik ga vol goede moed op zoek, want ik weet dat het kan. En anders is het hopen dat het een Siberische winter wordt, zodat ik, met pijn in mijn al langzamer kloppend hart, comfort boven stijl kan laten gaan en een Woolrich-jas kan kopen. Die zijn toch al een beetje uit, dus dat scheelt weer in prijs. En ik kan mijn gezicht, mocht dat nodig zijn, altijd verbergen in die bontkraag.
Het toeval wil, lieve lezer, dat ik bijna nog doller ben op de winter dan op de zomer. Tegenover eindeloze zomeravonden vol rosé staan namelijk ik-wil-nog-niet-door-de-sneeuw-avonden vol rosé, de kans om ongemerkt in shape te komen en de tweede helft van december, waarin aan een stuk door wordt gefeest. Héérlijk.
De jongen met zijn krullen en zijn Woolrich-jas doet me denken aan mijn eigen winterjas, die na drie lange winters zijn beste tijd heeft gehad. Ik heb wat bij-jassen, maar mijn echte jas is nu werkelijk aan vervanging toe. En dat vind ik vervelend.
Net als bij je paar lievelingslaarzen ben ik er van overtuigd dat ik geen jas zal vinden die deze evenaart, en tegelijkertijd ga ik er toch maar naar op zoek. Bitter moet ik bekennen dat ik de collecties al angstvallig in de gaten hield. Het is niet zo dat de jas die ik wil zo opvallend of uitzonderlijk hoeft te zijn – ik wil juist graag een hele simpele, zodat hij overal bij past, stemmig is en ik kan variëren met accessoires. En juist dat, lieve lezer, is nog al een opgave.
Mijn ideale jas hoeft maar aan een paar eisen te voldoen. Hij moet van wol zijn. Hij moet single-breasted zijn. Ik raad iedereen met borsten boven een cuppie B aan om naar hetzelfde model te kijken, want double-breasted modellen maken gehakt van je taille (gesteld dat je die hebt, maar met een double-breasted is alle hoop sowieso verloren) en je lengte. (dito, en je hoeft maar naar Beth te kijken om te zien dat ik de waarheid spreek.
Hieruit vloeit natuurlijk voort dat hij goed getailleerd moet zijn – dat er überhaupt nog ongetailleerde jassen op de markt komen is te wijten aan de kindervingertjes van Rajesj, Yasmina en Laila die hun ogen al hebben verpest met werken in de fabriek, en bovendien niet weten wat een taille is, omdat die van henzelf naar buiten steekt als gevolg van rachitis, ze overdag niet buiten komen en hun eigen moeder altijd een nieuw kind in haar buik heeft.
Alleen voor vrouwen met een taille-heup-ratio van 1 of hoger maakt dit gebrek aan snit in een jas niet uit, maar dan nog verwijs ik naar het argument hierboven. Als je een bitterbal op stokjes bent – en met gewicht heeft dit niet per se te maken – betekent dat nog niet dat je er zo uit hoeft te zien.
Mijn jas moet niet te opvallend zijn: antraciet, marineblauw, mosgroen, in het ergste geval zelfs zwart. Fuchsiaroze, grasgroen of stemmig doch ziekelijk mosterd zijn aan mij niet besteed.(Ik ben bereid een uitzondering te maken voor kobaltblauw.)
Belangrijker: hij moet tot mijn knieën vallen.
(Dat is dus: niet tot op mijn billen (varkenspoten! dragonder-alert! om over dat optische achterwerk nog maar te zwijgen... ) niet tot halverwege mijn dij (drumstickbenen!) en niet tot halverwege mijn kuit (Summer Darkness, Blade). Tot op mijn knie.)
De revers moeten rustig zijn, in een V lopen en niet te kort zijn. Geen smerige Peter Pan-kragen, ouwelijke colkragen, kraagloze jassen, winterjassen met een boxing jacket-bovenkant, en absoluut géén ronde hals. Bontrandjes zijn al riskant. Ook asymmetrische lengten (achter langer dan voor, links-kort-rechts-lang of een kekke quasi-chique maar dodelijk onhandige overslag in terugvallende driehoek (met grote speld: BAH!) zijn uit den boze. Ik wil een symmetrische jas.
Verder wil ik zo min mogelijk opvallende details. Een fijne jaquard-print kan nog net, maar je bent al snel het meisje met die jas. Geen grove stiksels, contrastvlakken, geen grote zakken – en, nu we het er toch over hebben, by Jove, géén borstzakken. (Zal ik dat herhalen? Géén, géén borstzakken.)
Zo moeilijk is dat dus niet... U kunt zich de blijdschap voorstellen, reader-dear, die ik voelde toen ik twee jaar geleden een jas vond die aan dit alles voldeed. Hij was zo perfect dat ik vergat er twee te kopen. Een goede winterjas is een investering voor een jaar of drie als je geluk hebt en daarom het investeren waard, naar mijn idee. Voor de prijzen vans sommige jassen kan ik echter een heel schaap kopen en vervolgens de binnenkant nog verwerken tot tahine, koteletten, pittige worstjes, drankhoorns, waxinelichtjeshouders, haggis en wat dies meer zij. Ja, ik ben best bereid flink te dokken voor een goede jas, maar sommige winkels maken het bont, excusez les mots.
En nu moet ik dus toch voor de bijl. Ik heb nog even, kan nog een maandje toe met mijn zomerjas, maar dan begint de tijd echt te dringen. Ik ga vol goede moed op zoek, want ik weet dat het kan. En anders is het hopen dat het een Siberische winter wordt, zodat ik, met pijn in mijn al langzamer kloppend hart, comfort boven stijl kan laten gaan en een Woolrich-jas kan kopen. Die zijn toch al een beetje uit, dus dat scheelt weer in prijs. En ik kan mijn gezicht, mocht dat nodig zijn, altijd verbergen in die bontkraag.
maandag 24 september 2012
Pelikaan
Het stormt, daarom heb ik mijn haar in een knotje gedraaid. Niets onhandiger dan naar huis fietsen met lokken haar in je gezicht bij windkracht acht. Ik betreur mijn knotje niet als er een zeer aantrekkelijke man tegenover me plaatsneemt, maar vraag me wel af of hij toeschietelijker was geweest als hij mijn haar had kunnen zien.
Ik heb mijn voeten zojuist van de krant en de bank gehaald als hij opduikt en zijn hand uitstrekt naar de krant, terwijl hij vraagt of ik er klaar mee was. Ik stamel eueue en ja, en dorst hem niet te zeggen dat ik mijn voeten op de krant heb gelegd. Ze waren ook niet echt vies. Maar toch.
De man verdiept zich in zijn krant. Hij houdt het ding vóór zijn gezicht en kijkt er vanaf een abnormaal kleine afstand naar, alsof hij een bril nodig heeft maar er te ijdel voor is. Ik houd mijn mond. Hij draagt kisten en slaat zijn benen in een driehoek over elkaar, terwijl hij er zorgvuldig op let dat hij mijn panty niet raakt. Leuk. Hij heeft rode handen, schoon met gezonde nagels waar iets heel scheppends van uit gaat; alsof hij je een gebloemd kopje thee kan brengen nadat hij het water op zelfgestookt haardvuur heeft gekookt, of een hertje voor je snijdt uit hout dat hij eigenhandig heeft gehakt. Hij heeft het soort handen waar je het hoofdje van een pasgeborende in ziet liggen. Het zal mijn tijd van de maand wel zijn, maar ik kan mijn ogen er niet vanaf houden.
Voor de rest is hij niet zo bijzonder. Toch wil ik dat hij met me wil praten. Maar hij is verdiept in die stomme, oppervlakkige krant.
Ik ken dit niet. Ik schuifel heen en weer, ik doe de lippenbalsemtruc, ik laat hem mijn benen zien. Hij laat zich niet afleiden. Als onze blikken elkaar eindelijk, eindelijk kruisen, krijg ik een grijns. Hij lacht vooral met zijn ogen naar me en ik voel me een beetje betrapt. Zijn mond is te dun, zijn neus is te groot en hij is ouder dan hij eruit ziet, maar door die lach ben ik bereid door de vingers te zien dat hij met diezelfde aanbiddelijke handen langdurig aan een puistje in zijn nek zat te frunniken. Hij is het type man waar je koffie mee wilt drinken op de treden van het Stadhuisplein. Zwarte loeihete koffie en jazz. Hij is vast grafisch ontwerper, meubelmaker of goudsmid, en ik zou een moord doen voor een snee van zijn zelfgebakken speltbrood met verse kersenjam. Oh, gentle bliss...
Mijn station nadert en in gedachten neem ik afscheid. Als ik een ding heb geleerd, is dat je mannen hun rol als man moet gunnen. Als hij me aan had willen spreken, had hij dat wel gedaan. En dat hij de nasleep van een weekendje raddraaien in Groningen interessanter vindt dan mijn welwillende porem, nou ja, daar kom ik wel overheen. Al is het natuurlijk jammer, want ik had best een goed filosofisch gesprek met hem willen voeren in de trein op weg naar de Pelikaan in Zutphen. Dat zal nu nooit gebeuren.
Ik pak langzaam mijn spullen en hij maakt plaats voor me. Bye, voeg ik hem toch maar toe. 'Goed weekend, hè,' knikt hij terug. Weekend? 'Je bent erg vroeg, het is pas maandag...' 'Oh ja, nou ja, dat had ik gister ook...' Nogal wiedes, vriend, gister was het weekend. Kleine mafketel... Hij pakt mijn hand en zijn greep is zoals ik me had voorgesteld; droog, stevig, hartelijk en toch gepast gereserveerd. 'Het was mij een genoegen, wellicht tot ziens!' Ik houd de vraag wanneer gaan we met moeite binnen en loop door. Hij is te laat. En als wij echt samen naar de Pelikaan moeten kom ik hem wel weer tegen. Wie wat bewaart, die heeft wat...
Ik heb mijn voeten zojuist van de krant en de bank gehaald als hij opduikt en zijn hand uitstrekt naar de krant, terwijl hij vraagt of ik er klaar mee was. Ik stamel eueue en ja, en dorst hem niet te zeggen dat ik mijn voeten op de krant heb gelegd. Ze waren ook niet echt vies. Maar toch.
De man verdiept zich in zijn krant. Hij houdt het ding vóór zijn gezicht en kijkt er vanaf een abnormaal kleine afstand naar, alsof hij een bril nodig heeft maar er te ijdel voor is. Ik houd mijn mond. Hij draagt kisten en slaat zijn benen in een driehoek over elkaar, terwijl hij er zorgvuldig op let dat hij mijn panty niet raakt. Leuk. Hij heeft rode handen, schoon met gezonde nagels waar iets heel scheppends van uit gaat; alsof hij je een gebloemd kopje thee kan brengen nadat hij het water op zelfgestookt haardvuur heeft gekookt, of een hertje voor je snijdt uit hout dat hij eigenhandig heeft gehakt. Hij heeft het soort handen waar je het hoofdje van een pasgeborende in ziet liggen. Het zal mijn tijd van de maand wel zijn, maar ik kan mijn ogen er niet vanaf houden.
Voor de rest is hij niet zo bijzonder. Toch wil ik dat hij met me wil praten. Maar hij is verdiept in die stomme, oppervlakkige krant.
Ik ken dit niet. Ik schuifel heen en weer, ik doe de lippenbalsemtruc, ik laat hem mijn benen zien. Hij laat zich niet afleiden. Als onze blikken elkaar eindelijk, eindelijk kruisen, krijg ik een grijns. Hij lacht vooral met zijn ogen naar me en ik voel me een beetje betrapt. Zijn mond is te dun, zijn neus is te groot en hij is ouder dan hij eruit ziet, maar door die lach ben ik bereid door de vingers te zien dat hij met diezelfde aanbiddelijke handen langdurig aan een puistje in zijn nek zat te frunniken. Hij is het type man waar je koffie mee wilt drinken op de treden van het Stadhuisplein. Zwarte loeihete koffie en jazz. Hij is vast grafisch ontwerper, meubelmaker of goudsmid, en ik zou een moord doen voor een snee van zijn zelfgebakken speltbrood met verse kersenjam. Oh, gentle bliss...
Mijn station nadert en in gedachten neem ik afscheid. Als ik een ding heb geleerd, is dat je mannen hun rol als man moet gunnen. Als hij me aan had willen spreken, had hij dat wel gedaan. En dat hij de nasleep van een weekendje raddraaien in Groningen interessanter vindt dan mijn welwillende porem, nou ja, daar kom ik wel overheen. Al is het natuurlijk jammer, want ik had best een goed filosofisch gesprek met hem willen voeren in de trein op weg naar de Pelikaan in Zutphen. Dat zal nu nooit gebeuren.
Ik pak langzaam mijn spullen en hij maakt plaats voor me. Bye, voeg ik hem toch maar toe. 'Goed weekend, hè,' knikt hij terug. Weekend? 'Je bent erg vroeg, het is pas maandag...' 'Oh ja, nou ja, dat had ik gister ook...' Nogal wiedes, vriend, gister was het weekend. Kleine mafketel... Hij pakt mijn hand en zijn greep is zoals ik me had voorgesteld; droog, stevig, hartelijk en toch gepast gereserveerd. 'Het was mij een genoegen, wellicht tot ziens!' Ik houd de vraag wanneer gaan we met moeite binnen en loop door. Hij is te laat. En als wij echt samen naar de Pelikaan moeten kom ik hem wel weer tegen. Wie wat bewaart, die heeft wat...
zaterdag 22 september 2012
Parel (1)
Dit wordt een dubbellang stuk over enkele van mijn helden en veel van mijn geliefden. Iedereen die mij een beetje kent, weet dat ik een meisje ben met passies. Veel van die passies heb ik van jongs af aan: mannen, boeken, schoenen, sieraden. Veel hebben zich in de loop der tijd verder ontwikkeld: boeken, schoenen, sieraden. De enige special interest die vrijwel onveranderd is gebleven, is de man. Ik herinner mij mijn vurig kinderlijke verliefdheden op vriendjes van mijn broer, opgeschoten buurjongens en klasgenoten vanaf groep twee. Natuurlijk waren deze amoureuze gedachten gespeend van ieder seksueel idee: 'trouwen' was in mijn perceptie vooral iets met twee dezelfde ringen, kinderen kwamen net zo vanzelf als een baan en een huis en samen veel delen was vooral erg gezellig, meer niet.
Door het lezen van allerlei romans van tussen 1800 en nu heb ik een zwak voor de mannenmode van(af) die tijd – zonder veel historische accuratesse zijn daar de paardrijbroek met verhoogde taille, schoen met gesp, de kniehoge laars, bakkenbaard-met-staart-in-lint, knielaarzen en pandjesjas: a la Matthew McFadyen in Pride & Prejudice, met een vleugje Tom Hardy in Wuthering Heights, waar hij eigenlijk flink wat weg heeft van Christopher Lambert in Highlander, of beter nog, Billy Wirth, maakt niet uit waarin.
Mijn voorliefde voor mannen die dingen goed kunnen zat er ook vroeg in, met name door de muzieksmaak van mijn vader. Haarzwaaiende rockers met rappe vingers maakten al vroeg dat mijn hartje oversloeg en die voorkeur is gebleven; ik heb een zwak voor gitaristen, liefst met lang, vol haar en diepe, donkere, raspende stemmen. Als ze dan ook nog lichtjes geestelijk getroubleerd of (en!) een beetje verslaafd zijn, kan het feest beginnen. Ik weet inmiddels al vele malen beter, maar toch maken de krullen van een jonge Robert Plant, de rifjes van Jimmy H., de stem van Jim Morrison of gewoon het zien van Slash alleen al dat mijn adem stokt.
Een groot deel daarvan komt door het haar. Lang haar symboliseert iets wilds, viriels en ongetemds waar mijn meisjesgemoed gevoelig voor is. Dat is ook precies de reden dat stomme mannen die goed over willen komen hun haar laten groeien. Godzijdank grijpt de natuur dan in om deze zweefvliegen van het mannelijk smaldeel der natie een halt toe te roepen: hun haar groeit niet, het is slap, dor, dun, pluizig of droog, zodat het resultaat van die zielige poging tot Sebastianeske lokken – Tom, of Bach – meer een vlassige Harmen Siezen oplevert.
Veel van die haarzwaaiers lijden daarnaast ook aan het Samson-syndroom: dat wat het talentloze kaf van het koren scheidt. Mét haar, hoe viezig ook, zijn deze rockers sleazy sexy en clochard chic. Knippen ze dat haar of of worden ze kaal, dan verdwijnt met hun lokken ook hun aantrekkingskracht in de prullenbak.
(U wenst voorbeelden? Ik noem een Chad Kroeger, Jared Gomes, Scott Stapp of onze eigen Dinand W. Of stelt u zich Justin Hawkins eens goedgeknipt voor. Daar blijft niet veel van over, hè? Neen.)
De muzikanten van nu zijn ook zelden klassiek geschoold, terwijl dat vroeger vaker zo leek te zijn. Daarbij heb ik het idee dat de bands van vroegâh meer de tijd kregen om hun draai te vinden en te laten zien; terwijl een album nu verplicht een paar popnummers, wat ballads en flink wat drie-en-een-halve-minuut-hitjes moet bevatten om nog te verkopen. Solo's van zeven minuten, stukken monoloog of instrumentale experimenten zitten er niet meer in. Maar dat komt dus goed uit, want de Muzikant van Vandaag kan helemaal geen noten lezen. Dat kan goed gaan (Oasis) maar de kans daarop is klein. (Valerius)
Begin jaren negentig waren muziekinstrumenten net zo uit als de synthesizer in en ik zeg niet dat dat een slechte ontwikkeling is geweest. Lang leve de stemverbeteraars en pretentieloze pop, bovendien is appels met peren vergelijken tijdrovend en onnodig, want een kwestie van smaak. Met de opkomst van Alicia Keys en Vanessa Carlton maakte het muziekinstrument zijn come-back. (Ook Vanessa Carlton moet dat nog gaan doen.) En prompt wordt er in andere genres weer op echte gitaren gespeeld: hoera, de garageband is terug!
Maar ik wilde helemaal geen stuk schrijven over mannenmode, laat staan over mannenhaar of conservatoria. Toch is het tijd om er vandoor te gaan, reader dear. Benieuwd naar de werkelijke clou van dit verhaal? Lees het, vrees het, in Parel (2) ...
Door het lezen van allerlei romans van tussen 1800 en nu heb ik een zwak voor de mannenmode van(af) die tijd – zonder veel historische accuratesse zijn daar de paardrijbroek met verhoogde taille, schoen met gesp, de kniehoge laars, bakkenbaard-met-staart-in-lint, knielaarzen en pandjesjas: a la Matthew McFadyen in Pride & Prejudice, met een vleugje Tom Hardy in Wuthering Heights, waar hij eigenlijk flink wat weg heeft van Christopher Lambert in Highlander, of beter nog, Billy Wirth, maakt niet uit waarin.
Mijn voorliefde voor mannen die dingen goed kunnen zat er ook vroeg in, met name door de muzieksmaak van mijn vader. Haarzwaaiende rockers met rappe vingers maakten al vroeg dat mijn hartje oversloeg en die voorkeur is gebleven; ik heb een zwak voor gitaristen, liefst met lang, vol haar en diepe, donkere, raspende stemmen. Als ze dan ook nog lichtjes geestelijk getroubleerd of (en!) een beetje verslaafd zijn, kan het feest beginnen. Ik weet inmiddels al vele malen beter, maar toch maken de krullen van een jonge Robert Plant, de rifjes van Jimmy H., de stem van Jim Morrison of gewoon het zien van Slash alleen al dat mijn adem stokt.
Een groot deel daarvan komt door het haar. Lang haar symboliseert iets wilds, viriels en ongetemds waar mijn meisjesgemoed gevoelig voor is. Dat is ook precies de reden dat stomme mannen die goed over willen komen hun haar laten groeien. Godzijdank grijpt de natuur dan in om deze zweefvliegen van het mannelijk smaldeel der natie een halt toe te roepen: hun haar groeit niet, het is slap, dor, dun, pluizig of droog, zodat het resultaat van die zielige poging tot Sebastianeske lokken – Tom, of Bach – meer een vlassige Harmen Siezen oplevert.
Veel van die haarzwaaiers lijden daarnaast ook aan het Samson-syndroom: dat wat het talentloze kaf van het koren scheidt. Mét haar, hoe viezig ook, zijn deze rockers sleazy sexy en clochard chic. Knippen ze dat haar of of worden ze kaal, dan verdwijnt met hun lokken ook hun aantrekkingskracht in de prullenbak.
(U wenst voorbeelden? Ik noem een Chad Kroeger, Jared Gomes, Scott Stapp of onze eigen Dinand W. Of stelt u zich Justin Hawkins eens goedgeknipt voor. Daar blijft niet veel van over, hè? Neen.)
De muzikanten van nu zijn ook zelden klassiek geschoold, terwijl dat vroeger vaker zo leek te zijn. Daarbij heb ik het idee dat de bands van vroegâh meer de tijd kregen om hun draai te vinden en te laten zien; terwijl een album nu verplicht een paar popnummers, wat ballads en flink wat drie-en-een-halve-minuut-hitjes moet bevatten om nog te verkopen. Solo's van zeven minuten, stukken monoloog of instrumentale experimenten zitten er niet meer in. Maar dat komt dus goed uit, want de Muzikant van Vandaag kan helemaal geen noten lezen. Dat kan goed gaan (Oasis) maar de kans daarop is klein. (Valerius)
Begin jaren negentig waren muziekinstrumenten net zo uit als de synthesizer in en ik zeg niet dat dat een slechte ontwikkeling is geweest. Lang leve de stemverbeteraars en pretentieloze pop, bovendien is appels met peren vergelijken tijdrovend en onnodig, want een kwestie van smaak. Met de opkomst van Alicia Keys en Vanessa Carlton maakte het muziekinstrument zijn come-back. (Ook Vanessa Carlton moet dat nog gaan doen.) En prompt wordt er in andere genres weer op echte gitaren gespeeld: hoera, de garageband is terug!
Maar ik wilde helemaal geen stuk schrijven over mannenmode, laat staan over mannenhaar of conservatoria. Toch is het tijd om er vandoor te gaan, reader dear. Benieuwd naar de werkelijke clou van dit verhaal? Lees het, vrees het, in Parel (2) ...
zondag 16 september 2012
Stock
Ik word gelukkig van kleine ordentelijkheid. Als mijn jurkjes gestreken zijn, mijn boeken in de juiste volgorde in de kast staan, ik weet wat ik ga aantrekken naar die borrel, kruimels in de buik van mijn stofzuiger zitten in plaats van in mijn vloerbedekking en ik weet hoe ik van mijn huis naar de nieuwe woning van een vriendin kom, maakt dat me opgelucht, opgeruimd en blij. De meeste dingen in het leven kun je niet plannen, dus in de zaken waarvoor dat wel kan grijp ik mijn kans. I hartje controle, jazeker wel!
Dat uit zich in onschuldige dingen. De ruimte die ik heb om mijn kleren op te bergen bijvoorbeeld is zeer beperkt voor kleren die op een hanger moeten. Ik vind het niet erg om ze op te vouwen – dat moet in twee lades onder mijn bed. Na verloop van tijd en flink wat snel weggemoffelde was is er van de nette stapels natuurlijk niets meer over. Eens in de zoveel tijd haal ik daarom alles uit de lades, vouw, strijk en was zonodig opnieuw, ververs de geurzakjes en maak een nieuwe indeling. Met recht een snotkarwei, maar als het eenmaal gebeurd is voel ik me zeer bevrijd en schoon. Ik verbeeld me dan dat ik de geestelijke clutter die deze kledingbende met zich meebracht, heb opgelost. Hetzelfde geldt voor mijn administratie en het schoonmaken van de tuin; vol goede moed vat ik, alvast trots op mijzelf, de koe bij de horens. Want clutter leidt tot mentale clutter, dat weet natuurlijk iedereen. En mentale clutter is iets wat je moet vermijden, dat weet natuurlijk iedereen.
Een andere stresser waar ik graag zicht op heb is die van de persoonlijke verzorging. Niets erger dan er de avond vóór een sollicitatiegesprek achter te komen dat je deo op is, met natte haren onder de douche mis te grijpen naar de shampoo of een last-minute-date in te moeten met ongeharste benen. Bovendien heb ik als arm studentje een beperkt budget en ben ik vooral een grootverbruiker van haarproducten. Mijn favoriete merk is behoorlijk prijzig, dus als het ergens in de aanbieding is, sla ik groot in.
Al deze glycerines, parfums en kuurtjes sla ik op in een kist. Omdat dit het weekend van de Grote Schoonmaak bleek en ik bovendien wat minder wil gaan consumeren, besloot ik om ook deze kist eens aan een inspectie te onderwerpen.
De opbrengst, reader-dear:
vier potten haarmasker, zes tubes conditioner, vijf extra tandenborstels, vier tubes tandpasta, zes doosjes tampons, vier flessen douchezeep, acht pakjes panty's, twee pakken waxstrips, vier tubes dagcreme, elf (ja, elf!) tubetjes haarserum, vier flessen stylingproduct die ik nooit meer ga gebruiken, twee flacons haarmeuk die ik evenmin zal gebruiken, twee flessen zonnebrand, nog eens vier tubes andere conditioner, drie flessen shampoo, nog wat crèmespoeling – en één extra fles deo.
Voorraad hoera, maar dit gaat ver. Ik heb genoeg spullen voor een jaar of twee, om over de geschatte waarde van al deze tubes nog maar te zwijgen. Ik weet wel waar deze drang vandaan komt: het idee dat als ik de zaken die ik wel in de hand kan houden zo goed mogelijk in de hand heb, de zaken die ik niet in de hand heb, ook als vanzelf geregeld worden. (jaha, lees dat maar eens over.) Het probleem is hier alleen dat ik deze behandbare zaak uit de hand heb laten lopen....
In plaats van het opruimen van clutter is dit ongemerkt en onbedoeld toch weer een verzameling geworden. Jammer hoor...
En wat hebben we hiervan geleerd? Je kunt wel degelijk genoeg shampoo hebben. Ik ben in ieder geval klaar voor plotselinge stakingen bij de drogisterij, de hirsutisme-aanvallen van mijn onderbuurvrouw of een last-minute date, waar ik met glanzend zachte lokken en zalig gladde nylonbenen naar toe kan scharen, mocht dat nodig zijn. Pffiew. Das alvast één zorg minder.
Dat uit zich in onschuldige dingen. De ruimte die ik heb om mijn kleren op te bergen bijvoorbeeld is zeer beperkt voor kleren die op een hanger moeten. Ik vind het niet erg om ze op te vouwen – dat moet in twee lades onder mijn bed. Na verloop van tijd en flink wat snel weggemoffelde was is er van de nette stapels natuurlijk niets meer over. Eens in de zoveel tijd haal ik daarom alles uit de lades, vouw, strijk en was zonodig opnieuw, ververs de geurzakjes en maak een nieuwe indeling. Met recht een snotkarwei, maar als het eenmaal gebeurd is voel ik me zeer bevrijd en schoon. Ik verbeeld me dan dat ik de geestelijke clutter die deze kledingbende met zich meebracht, heb opgelost. Hetzelfde geldt voor mijn administratie en het schoonmaken van de tuin; vol goede moed vat ik, alvast trots op mijzelf, de koe bij de horens. Want clutter leidt tot mentale clutter, dat weet natuurlijk iedereen. En mentale clutter is iets wat je moet vermijden, dat weet natuurlijk iedereen.
Een andere stresser waar ik graag zicht op heb is die van de persoonlijke verzorging. Niets erger dan er de avond vóór een sollicitatiegesprek achter te komen dat je deo op is, met natte haren onder de douche mis te grijpen naar de shampoo of een last-minute-date in te moeten met ongeharste benen. Bovendien heb ik als arm studentje een beperkt budget en ben ik vooral een grootverbruiker van haarproducten. Mijn favoriete merk is behoorlijk prijzig, dus als het ergens in de aanbieding is, sla ik groot in.
Al deze glycerines, parfums en kuurtjes sla ik op in een kist. Omdat dit het weekend van de Grote Schoonmaak bleek en ik bovendien wat minder wil gaan consumeren, besloot ik om ook deze kist eens aan een inspectie te onderwerpen.
De opbrengst, reader-dear:
vier potten haarmasker, zes tubes conditioner, vijf extra tandenborstels, vier tubes tandpasta, zes doosjes tampons, vier flessen douchezeep, acht pakjes panty's, twee pakken waxstrips, vier tubes dagcreme, elf (ja, elf!) tubetjes haarserum, vier flessen stylingproduct die ik nooit meer ga gebruiken, twee flacons haarmeuk die ik evenmin zal gebruiken, twee flessen zonnebrand, nog eens vier tubes andere conditioner, drie flessen shampoo, nog wat crèmespoeling – en één extra fles deo.
Voorraad hoera, maar dit gaat ver. Ik heb genoeg spullen voor een jaar of twee, om over de geschatte waarde van al deze tubes nog maar te zwijgen. Ik weet wel waar deze drang vandaan komt: het idee dat als ik de zaken die ik wel in de hand kan houden zo goed mogelijk in de hand heb, de zaken die ik niet in de hand heb, ook als vanzelf geregeld worden. (jaha, lees dat maar eens over.) Het probleem is hier alleen dat ik deze behandbare zaak uit de hand heb laten lopen....
In plaats van het opruimen van clutter is dit ongemerkt en onbedoeld toch weer een verzameling geworden. Jammer hoor...
En wat hebben we hiervan geleerd? Je kunt wel degelijk genoeg shampoo hebben. Ik ben in ieder geval klaar voor plotselinge stakingen bij de drogisterij, de hirsutisme-aanvallen van mijn onderbuurvrouw of een last-minute date, waar ik met glanzend zachte lokken en zalig gladde nylonbenen naar toe kan scharen, mocht dat nodig zijn. Pffiew. Das alvast één zorg minder.
zaterdag 15 september 2012
Sc(huw) 2
(Komt dit uit de lucht vallen? Lees dan eerst Sc(huw))
Ik zie in de ogen van mijn 'verloofde' dat onze pre-echtelijke ruzie op een onbevredigende teleurstelling is uitgelopen. Geen nieuw servies, geen make up sex, geen passioneel dichtgeslagen deuren. Niets van dit alles, lieve lezer, op mijn pertinente weigering iets met hem te gaan drinken. U zult mij vergeven; het is donderdagavond, ik heb er een lange dag op zitten en ik moet nog van alles regelen vóór de winkels sluiten. Als ik op een onbewaakt moment uit de drogisterij kom, mijn tas vol met smeersels, schuursels en herstelsels en mijn hoofd vol gedachten, houdt hij me staande.
Zijn gezicht staat verwijtend. 'Wanneer?!' bijt hij me toe. Ik kijk hem aan, trek mijn wenkbrauwen niet op en probeer alle walnootbruine hooghartigheid die ik bezit in de boog van mijn fraaie neusje te stoppen. Dat lukt aardig, ik zie dat hij schrikt. Als deze beste man iets goeds te zeggen heeft kan hij dat maar beter snel en duidelijk doen – ik heb niet de hele tijd de dag...
'Wat doe je vanavond?' brengt hij uit. 'Boodschappen,' zeg ik droogjes. 'Ik wil graag dat je met me meegaat om wat te drinken in de stad, ja?' Hij lacht voorzichtig en zijn giftand eist weer al mijn aandacht op. Ik ben blij dat hij voorstelt iets te gaan drinken in de stad in plaats van zich bij mij thuis uit te nodigen – het toppunt van vrijpostigheid – maar dat helpt niet veel. Plotseling moet ik denken aan hoe het zou zijn als hij me zou zoenen en hij een gat in mijn lip zou maken met dat ding, die wond vervolgens zou gaan ontsteken vanwege een slangige infectie, de zaak mijn gelaat zou wegvreten en ik als een soort Nana zou sterven zonder gezicht. Dat zag ik toch altijd als een van mijn sterke lichamelijke kanten, mijn gezicht. Ja, de menselijke imaginatie is een wonderlijke zaak. Ik slik nog maar eens. We hebben niet allemaal het geluk van een dokter Jos.
Ik zeg nog steeds niets. Ik heb niets toe te voegen aan dit gesprek, niets wat ik niet al eerder heb gezegd. 'Je maakt me verdriehietig,' probeert hij. Bah. Als ik iets ergerlijk vind zijn het jammerende mannen – ik zie mijn mannen graag doortastend, mannelijk, viriel en vooral hoffelijk, niet dreinzend, jengelend en kinderlijk. En voor chantage was ik nooit gevoelig. 'Als ik verdrietig ben, poets ik altijd mijn tanden, dat leidt me af,' opper ik. Hij gaat er niet op in. En op wat hij daarna zegt, ben ik nog altijd vastberaden, maar ook sprakeloos.
'Ik snap niet waarom je zo doet tegen mij. Ik wil met je trouwen, dat zeg ik toch? Mijn hart maakt een sprong, iedere keer als ik je zie. Het is God die ons bij elkaar brengt; ik wilde vandaag helemaal niet naar deze winkel maar ik ging toch en nu zie ik jou, liefje. Ik zou je mijn handen en mijn voeten geven, ik zou goed voor je zorgen, ik zou van je houden. Je denkt dat ik het niet meen, hè? Maar ik meen het. Laten we het dan proberen. Want dat je me niet eens een kans geeft, doet me verdriet.'
Zijn handen trillen, ik zie zijn hartslag in zijn keel en hij kijkt me smekend aan. Iedereen weet hoe het voelt als affectie onbeantwoord blijft – wreedheid is niet nodig. Duidelijkheid is in zo'n geval wel het minste wat je de persoon in kwestie verschuldigd bent. Maar dat vind ik dus lastig. Want eigenlijk is ten huwelijk gevraagd worden best leuk. Bovendien is het beter dat ik de letterlijke tand nu zie, dan dat ik in een liefdeloos huwelijk strand door venijn wat me langzaam vergiftigt, als lelietjes-van-dalen-water in de dagelijkse koffie. Toch wil ik niets van deze man, heb hem ook nooit anders verteld, en zijn liefdesverklaring verandert niets hieraan.
Ik leg hem uit dat ik niet voornemens ben, iets met hem te beginnen. Hij begrijpt uit mijn woorden dat ik er nu niet klaar voor ben. Ik laat dat maar zo – aandringen zou waarschijnlijk zoutwrijven betekenen. Dat is laf, ik weet het, maar ik heb hier ook niet om gevraagd. Eén ding wat mijn 'verloofde' niet van mij weet, is dat ik amoureuze conflicten schuw - met liefde.
Ik zie in de ogen van mijn 'verloofde' dat onze pre-echtelijke ruzie op een onbevredigende teleurstelling is uitgelopen. Geen nieuw servies, geen make up sex, geen passioneel dichtgeslagen deuren. Niets van dit alles, lieve lezer, op mijn pertinente weigering iets met hem te gaan drinken. U zult mij vergeven; het is donderdagavond, ik heb er een lange dag op zitten en ik moet nog van alles regelen vóór de winkels sluiten. Als ik op een onbewaakt moment uit de drogisterij kom, mijn tas vol met smeersels, schuursels en herstelsels en mijn hoofd vol gedachten, houdt hij me staande.
Zijn gezicht staat verwijtend. 'Wanneer?!' bijt hij me toe. Ik kijk hem aan, trek mijn wenkbrauwen niet op en probeer alle walnootbruine hooghartigheid die ik bezit in de boog van mijn fraaie neusje te stoppen. Dat lukt aardig, ik zie dat hij schrikt. Als deze beste man iets goeds te zeggen heeft kan hij dat maar beter snel en duidelijk doen – ik heb niet de hele tijd de dag...
'Wat doe je vanavond?' brengt hij uit. 'Boodschappen,' zeg ik droogjes. 'Ik wil graag dat je met me meegaat om wat te drinken in de stad, ja?' Hij lacht voorzichtig en zijn giftand eist weer al mijn aandacht op. Ik ben blij dat hij voorstelt iets te gaan drinken in de stad in plaats van zich bij mij thuis uit te nodigen – het toppunt van vrijpostigheid – maar dat helpt niet veel. Plotseling moet ik denken aan hoe het zou zijn als hij me zou zoenen en hij een gat in mijn lip zou maken met dat ding, die wond vervolgens zou gaan ontsteken vanwege een slangige infectie, de zaak mijn gelaat zou wegvreten en ik als een soort Nana zou sterven zonder gezicht. Dat zag ik toch altijd als een van mijn sterke lichamelijke kanten, mijn gezicht. Ja, de menselijke imaginatie is een wonderlijke zaak. Ik slik nog maar eens. We hebben niet allemaal het geluk van een dokter Jos.
Ik zeg nog steeds niets. Ik heb niets toe te voegen aan dit gesprek, niets wat ik niet al eerder heb gezegd. 'Je maakt me verdriehietig,' probeert hij. Bah. Als ik iets ergerlijk vind zijn het jammerende mannen – ik zie mijn mannen graag doortastend, mannelijk, viriel en vooral hoffelijk, niet dreinzend, jengelend en kinderlijk. En voor chantage was ik nooit gevoelig. 'Als ik verdrietig ben, poets ik altijd mijn tanden, dat leidt me af,' opper ik. Hij gaat er niet op in. En op wat hij daarna zegt, ben ik nog altijd vastberaden, maar ook sprakeloos.
'Ik snap niet waarom je zo doet tegen mij. Ik wil met je trouwen, dat zeg ik toch? Mijn hart maakt een sprong, iedere keer als ik je zie. Het is God die ons bij elkaar brengt; ik wilde vandaag helemaal niet naar deze winkel maar ik ging toch en nu zie ik jou, liefje. Ik zou je mijn handen en mijn voeten geven, ik zou goed voor je zorgen, ik zou van je houden. Je denkt dat ik het niet meen, hè? Maar ik meen het. Laten we het dan proberen. Want dat je me niet eens een kans geeft, doet me verdriet.'
Zijn handen trillen, ik zie zijn hartslag in zijn keel en hij kijkt me smekend aan. Iedereen weet hoe het voelt als affectie onbeantwoord blijft – wreedheid is niet nodig. Duidelijkheid is in zo'n geval wel het minste wat je de persoon in kwestie verschuldigd bent. Maar dat vind ik dus lastig. Want eigenlijk is ten huwelijk gevraagd worden best leuk. Bovendien is het beter dat ik de letterlijke tand nu zie, dan dat ik in een liefdeloos huwelijk strand door venijn wat me langzaam vergiftigt, als lelietjes-van-dalen-water in de dagelijkse koffie. Toch wil ik niets van deze man, heb hem ook nooit anders verteld, en zijn liefdesverklaring verandert niets hieraan.
Ik leg hem uit dat ik niet voornemens ben, iets met hem te beginnen. Hij begrijpt uit mijn woorden dat ik er nu niet klaar voor ben. Ik laat dat maar zo – aandringen zou waarschijnlijk zoutwrijven betekenen. Dat is laf, ik weet het, maar ik heb hier ook niet om gevraagd. Eén ding wat mijn 'verloofde' niet van mij weet, is dat ik amoureuze conflicten schuw - met liefde.
woensdag 29 augustus 2012
Osiris
Hoe onfortuinlijk mijn pad in de liefde soms geweest is, na verloop van tijd – vaak flink, flink wat tijd – koester ik zelfs de slechte herinneringen. Tenslotte ben ik nog relatief jong en al voelde ik mij vaak gegriefd en beschaamd door menig lapzwans, er zaten ook genoeg mannen bij die mijn vertrouwen in de liefde herstelden en ik die derhalve nog altijd een warm hart toedraag. Soms voelt het alsof ik de halve wereld al heb gesproken: ik heb al zoveel dates gehad en zoveel mannen en types gezien dat bijna niets me meer zou moeten verbazen.
(En wonder boven wonder komt er dan altijd een man voorbij die de arrogantie, zelfingenomenheid en/of het gestoord-zijn van de vorige nog overtreft. De uitdrukking 'lef van het verkeerde soort' bezig ik niet voor niets met de gretigheid van een priester op een kinderdagverblijf.)
Toch ben ik dol op de liefde. Het verliefd-zijn, het aftasten en afwachten is afschuwelijk en zalig tegelijk – de teleurstelling en de intense blijdschap brengen mijn toch al fragiele liefdesgemoed danig uit haar precaire evenwicht. Ik zie mijzelf graag als een rustig, gebalanceerd persoon, maar waar het de liefde betreft, is er geen peil op te trekken. Ik wil graag iemand om mijn affectie aan te schenken en hoewel ik steeds minder risico durf te lopen, is dat wel een groot deel van wat liefde en verliefd-worden behelst.
Ik ben weleens verliefd geweest op mijn buurjongen. Ik ben weleens gevallen voor een gebonden man. Ik heb weleens met een man gedate omdat ik dichter in de buurt van zijn broer wilde komen. Ik ben weleens tegen beter weten in te lang bij iemand gebleven die me niet wilde en heb mijzelf dat erg lang kwalijk genomen. Ik heb weleens gefantaseerd over een petit sleaze in de werkkamer van mijn professor filosofie (mijn zwak voor intellect uit zich graag lichamelijk). Ik heb mij in het daten weleens laten leiden door het onze-kinderen-zouden-lelijk-worden-dus-nee- motief.
Ik heb de meest afschuwelijke, absurde en walgelijke dates achter de rug, maar ook de meest fantastische, origineelste, hoffelijkste, mannelijkste, veelbelovendste. Ik heb met mannen gesproken die niet het minste greintje respect voor me hadden; en met mannen die de grond aanbaden waarover ik liep.
Soms voel ik me een oude vrouw. Het voortdurende opladen en verwachten maakt me weleens moe. Een aanhoudend je weet maar nohooit of zou het eens verstoort mijn peace of mind. Als ik met een man date die ik leuk vind, kan ik best doen alsof het me niet uitmaakt of het slaagt. Eventjes dan. Want ik ben gewend dat dingen slagen en ik ben gewend invloed uit te oefenen op dingen waarvan ik wil dat ze slagen. Maar de manier waarop dat voor veel andere dingen in het leven geldt, is hier niet toepasbaar. Daar kan ik niet zo goed mee omgaan; toch is het zo. En ik kan, tegen beter weten in, niet zonder de verwachting.
Op mijn favoriete roddelsite Dailymail vond ik iemand bij wie ik, in dat opzicht, inspiratie op kan doen: Elizabeth Taylor.
Het is niet zozeer dat zij een veeldater is – anders dan bijvoorbeeld Cher – wel heeft ze flink wat huwelijken achter de rug. Ik zou niet met een flesliefhebber in zee gaan en heb haar vermogen noch haar dubbele rij wimpers. Maar ze kiest haar echtgenoten zorgvuldig en is consistent in haar keus, dat bevalt me wel.
(Zou ik mijzelf schaamteloos met Ms Taylor vergelijken? Als het kan, waarom niet...)
De grootste gemene deler hier is tomeloze datingenergie. Elizabeth is zelfs twee keer getrouwd geweest met dezelfde man, voor wie ze altijd een zwak heeft gehouden. Bord voor den kop, wanhoop, amoureuze blindheid? Welnee... heilig en rotsvast geloof in de liefde!
(Gelooft u mij niet? Lees dit dan eerst.)
Dus doe mij die Cleopatrascenes, kohlogen en pruillippen maar. Dat is wat werkt! Wie sijn hart niet in de waegescaal stelt, blijft van liefde thans verstooken...!
(En wonder boven wonder komt er dan altijd een man voorbij die de arrogantie, zelfingenomenheid en/of het gestoord-zijn van de vorige nog overtreft. De uitdrukking 'lef van het verkeerde soort' bezig ik niet voor niets met de gretigheid van een priester op een kinderdagverblijf.)
Toch ben ik dol op de liefde. Het verliefd-zijn, het aftasten en afwachten is afschuwelijk en zalig tegelijk – de teleurstelling en de intense blijdschap brengen mijn toch al fragiele liefdesgemoed danig uit haar precaire evenwicht. Ik zie mijzelf graag als een rustig, gebalanceerd persoon, maar waar het de liefde betreft, is er geen peil op te trekken. Ik wil graag iemand om mijn affectie aan te schenken en hoewel ik steeds minder risico durf te lopen, is dat wel een groot deel van wat liefde en verliefd-worden behelst.
Ik ben weleens verliefd geweest op mijn buurjongen. Ik ben weleens gevallen voor een gebonden man. Ik heb weleens met een man gedate omdat ik dichter in de buurt van zijn broer wilde komen. Ik ben weleens tegen beter weten in te lang bij iemand gebleven die me niet wilde en heb mijzelf dat erg lang kwalijk genomen. Ik heb weleens gefantaseerd over een petit sleaze in de werkkamer van mijn professor filosofie (mijn zwak voor intellect uit zich graag lichamelijk). Ik heb mij in het daten weleens laten leiden door het onze-kinderen-zouden-lelijk-worden-dus-nee- motief.
Ik heb de meest afschuwelijke, absurde en walgelijke dates achter de rug, maar ook de meest fantastische, origineelste, hoffelijkste, mannelijkste, veelbelovendste. Ik heb met mannen gesproken die niet het minste greintje respect voor me hadden; en met mannen die de grond aanbaden waarover ik liep.
Soms voel ik me een oude vrouw. Het voortdurende opladen en verwachten maakt me weleens moe. Een aanhoudend je weet maar nohooit of zou het eens verstoort mijn peace of mind. Als ik met een man date die ik leuk vind, kan ik best doen alsof het me niet uitmaakt of het slaagt. Eventjes dan. Want ik ben gewend dat dingen slagen en ik ben gewend invloed uit te oefenen op dingen waarvan ik wil dat ze slagen. Maar de manier waarop dat voor veel andere dingen in het leven geldt, is hier niet toepasbaar. Daar kan ik niet zo goed mee omgaan; toch is het zo. En ik kan, tegen beter weten in, niet zonder de verwachting.
Op mijn favoriete roddelsite Dailymail vond ik iemand bij wie ik, in dat opzicht, inspiratie op kan doen: Elizabeth Taylor.
Het is niet zozeer dat zij een veeldater is – anders dan bijvoorbeeld Cher – wel heeft ze flink wat huwelijken achter de rug. Ik zou niet met een flesliefhebber in zee gaan en heb haar vermogen noch haar dubbele rij wimpers. Maar ze kiest haar echtgenoten zorgvuldig en is consistent in haar keus, dat bevalt me wel.
(Zou ik mijzelf schaamteloos met Ms Taylor vergelijken? Als het kan, waarom niet...)
De grootste gemene deler hier is tomeloze datingenergie. Elizabeth is zelfs twee keer getrouwd geweest met dezelfde man, voor wie ze altijd een zwak heeft gehouden. Bord voor den kop, wanhoop, amoureuze blindheid? Welnee... heilig en rotsvast geloof in de liefde!
(Gelooft u mij niet? Lees dit dan eerst.)
Dus doe mij die Cleopatrascenes, kohlogen en pruillippen maar. Dat is wat werkt! Wie sijn hart niet in de waegescaal stelt, blijft van liefde thans verstooken...!
donderdag 23 augustus 2012
Sing(le)
Ooit heb ik The miseducation of Lauryn Hill uitgeleend aan een klasgenoot en ik heb haar en dus mijn cd daarna nooit meer terug gezien – iets wat ik tot op de dag van vandaag betreur.
Mijn girl crush op Lauryn Hill is gebleven; die diepe stem, die grote, amandelvormige ogen, volle lippen in dat poppengezicht en haar glanzende, soepele ranke lijf waren zaken waar ik jaloers van werd.
(Iets wat ik van die wormenkolonie op haar hoofd in haar Fugees-tijd dan weer niet zeggen kan – je hoeft je 'fro niet plat te branden, maar er is een verschil tussen au naturel en unkempt.)
Dat Lauryn geen lieverdje is, was bij het opbreken van diezelfde Fugees al duidelijk. Wat er daadwerkelijk is voorgevallen weten slechts Pras, Wyclef en Lauryn zelf, maar na The Score was de koek echt op.
Voor de volgende feitjes moest ik even Wikipedia raadplegen, al verrassen ze me niet. De titel van The Miseducation is geïnspireerd op twee black protest novels; Lauryn is erg into the black. Dat is helemaal niet erg, maar dat ze heeft geroepen dat ze liever zou sterven dan dat witte mensen haar platen zouden kopen, heeft haar carrière mede de das om gedaan. Ik zeg 'mede', omdat ze zich volgens de info op diezelfde pagina na het uitkomen van The Miseducation gepresst en geketend voelde – excusez les mots – door haar platenmaatschappij. Door alle roem raakte ze van het padje. Ze startte met het volgen van dagelijkse bijbellessen, blokte radio en tv en schreef alleen nog maar liedjes terwijl ze ondertussen wat kinderen kreeg met Rohan Marley, een van de zoons ván.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en hoewel Rohan vast ook hele spannende dingen doet, komt met dat ongoing number kinderen – het schijnt dat de laatste niet eens van hem is – de bodem van de schatkist snel in zicht. En daarbij zou het zonde zijn als Lauryns stem niet meer gehoord zou worden – dan heeft haar hele 'retraite'-periode geen zin gehad.
Het resultaat van zo'n vijf jaar boos en vroom zijn, MTV Unplugged 2.0, kocht ik dan ook alleen maar vanwege mijn girl crush en hoewel ik dat niet echt betreur, zijn het geen salonfähige nummers. Wat leuk is, is dat haar teksten inhoud hebben. Wat minder leuk is, is dat ze allemaal dezelfde inhoud lijken te hebben. Lauryn gaat maar door over tijd nemen voor jezelf, me first, it's about me first, hoe dankbaar ze jesses craajjest is (wie, Lauryn, wie?) boetedoening, berouw en over de demoralisering van de wereld & groeiend egoïsme – waarmee ze zichzelf nog tegenspreekt ook.
(Voor de liefhebber: The Miseducation en Lauryn Hill Unplugged 2.0 (disc 2))
Ik vergeef het haar natuurlijk direct, want ze is nog steeds cool, al zijn haar ogen wat doffer en is haar lach hees en cynisch. Maar Lauryn, baby, use your head: als je me first wilde, had je misschien geen zes kinderen op de wereld moeten zetten, al kun je het je veroorloven. Als je met een Marley samen bent, heeft je kind aan neefjes en nichtjes sowieso geen gebrek...
Dan doet dat andere epitoom, Erykah Badu, het toch beter. Badu heeft een hele andere achtergrond en levenspad; toch is vergelijken leuk.
Al verschillen ze maar vier jaar in leeftijd, concurrenten kun je het niet noemen. Ook genregewijs zitten ze elkaar niet in de weg. Tot op heden is een Clash of the Afro's uitgebleven en dat is maar goed ook, want pit hebben ze beide weer in overvloed.
Het is geen geheim dat Eryka's Y en Badu beiden 'vals' zijn: Erica Wright veranderde haar naam uit onvrede met de slavenmeesterconnotatie die ze erbij had. Kah zou slaan op het 'innerlijke zelf' (ik zeg niets...) en laten we eerlijk zijn: het staat natuurlijk veel interessanter. Maar waar Lauryn expliciet strijdt voor de Grote Zwarte Zaak en aandacht voor jesses craajjest, predikt Erykah toegespitste world love en luisteren naar je onderbuik – een veel universelere, sensuelere, pantheïstische en vooral pragmatische boodschap.
Met die drie meter hoge hoofddoek, dreads langer dan die van Damian (alweer een zoon ván) of afro met de omtrek van een skippybal twijfelt niemand er namelijk aan dat Erykah witte idealen op gezonde afstand houdt zónder mensen tegen zich in het harnas te jagen. Inmiddels heeft zij die worldly love in haar onderbuik verzameld in drie liefdesbaby's met klinkende namen als Seven, Puma en Mars. Daar kunnen de zes spruiten van L-boogie, op Zion David-Nesta na, dan weer een puntje aan zuigen.
(Voor de liefhebber: de skippybal en Tyrone)
Zou het niet gaaf zijn als ze een duet zouden maken? De heesheid van Lauryn in samenzang met de neusstem van Erykah, en dan een liedje over kuise liefde, mannen en verlangen? Ik zie het wel voor me. Misschien moeten ze elkaar eens bellen. Misschien kennen ze Tyrone allebei wel, i dunno. Ik denk dat het de moeite waard zou zijn en ik zou die single zeker kopen, al was het maar uit dubbele girl crush en nostalgie. Als de inspiratie uitblijft, kunnen ze altijd nog een jointje delen, gemaakt met Erykah's stash en Lauryns bijbelvloei. Mijn zegen hebben ze, hoor. Jah bless.
Mijn girl crush op Lauryn Hill is gebleven; die diepe stem, die grote, amandelvormige ogen, volle lippen in dat poppengezicht en haar glanzende, soepele ranke lijf waren zaken waar ik jaloers van werd.
(Iets wat ik van die wormenkolonie op haar hoofd in haar Fugees-tijd dan weer niet zeggen kan – je hoeft je 'fro niet plat te branden, maar er is een verschil tussen au naturel en unkempt.)
Dat Lauryn geen lieverdje is, was bij het opbreken van diezelfde Fugees al duidelijk. Wat er daadwerkelijk is voorgevallen weten slechts Pras, Wyclef en Lauryn zelf, maar na The Score was de koek echt op.
Voor de volgende feitjes moest ik even Wikipedia raadplegen, al verrassen ze me niet. De titel van The Miseducation is geïnspireerd op twee black protest novels; Lauryn is erg into the black. Dat is helemaal niet erg, maar dat ze heeft geroepen dat ze liever zou sterven dan dat witte mensen haar platen zouden kopen, heeft haar carrière mede de das om gedaan. Ik zeg 'mede', omdat ze zich volgens de info op diezelfde pagina na het uitkomen van The Miseducation gepresst en geketend voelde – excusez les mots – door haar platenmaatschappij. Door alle roem raakte ze van het padje. Ze startte met het volgen van dagelijkse bijbellessen, blokte radio en tv en schreef alleen nog maar liedjes terwijl ze ondertussen wat kinderen kreeg met Rohan Marley, een van de zoons ván.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en hoewel Rohan vast ook hele spannende dingen doet, komt met dat ongoing number kinderen – het schijnt dat de laatste niet eens van hem is – de bodem van de schatkist snel in zicht. En daarbij zou het zonde zijn als Lauryns stem niet meer gehoord zou worden – dan heeft haar hele 'retraite'-periode geen zin gehad.
Het resultaat van zo'n vijf jaar boos en vroom zijn, MTV Unplugged 2.0, kocht ik dan ook alleen maar vanwege mijn girl crush en hoewel ik dat niet echt betreur, zijn het geen salonfähige nummers. Wat leuk is, is dat haar teksten inhoud hebben. Wat minder leuk is, is dat ze allemaal dezelfde inhoud lijken te hebben. Lauryn gaat maar door over tijd nemen voor jezelf, me first, it's about me first, hoe dankbaar ze jesses craajjest is (wie, Lauryn, wie?) boetedoening, berouw en over de demoralisering van de wereld & groeiend egoïsme – waarmee ze zichzelf nog tegenspreekt ook.
(Voor de liefhebber: The Miseducation en Lauryn Hill Unplugged 2.0 (disc 2))
Ik vergeef het haar natuurlijk direct, want ze is nog steeds cool, al zijn haar ogen wat doffer en is haar lach hees en cynisch. Maar Lauryn, baby, use your head: als je me first wilde, had je misschien geen zes kinderen op de wereld moeten zetten, al kun je het je veroorloven. Als je met een Marley samen bent, heeft je kind aan neefjes en nichtjes sowieso geen gebrek...
Dan doet dat andere epitoom, Erykah Badu, het toch beter. Badu heeft een hele andere achtergrond en levenspad; toch is vergelijken leuk.
Al verschillen ze maar vier jaar in leeftijd, concurrenten kun je het niet noemen. Ook genregewijs zitten ze elkaar niet in de weg. Tot op heden is een Clash of the Afro's uitgebleven en dat is maar goed ook, want pit hebben ze beide weer in overvloed.
Het is geen geheim dat Eryka's Y en Badu beiden 'vals' zijn: Erica Wright veranderde haar naam uit onvrede met de slavenmeesterconnotatie die ze erbij had. Kah zou slaan op het 'innerlijke zelf' (ik zeg niets...) en laten we eerlijk zijn: het staat natuurlijk veel interessanter. Maar waar Lauryn expliciet strijdt voor de Grote Zwarte Zaak en aandacht voor jesses craajjest, predikt Erykah toegespitste world love en luisteren naar je onderbuik – een veel universelere, sensuelere, pantheïstische en vooral pragmatische boodschap.
Met die drie meter hoge hoofddoek, dreads langer dan die van Damian (alweer een zoon ván) of afro met de omtrek van een skippybal twijfelt niemand er namelijk aan dat Erykah witte idealen op gezonde afstand houdt zónder mensen tegen zich in het harnas te jagen. Inmiddels heeft zij die worldly love in haar onderbuik verzameld in drie liefdesbaby's met klinkende namen als Seven, Puma en Mars. Daar kunnen de zes spruiten van L-boogie, op Zion David-Nesta na, dan weer een puntje aan zuigen.
(Voor de liefhebber: de skippybal en Tyrone)
Zou het niet gaaf zijn als ze een duet zouden maken? De heesheid van Lauryn in samenzang met de neusstem van Erykah, en dan een liedje over kuise liefde, mannen en verlangen? Ik zie het wel voor me. Misschien moeten ze elkaar eens bellen. Misschien kennen ze Tyrone allebei wel, i dunno. Ik denk dat het de moeite waard zou zijn en ik zou die single zeker kopen, al was het maar uit dubbele girl crush en nostalgie. Als de inspiratie uitblijft, kunnen ze altijd nog een jointje delen, gemaakt met Erykah's stash en Lauryns bijbelvloei. Mijn zegen hebben ze, hoor. Jah bless.
woensdag 15 augustus 2012
Fristi
De stationskranten worden niet uitgegeven vandaag, daarom valt hij me op. Drie weken geleden, tijdens de Stormende Maandag, zag ik hem voor het eerst. Dankzij de storm met complementerende treinuitval waren wij tot elkaar veroordeeld. Dat wil zeggen: wij, een kleuter met een broodkorst en een omaatje met crèmekleurige 'mary-janes', vochtverstelbaar – u weet welk soort ik bedoel. Zij was niet het omaatje van de kleuter, maar dat terzijde.
Ik dacht dat mijn doorweekte jas me parten speelde toen ik hem huiverend bekeek, maar niets is minder waar. De man is ganz mijn goesting; lang, donkerharig, wélgekleed met mooie schoenen. Hij heeft een kapsel dat zo kenmerkend is voor mannen die geboren zijn in de jaren tachtig, halflang met een midden-of zijscheiding die de twee delen van zijn haar zogenaamd in bedwang houdt. (dát, en een toefje glanstaft...)
Een tikje 2005, maar aangezien ik zelf een kind van de jaren tachtig ben, voldoet dat wel aan mijn smaak. Daarbij lenen zijn dikke, rustige, chocoladebruine golven zich uitstekend voor dit dandykapsel. Ik vind het zelfs niet erg dat hij het af en toe achter zijn oren strijkt – dat fatterige gebaar past wel bij zijn suède schoenen. Rrrrrrrrrr. Báh. Rrrrrrrrr.
Mijn fat is toch niet zo fatterig, dat zie ik aan het pak drinkyoghurt dat uit zijn tas komt. Meneer heeft blijkbaar niet of niet genoeg ontbeten. Hhm, een man met een zwak voor yoghurtcultuur en aandacht voor den darm. Heet.
Het is vast framboos, of banaan. Ik vind banaan verschrikkelijk, maar als je als dertig-minner dan toch in het openbaar drinkyoghurt moet nuttigen, maakt een pak gifroze Fristi met dito smaak niet zo'n heel goede indruk. Al zou mijn fat zelfs dat hypen – sommige mannen kunnen dat. Suède, een permanent in twijfel opgetrokken wenkbrauw en een goed luchtje rekken de grenzen van het mannelijke op.
Hij draagt geen pak, maar godzijdank ook geen corduroy jasje op zijn spijkerbroek. Tot zover 2005. Hij draagt een polo, wat ik het equivalent van de spekzool voor vrouwen vind. Op het moment dat je een vrouw daarop ziet lopen weet je dat ze comfort boven stijl heeft laten gaan en hoe nuttig dat ook kan zijn, fraai is het nooit. Maar soms heb je geen keus. (Om over mannen op spekzolen nog maar te zwijgen. Voorgoed.)
Ik had het hem grif vergeven als hij een button front shirt op zijn jeans had gedragen. Dat is natuurlijk ook heel erg 2005 maar een polo op jeans is niet veel beter. Hell, hij moest eens weten wat ik hem zoal zou kunnen vergeven, als hij het maar eerst zou doen.....
Ik kijk even de andere kant op en het pak is weg. Hij zal het toch niet achterover hebben geslagen? Ik speur naar melksnor, maar die heeft de fat natuurlijk niet. Hij zucht klagelijk en strijkt de chocola nog maar eens achter zijn oor met beide handen tegelijk. Heb ik mij niet al eerder in zo'n zelfde situatie bevonden, lieve lezer? Jazeker. Het verschil met de vorige keer is dat ik mij als yup niet met goed fatsoen kan aanbieden. Bovendien moet de jongen er bij hetzelfde station uit als ik: er zijn nog zoveel kansen als er reisdagen komen. Ik hoef niets te overhaasten en hij mag van geluk spreken als ik in de loop van volgende maand instap bij dezelfde deur. Men zegt dat je chocola met mate moet consumeren. En dan heb ik mijn afkeer van drinkyoghurt – banaan of anderszins – nog niet meegewogen.
Het signaal klinkt. Ik loop naar de deur en neem de gelegenheid te baat om dicht bij de fat te gaan staan, terwijl ik me koester in een wolk van Armani's Acqua di Gio. Een guitig kijkende koe met een rietje uit zijn mond kijkt me aan vanuit de tas. De deuren openen zich en onze wegen scheiden. Hij schrijdt weg op zijn suède en ook ik zet mijn pumpenkels aan het werk. Woef, woef. Dag, fatje. Morgen chocomel?
Ik dacht dat mijn doorweekte jas me parten speelde toen ik hem huiverend bekeek, maar niets is minder waar. De man is ganz mijn goesting; lang, donkerharig, wélgekleed met mooie schoenen. Hij heeft een kapsel dat zo kenmerkend is voor mannen die geboren zijn in de jaren tachtig, halflang met een midden-of zijscheiding die de twee delen van zijn haar zogenaamd in bedwang houdt. (dát, en een toefje glanstaft...)
Een tikje 2005, maar aangezien ik zelf een kind van de jaren tachtig ben, voldoet dat wel aan mijn smaak. Daarbij lenen zijn dikke, rustige, chocoladebruine golven zich uitstekend voor dit dandykapsel. Ik vind het zelfs niet erg dat hij het af en toe achter zijn oren strijkt – dat fatterige gebaar past wel bij zijn suède schoenen. Rrrrrrrrrr. Báh. Rrrrrrrrr.
Mijn fat is toch niet zo fatterig, dat zie ik aan het pak drinkyoghurt dat uit zijn tas komt. Meneer heeft blijkbaar niet of niet genoeg ontbeten. Hhm, een man met een zwak voor yoghurtcultuur en aandacht voor den darm. Heet.
Het is vast framboos, of banaan. Ik vind banaan verschrikkelijk, maar als je als dertig-minner dan toch in het openbaar drinkyoghurt moet nuttigen, maakt een pak gifroze Fristi met dito smaak niet zo'n heel goede indruk. Al zou mijn fat zelfs dat hypen – sommige mannen kunnen dat. Suède, een permanent in twijfel opgetrokken wenkbrauw en een goed luchtje rekken de grenzen van het mannelijke op.
Hij draagt geen pak, maar godzijdank ook geen corduroy jasje op zijn spijkerbroek. Tot zover 2005. Hij draagt een polo, wat ik het equivalent van de spekzool voor vrouwen vind. Op het moment dat je een vrouw daarop ziet lopen weet je dat ze comfort boven stijl heeft laten gaan en hoe nuttig dat ook kan zijn, fraai is het nooit. Maar soms heb je geen keus. (Om over mannen op spekzolen nog maar te zwijgen. Voorgoed.)
Ik had het hem grif vergeven als hij een button front shirt op zijn jeans had gedragen. Dat is natuurlijk ook heel erg 2005 maar een polo op jeans is niet veel beter. Hell, hij moest eens weten wat ik hem zoal zou kunnen vergeven, als hij het maar eerst zou doen.....
Ik kijk even de andere kant op en het pak is weg. Hij zal het toch niet achterover hebben geslagen? Ik speur naar melksnor, maar die heeft de fat natuurlijk niet. Hij zucht klagelijk en strijkt de chocola nog maar eens achter zijn oor met beide handen tegelijk. Heb ik mij niet al eerder in zo'n zelfde situatie bevonden, lieve lezer? Jazeker. Het verschil met de vorige keer is dat ik mij als yup niet met goed fatsoen kan aanbieden. Bovendien moet de jongen er bij hetzelfde station uit als ik: er zijn nog zoveel kansen als er reisdagen komen. Ik hoef niets te overhaasten en hij mag van geluk spreken als ik in de loop van volgende maand instap bij dezelfde deur. Men zegt dat je chocola met mate moet consumeren. En dan heb ik mijn afkeer van drinkyoghurt – banaan of anderszins – nog niet meegewogen.
Het signaal klinkt. Ik loop naar de deur en neem de gelegenheid te baat om dicht bij de fat te gaan staan, terwijl ik me koester in een wolk van Armani's Acqua di Gio. Een guitig kijkende koe met een rietje uit zijn mond kijkt me aan vanuit de tas. De deuren openen zich en onze wegen scheiden. Hij schrijdt weg op zijn suède en ook ik zet mijn pumpenkels aan het werk. Woef, woef. Dag, fatje. Morgen chocomel?
woensdag 8 augustus 2012
Ver(dw)(b)aasd
Toen mijn rij-instructeur mij onomwonden vertelde dat ik niet kon rijden ('Ik vertel je niets nieuws als ik zeg dat je talenten ergens anders liggen, hier liggen ze in ieder geval niet!') schoot ik niet uit mijn slof maar in de lach. Hoewel de grens tussen eerlijk en onnodig lomp dun is, kon ik het van hem wel waarderen.
Na de rijles moest ik shampoo kopen. Toen ik de kapsalon binnenstapte zei het meisje achter de kassa: 'Ben jij de afspraak van elf uur? Je wenkbrauwen hè, ik zie het! Kom maar gauw, want meis, ik zegt het je eerlijk, dit kan zo niet langer.' Ik was niet de afspraak van elf uur, maar werd het wel. Een paar minuten later schrok ik van de spiegel; er keek een slechte travestiet verbaasd naar me terug. Ik zal er niet om liegen; de tranen schoten me in de ogen.
Ik weet wel dat het terug groeit, dat sowieso. Maar het vooruitzicht weken met een groezelbrauw over straat te moeten terwijl ik er normaal altijd verzorgd bijloop, is geen beloning. Ik kon het mijn epileuse niet kwalijk nemen: het was haar werk. Tegelijkertijd vind ik het niet van professionaliteit getuigen dat ze geen rekening hield met de wenkbrauwen die er záten: dat is alsof ze een klant met ongeverfd haar op billengte met het verzoek tot bijpunten een asymmetrische, felroze boblijn knipt. Not cool. Ik mag dan misschien rupsen hebben gehad, het waren mijn rupsen. Dit was verre van heroine chic, het was vooral heroïne. Als ik op een Poolse straatwerker had willen lijken, had ik zeker niet verzuimd haar daarover in te lichten...
Plichtsgetrouw ging ik die avond mee naar een kroeg die ik normaliter mijd. Ik heb het graag over voor het vriendinnetje waar ik mee ging, maar de muziek, mannen, stank en het algehele middelbare-schoolfeestaura staan me vreselijk tegen. Een baco komt nog het dichtst in de buurt bij een cocktail en de glazen zijn van plastic, ondoorzichtig en bekrast door veelgebruik en desinfectant tegen koortsliplijders - dat is mijn hoop althans. In één woord: neen.
Een geluk bij een ongeluk was dat ik me dankzij die lage verwachtingen ook weinig zorgen maakte over mijn wenkbrauwen. Ik probeerde er toch wat van te maken op de dansvloer – als je met z'n tweeën uit bent, is dat wel zo leuk – en zuchtte onhoorbaar van opluchting toen er een hyperactieve blonde jongen met me kwam dansen. Zijn energie was aanstekelijk en het gaf zelfs niet dat onze voorhoofden op dezelfde hoogte zaten. Ik wist zeker dat als ik hem bij dag- of erger, TL-licht zou zien, ik gillend weg zou rennen. Maar het tegenovergestelde behoorde, dankzij mijn wenkbrauwen, ineens ook tot de mogelijkheden. Bovendien had mijn vriendinnetje het alweer druk en ik wilde haar niet storen. Dus ik danste. De jongen riep bij iedere nieuwe intro: 'Dit! is JOUW nummer, ik voel het! NU ga je shinen, ik VOEL het!!' gevolgd door wat ongecoördineerde aapachtige passen. Na een korte pauze trok hij me tegen zijn verhitte lijf en kuste me, en alweer zuchtte ik van opluchting. Misschien werd het toch nog leuk. Hij zette echter geen verdere stappen, wat ook prima was. Wel bleef hij dingen roepen over my time to shine en meer van die ongein.
Eerst vond ik het schattig, toen had ik door dat hij geen grapje maakte, en na het zeventiende liedje wilde ik hem alleen nog maar mijn rug toekeren.
De enige shiner die je gaat krijgen is die op je linkeroog.
Waarom ik toch bleef staan? Verveling, berusting, verveling, en het gebrek aan energie of lust om bij iemand anders voet aan de grond te krijgen. Ik wilde vooral naar huis, maar gunde mijn vriendinnetje ook een leuke avond. Het lag aan de kroeg, niet aan haar. De jongen werd steeds apiger en ik geeuwde onopvallend. Plotseling stond hij stil, schudde me door elkaar en zei: 'DANS eens! Ik weet niet hoor, ik voel het niet, je komt niet echt los! Wat héb jij?!' Het stereotype dat hij er aan toevoegde zal ik hier omwille van de verveling niet herhalen. U kunt zich in ieder geval vast voorstellen dat ik me niet geroepen voelde nu ineens wel dingen te doen die onder zijn definitie van 'lekker los gaan' vielen. Toegegeven, ik ben geen Michael Jackson en absoluut stijver dan datzelfde stereotype doet vermoeden, maar hij had geen twintig liedjes met me door hoeven brengen. Bovendien was ik omringd door muziek, mensen, drank en een locatie die geen van allen mijn voorkeur hadden (op ééntje na dan). Dat ik het überhaupt zo lang had volgehouden was al een wonder. Nee, ik had het niet naar mijn zin, dat had hij heel goed gezien.
Blijkbaar was ik ten prooi gevallen aan het Weekend van de Openhartigheid. Maar meisjes van stand respecteren de grens tussen openhartig en lomp, dus ik slikte in wat ik hem allemaal toe had kunnen voegen (moet jij zeggen, spastische dwerg!!) en gaf hem een beminnelijke glimlach. De avond was echter wel ten einde toen hij voorstelde dat ik at ramdom mensen in hun billen zou knijpen, te beginnen met mijn vriendinnetje. Na de loze belofte dat hij me zou facebooken (dat is het nieuwe we bellen nog, waar ik evenmin op zat te wachten) kon ik naar huis.
Was het dan helemaal geen goed weekend? Jawel hoor, en er is niets onherstelbaars gebeurd. Het gaat alleen lang duren voor alles weer bij het oude is, als dat ooit nog voor elkaar komt. Ik heb in ieder geval genoeg om me in de tussentijd over te verbazen.
Na de rijles moest ik shampoo kopen. Toen ik de kapsalon binnenstapte zei het meisje achter de kassa: 'Ben jij de afspraak van elf uur? Je wenkbrauwen hè, ik zie het! Kom maar gauw, want meis, ik zegt het je eerlijk, dit kan zo niet langer.' Ik was niet de afspraak van elf uur, maar werd het wel. Een paar minuten later schrok ik van de spiegel; er keek een slechte travestiet verbaasd naar me terug. Ik zal er niet om liegen; de tranen schoten me in de ogen.
Ik weet wel dat het terug groeit, dat sowieso. Maar het vooruitzicht weken met een groezelbrauw over straat te moeten terwijl ik er normaal altijd verzorgd bijloop, is geen beloning. Ik kon het mijn epileuse niet kwalijk nemen: het was haar werk. Tegelijkertijd vind ik het niet van professionaliteit getuigen dat ze geen rekening hield met de wenkbrauwen die er záten: dat is alsof ze een klant met ongeverfd haar op billengte met het verzoek tot bijpunten een asymmetrische, felroze boblijn knipt. Not cool. Ik mag dan misschien rupsen hebben gehad, het waren mijn rupsen. Dit was verre van heroine chic, het was vooral heroïne. Als ik op een Poolse straatwerker had willen lijken, had ik zeker niet verzuimd haar daarover in te lichten...
Plichtsgetrouw ging ik die avond mee naar een kroeg die ik normaliter mijd. Ik heb het graag over voor het vriendinnetje waar ik mee ging, maar de muziek, mannen, stank en het algehele middelbare-schoolfeestaura staan me vreselijk tegen. Een baco komt nog het dichtst in de buurt bij een cocktail en de glazen zijn van plastic, ondoorzichtig en bekrast door veelgebruik en desinfectant tegen koortsliplijders - dat is mijn hoop althans. In één woord: neen.
Een geluk bij een ongeluk was dat ik me dankzij die lage verwachtingen ook weinig zorgen maakte over mijn wenkbrauwen. Ik probeerde er toch wat van te maken op de dansvloer – als je met z'n tweeën uit bent, is dat wel zo leuk – en zuchtte onhoorbaar van opluchting toen er een hyperactieve blonde jongen met me kwam dansen. Zijn energie was aanstekelijk en het gaf zelfs niet dat onze voorhoofden op dezelfde hoogte zaten. Ik wist zeker dat als ik hem bij dag- of erger, TL-licht zou zien, ik gillend weg zou rennen. Maar het tegenovergestelde behoorde, dankzij mijn wenkbrauwen, ineens ook tot de mogelijkheden. Bovendien had mijn vriendinnetje het alweer druk en ik wilde haar niet storen. Dus ik danste. De jongen riep bij iedere nieuwe intro: 'Dit! is JOUW nummer, ik voel het! NU ga je shinen, ik VOEL het!!' gevolgd door wat ongecoördineerde aapachtige passen. Na een korte pauze trok hij me tegen zijn verhitte lijf en kuste me, en alweer zuchtte ik van opluchting. Misschien werd het toch nog leuk. Hij zette echter geen verdere stappen, wat ook prima was. Wel bleef hij dingen roepen over my time to shine en meer van die ongein.
Eerst vond ik het schattig, toen had ik door dat hij geen grapje maakte, en na het zeventiende liedje wilde ik hem alleen nog maar mijn rug toekeren.
De enige shiner die je gaat krijgen is die op je linkeroog.
Waarom ik toch bleef staan? Verveling, berusting, verveling, en het gebrek aan energie of lust om bij iemand anders voet aan de grond te krijgen. Ik wilde vooral naar huis, maar gunde mijn vriendinnetje ook een leuke avond. Het lag aan de kroeg, niet aan haar. De jongen werd steeds apiger en ik geeuwde onopvallend. Plotseling stond hij stil, schudde me door elkaar en zei: 'DANS eens! Ik weet niet hoor, ik voel het niet, je komt niet echt los! Wat héb jij?!' Het stereotype dat hij er aan toevoegde zal ik hier omwille van de verveling niet herhalen. U kunt zich in ieder geval vast voorstellen dat ik me niet geroepen voelde nu ineens wel dingen te doen die onder zijn definitie van 'lekker los gaan' vielen. Toegegeven, ik ben geen Michael Jackson en absoluut stijver dan datzelfde stereotype doet vermoeden, maar hij had geen twintig liedjes met me door hoeven brengen. Bovendien was ik omringd door muziek, mensen, drank en een locatie die geen van allen mijn voorkeur hadden (op ééntje na dan). Dat ik het überhaupt zo lang had volgehouden was al een wonder. Nee, ik had het niet naar mijn zin, dat had hij heel goed gezien.
Blijkbaar was ik ten prooi gevallen aan het Weekend van de Openhartigheid. Maar meisjes van stand respecteren de grens tussen openhartig en lomp, dus ik slikte in wat ik hem allemaal toe had kunnen voegen (moet jij zeggen, spastische dwerg!!) en gaf hem een beminnelijke glimlach. De avond was echter wel ten einde toen hij voorstelde dat ik at ramdom mensen in hun billen zou knijpen, te beginnen met mijn vriendinnetje. Na de loze belofte dat hij me zou facebooken (dat is het nieuwe we bellen nog, waar ik evenmin op zat te wachten) kon ik naar huis.
Was het dan helemaal geen goed weekend? Jawel hoor, en er is niets onherstelbaars gebeurd. Het gaat alleen lang duren voor alles weer bij het oude is, als dat ooit nog voor elkaar komt. Ik heb in ieder geval genoeg om me in de tussentijd over te verbazen.
woensdag 1 augustus 2012
Brioche
Het is lunchuur voor heel de stad en dus spitsuur voor de bakker. Gister, eergisteren en de weken hiervoor was dat ook zo, maar de bakker zet geen extra mensen in op deze tijd. Neen, hij gunt zijn klanten brood met extra zout. Zo komt het, dat de man naast mij tijd vindt om me aan te spreken. Zijn kinderen, een meisje van ongeveer vijf en haar broertje van net twee spelen in de etalage met een paar reusachtige Hello Kitty-poppen.
Het meisje klampt zich aan haar vader vast. De man is net zo lang als ik – klein, voor een man – maar ik zie aan haar dat zij in hem haar Grote Behoeder ziet. 'Mag ik wat drinken!' roept ze naar hem. 'Drinken, pappa, drihinken?' 'Straks, zometeen, Ottolinde,' sust hij, 'eerst de broodjes kopen, en dán krijg jij wat te drinken. Ga daar eerst maar eens zitten. Maar wél met je armen over elkaar.' Ottolinde slaat prompt haar armen over elkaar alsof het geen 26ºC maar iglotempie is en geeft geen kik. Het moet gezegd worden, deze man heeft het goed begrepen en zijn kids ook.
'Dat heb ik ze geleerd toen we in de Julianatoren waren,' begint de man tegen me. Ik heb eerst niet door dat hij het tegen mij heeft, ik ben slechts Een Vrouw In de Rij Bij De Bakker en verwacht dit niet van vaders wiens kinderen gewoon gehoorzaam zijn, wat niets uitzonderlijks hoort te zijn bij kinderen. Ik heb honger en haast. Ik geef de man een glimlach voor zijn inspanningen.
'Jaja, we waren in de Julianatoren en toen wilden we even weer het overzicht, en toen zei ik: 'en nu allemaal met de armen over elkaar!' En dat déden ze toen ook!' Enig zeg! De hemel zij geloofd en geprezen...! 'Maar ik was natuurlijk niet echt boos. Maar daarna zei ik: en nu gaan we een filmpje kijken! En sindsdien hebben ze er hele andere associaties bij, dat was eigenlijk de bedoeling niet...'
'Welopgevoede kinderen zijn een zegen voor de mensheid en hun ouders,' bevestig ik, en richt mijn blik strak op de knabbelstengels. Dat helpt. Eventjes.
'Ze slapen ook met z'n allen op één kamer,' Jaja, wel de lusten, niet de ruimte. Typisch. 'Ze vinden het heel gezellig zo, en straks als nummer drie en vier er zijn, is dat nog gezelliger,´ gaat de man door. Ik kijk om en daar zie ik mevrouw Vier Kinderen. Ze draagt dezelfde afritsbroek als haar man, dezelfde schoenen en hetzelfde haar op haar benen. In all fairness, we kunnen er na vier kinderen niet allemaal uitzien als Heidi Klum, maar halverwege van Heidi naar Zanussi is weer een ander uiterste.
De man smeert zijn kinderen in mijn gezicht alsof het hompjes pindakaas zijn. Ik houd best van pindakaas, maar niet nu. Waren zijn kinderen hompjes filet américain geweest, dan had het wellicht heel anders gelegen. Maar dat zijn ze niet.
'Mijn vrouw komt uit een gezin van twee maar met haar broer heeft ze geen contact meer. Daarom hebben wij vier kinderen straks.' Heel, heel even krijg ik een visioen van Victoriaanse afritsbroekenseks, vierkant, harig en bleekroze. Mocht er eentje in de plomp vallen dan blijven er nog drie over. Hartstikke logisch. Ik betwijfel echter of deze hitsige romanticus aan het welzijn van zijn echtgenote heeft gedacht.
Ottolinde trekt haar vaders aandacht nog eens. Hij legt haar met veel bombarie uit waarom ze geen drinken mag en ik zie de ogen van het kind glazeren. 'Da's wat teveel voor een kind van vier,' probeer ik voorzichtig. 'Oh, maar dat snapt ze wel. Mijn zoon snapt ook dat hij moet gaan zitten als ik zeg zitten! en hij kan nog niet eens praten!'
Ik houd mijn mond. Manny knows best, 'tis zijn kind. Ik wil alleen m'n pompoenenbroodje.
De bakkersjongen heeft eindelijk tijd voor me en ik schuifel vlug de winkel uit. Manny groet mij niet eens, waarschijnlijk beledigd door mijn opmerking. Maar op die woordbagger, luide loftrompet en borstklopperij zit ik niet te wachten – óók niet in de afritsbare variant. Als het om smeren gaat, veins ik pinda-allergie.
Het meisje klampt zich aan haar vader vast. De man is net zo lang als ik – klein, voor een man – maar ik zie aan haar dat zij in hem haar Grote Behoeder ziet. 'Mag ik wat drinken!' roept ze naar hem. 'Drinken, pappa, drihinken?' 'Straks, zometeen, Ottolinde,' sust hij, 'eerst de broodjes kopen, en dán krijg jij wat te drinken. Ga daar eerst maar eens zitten. Maar wél met je armen over elkaar.' Ottolinde slaat prompt haar armen over elkaar alsof het geen 26ºC maar iglotempie is en geeft geen kik. Het moet gezegd worden, deze man heeft het goed begrepen en zijn kids ook.
'Dat heb ik ze geleerd toen we in de Julianatoren waren,' begint de man tegen me. Ik heb eerst niet door dat hij het tegen mij heeft, ik ben slechts Een Vrouw In de Rij Bij De Bakker en verwacht dit niet van vaders wiens kinderen gewoon gehoorzaam zijn, wat niets uitzonderlijks hoort te zijn bij kinderen. Ik heb honger en haast. Ik geef de man een glimlach voor zijn inspanningen.
'Jaja, we waren in de Julianatoren en toen wilden we even weer het overzicht, en toen zei ik: 'en nu allemaal met de armen over elkaar!' En dat déden ze toen ook!' Enig zeg! De hemel zij geloofd en geprezen...! 'Maar ik was natuurlijk niet echt boos. Maar daarna zei ik: en nu gaan we een filmpje kijken! En sindsdien hebben ze er hele andere associaties bij, dat was eigenlijk de bedoeling niet...'
'Welopgevoede kinderen zijn een zegen voor de mensheid en hun ouders,' bevestig ik, en richt mijn blik strak op de knabbelstengels. Dat helpt. Eventjes.
'Ze slapen ook met z'n allen op één kamer,' Jaja, wel de lusten, niet de ruimte. Typisch. 'Ze vinden het heel gezellig zo, en straks als nummer drie en vier er zijn, is dat nog gezelliger,´ gaat de man door. Ik kijk om en daar zie ik mevrouw Vier Kinderen. Ze draagt dezelfde afritsbroek als haar man, dezelfde schoenen en hetzelfde haar op haar benen. In all fairness, we kunnen er na vier kinderen niet allemaal uitzien als Heidi Klum, maar halverwege van Heidi naar Zanussi is weer een ander uiterste.
De man smeert zijn kinderen in mijn gezicht alsof het hompjes pindakaas zijn. Ik houd best van pindakaas, maar niet nu. Waren zijn kinderen hompjes filet américain geweest, dan had het wellicht heel anders gelegen. Maar dat zijn ze niet.
'Mijn vrouw komt uit een gezin van twee maar met haar broer heeft ze geen contact meer. Daarom hebben wij vier kinderen straks.' Heel, heel even krijg ik een visioen van Victoriaanse afritsbroekenseks, vierkant, harig en bleekroze. Mocht er eentje in de plomp vallen dan blijven er nog drie over. Hartstikke logisch. Ik betwijfel echter of deze hitsige romanticus aan het welzijn van zijn echtgenote heeft gedacht.
Ottolinde trekt haar vaders aandacht nog eens. Hij legt haar met veel bombarie uit waarom ze geen drinken mag en ik zie de ogen van het kind glazeren. 'Da's wat teveel voor een kind van vier,' probeer ik voorzichtig. 'Oh, maar dat snapt ze wel. Mijn zoon snapt ook dat hij moet gaan zitten als ik zeg zitten! en hij kan nog niet eens praten!'
Ik houd mijn mond. Manny knows best, 'tis zijn kind. Ik wil alleen m'n pompoenenbroodje.
De bakkersjongen heeft eindelijk tijd voor me en ik schuifel vlug de winkel uit. Manny groet mij niet eens, waarschijnlijk beledigd door mijn opmerking. Maar op die woordbagger, luide loftrompet en borstklopperij zit ik niet te wachten – óók niet in de afritsbare variant. Als het om smeren gaat, veins ik pinda-allergie.
zaterdag 21 juli 2012
Soup-lesse(n)
Toen ik klein was had ik een badspeeltje met een grote zuignap, met op de voorkant Ursula de zeeheks. Als je het ding ergens op plakte kwam het met geen mogelijkheid meer los, tenzij je met geweld de luchtledigheid verbrak.
Het was Ursula waaraan ik dacht, terwijl ik me schrap zette tegen de deur van een Peugeot 206 van begin deze eeuw. In mijn maag bevonden zich kleine couscousklontjes, wat lamsvlees en een paprika die om het hardst naar boven raceten via mijn slokdarm. Een en ander werd getriggerd door de vacuümpomp in de vorm van een gretig manspersoon die zijn lippen zo hard en liefdeloos op de mijne drukte dat ik me afvroeg of hij me wilde zoenen of nog honger had. De uitkomst zou hoe dan ook onprettig zijn als deze penibele situatie nog veel langer zou duren. Ik voorzag een vloedgolf. Onsmakelijk, lieve lezer? Vertel mij wat.
Enkele minuten daarvoor hadden wij al afscheid van elkaar genomen en had ik voor de vierde keer geweigerd mee te gaan naar zijn huis. Blijkbaar vond meneer het tijd om zijn kans op wat pokey-pokey nu te grijpen, terwijl ik al aan het uitstappen was. Tijdens ons tête-à-tête had ik al laten merken dat dat er wat mij betreft niet inzat – blijkbaar nam hij daar geen genoegen mee. De wanhoop overstemde de knoflook. Ik opende het portier, stapte de auto uit en spoedde mij de trein in.
Eenmaal alleen in de veilige coupé overdacht ik de avond nog eens. Mijn date had mij uitgenodigd om in zijn stad te gaan eten nadat ik zijn voorstel om naar zijn huis te komen beleefd had afgeslagen. Hij had echter geen plan, idee of reservering. Dat gaf niet – wel vertelde ik hem na drie kwartier rijden dat hoewel ik een road trip ook best gezellig vond, ik het fijn zou vinden als er wat knopen zouden worden doorgehakt.
How many boyfriends did you have? What is your type, am I your type? Are you a fastfood type of girl? vroeg hij mij gebrekkig. Because we could visit the Mac and hang out at my place...
De Mac?! Dank je feestelijk, beste man. Natuurlijk, het gaat mij om het gezelschap en niet om het eten, en als ik hem beter had gekend zou het een minder grote belediging zijn, maar naar de Mac, op een eerste date? Wat vind je daar zelf van?
Eindelijk streken we dan neer in een plaatselijke kroeg. Na een enerverende werkweek en met mijn laatste maaltijd zo'n zes uur geleden achter de kiezen is het te begrijpen dat ik voor een non-alcoholische versnapering koos. Gespleten tongen zijn al niet aantrekkelijk, dubbele nog veel minder, en ik had al besloten dat ik nuchter zou blijven. Je kunt immers niet alle alarmbellen negeren. Dit leverde mij een schampere opmerking van zijn kant op: ik zou eens wat spontaner moeten zijn, zei hij, want ik wilde ook al niet mee naar zijn huis....Kundig – ik ben een geoefende dater – bracht ik het gesprek naar het constructieve vlak. Mijn gezelschap leek echter afgeleid, zijn aandacht was getrokken door de vrouw die naast mij zat. Ze was blond, midden dertig, klein en zag er pittig uit. Niet voor hemzelf, sweety, zo legde hij uit, maar voor zijn beste vriend, want het meisje was precies zijn type. Of ik haar even aan wilde spreken?
Ik zag het niet zitten om matchmaker te spelen op mijn eigen date, maar zei hem dat hij mocht doen wat zijn hart hem ingaf. Hierna viel ons gesprek stil, ook omdat ik ondanks zijn aanhoudende vragen weigerde mijn liefdesleven aan hem uit de doeken te doen. Ik slaagde er sowieso niet in hem te bekoren; hij bleef af en toe tien minuten aaneen over zijn telefoon gebogen. Werkelijk, hij was alleen voor mij hard to get die avond, en dat terwijl hij tegenover me zat. Op alles wat ik wél zei kreeg ik bovendien het commentaar Yeah, really? So...what else? en dat ik niet los of spontaan genoeg was. Zijn oordeel over mijn woorden kon me niet zoveel schelen, maar het kwam de conversatie niet ten goede.
You're not the ambitious type, eh? I'm like, adventurous, but you're not, are you. You are? So, do you want to go to my house? No? You're not spontaneous, like me? You do not like fun?
Met recht een verlammende date, lezer. Ik heb er een hekel aan als mannen zichzelf bij mij uitnodigen – het toppunt van vrijpostigheid – maar hekel het misschien nog wel meer als ze voorstellen in de luwte van thuis 'elkaar wat beter te willen leren kennen'.
Ik zei er niets van toen hij zijn lepel gretig in een bord met saus stak dat voor mij bedoeld was. Daar kreeg ik ook de kans niet voor, want voor ik het wist was de schaal leeg. Daarna boog mijn gezel zich met een Great soup, really lekkar! weer over zijn telefoon.
Het klapstuk was echter de ontboezeming dat hij een prins was, uit een goede familie kwam en dat ik me wel in mijn handen mocht knijpen met hem....
Dat heb ik zeker meegenomen in mijn beslissing een tweede ontmoeting (het gore lef...!) beleefd en beslist te weigeren. Ik vermoed dat hij aan het paardrijden was toen de lessen 'etiquette' op het programma stonden, maar zeker weten doe ik het niet.
En wat hebben we hiervan geleerd? Eerst trappen, dan kijken. Iemand die eng en onaardig lijkt, is dat vaak ook. En de laatste dan: je hoeft iets niet altijd geprobeerd te hebben om te weten dat het niets voor je is. So, what else?
Het was Ursula waaraan ik dacht, terwijl ik me schrap zette tegen de deur van een Peugeot 206 van begin deze eeuw. In mijn maag bevonden zich kleine couscousklontjes, wat lamsvlees en een paprika die om het hardst naar boven raceten via mijn slokdarm. Een en ander werd getriggerd door de vacuümpomp in de vorm van een gretig manspersoon die zijn lippen zo hard en liefdeloos op de mijne drukte dat ik me afvroeg of hij me wilde zoenen of nog honger had. De uitkomst zou hoe dan ook onprettig zijn als deze penibele situatie nog veel langer zou duren. Ik voorzag een vloedgolf. Onsmakelijk, lieve lezer? Vertel mij wat.
Enkele minuten daarvoor hadden wij al afscheid van elkaar genomen en had ik voor de vierde keer geweigerd mee te gaan naar zijn huis. Blijkbaar vond meneer het tijd om zijn kans op wat pokey-pokey nu te grijpen, terwijl ik al aan het uitstappen was. Tijdens ons tête-à-tête had ik al laten merken dat dat er wat mij betreft niet inzat – blijkbaar nam hij daar geen genoegen mee. De wanhoop overstemde de knoflook. Ik opende het portier, stapte de auto uit en spoedde mij de trein in.
Eenmaal alleen in de veilige coupé overdacht ik de avond nog eens. Mijn date had mij uitgenodigd om in zijn stad te gaan eten nadat ik zijn voorstel om naar zijn huis te komen beleefd had afgeslagen. Hij had echter geen plan, idee of reservering. Dat gaf niet – wel vertelde ik hem na drie kwartier rijden dat hoewel ik een road trip ook best gezellig vond, ik het fijn zou vinden als er wat knopen zouden worden doorgehakt.
How many boyfriends did you have? What is your type, am I your type? Are you a fastfood type of girl? vroeg hij mij gebrekkig. Because we could visit the Mac and hang out at my place...
De Mac?! Dank je feestelijk, beste man. Natuurlijk, het gaat mij om het gezelschap en niet om het eten, en als ik hem beter had gekend zou het een minder grote belediging zijn, maar naar de Mac, op een eerste date? Wat vind je daar zelf van?
Eindelijk streken we dan neer in een plaatselijke kroeg. Na een enerverende werkweek en met mijn laatste maaltijd zo'n zes uur geleden achter de kiezen is het te begrijpen dat ik voor een non-alcoholische versnapering koos. Gespleten tongen zijn al niet aantrekkelijk, dubbele nog veel minder, en ik had al besloten dat ik nuchter zou blijven. Je kunt immers niet alle alarmbellen negeren. Dit leverde mij een schampere opmerking van zijn kant op: ik zou eens wat spontaner moeten zijn, zei hij, want ik wilde ook al niet mee naar zijn huis....Kundig – ik ben een geoefende dater – bracht ik het gesprek naar het constructieve vlak. Mijn gezelschap leek echter afgeleid, zijn aandacht was getrokken door de vrouw die naast mij zat. Ze was blond, midden dertig, klein en zag er pittig uit. Niet voor hemzelf, sweety, zo legde hij uit, maar voor zijn beste vriend, want het meisje was precies zijn type. Of ik haar even aan wilde spreken?
Ik zag het niet zitten om matchmaker te spelen op mijn eigen date, maar zei hem dat hij mocht doen wat zijn hart hem ingaf. Hierna viel ons gesprek stil, ook omdat ik ondanks zijn aanhoudende vragen weigerde mijn liefdesleven aan hem uit de doeken te doen. Ik slaagde er sowieso niet in hem te bekoren; hij bleef af en toe tien minuten aaneen over zijn telefoon gebogen. Werkelijk, hij was alleen voor mij hard to get die avond, en dat terwijl hij tegenover me zat. Op alles wat ik wél zei kreeg ik bovendien het commentaar Yeah, really? So...what else? en dat ik niet los of spontaan genoeg was. Zijn oordeel over mijn woorden kon me niet zoveel schelen, maar het kwam de conversatie niet ten goede.
You're not the ambitious type, eh? I'm like, adventurous, but you're not, are you. You are? So, do you want to go to my house? No? You're not spontaneous, like me? You do not like fun?
Met recht een verlammende date, lezer. Ik heb er een hekel aan als mannen zichzelf bij mij uitnodigen – het toppunt van vrijpostigheid – maar hekel het misschien nog wel meer als ze voorstellen in de luwte van thuis 'elkaar wat beter te willen leren kennen'.
Ik zei er niets van toen hij zijn lepel gretig in een bord met saus stak dat voor mij bedoeld was. Daar kreeg ik ook de kans niet voor, want voor ik het wist was de schaal leeg. Daarna boog mijn gezel zich met een Great soup, really lekkar! weer over zijn telefoon.
Het klapstuk was echter de ontboezeming dat hij een prins was, uit een goede familie kwam en dat ik me wel in mijn handen mocht knijpen met hem....
Dat heb ik zeker meegenomen in mijn beslissing een tweede ontmoeting (het gore lef...!) beleefd en beslist te weigeren. Ik vermoed dat hij aan het paardrijden was toen de lessen 'etiquette' op het programma stonden, maar zeker weten doe ik het niet.
En wat hebben we hiervan geleerd? Eerst trappen, dan kijken. Iemand die eng en onaardig lijkt, is dat vaak ook. En de laatste dan: je hoeft iets niet altijd geprobeerd te hebben om te weten dat het niets voor je is. So, what else?
dinsdag 10 juli 2012
Klef
Dinsdag, vlak voor zessen. Als ik niet beter zou weten zou ik erger vermoeden dan trek, maar ik heb een vreselijke zin in een paar stukjes baklava. De turkse bakker, in allerijl gezocht, kijkt me ongeïnteresseerd aan. Ik vraag hem of hij soms al gesloten is. Dat blijkt niet het geval, en een paar minuten later loop ik met een grote grijns het winkelcentrum uit, naar mijn fiets.
Om daar te komen, moet ik oversteken. Ik kijk naar links en mijn oog valt op een meisje met een zwart trainingspak dat aan de overkant staat. Ze heeft mooie aardbeiblonde krullen en een leuke lach, al zie ik haar gezicht niet door de zonnebril die ze draagt.
Ik steek over en geef haar een knikje ten teken dat ze door mag rijden. 'Het is niet zulk mooi weer vandaag, hè?' vraagt ze me.
In mijn nopjes met mijn baklava ga ik in op deze wat opmerkelijke en vooral onnodige vraag. De zon laat zich af en toe zien, maar de lucht is regengrijs en somber en er liggen plassen. 'Nou, nee, niet echt!' (hemel, wat zeg je ook op zoiets...)
Het meisje houdt haar bril op, dus doe ik dat ook maar. Ze komt dichterbij en ik zie een gouden tand glinsteren in haar mond. Het zwarte trainingspak is afgezet met subtiele rastakleuren en het geheel doet wat ghettoachtig aan. Niet my cup of tea.
'Sooowwww, dusseh, waar kom je vandaan dan?!' vraagt het meisje me met een hese, lage stem. Ik word achterdochtig van mensen die vragen waar ik vandaan kom nog voor ze weten hoe ik heet, bovendien begrijp ik niet waarom dit sneeuwwitte kind denkt mijn sympathie te winnen met straattaal. 'Overal en nerregens.... en jij?' 'Gewoon uit Utrecht! Maarreh, waar sijn je audus geboren dann, ben je Antiliaans?' Op mijn antwoord doet ze prompt nog een stap dichterbij. 'Hoe heet je? Deirdre? Ik ben Michaela. Mooie naam, past wel bij je, mooie krullen ook!' Ze steekt haar hand uit naar mijn hoofd en ik voel hoe bloed mijn wangen kleurt. Ik ben niet verlegen of eenkennig, maar er is iets intrusiefs aan dit kind dat me fascineert. Ze windt een haarlok om haar vingers en lacht naar me.
Ik doe niets; plotseling voel ik me preuts en onaardig. Waarom zou je niet even aan iemands haar mogen zitten als je dat wilt? Ik geef toe dat het een beetje griezelig is om zo dicht bij een vreemde te zijn, bij een meisje bovendien, maar het lijkt plotseling niet meer zo erg. Het is me allang duidelijk dat ik hier met een rasechte exotenfetisjist van doen heb, maar op de een of andere manier geeft dat niet. Michaela's ruwe-bolster-blanke-pit-houding wekt vertrouwen op, ik weet niet hoe ze dat doet, maar het werkt. Na een halve minuut schraap ik toch zacht mijn keel, wat de betovering verbreekt.
Michaela grijnst naar me. 'Mag ik je nummer, dan gaan we een keer iets drinken in de stad!'
Beng, zo, die zit. Nu het Moment voorbij is, vallen de schellen mij van de ogen. Ik ben blij dat mijn bril mijn gezicht verbergt, want van dit gedurfde voorstel sla ik bijna steil achterover. Ik wil dit lieve, spontane kind niet kwetsen, maar haar campingsmoking, edelmetalen snijtand en platte accent doen me vermoeden dat ze zo lief niet is, en wat al te spontaan. De snelheid waarmee haar telefoon uit haar zak komt, maakt dat ik denk dat we meer dan thee alleen gaan drinken, als het aan haar ligt. Ik heb al vele vriendinnen gemaakt, maar nooit op deze manier – waren mannen maar eens zo snel!
Waar ik haar interesse aan verdiend heb weet ik evenmin. Het enige wat ik wel heel zeker weet, is dat ik geen thee wil drinken met wiggers, hoe mooi hun krullen ook zijn.
Ik geef haar mijn blokglimlach – dat werkt altijd, lachen als je iets vervelends wil zeggen, alsof het daar minder erg van wordt – en maak me er vanaf met een half laf, half angstig 'Neuh, dat hoeft niet, hoor...'
Voor ik met mijn ogen kan knipperen staat Michaela vier meter van me af. De gouden tand wordt aan het zicht onttrokken door haar mond, die zich sluit tot een harde streep.
'Nou, dat dan weer niet! Nou, dan ga ik maar, wantteeehhh, tijd is geld, weet je!!!' En weg is ze.
Heb ik nou echt een meisje een blauwtje laten lopen? :-O
Om daar te komen, moet ik oversteken. Ik kijk naar links en mijn oog valt op een meisje met een zwart trainingspak dat aan de overkant staat. Ze heeft mooie aardbeiblonde krullen en een leuke lach, al zie ik haar gezicht niet door de zonnebril die ze draagt.
Ik steek over en geef haar een knikje ten teken dat ze door mag rijden. 'Het is niet zulk mooi weer vandaag, hè?' vraagt ze me.
In mijn nopjes met mijn baklava ga ik in op deze wat opmerkelijke en vooral onnodige vraag. De zon laat zich af en toe zien, maar de lucht is regengrijs en somber en er liggen plassen. 'Nou, nee, niet echt!' (hemel, wat zeg je ook op zoiets...)
Het meisje houdt haar bril op, dus doe ik dat ook maar. Ze komt dichterbij en ik zie een gouden tand glinsteren in haar mond. Het zwarte trainingspak is afgezet met subtiele rastakleuren en het geheel doet wat ghettoachtig aan. Niet my cup of tea.
'Sooowwww, dusseh, waar kom je vandaan dan?!' vraagt het meisje me met een hese, lage stem. Ik word achterdochtig van mensen die vragen waar ik vandaan kom nog voor ze weten hoe ik heet, bovendien begrijp ik niet waarom dit sneeuwwitte kind denkt mijn sympathie te winnen met straattaal. 'Overal en nerregens.... en jij?' 'Gewoon uit Utrecht! Maarreh, waar sijn je audus geboren dann, ben je Antiliaans?' Op mijn antwoord doet ze prompt nog een stap dichterbij. 'Hoe heet je? Deirdre? Ik ben Michaela. Mooie naam, past wel bij je, mooie krullen ook!' Ze steekt haar hand uit naar mijn hoofd en ik voel hoe bloed mijn wangen kleurt. Ik ben niet verlegen of eenkennig, maar er is iets intrusiefs aan dit kind dat me fascineert. Ze windt een haarlok om haar vingers en lacht naar me.
Ik doe niets; plotseling voel ik me preuts en onaardig. Waarom zou je niet even aan iemands haar mogen zitten als je dat wilt? Ik geef toe dat het een beetje griezelig is om zo dicht bij een vreemde te zijn, bij een meisje bovendien, maar het lijkt plotseling niet meer zo erg. Het is me allang duidelijk dat ik hier met een rasechte exotenfetisjist van doen heb, maar op de een of andere manier geeft dat niet. Michaela's ruwe-bolster-blanke-pit-houding wekt vertrouwen op, ik weet niet hoe ze dat doet, maar het werkt. Na een halve minuut schraap ik toch zacht mijn keel, wat de betovering verbreekt.
Michaela grijnst naar me. 'Mag ik je nummer, dan gaan we een keer iets drinken in de stad!'
Beng, zo, die zit. Nu het Moment voorbij is, vallen de schellen mij van de ogen. Ik ben blij dat mijn bril mijn gezicht verbergt, want van dit gedurfde voorstel sla ik bijna steil achterover. Ik wil dit lieve, spontane kind niet kwetsen, maar haar campingsmoking, edelmetalen snijtand en platte accent doen me vermoeden dat ze zo lief niet is, en wat al te spontaan. De snelheid waarmee haar telefoon uit haar zak komt, maakt dat ik denk dat we meer dan thee alleen gaan drinken, als het aan haar ligt. Ik heb al vele vriendinnen gemaakt, maar nooit op deze manier – waren mannen maar eens zo snel!
Waar ik haar interesse aan verdiend heb weet ik evenmin. Het enige wat ik wel heel zeker weet, is dat ik geen thee wil drinken met wiggers, hoe mooi hun krullen ook zijn.
Ik geef haar mijn blokglimlach – dat werkt altijd, lachen als je iets vervelends wil zeggen, alsof het daar minder erg van wordt – en maak me er vanaf met een half laf, half angstig 'Neuh, dat hoeft niet, hoor...'
Voor ik met mijn ogen kan knipperen staat Michaela vier meter van me af. De gouden tand wordt aan het zicht onttrokken door haar mond, die zich sluit tot een harde streep.
'Nou, dat dan weer niet! Nou, dan ga ik maar, wantteeehhh, tijd is geld, weet je!!!' En weg is ze.
Heb ik nou echt een meisje een blauwtje laten lopen? :-O
zondag 8 juli 2012
Man(darijn)i(et)fest
Sommige voedingsmiddelen zouden niet in het openbaar genuttigd mogen worden. Ik onderscheid twee categorieën; dingen die je thuis eet om anderen niet te ontrieven, en dingen die je thuis eet om jezelf een afgang te besparen.
McDonalds, patatje oorlog en alles met ui en knoflook vallen in categorie één. Moorkoppen, sla, soep, kippenpoten (en voor jullie die niet met een lepel kunnen eten: lintpasta) vallen in categorie twee. Ik heb al heel lang door dat eten heel oncharmant kan worden als je het niet goed doet, maar dat hoeft niet altijd aan jou te liggen. Soms werkt het eten gewoon niet mee.
Ik heb wel eens in de trein gezeten met een man die een broodje rottende eekhoorn zat te eten. Dat moet het wel geweest zijn, want wat er in het bakje zat stonk zo vreselijk dat ik me geen raad wist. De geur drong naar de trilharen in mijn keel en openbaarde zich daar in volle glorie, waar hij aan mijn huig begon te trekken tot ik bijna braakte. Op mijn nauwelijks verholen walging en de kokhalstranen in mijn ogen had die sociale stinker nog het lef mij een hap aan te bieden. Dank je feestelijk, vader.
Ook zat ik ooit met een date in een Italiaans restaurant en had hij voor mij een bord met spaghetti bolognese besteld. Superlekker, maar wel riskant. De maaltijd duurde vier keer zo lang als zou hoeven, omdat ik ervoor wilde waken dat er pasta uit mijn mond zou steken, brokjes gehakt het hazenpad zouden kiezen over mijn kin, ik mijn date mijn gulste lach zou schenken met wat rooiig vet en een stukje groene paprika op mijn tanden of dat ik mijn cremekleurige jurk een make-over zou geven in Carrie-stijl. (Lekker voor later...)
Toen hij eenmaal voor me besteld had, moest ik natuurlijk voor de bijl, excusez le mot. Maar voor mandarijnen bestaat geen excuus. Ja, u leest het goed.
Ik haal mijn neus op voor mensen die het nodig vinden de toch al zo beperkte en bedompte trein- of buslucht verder te vergassen met de sproeisappen van een mandarijn die uit een tas wordt opgediept nadat hij er de hele dag oranje heeft liggen wachten. Ik kan me niet voorstellen dat er geen uitgelezener of beter moment was om een mandarijn te eten dan in de overvolle trein rond vijven. Tijdens de lunch? Neen. Tijdens de koffiepauze van elf of vier? Neen. Op weg naar het station?
Neen.
Neen, lieve lezer, die oranje wanstaltigheid wordt het liefst geopenbaard in het zicht en vooral onder de neus van vermoeide forenzen wier na de lunch leeggebleven maag zich nog eens omdraait op het ruiken van die weeïge, tranentrekkende lucht van halfverrót en zurige pesticide. Er gaat geen treinreis voorbij of ik kom er wel een tegen; zo'n smerige mandarijnenvreter m/v. De oranje schil drukt zich tussen vlees en nagel als de mandarijnvreter zijn vinger in de mandarijn stopt. Met een zacht gekraak maakt de vrucht zich los van de schil als een gevelde bonsaiboom. De bol wordt gebroken met een scheur en het grote schransen kan een aanvang nemen. Partjes verschuiven van wang naar wang tot de smaak en het sap zijn verdwenen. Dan wordt het futloze partje doorgeslikt en kan de cadans opnieuw beginnen.
De tussenstops van de trein maken de kwelling alleen maar groter: er komt genoeg frisse lucht binnen voor één verse ademteug, daarna wordt de atmosfeer opnieuw verpest. Bovendien blijft de mandarijnlucht onder nagels hangen, dus zelfs nadat de vrucht op is, ruik je haar nog. Je reinste marteling.
Waarom zou je voor onderweg überhaupt iets meenemen met een oneetbare schil? Er zijn appels, peren, nectarines, perziken, druiven, kersen, zelfs mango's waar je direct je tanden in kunt zetten, met een kleine pit als einde. Wat is er zo appetijtelijk aan de mandarijn?!
Ik heb ook zelden zulk asensueel fruit gezien: een mandarijn mist de frisheid, de glans en de zest van een appel, de diepgang van een grapefruit, de zachtheid van een perzik en de belofte van de mango. Mandarijnen zijn niet sexy. En dat is al genoeg reden om ze niet te eten – zeker niet in het openbaar.
McDonalds, patatje oorlog en alles met ui en knoflook vallen in categorie één. Moorkoppen, sla, soep, kippenpoten (en voor jullie die niet met een lepel kunnen eten: lintpasta) vallen in categorie twee. Ik heb al heel lang door dat eten heel oncharmant kan worden als je het niet goed doet, maar dat hoeft niet altijd aan jou te liggen. Soms werkt het eten gewoon niet mee.
Ik heb wel eens in de trein gezeten met een man die een broodje rottende eekhoorn zat te eten. Dat moet het wel geweest zijn, want wat er in het bakje zat stonk zo vreselijk dat ik me geen raad wist. De geur drong naar de trilharen in mijn keel en openbaarde zich daar in volle glorie, waar hij aan mijn huig begon te trekken tot ik bijna braakte. Op mijn nauwelijks verholen walging en de kokhalstranen in mijn ogen had die sociale stinker nog het lef mij een hap aan te bieden. Dank je feestelijk, vader.
Ook zat ik ooit met een date in een Italiaans restaurant en had hij voor mij een bord met spaghetti bolognese besteld. Superlekker, maar wel riskant. De maaltijd duurde vier keer zo lang als zou hoeven, omdat ik ervoor wilde waken dat er pasta uit mijn mond zou steken, brokjes gehakt het hazenpad zouden kiezen over mijn kin, ik mijn date mijn gulste lach zou schenken met wat rooiig vet en een stukje groene paprika op mijn tanden of dat ik mijn cremekleurige jurk een make-over zou geven in Carrie-stijl. (Lekker voor later...)
Toen hij eenmaal voor me besteld had, moest ik natuurlijk voor de bijl, excusez le mot. Maar voor mandarijnen bestaat geen excuus. Ja, u leest het goed.
Ik haal mijn neus op voor mensen die het nodig vinden de toch al zo beperkte en bedompte trein- of buslucht verder te vergassen met de sproeisappen van een mandarijn die uit een tas wordt opgediept nadat hij er de hele dag oranje heeft liggen wachten. Ik kan me niet voorstellen dat er geen uitgelezener of beter moment was om een mandarijn te eten dan in de overvolle trein rond vijven. Tijdens de lunch? Neen. Tijdens de koffiepauze van elf of vier? Neen. Op weg naar het station?
Neen.
Neen, lieve lezer, die oranje wanstaltigheid wordt het liefst geopenbaard in het zicht en vooral onder de neus van vermoeide forenzen wier na de lunch leeggebleven maag zich nog eens omdraait op het ruiken van die weeïge, tranentrekkende lucht van halfverrót en zurige pesticide. Er gaat geen treinreis voorbij of ik kom er wel een tegen; zo'n smerige mandarijnenvreter m/v. De oranje schil drukt zich tussen vlees en nagel als de mandarijnvreter zijn vinger in de mandarijn stopt. Met een zacht gekraak maakt de vrucht zich los van de schil als een gevelde bonsaiboom. De bol wordt gebroken met een scheur en het grote schransen kan een aanvang nemen. Partjes verschuiven van wang naar wang tot de smaak en het sap zijn verdwenen. Dan wordt het futloze partje doorgeslikt en kan de cadans opnieuw beginnen.
De tussenstops van de trein maken de kwelling alleen maar groter: er komt genoeg frisse lucht binnen voor één verse ademteug, daarna wordt de atmosfeer opnieuw verpest. Bovendien blijft de mandarijnlucht onder nagels hangen, dus zelfs nadat de vrucht op is, ruik je haar nog. Je reinste marteling.
Waarom zou je voor onderweg überhaupt iets meenemen met een oneetbare schil? Er zijn appels, peren, nectarines, perziken, druiven, kersen, zelfs mango's waar je direct je tanden in kunt zetten, met een kleine pit als einde. Wat is er zo appetijtelijk aan de mandarijn?!
Ik heb ook zelden zulk asensueel fruit gezien: een mandarijn mist de frisheid, de glans en de zest van een appel, de diepgang van een grapefruit, de zachtheid van een perzik en de belofte van de mango. Mandarijnen zijn niet sexy. En dat is al genoeg reden om ze niet te eten – zeker niet in het openbaar.
Abonneren op:
Posts (Atom)