zondag 3 april 2016

Réunion

Vorige week had ik een prima avond met een prima kerel in een prima kroeg. Ik voelde me gelukkig, ontspannen en vrolijk. Tot het moment dat ik de kroeg uit stapte, want op het terras zat Basarov.
Dit was de zesde keer in korte tijd dat ik hem zag. En omdat zijn uiterlijk in mijn aantrekkelijkheidsspectrum zit, hij niet veel veranderd is en we onze pas de deux geen gelikt einde hebben kunnen geven, valt hij me meteen op. Dat klinkt leuker dan het is, want alle romantische scenario's ten spijt is onze kans echt gewéést.

Dat we elkaar zo vaak tegen komen, zou je kunnen zien als een teken van de voorzienigheid, een uitstekend voorbeeld van Drew Barrymorecharme ('de onvermijdelijke sexy ex') of een andere hint van het universum dat er nog iets moet gebeuren tussen ons.

Wij hebben echter wel vaker réunion à deux: we wonen in dezelfde stad, vinden dezelfde dingen leuk en onze werkplekken bevinden zich vlak bij elkaar. Het is dus niet meer dan logisch dat we elkaar vaak tegenkomen. Daar is niets voorbestemd aan, het is niet eens toeval, het ligt in de lijn der verwachting. In het begin vond ik het vervelend omdat het wondje zo vers was, na een tijdje probeerde ik hem te negeren (hij begon! En je moet toch verder met je leven...) en het is niet leuk om je date tegen te komen op onfrisse momenten, zoals na het sporten (waar enkel de happy sweaty glow je nog kan redden, omdat drank en slaapgebrek tijdelijk hun tol hebben geëist van je voorheen ranke lijf, rozig gezonde wangen en kiss me quick-lippen.)
Het liefst kom je je voormalige date natuurlijk tegen in een fantastische outfit met glanzend haar en de happy glow van gelukzaligheid omdat je leven zo prettig is. Je schrijdt hem tegemoet met een stralende complexie en sterrenogen, omdat jij, gelukkig als je bent, nooit je toevlucht tot suiker, andere koolhydraten of koffie hoeft te nemen om je goed te voelen.
De realiteit is wel eens anders.

Het toeval wil, lieve lezer, dat ik Basarov wat teveel begin te zien, zo vaak dat ik me afvraag of ik er iets mee moet. Terugkeer naar huis om drie uur in de morgen? Bingo, daar is Basarov. Een demonstratie van pro- en anti-Pegida-aanhangers? Basarov en ik zijn er bij. Een reguliere maandagmiddag in een troosteloos winkelcentrum? Een middagje theedrinken in een salon? Basarov is present, en yours truly ook. Een middagje Dudok? Ook Basarov houdt van taart. Een avondje gin in de kroeg? Basarov zit buiten.

Wel verdorie. Hoe kan ik loskomen van unfinished business als de business is waar ik ben?! Dit is niet meer leuk. Als ik eerlijk ben, vind ik dit deel het naarste van de liefde die in de kiem is gesmoord: het gebrek aan afsluiting. Ik ben niet zo lief tegen hem geweest en dat vind ik naar. Het brengt schuldgevoel en twijfel bij mij naar boven en daar houd ik niet van. Het is een garantie op losse eindjes en daar houd ik niet van. Het betekent een gebrek aan controle – en daar houd ik niet van.

Al kan ik in Basarovs geval enkel van milde affectie spreken, het is het gebrek aan waardering voor de energie en moeite die je een een potentiële relatie steekt die me parten speelt. Als je elkaar niet haat maar het 'gewoon' niet klikt, werkt het voor mij het beste als je elkaar daarna óf als een soort distant cousins een knik kunt geven, (werkt bij een andere ex perfect!) óf stilzwijgend overeenkomt dat je je als vreemden gedraagt, óf, (bij voorkeur) dat je elkaar nooit meer hoeft te zien.
Niet vanwege boosheid of wrok. Simpelweg omdat het zo oncomfortabel is.

Ik mag hierbij opmerken dat het tegenovergestelde van liefde-in-haar-kleinste-vorm niet schuldgevoel, ergernis of ongemak is, maar onverschilligheid. Zou hij me echt niets meer doen, dan hoefde ik mijn frustratie niet neer te pennen. Maar ik zei al: ik vind hem aantrekkelijk en ik zie hem overal. Achteraf blij toe dat we niet lang hebben gedate, want dan zou het vagijnverraad driedubbel en dwars hebben toegeslagen. Tot dit nare gevoel slijt, zucht ik me er wel doorheen. Je kunt de boom in, Drew B....

maandag 28 maart 2016

Buiging

Deze week werd ik op twee verschillende momenten geconfronteerd met een dilemma. De eerste keer was toen ik één station met een spitstrein mee moest, staande in het gangpad. Er zat een man heel aandachtig naar me te kijken en aangezien zulke aandacht meestal duidt op een ladderende panty of een vlok niet-uitgesmeerde huidcrème op je wang, ging ik onopvallend na waarom de man zo intens aan het kijken was. Het bleek echter dat hij twijfelde over of hij mij zijn zitplek aan ging bieden. Hij dééd het ook nog.

Nu zijn er meerdere redenen waarom dat op dat moment niet kon. De belangrijkste was dat we binnen een halve minuut het station zouden binnenrijden: tegen de tijd dat de man zou zijn opgestaan, zou zijn attente gebaar niet meer nodig zijn. Ik kan met recht zeggen dat ik de laatste vrouw op aarde ben die de goede wil of een hoffelijk gebaar (van een man) zal wegwuiven. Mijn overweging bestond er daarnaast vooral uit dat hij zich bij mijn weigering een volgende keer wel vijf keer zou bedenken voor hij een dame een plek aan zou bieden en dat vind ik eeuwig zonde. In dit geval was het echt een kwestie van parels voor de zwijnen en een druppel 'too little too late'.

Ik gaf de man daarom mijn liefste, breedste en hagelwitte lach die zich tot in mijn ogen uitstrekte en bedankte hem hartelijk, terwijl ik uitlegde dat ik maar één station hoefde en dat het echt de moeite niet was, en dat dit hoffelijke gebaar mijn hele dag goed maakte en dat terwijl het pas even na achten was! Kat in het bakkie, toch? Niemand gekwetst, man publiek in zijn generositeit erkend, iedereen blij.

In plaats van het door mij snel gefikste theatrale sfeertje door te zetten en zijn denkbeeldige hoed in een zwierig mannelijk gebaar af te nemen voor mijn denkbeeldige reverence, viel de man genadeloos door de mand. Gaf hij mij een roos, een begripvolle knipoog of zelfs maar een glimlach die half zo breed was als de mijne? Neen, lieve lezer. Twee diepe zuchten van ergernis (hardop!) en een paar rollende ogen waren mijn deel.

Okee, okee. Het is inderdaad niet leuk als iemand je vriendelijk gebaar afwijst. En toch... Zijn reactie wees erop dat hij helemaal geen zin had om zijn plek aan mij af te staan, zich door stille publieke opinie en wat verloren flarden zondagsschool gedwongen voelde op te staan, daar nét te lang mee wachtte en toen nog teleurgesteld werd ook. Arme, arme kerel. Ik hoop dat hij een volgende keer óf eerder opstaat, of het gewoon niet aanbiedt als hij er niet vanuit zijn hart toe bereid is.

Een dag later, een muffe bus. Een vrouw zit zich in de gangkantstoel van een tweezitter op te maken. Een andere vrouw geeft haar de blik met opgetrokken wenkbrauwen. 'Dit is eigenlijk een plek voor twee personen, hè...' verontwaardigt Wenkbrauw nadrukkelijk, pinnig en zonder enige in- of aanleiding.
'Ik heb niet gezegd dat u hier niet kon zitten,' stamelt Poederkwast, die op haar beurt haar bruin ingevulde wenkbrauwen optrekt om zoveel nauwelijks verholen giftige woede op de vroege morgen. Ik moet haar gelijk geven: een simpel 'Kan ik hier zitten!' (zonder vraagteken) of zelfs 'Ik wil hier zitten.' was vriendelijker geweest dan deze sneer, die Poederkwast niet had kunnen zien aankomen en die ook zonder reden uitgedeeld is.

Het geeft mij te denken: als goede bedoelingen niet worden beloond, spreid je ze dan nog wel tentoon? Maar wat áls ik een hoffelijk gebaar niet aan kan nemen – of als dat gebaar in plaats van zaken voor mij te vergemakkelijken mijn leven lastiger maakt, vermoedelijk geheel tegen de intentie van de gever in? Ik cijfer mijzelf en mijn belangen niet graag weg voor een ceremonie. Dat zal niemand mij kwalijk nemen. Juist in deze verharde tijden vind ik wél dat ik lieflijkheid moet stimuleren en voeden en belonen door de 'juiste' reactie te geven op een attent gebaar. Lezer, het weigeren valt mij uit moreel oogpunt zwaar. Maar als het de intentie is die telt heb ik alle recht om te weigeren.

Aardig en beleefd zijn haalt niets van je weg, dat is wat ik zeggen wil. Oprechte aardigheid is onvoorwaardelijk - je bent aardig omdat je dat belangrijk vindt, zonder meer. Vanuit de zondagsschool: aardigheid is haar eigen beloning.

maandag 15 februari 2016

Voetnoot

Het meisje tegenover me houdt eindelijk op met haar 'telefoongesprek'. Haar vriendinnetje valt bijna op haar schouder in slaap en dat vind ik verwonderlijk, want meisje één praat keihard en herhaalt enkel de uitroeptekens 'wollah!', 'seer-ie-eussss?!' en 'ik gàhj' schlaan!'. Als ik niet af en toe het lichtje van haar mobiel had zien bewegen, had ik geschworrah dat ze het gesprek alleen maar voerde uit sensatie. Het is heel druk in de bus en we zitten in het viertje achter de chauffeur. Meisje twee glimlacht verontschuldigend en maant haar vriendin wat zachter te praten.
Meisje één stapt uit de bus en zegt meisje twee vaarwel. Het kind, smalletjes, jong, bedeesd en gesluierd, is duidelijk vermoeid en legt haar elegante voeten eventjes op een stukje van de bank. Dat gaat twee haltes goed.

'SALAAAM ALEIKUM!!' brult een vrouw bij het binnenstappen van de bus tegen de chauffeur en iedere andere aanwezige. Lichamelijk is ze het equivalent van Agatha Bulstronk en de vrouw doet in aanwezigheid niet voor haar onder. Om haar kolossale lijf draagt ze een vuurrode jas en doeken die ook wel door Ethiopische vrouwen worden gedragen. Ze loopt met een stok en ik maak aanstalten om op te staan, want haar grote lijf huft en puft en ze zweet van inspanning. Ik interesseer haar echter niets. Ze loopt een paar moeizame passen om haar klauw op de smalle schouder van het bedeesde kind te leggen en sommeert haar om de voeten van de bank te halen.
Ik vraag haar voor de zekerheid of ze niet wil zitten. 'Dank u, nee. Ik had het tegen mijn zuster hier. Zij is de ambassadeur van ...(ze zegt iets wat ik niet versta)... voor de islam.' Het meisje knikt vriendelijk naar de vrouw en haalt haar voeten van de bank.

Oh, dus ze kennen elkaar van een of andere sociëteit en daarom groet de matrone haar. Ik vind het best tof dat het meisje, dat er uitziet als zeventien, al een bestuursfunctie heeft die zoveel respect afdwingt bij een vrouw die minstens vier keer zo oud is. 'Heb je een bestuursfunctie? Dat lijkt me heel leuk, proficiat!' knik ik haar toe. 'Uh, ze bedoelde meer in het algemeen... islam uitdragen in het openbaar.' Oei. Drie gesluierde vrouwen gniffelen. Ik voel me een beetje bezwaard – dit maakt de situatie een tikje pijnlijk.

Ik kijk vol verbazing naar de Bulstronk, die en plein public een meisje dat ze niet kent in een gecreëerde religieuze context durft aan te spreken op onwenselijk gedrag. Natuurlijk, voeten op de bank geven geen pas voor een dametje van stand. Maar dat heeft met het religieuze gesternte van het meisje helemaal niets te maken. Die bankvoeten zeggen evenmin iets over hoe goed zij in haar godsdienst staat. De vrouw kent het meisje helemaal niet, ze hebben niéts gemeen, laat staan een zusterlijke band. Over die voeten mag ze heus iets zeggen, maar daar hoeft de islam niet aan te pas te komen.
Bovendien zou een ware 'zuster' wel uitkijken voor ze haar medezuster op zo'n grove, nare, aanmatigende en publieke manier wees op haar plichten. Ik zou daar geen 'zuster' voor nodig hebben: hoe ik mijn religie beleef en wat daar een bewijs van is, maak ik zelf wel uit. Als we bovendien met dat bijltje gaan hakken weet ik er ook nog wel een paar: vraatzucht valt binnen geen enkele religie in goede aarde en opzichtigheid, grofheid en mensen openlijk onheus bejegenen evenmin.

Gelukkig blijft het meisje heel kalm en heft ze haar fijne hand op in een berustend gebaar. 'Ik snap wat je bedoelt, en de manier waarop ze me hierop wijst had beter gekund, maar de gedachte is goed...' Inderdaad, het had erger kunnen zijn. Het meisje had ook haar schouders op kunnen halen en haar voeten kunnen laten liggen, terwijl ze de Bulstronk onder haar sjaal verwenste.

Tegelijkertijd gaat het idee dat het meisje haar voeten van de bank moet halen omdat haar voeten moslims wereldwijd een slechte naam geven (en niet om een van de andere talrijke en even zo belangrijke dingen: fatsoen, compassie, hygiëne, damesachtige betamelijkheid, die het meisje allemaal wel bezit) me echt te ver. Tfoe.
Wat hebben we hiervan geleerd? Bemoei je met je eigen zaken, dat is alvast één. En dat geldt ook voor mij.

donderdag 7 januari 2016

Waard(e), m'n waarde

Dit is alweer de eerste blog van het nieuwe jaar. En dat terwijl ik in 2015 minder schreef dan ooit. Omdat u alles al van me lijkt te weten, lieve lezer. Omdat ik twijfel of de thematiek van mijn blog na ruim zes jaar niet is uitgeput. Omdat ik u niet wil vermoeien met enkel meer van hetzelfde: gekke mensen, vreemde dates, vrijpostige heren, dames met nare oriëntalistische vragen, met voeten getreden omgangsvormen en andere zaken die zo absurd zijn dat ik er bijna wel over schrijven móét. Omdat ik mij wel eens afvraag in hoeverre mijn relazen bevorderlijk zijn voor mijn (liefdes)leven en de indruk die ik op anderen maak. Ik ben niet de enige blogger op aard’; toch zijn er nog steeds mensen die mij vereenzelvigen met mijn schrijfsels. Misschien omdat ik een vrouw ben (ha!), misschien omdat mijn verhalen waargebeurd zijn. Welke reden er ook aan ten grondslag ligt, ze maakte(n) dat ik afgelopen jaar voorzichtiger ben geweest met het toevertrouwen van mijn belevenissen aan het toetsenbord.

Door de boot genomen was het een goed jaar. In vaagheden en clichés? Een jaar waarin ik mijzelf overwon op vele vlakken. Een jaar waarin ik – wederom! – fantastische mannen tegenkwam. Een jaar waarin tot mijn spijt een aantal gekoesterde vriendschappen hun koude einde vond, en andere zich juist ontwikkelden.
Het was het jaar waarin mijn laatste oma overleed. Het was het jaar waarin het schattigste kind dat ik in tijden gekend heb, geboren werd (en nee, het is niet mijn eigen kind). Het was het jaar waarin ik een deel van mijn naïviteit en van mijn vertrouwen in de mens voorgoed kwijtraakte, maar er een stuk meer ontspannen en gelukkiger uitkwam.

En het jaar waarin ik een hoop mensen van ‘vroeger’ terugzag, zoals mijn geliefde mentrix Y., die zonder het te weten (en zonder overdrijven) krap vijftien jaar geleden mijn leven redde door mij precies dat luisterend oor te bieden dat ik nodig had. Iets waar ik haar nog altijd dankbaar voor ben. Ook zag ik vorige week de man die ik ooit een boek stuurde in de hoop op een gelukkig einde, een einde met hem, welteverstaan. Hij heeft geen rol gehad in mijn huidige geluk, en was zelfs nu niet in staat om, uit beleefdheid, een snipper van de rol te vervullen. Het deed me weinig.
Ik zag Basarov, die nog altijd even knap en innemend is, maar bij wie ik het verpest heb omdat ik hem niet begreep. Ik zag vele TOVTJAPS, die naar me grijnsden alsof hun laatste uur geslagen had en de dood reeds aan hun gele tenen knabbelde. Ik zag de man uit Mock amore en voelde nog minder reuring dan het verlepte schuim van een koude cappuccino. Mijn conclusie: ik ben in de liefde gegroeid.

Komend jaar: wat gaat het brengen? Ik keer terug naar de lieve versie van mijzelf, iets wat ik de afgelopen jaren te weinig gedaan heb. Ik zal minder strak en veroordelend in mijn idealen staan, mijzelf en anderen meer vergeven. Wellicht levert dat nog leuke ontmoetingen op – en erover schrijven blijf ik doen. Komend jaar heb ik gepland als het jaar waarin ik een huis koop, een nieuwe baan krijg en mijn dromen op sportief vlak verder waar ga maken. Dan komt het amoureuze vlak vanzelf.

Laatst maar niet het minst: ik zal een nieuwe blog starten. Los van mijn belevenissen in de persoonlijke sfeer ben ik namelijk nog steeds geaccrediteerd literatuurwetenschapper. Hoewel ik veel van wat ik in dat traject geleerd heb dagelijks in de praktijk breng, valt schrijven daar nog niet onder. Dat gaat veranderen. Ik ben nog aan het bedenken in welke vorm en met welke frequentie ik dit op ga pakken. Als ik zover ben, hoort u het, lieve lezer.

Vijf woorden ter afsluiting: Omdat ik het waard ben.