Zondag, borreltijd. Buiten is het heet. Een klein groepje hangjeugd heeft de plek onder mijn open slaapkamerraam uitgekozen om daar eens lekker ontspannen te fulmineren op het leven. Directe aanleiding is de aanhouding van een vriendin op een scooter. De agent die haar om haar certificaat vraagt is jong en klinkt vriendelijk. Het meisje gooit haar zonnebankbronzen charmes in de strijd en komt er met een waarschuwing vanaf. Als de agent weg is hoor ik haar tegen haar vriendinnetje pochen dat ze de agent niet durfde aan te kijken, omdat ze gedronken heeft en half stoned is. Dat verklaart dan ook waarom ze zonder helm reed.
Dit alles vond plaats op de hoek van de straat. Logischerwijs wordt de indianenvergadering nu voor mijn deur voortgezet.
Bij het groepje hoort ook een jongetje van een jaar of tien. In hetzelfde plat-volkse accent als zijn vrouwelijke groepsgenoten (nichtjes? zusjes?) en met dezelfde kenmerkende, kortademige lach probeert hij bovenop mijn bruine kliko te klimmen, wat gepaard gaat met veel misbaar. Sigarettenrook kringelt mijn slaapkamer binnen door het open raam. Ik hoor de kliko tegen de muur bonken en kijk voorzichtig naar de vorderingen van het joch. Hij is van het ratttige soort; magertjes, bleek, met dun haar van een onbestemde kleur en nu al kalend. De stompzinnige, licht maniakale grijns op zijn onregelmatig smoelwerk straalt baldadigheid en geldingsdrang uit, evenals de ongezond gefascineerde schittering in zijn bleekblauwe, ronde ogen. Hij is te oud voor een snottebel, maar het had hem niet misstaan. Af en toe ontbloot hij zijn slecht verzorgde, puntige tanden van pure voorpret in een goofy-achtig gehinnik en spoort zijn groepsgenoten aan, naar hem te kijken. Die zijn niet zo onder de indruk – de meisjes keuren hem geen blik waardig en de jongens proberen hem er zelfs van te weerhouden. Blijkbaar is er wel enig fatsoen aanwezig in sommige van hen.
Lieve lezer, u vraagt mij waarom ik niet ingrijp? Ik geef het toe: ergens vind ik het ronduit eng. Ze weten waar ik woon, en ik heb inmiddels de indruk dat dit niet de meest gereserveerde jongeren zijn. Bovendien weet ik dat er in de bruine kliko – die zelden opgehaald wordt – een dikke laag compost-met-kots te vinden is. Zou het smerige joch erin komen te vallen, wat ik ergens hoop, dan zal hij niet weten hoe snel hij de deksel van zijn neus af moet halen. Daarnaast weet ik niet hoe ik dit aan moet pakken. Als ik me opstel als 'de verantwoordelijke volwassene' en naar buiten stap met de vraag of ze zich willen verplaatsen, kan dat averechts werken. Als ik me opstel als 'de bua'tbuhwonah' trappen ze daar vast niet in. En goed beschouwd doen ze niets verkeerd: afgezien van hard gelach en gekloot met een kotskliko veroorzaken ze geen overlast.
Inderdaad, in iedere andere buurt was dit een legitieme reden geweest om even naar buiten te gaan en te vragen of het gezelschap zich een paar meter wil verplaatsen. Maar in iedere andere buurt wordt er dan ook niet op kliko's geklommen en maken kinderen elkaar niet voor de grap uit voor 'káánkeraap', 'teringkind' of 'sjáánkerdruppel'.
Schelden doet geen pijn, dat weet ik. Maar als ik even de snob uit mag hangen: dit soort mensen is net als muizen. Zie je er één, dan zitten er tien. Waarschijnlijk hebben ze familie in de hele buurt en ik moet hier nog wel even wonen. Dat kun je afdoen als conflictvermijdend gedrag, maar een conflict vereist twee gelijkwaardige, nuchtere partijen, gentleman/ladylike behaviour en een eerlijke strijd. Neen, dan liever eieren voor mijn geld, met behoud van mijn ruiten.
Als hij ziet dat zijn inspanningen hem geen aandacht opleveren, verandert het kotsjong van strategie. Hij raapt een groot stuk glas op en breekt het in stukjes. Als hij aan de banden van mijn weerloze fiets wil beginnen, houdt een van de Marokkaansachtige jongens hem tegen.
(Het is spijtig dat ik hier nog nadruk op moet leggen, maar hee, mogen 'zij' ook eens een keer? Bij deze: Mahmoud, bedankt. Als vandaag toch de Dag van de Stereotypering moet worden, mag deze er ook nog wel bij. En wellicht ten overvloede: als het kotsjong had doorgezet, had ik hem geheel in Guus Kuijerstijl met zijn kotskop in de kliko gehangen. Weet je wat ik het liefste lust? Een dikke tante in vette jus. Precies. )
Op een gegeven moment wordt er aangebeld. Ik verdenk een van de meisjes, maar doe toch open, al is het maar om te laten zien dat ik er ben en dat ik alles zie en dat ik niet alles over mijn kant zal laten gaan. (Kunt u horen dat mijn stem piept? De milde ongerustheidsangst doet zijn intrede, ik kan het niet helpen.) Natuurlijk staat er niemand. Ik werp mijn hooghartigste, geërgerde, meest gezaghebbende blik naar buiten (WIE heeft het GORE LEF om mij te STOREN?!!!!!) en zie dat mijn verschijning wel effect heeft op de aanwezige jongens. Of misschien is mijn goedgevulde, om niet te zeggen spilling vest top die zoveel ontzag inboezemt, pun intendend. In ieder geval doen ze het daarna iets stiller aan en houdt het kotsjoch op met het versnijden van zijn glas.
Na een uurtje taaien ze alsnog af. Ik haal opgelucht adem en neem de peuken op mijn stoep voor lief. Ik veeg ze op en gooi ze weg, blij dat 'het' – dat wat niet nodig is gebleken – met een sisser is 'afgelopen.'
Niet vergeten de kliko buiten te zetten aanstaande maandag. Opgeruimd staat netjes.
zondag 10 april 2011
dinsdag 5 april 2011
Bashert
Afgelopen week viel er een roze boek op mijn deurmat: Patti Stangers Become your own Matchmaker. Voor degenen die haar niet kennen: Patti Stanger is de koningin van het Amerikaanse daten. Als third generation matchmaker koppelt zij zich een weg door het leven. Het relaas hiervan is te zien in haar show The Millionaire Matchmaker, waarin ze hele rijke mannen koppelt aan willige dames en zelf ook een flinke graan meepikt (want geloof me, dat bedrag is geen graantje). Haar strategie bestaat uit ongezouten kritiek en keiharde waarheden voor beide partijen, tot de match een deal is.
Haar regels zijn heel simpel en zo oud als de wereld. Met op nummer één:
The penis does the picking. (ooooh, zoo waar!!!)
Houd jezelf in shape – wat een politiek correcte manier is om te zeggen dat je een partner vinden kunt vergeten als je vadsig bent. Niet zonder lippenstift de deur uit. Geen seks voor er monogamie beloofd is. (da's slecht voor the big O - hebben we het later nog over.)
Tijdens het daten niet praten over onderwerpen als geld, je gebrekkige gezondheid (dus geen 'sympathie kwekende' details over die zwerende steenpuist op je linkerbil) je rancuneuze ex of haar/zijn zeurende moeder, je eigen zeurende moeder of je dieet.
(Er zijn dus mensen die het hier graag over hebben op een eerste date. En dat schept werkgelegenheid.)
Waar je het wel over mag hebben: je leven, wat je interesseert binnen en vooral buiten je baan, en tot op zekere hoogte je dromen en ambities. En dat laatste vooral om te kijken of die van je gesprekspartner genoeg overeen komen met die van jezelf.
Vol plaatsvervangende schaamte kijk ik naar haar show. Haar snerpende stem schalt overal doorheen en ze neemt nooit een blad voor de mond: mensen betalen een kwart miljoen per jaar voor haar waarheid. Haar vocabulaire doorspekt met Joods jargon en in een licht New Yorks accent vertelt ze daters waar het op staat: 'How would you feel about a nose job? Is it OK for me to completely restyle your wardrobe? Urkel called to say he wants his trousers back...' Tegen de dames in haar bestand is ze niet minder hard. 'Answer me right now: are you wearing a bra? Because you should. I know you think that's a cute top and you can pull it of without one, but trust me, you can't. So rush home and fix it.'
Patti loopt inmiddels tegen de vijftig en is zelf nog altijd ongetrouwd. Volgens de regels houden mannen alleen van vrouwen met steil haar, dus heeft ze haar Joodse pluis laten steilen tot een coupe waar Lucy Liu nog een puntje aan kan zuigen en lurkt ze met regelmaat aan de proteïneshake om haar svelte physique in toom te houden. Alles om je bashert te vinden, toch?
Als nuchtere Hollandse heb ik wel mijn bedenkingen bij sommige van haar tips. Bovendien - en dat geeft ze zelf ook aan - kan ze de match wel maken, maar de deal moet je toch echt zelf sluiten. Alle moeite ten spijt is het zelfs bij haar nog niet gelukt. Zelfs de heetste steiltang en het strengste dieet kunnen daar niet voor zorgen.
Ik denk dat aantrekkelijk zijn te maken heeft met hoe aantrekkelijk je jezelf vindt. Wat, in mijn geval, weer samenhangt met hoe zeker ik over mijzelf ben. Wat voor een groot deel (om precies te zijn vijftig procent) wordt bepaald door hoe ik eruit zie. Het beïnvloedt elkaar: als ik weet dat ik er goed uitzie, voel ik me zekerder, en als ik me zeker voel, heb ik meer zin om moeite in mijzelf te steken. Er zijn geen specifieke dingen die ik daarvoor nodig heb, al voel ik me soms automatisch beter op hakken. Maar ik ben wie ik ben, in killer heels of op power ballerina's. En de meest interessante mannen ben ik tegengekomen terwijl ik make-uploos boodschappen deed of erger, na het sporten.
(Je weet hoe je er dan uit ziet en hoe je haar zit. Om over de flatteuze sportkleding nog maar te zwijgen. FYI: ik doe aan spinning, inclusief biefstukbroek die niets, niets aan de verbeelding overlaat en plaatselijk vijf kilo toevoegt op een hele pamperachtige manier. The penis does the picking óók dwars door tien centimeter schuimrubber heen, blijkbaar.)
Wat ik heb geleerd van mijn persoonlijke datinghistorie is dat het in ieder geval geen zin heeft vast te houden aan je onzekerheden. Als een man niet belt, wil hij niet graag genoeg. Dat hoeft – binnen grenzen – niets te maken te hebben met iets dat je gezegd of juist niet gezegd hebt, de geur van je parfum, je zorgvuldig gecamoufleerde stresspukkel die hij toch of misschien niet gezien heeft. Als het daarop blijft hangen, moet het misschien ook maar niets worden. Uiteindelijk gaat het om de chemie en als die niet goed is, is een zondebok snel gevonden.
Natuurlijk is dit makkelijker gezegd dan gedaan. Op het moment dat je je gemoedsrust van een man af laat hangen, kan dat funest zijn voor je manicure. De sleutel is dan ook om er niet van afhankelijk te zijn, hoe lastig dat ook is.
Wat ik nog meer geleerd heb, is dat ik óók een keus heb. Ik hoef niet met een man om te gaan waar ik weinig chemie voor voel, alleen maar omdat hij mij leuk vindt of omdat hij aan een hoop van mijn eisen voldoet maar niet aan de cruciale. Ik heb het een tijd lang geprobeerd met iemand met wie ik op verstandelijk vlak echt een klik had: hij liet me mijzelf zijn en ik voelde me veilig en ontspannen bij hem. Intellectueel waren we aan elkaar gewaagd en we dachten over een hoop dingen hetzelfde. Ik mocht hem erg graag en we hadden nog wel tien jaar zo door kunnen gaan. Maar eigenlijk bekroop me vanaf het begin af aan al het gevoel dat dit niet was waar ik op gehoopt had. Hij was altijd erg lief voor me, hoffelijk, rustig, stabiel. En dat was niet genoeg.
Achteraf bleek dat hij hetzelfde heeft gedacht. Wat ik me dan toch afvraag is hoe we het een jaar met elkaar uit hebben kunnen houden. En dankzij the big O (voor hen die mij van grofheid gaan betichten: ik heb het nu over de verbinding die door oxytocine wordt gemaakt als je met iemand slaapt) denk ik af en toe nog steeds dat we er geen goed aan hebben gedaan het uit te maken, al weet ik heel goed dat dat niet waar is. Maar het idee dat ik met niemand anders die mate van intimiteit kan ervaren is een kleine, maar zeer, zéér krachtige leugen.
Om terug te komen op Patti's boek: haar advies om niet met iemand te slapen vóór je er een monogame relatie mee hebt, is dus zeker waardevol. Je wil immers niet van een scharrel denken dat hij de liefde van je leven is, op puur hormonale basis. Dat je niet met iemand slaapt waar je een relatie mee wil is dus niet alleen een sociaal fenomeen. Maar ja, beggars can't be choosers.... Ook daar heeft Patti aan gedacht: zij raadt een houten stokje aan, om op te bijten. En voor dat geweldige advies heb ik vijftien euro betaald. Thanks, Patti. You're amazing. Ik ga gelijk een pak dubbellikkers kopen.
Zonder dollen: mijn haar steilen gaat nu nog even te ver, maar het idee dat je het beste uit jezelf moet halen, is een goed idee. Maar moet je niet gewoon altijd het beste uit jezelf halen, man of geen man? (sterker, je moet pas echt hard aan de slag als je een man hebt...)
Ach. Ik weet zeker dat er een man rondloopt die geknipt is voor me. Garanties heb je in de liefde toch nooit en verwachtingen kunnen glazen ingooien waarvan je niet wist dat je er nog uit moest drinken. Wat niet wil zeggen dat ik niet droom of bedenk wat ik zoek in een man. Alle op ieder-potje-past-een-deksel-geneuzel daargelaten is het vooral zaak om de juiste concessies te doen. Niet te veel, niet weinig. Zoals niets zo oneindig lekker kan zijn als een op jouw wensen afgestemde mojito – nét iets rinser, net iets droger – is de juiste man ook fijner dan vijftig redelijke.
(Waarom ik mannen met drank vergelijk? Omdat je van allebei rare dingen kunt gaan doen, daarom.)
Voorlopig maak ik me geen zorgen en zap ik op de maandagavond naar RTL5 waar miljonairs een kans op liefde proberen te kopen bij een dame die de zweep erover haalt. Naar de regels van haar boek doe ik het helemaal niet slecht en ik ben de twintiger die zij in haar boek zo hekelt. Bovendien ontneemt mijn pony me het zicht niet; dat heb ik alvast op haar voor. Maar als u me nu wilt excuseren: ik moet mijn lippen gaan stiften, en daarna naar de Albert Heijn...
Haar regels zijn heel simpel en zo oud als de wereld. Met op nummer één:
The penis does the picking. (ooooh, zoo waar!!!)
Houd jezelf in shape – wat een politiek correcte manier is om te zeggen dat je een partner vinden kunt vergeten als je vadsig bent. Niet zonder lippenstift de deur uit. Geen seks voor er monogamie beloofd is. (da's slecht voor the big O - hebben we het later nog over.)
Tijdens het daten niet praten over onderwerpen als geld, je gebrekkige gezondheid (dus geen 'sympathie kwekende' details over die zwerende steenpuist op je linkerbil) je rancuneuze ex of haar/zijn zeurende moeder, je eigen zeurende moeder of je dieet.
(Er zijn dus mensen die het hier graag over hebben op een eerste date. En dat schept werkgelegenheid.)
Waar je het wel over mag hebben: je leven, wat je interesseert binnen en vooral buiten je baan, en tot op zekere hoogte je dromen en ambities. En dat laatste vooral om te kijken of die van je gesprekspartner genoeg overeen komen met die van jezelf.
Vol plaatsvervangende schaamte kijk ik naar haar show. Haar snerpende stem schalt overal doorheen en ze neemt nooit een blad voor de mond: mensen betalen een kwart miljoen per jaar voor haar waarheid. Haar vocabulaire doorspekt met Joods jargon en in een licht New Yorks accent vertelt ze daters waar het op staat: 'How would you feel about a nose job? Is it OK for me to completely restyle your wardrobe? Urkel called to say he wants his trousers back...' Tegen de dames in haar bestand is ze niet minder hard. 'Answer me right now: are you wearing a bra? Because you should. I know you think that's a cute top and you can pull it of without one, but trust me, you can't. So rush home and fix it.'
Patti loopt inmiddels tegen de vijftig en is zelf nog altijd ongetrouwd. Volgens de regels houden mannen alleen van vrouwen met steil haar, dus heeft ze haar Joodse pluis laten steilen tot een coupe waar Lucy Liu nog een puntje aan kan zuigen en lurkt ze met regelmaat aan de proteïneshake om haar svelte physique in toom te houden. Alles om je bashert te vinden, toch?
Als nuchtere Hollandse heb ik wel mijn bedenkingen bij sommige van haar tips. Bovendien - en dat geeft ze zelf ook aan - kan ze de match wel maken, maar de deal moet je toch echt zelf sluiten. Alle moeite ten spijt is het zelfs bij haar nog niet gelukt. Zelfs de heetste steiltang en het strengste dieet kunnen daar niet voor zorgen.
Ik denk dat aantrekkelijk zijn te maken heeft met hoe aantrekkelijk je jezelf vindt. Wat, in mijn geval, weer samenhangt met hoe zeker ik over mijzelf ben. Wat voor een groot deel (om precies te zijn vijftig procent) wordt bepaald door hoe ik eruit zie. Het beïnvloedt elkaar: als ik weet dat ik er goed uitzie, voel ik me zekerder, en als ik me zeker voel, heb ik meer zin om moeite in mijzelf te steken. Er zijn geen specifieke dingen die ik daarvoor nodig heb, al voel ik me soms automatisch beter op hakken. Maar ik ben wie ik ben, in killer heels of op power ballerina's. En de meest interessante mannen ben ik tegengekomen terwijl ik make-uploos boodschappen deed of erger, na het sporten.
(Je weet hoe je er dan uit ziet en hoe je haar zit. Om over de flatteuze sportkleding nog maar te zwijgen. FYI: ik doe aan spinning, inclusief biefstukbroek die niets, niets aan de verbeelding overlaat en plaatselijk vijf kilo toevoegt op een hele pamperachtige manier. The penis does the picking óók dwars door tien centimeter schuimrubber heen, blijkbaar.)
Wat ik heb geleerd van mijn persoonlijke datinghistorie is dat het in ieder geval geen zin heeft vast te houden aan je onzekerheden. Als een man niet belt, wil hij niet graag genoeg. Dat hoeft – binnen grenzen – niets te maken te hebben met iets dat je gezegd of juist niet gezegd hebt, de geur van je parfum, je zorgvuldig gecamoufleerde stresspukkel die hij toch of misschien niet gezien heeft. Als het daarop blijft hangen, moet het misschien ook maar niets worden. Uiteindelijk gaat het om de chemie en als die niet goed is, is een zondebok snel gevonden.
Natuurlijk is dit makkelijker gezegd dan gedaan. Op het moment dat je je gemoedsrust van een man af laat hangen, kan dat funest zijn voor je manicure. De sleutel is dan ook om er niet van afhankelijk te zijn, hoe lastig dat ook is.
Wat ik nog meer geleerd heb, is dat ik óók een keus heb. Ik hoef niet met een man om te gaan waar ik weinig chemie voor voel, alleen maar omdat hij mij leuk vindt of omdat hij aan een hoop van mijn eisen voldoet maar niet aan de cruciale. Ik heb het een tijd lang geprobeerd met iemand met wie ik op verstandelijk vlak echt een klik had: hij liet me mijzelf zijn en ik voelde me veilig en ontspannen bij hem. Intellectueel waren we aan elkaar gewaagd en we dachten over een hoop dingen hetzelfde. Ik mocht hem erg graag en we hadden nog wel tien jaar zo door kunnen gaan. Maar eigenlijk bekroop me vanaf het begin af aan al het gevoel dat dit niet was waar ik op gehoopt had. Hij was altijd erg lief voor me, hoffelijk, rustig, stabiel. En dat was niet genoeg.
Achteraf bleek dat hij hetzelfde heeft gedacht. Wat ik me dan toch afvraag is hoe we het een jaar met elkaar uit hebben kunnen houden. En dankzij the big O (voor hen die mij van grofheid gaan betichten: ik heb het nu over de verbinding die door oxytocine wordt gemaakt als je met iemand slaapt) denk ik af en toe nog steeds dat we er geen goed aan hebben gedaan het uit te maken, al weet ik heel goed dat dat niet waar is. Maar het idee dat ik met niemand anders die mate van intimiteit kan ervaren is een kleine, maar zeer, zéér krachtige leugen.
Om terug te komen op Patti's boek: haar advies om niet met iemand te slapen vóór je er een monogame relatie mee hebt, is dus zeker waardevol. Je wil immers niet van een scharrel denken dat hij de liefde van je leven is, op puur hormonale basis. Dat je niet met iemand slaapt waar je een relatie mee wil is dus niet alleen een sociaal fenomeen. Maar ja, beggars can't be choosers.... Ook daar heeft Patti aan gedacht: zij raadt een houten stokje aan, om op te bijten. En voor dat geweldige advies heb ik vijftien euro betaald. Thanks, Patti. You're amazing. Ik ga gelijk een pak dubbellikkers kopen.
Zonder dollen: mijn haar steilen gaat nu nog even te ver, maar het idee dat je het beste uit jezelf moet halen, is een goed idee. Maar moet je niet gewoon altijd het beste uit jezelf halen, man of geen man? (sterker, je moet pas echt hard aan de slag als je een man hebt...)
Ach. Ik weet zeker dat er een man rondloopt die geknipt is voor me. Garanties heb je in de liefde toch nooit en verwachtingen kunnen glazen ingooien waarvan je niet wist dat je er nog uit moest drinken. Wat niet wil zeggen dat ik niet droom of bedenk wat ik zoek in een man. Alle op ieder-potje-past-een-deksel-geneuzel daargelaten is het vooral zaak om de juiste concessies te doen. Niet te veel, niet weinig. Zoals niets zo oneindig lekker kan zijn als een op jouw wensen afgestemde mojito – nét iets rinser, net iets droger – is de juiste man ook fijner dan vijftig redelijke.
(Waarom ik mannen met drank vergelijk? Omdat je van allebei rare dingen kunt gaan doen, daarom.)
Voorlopig maak ik me geen zorgen en zap ik op de maandagavond naar RTL5 waar miljonairs een kans op liefde proberen te kopen bij een dame die de zweep erover haalt. Naar de regels van haar boek doe ik het helemaal niet slecht en ik ben de twintiger die zij in haar boek zo hekelt. Bovendien ontneemt mijn pony me het zicht niet; dat heb ik alvast op haar voor. Maar als u me nu wilt excuseren: ik moet mijn lippen gaan stiften, en daarna naar de Albert Heijn...
maandag 4 april 2011
Kriebel
Op een prikbord op FB las ik over het initiatief om penetratie van baby's, kleuters en kinderen geen verkrachting te noemen als er geen geweld in het spel is. Gevolg hiervan zou zijn dat penetratie dan ook niet geldt als een strafbaar feit. De petitie wilde de aanname van dat voorstel tegengaan.
Waar ik mij over verbaasde was dat hiermee geïmpliceerd wordt dat er geweldloze verkrachting bestaat. Waarmee ik eigenlijk bedoel dat ik deze paradoxale tautologie (ja, het staat er) niet begrijp. Bij volwassenen wordt 'onvrijwillig seksueel contact inclusief penetratie' in de volksmond 'verkrachting' genoemd. De mate van vrijwilligheid kan je onder meer afmeten aan de mate van verzet dat het potentiële slachtoffer biedt. Om dat verzet te breken en de verkrachting plaats te laten hebben, is er dan ook geweld nodig. Wat ons terugbrengt bij de vraag: kan er zoiets bestaan als een geweldloze verkrachting? Stap gerust door de deurpost: penetratie zonder geweld staat, bij volwassenen, gelijk aan vrijwillig seksueel contact.
Lekker nee-roepen en ja-doen kan natuurlijk reuze opwindend zijn, maar volwassenen kunnen hun 'echte' grenzen altijd aangeven. Voor kinderen gelden hele andere regels. Naar goed Freudiaans gebruik bezien kinderen hun eigen seksualiteit in een heel ander licht dan geslachtsrijpe personen. Als ik naar mijzelf kijk weet ik nog dat ik als kind hartstochtelijk van mensen en dingen kon houden en bijvoorbeeld lang heb gedacht, nee, zeker heb geweten, dat ik met de beste vriend van mijn broer zou trouwen en kinderen krijgen als de tijd rijp was. (Over de law of attraction gesproken....)
Toch bleef de precieze uitvoering daarvan altijd in het ongewisse: ik zag mijzelf wel in een witte jurk en ook mijn nog te concipiëren kind in een wiegje, maar totstandkoming ervan bleef vaag. Het was een ongeconsumeerde, onstoffelijke vorm van verliefdheid die in mijn hoofd natuurlijk grote vormen aannam.
(Het duurde overigens heel lang voordat ik doorkreeg dat huwelijken kunnen strandden, dat je kinderen kunt krijgen voordat of zelfs zonder dat je getrouwd bent en dat zijn goede inborst belangrijker is dan zijn haarkleur of zijn goede achternaam. Ja, ik wist al vroeg wat ik belangrijk vond in een man.)
Kinderen worden sowieso aangetast in hun persoonlijke levenssfeer. Dat begint al vlak na de geboorte. De gave teint en grote ogen van zo'n kleine kinderwagenbewoner oefenen grote aantrekkingskracht uit op iedereen die er in kijkt. Totale vreemden poken met ongewassen vingers in hun kleine gezichten, stoere neven en naar zoet parfum riekende buurvrouwen tillen ze ongevraagd op, vrijpostige opa's spelen paardje-in-galop op schoten, vertederde tienermeisjes kietelen op wangetjes en onder voetjes. Als het kind van schrik en afschuw begint te huilen wordt het in het ergste geval niet teruggegeven aan een mama of een papa maar juist sterker tegen de kin van de boosdoener vastgeklemd en 'getroost', als om te bewijzen dat het kind niet weet wat het doet: 'Oh, vind jij het niet fijn dat tante Agatha aan jou zit? Dat vind jij niet fijn hè, nee, ik zie het, kleine schat van me! Tante Agatha wil alleen maar even met jou spelen, dat vind je toch wel goed? Oh kijk eens, hij heeft mijn baardhaar vast! Foei, kleine deugniet...'
Ouders leren hun kinderen, en vooral hun dochters, dat ze 'lief' moeten zijn en zich dit soort dingen moeten laten welgevallen. Een goed kind is 'zoet', en protesteert niet tegen goedbedoelde liefkozingen, ook niet – juist niet – als een vreemde ze uitdeelt. Het intuïtieve ongemak dat het kind kenbaar maakt wordt systematisch de kop ingedrukt en als het kind 'lief' is en zich 'goed' gedraagt, wordt het beloond met lieve woordjes en kleine cadeautjes. Waar het dan weer voor moet bedanken met... precies, nog een zoentje. En zo wordt het kind gedwongen zijn kleine ziel stukje bij beetje te verkopen voor een zuurtje of een pluchen beertje.
Ouders zijn trots en opgelucht als hun kind 'makkelijk contact legt' en 'helemaal niet moeilijk doet'. Zij zijn het die er op worden afgerekend als een kind 'weerbarstig' is. En geen enkele ouder wil dat graag horen. De druk die er op het kind staat is hoog, maar de druk op de ouders is immens. Het kind, hoe jong ook, is de graadmeter van de opvoedkundigheid van de ouders. Slaapgebrek, lekkende mammalia, schrijnende hechtingen, pappastress en de constante geur van Zwitsal-met-stront maken een complimentje over dit grote project genaamd Kind aan hen meer dan welkom. Het enige luchtpunt (pun intended) in hun voorlopig kerriekleurige negorij is de zekerheid dat hun kind nu al sociaal geslaagd is. En daar houden ze met hun laatste krachten aan vast.
Opvallend is wel dat kinderen zelden beginnen te huilen als ze in contact komen met tot dan toe onbekende leeftijdsgenoten of huisdieren. Op de crèche heeft een kind het vaak hartstikke gezellig en kan het leren omgaan met andere kinderen, zonder dat hij of zij door hen ongevraagd wordt aangeraakt. Gebeurt dat wel, dan deelt de ontvanger rücksichtslos een vriendschappelijk doch serieus klapje uit. En na een paar traantjes weet iedereen weer waar hij aan toe is.
(Kon dat bij tante Agatha ook maar. Een eens verleende gunst... )
Insinueer ik hiermee dat kindermisbruik gedeeltelijk de schuld van de ouders is? Ik zou niet durven. Het kan ook niet zo zwart-wit gesteld worden als ik hier neerpen. Het kind moet immers zijn crècheleiding kunnen vertrouwen – tot op zekere hoogte. Een crècheleid(st)er mag het kind namelijk misschien wel verschonen, eten geven, een aai over de bol geven als het is gevallen en een pyjamaatje aantrekken voor het middagslaapje. Maar alles wat verder gaat dan die vrij mechanische handelingen is ongeoorloofd. En de lijn ertussen is dun.
Natuurlijk zitten er meer haken en ogen aan dit verhaal. Aandacht, liefkozing en het prijzen van een kind zijn net zozeer van belang voor zijn ontwikkeling als negeren en straf. Je doet je kind niet op de crèche om het daar aan zijn lot over te laten: crecheleid(st)ers zijn juist professioneel getraind om je kind intellectueel en emotioneel te stimuleren.
Een kind van drie maanden oud heeft meer verzorging en lichamelijk contact nodig dan een driejarige, die ik voor het gemak op dezelfde hoop gooi. Maar hoewel ieder kind andere behoeften heeft, is de grens van wat nog betamelijk is heel duidelijk. Hoe ouder het kind, hoe belangrijker het is dat hij zelf aangeeft wanneer er iets niet goed zit. Als het kind nog niet praten kan is dat dus dubbel lastig. Om over het gebruik van geweld nog maar te zwijgen, want kleuters kunnen bijna geen verweer leveren tegen een volgroeide volwassene. En juist daarom vind ik dat penetratie en andersoortig misbruik bij die kinderen extra zwaar bestraft moet worden.
Laat ik twee dingen rechtzetten. Ten eerste gaat het in achtennegentig procent van de gevallen goed: ofwel het kind wordt niet misbruikt, of het schakelt de intuïtie op de juiste momenten goed in. Een ongewilde zoen op je wang is immers echt iets anders dan penetratie, al voelt de privacyschending net zo erg. Punt twee: de crècheleid(st)ers zijn niet mijn zondebokken. Misbruik kan plaatsvinden door iedereen, ongeacht de leeftijd van het kind: of de misbruiker nou oud, jong, man, vrouw is, een 'machtspositie' bezit of zelf kinderen heeft of juist niet. In dat opzicht lijkt het op kanker: misbruik is niet selectief. Het heeft weinig zin om een kind bang te maken voor bepaalde groepen mensen – en daar is die intuïtie dus voor.
En de moraal van het verhaal? Als je de baardharen van tante Agatha vervelend vindt, zet een keel op en stop niet voor ze weg is. Schreeuw je ongenoegen er vol overtuiging uit. Of je nou een half jaar oud bent of achttien jaar: als het niet goed voelt, protesteer dan met iedere vezel die je in je hebt. Het volgen van je intuïtie loont. Altijd.
Waar ik mij over verbaasde was dat hiermee geïmpliceerd wordt dat er geweldloze verkrachting bestaat. Waarmee ik eigenlijk bedoel dat ik deze paradoxale tautologie (ja, het staat er) niet begrijp. Bij volwassenen wordt 'onvrijwillig seksueel contact inclusief penetratie' in de volksmond 'verkrachting' genoemd. De mate van vrijwilligheid kan je onder meer afmeten aan de mate van verzet dat het potentiële slachtoffer biedt. Om dat verzet te breken en de verkrachting plaats te laten hebben, is er dan ook geweld nodig. Wat ons terugbrengt bij de vraag: kan er zoiets bestaan als een geweldloze verkrachting? Stap gerust door de deurpost: penetratie zonder geweld staat, bij volwassenen, gelijk aan vrijwillig seksueel contact.
Lekker nee-roepen en ja-doen kan natuurlijk reuze opwindend zijn, maar volwassenen kunnen hun 'echte' grenzen altijd aangeven. Voor kinderen gelden hele andere regels. Naar goed Freudiaans gebruik bezien kinderen hun eigen seksualiteit in een heel ander licht dan geslachtsrijpe personen. Als ik naar mijzelf kijk weet ik nog dat ik als kind hartstochtelijk van mensen en dingen kon houden en bijvoorbeeld lang heb gedacht, nee, zeker heb geweten, dat ik met de beste vriend van mijn broer zou trouwen en kinderen krijgen als de tijd rijp was. (Over de law of attraction gesproken....)
Toch bleef de precieze uitvoering daarvan altijd in het ongewisse: ik zag mijzelf wel in een witte jurk en ook mijn nog te concipiëren kind in een wiegje, maar totstandkoming ervan bleef vaag. Het was een ongeconsumeerde, onstoffelijke vorm van verliefdheid die in mijn hoofd natuurlijk grote vormen aannam.
(Het duurde overigens heel lang voordat ik doorkreeg dat huwelijken kunnen strandden, dat je kinderen kunt krijgen voordat of zelfs zonder dat je getrouwd bent en dat zijn goede inborst belangrijker is dan zijn haarkleur of zijn goede achternaam. Ja, ik wist al vroeg wat ik belangrijk vond in een man.)
Kinderen worden sowieso aangetast in hun persoonlijke levenssfeer. Dat begint al vlak na de geboorte. De gave teint en grote ogen van zo'n kleine kinderwagenbewoner oefenen grote aantrekkingskracht uit op iedereen die er in kijkt. Totale vreemden poken met ongewassen vingers in hun kleine gezichten, stoere neven en naar zoet parfum riekende buurvrouwen tillen ze ongevraagd op, vrijpostige opa's spelen paardje-in-galop op schoten, vertederde tienermeisjes kietelen op wangetjes en onder voetjes. Als het kind van schrik en afschuw begint te huilen wordt het in het ergste geval niet teruggegeven aan een mama of een papa maar juist sterker tegen de kin van de boosdoener vastgeklemd en 'getroost', als om te bewijzen dat het kind niet weet wat het doet: 'Oh, vind jij het niet fijn dat tante Agatha aan jou zit? Dat vind jij niet fijn hè, nee, ik zie het, kleine schat van me! Tante Agatha wil alleen maar even met jou spelen, dat vind je toch wel goed? Oh kijk eens, hij heeft mijn baardhaar vast! Foei, kleine deugniet...'
Ouders leren hun kinderen, en vooral hun dochters, dat ze 'lief' moeten zijn en zich dit soort dingen moeten laten welgevallen. Een goed kind is 'zoet', en protesteert niet tegen goedbedoelde liefkozingen, ook niet – juist niet – als een vreemde ze uitdeelt. Het intuïtieve ongemak dat het kind kenbaar maakt wordt systematisch de kop ingedrukt en als het kind 'lief' is en zich 'goed' gedraagt, wordt het beloond met lieve woordjes en kleine cadeautjes. Waar het dan weer voor moet bedanken met... precies, nog een zoentje. En zo wordt het kind gedwongen zijn kleine ziel stukje bij beetje te verkopen voor een zuurtje of een pluchen beertje.
Ouders zijn trots en opgelucht als hun kind 'makkelijk contact legt' en 'helemaal niet moeilijk doet'. Zij zijn het die er op worden afgerekend als een kind 'weerbarstig' is. En geen enkele ouder wil dat graag horen. De druk die er op het kind staat is hoog, maar de druk op de ouders is immens. Het kind, hoe jong ook, is de graadmeter van de opvoedkundigheid van de ouders. Slaapgebrek, lekkende mammalia, schrijnende hechtingen, pappastress en de constante geur van Zwitsal-met-stront maken een complimentje over dit grote project genaamd Kind aan hen meer dan welkom. Het enige luchtpunt (pun intended) in hun voorlopig kerriekleurige negorij is de zekerheid dat hun kind nu al sociaal geslaagd is. En daar houden ze met hun laatste krachten aan vast.
Opvallend is wel dat kinderen zelden beginnen te huilen als ze in contact komen met tot dan toe onbekende leeftijdsgenoten of huisdieren. Op de crèche heeft een kind het vaak hartstikke gezellig en kan het leren omgaan met andere kinderen, zonder dat hij of zij door hen ongevraagd wordt aangeraakt. Gebeurt dat wel, dan deelt de ontvanger rücksichtslos een vriendschappelijk doch serieus klapje uit. En na een paar traantjes weet iedereen weer waar hij aan toe is.
(Kon dat bij tante Agatha ook maar. Een eens verleende gunst... )
Insinueer ik hiermee dat kindermisbruik gedeeltelijk de schuld van de ouders is? Ik zou niet durven. Het kan ook niet zo zwart-wit gesteld worden als ik hier neerpen. Het kind moet immers zijn crècheleiding kunnen vertrouwen – tot op zekere hoogte. Een crècheleid(st)er mag het kind namelijk misschien wel verschonen, eten geven, een aai over de bol geven als het is gevallen en een pyjamaatje aantrekken voor het middagslaapje. Maar alles wat verder gaat dan die vrij mechanische handelingen is ongeoorloofd. En de lijn ertussen is dun.
Natuurlijk zitten er meer haken en ogen aan dit verhaal. Aandacht, liefkozing en het prijzen van een kind zijn net zozeer van belang voor zijn ontwikkeling als negeren en straf. Je doet je kind niet op de crèche om het daar aan zijn lot over te laten: crecheleid(st)ers zijn juist professioneel getraind om je kind intellectueel en emotioneel te stimuleren.
Een kind van drie maanden oud heeft meer verzorging en lichamelijk contact nodig dan een driejarige, die ik voor het gemak op dezelfde hoop gooi. Maar hoewel ieder kind andere behoeften heeft, is de grens van wat nog betamelijk is heel duidelijk. Hoe ouder het kind, hoe belangrijker het is dat hij zelf aangeeft wanneer er iets niet goed zit. Als het kind nog niet praten kan is dat dus dubbel lastig. Om over het gebruik van geweld nog maar te zwijgen, want kleuters kunnen bijna geen verweer leveren tegen een volgroeide volwassene. En juist daarom vind ik dat penetratie en andersoortig misbruik bij die kinderen extra zwaar bestraft moet worden.
Laat ik twee dingen rechtzetten. Ten eerste gaat het in achtennegentig procent van de gevallen goed: ofwel het kind wordt niet misbruikt, of het schakelt de intuïtie op de juiste momenten goed in. Een ongewilde zoen op je wang is immers echt iets anders dan penetratie, al voelt de privacyschending net zo erg. Punt twee: de crècheleid(st)ers zijn niet mijn zondebokken. Misbruik kan plaatsvinden door iedereen, ongeacht de leeftijd van het kind: of de misbruiker nou oud, jong, man, vrouw is, een 'machtspositie' bezit of zelf kinderen heeft of juist niet. In dat opzicht lijkt het op kanker: misbruik is niet selectief. Het heeft weinig zin om een kind bang te maken voor bepaalde groepen mensen – en daar is die intuïtie dus voor.
En de moraal van het verhaal? Als je de baardharen van tante Agatha vervelend vindt, zet een keel op en stop niet voor ze weg is. Schreeuw je ongenoegen er vol overtuiging uit. Of je nou een half jaar oud bent of achttien jaar: als het niet goed voelt, protesteer dan met iedere vezel die je in je hebt. Het volgen van je intuïtie loont. Altijd.
Abonneren op:
Posts (Atom)