Het stormt, daarom heb ik mijn haar in een knotje gedraaid. Niets onhandiger dan naar huis fietsen met lokken haar in je gezicht bij windkracht acht. Ik betreur mijn knotje niet als er een zeer aantrekkelijke man tegenover me plaatsneemt, maar vraag me wel af of hij toeschietelijker was geweest als hij mijn haar had kunnen zien.
Ik heb mijn voeten zojuist van de krant en de bank gehaald als hij opduikt en zijn hand uitstrekt naar de krant, terwijl hij vraagt of ik er klaar mee was. Ik stamel eueue en ja, en dorst hem niet te zeggen dat ik mijn voeten op de krant heb gelegd. Ze waren ook niet echt vies. Maar toch.
De man verdiept zich in zijn krant. Hij houdt het ding vóór zijn gezicht en kijkt er vanaf een abnormaal kleine afstand naar, alsof hij een bril nodig heeft maar er te ijdel voor is. Ik houd mijn mond. Hij draagt kisten en slaat zijn benen in een driehoek over elkaar, terwijl hij er zorgvuldig op let dat hij mijn panty niet raakt. Leuk. Hij heeft rode handen, schoon met gezonde nagels waar iets heel scheppends van uit gaat; alsof hij je een gebloemd kopje thee kan brengen nadat hij het water op zelfgestookt haardvuur heeft gekookt, of een hertje voor je snijdt uit hout dat hij eigenhandig heeft gehakt. Hij heeft het soort handen waar je het hoofdje van een pasgeborende in ziet liggen. Het zal mijn tijd van de maand wel zijn, maar ik kan mijn ogen er niet vanaf houden.
Voor de rest is hij niet zo bijzonder. Toch wil ik dat hij met me wil praten. Maar hij is verdiept in die stomme, oppervlakkige krant.
Ik ken dit niet. Ik schuifel heen en weer, ik doe de lippenbalsemtruc, ik laat hem mijn benen zien. Hij laat zich niet afleiden. Als onze blikken elkaar eindelijk, eindelijk kruisen, krijg ik een grijns. Hij lacht vooral met zijn ogen naar me en ik voel me een beetje betrapt. Zijn mond is te dun, zijn neus is te groot en hij is ouder dan hij eruit ziet, maar door die lach ben ik bereid door de vingers te zien dat hij met diezelfde aanbiddelijke handen langdurig aan een puistje in zijn nek zat te frunniken. Hij is het type man waar je koffie mee wilt drinken op de treden van het Stadhuisplein. Zwarte loeihete koffie en jazz. Hij is vast grafisch ontwerper, meubelmaker of goudsmid, en ik zou een moord doen voor een snee van zijn zelfgebakken speltbrood met verse kersenjam. Oh, gentle bliss...
Mijn station nadert en in gedachten neem ik afscheid. Als ik een ding heb geleerd, is dat je mannen hun rol als man moet gunnen. Als hij me aan had willen spreken, had hij dat wel gedaan. En dat hij de nasleep van een weekendje raddraaien in Groningen interessanter vindt dan mijn welwillende porem, nou ja, daar kom ik wel overheen. Al is het natuurlijk jammer, want ik had best een goed filosofisch gesprek met hem willen voeren in de trein op weg naar de Pelikaan in Zutphen. Dat zal nu nooit gebeuren.
Ik pak langzaam mijn spullen en hij maakt plaats voor me. Bye, voeg ik hem toch maar toe. 'Goed weekend, hè,' knikt hij terug. Weekend? 'Je bent erg vroeg, het is pas maandag...' 'Oh ja, nou ja, dat had ik gister ook...' Nogal wiedes, vriend, gister was het weekend. Kleine mafketel... Hij pakt mijn hand en zijn greep is zoals ik me had voorgesteld; droog, stevig, hartelijk en toch gepast gereserveerd. 'Het was mij een genoegen, wellicht tot ziens!' Ik houd de vraag wanneer gaan we met moeite binnen en loop door. Hij is te laat. En als wij echt samen naar de Pelikaan moeten kom ik hem wel weer tegen. Wie wat bewaart, die heeft wat...
maandag 24 september 2012
zaterdag 22 september 2012
Parel (1)
Dit wordt een dubbellang stuk over enkele van mijn helden en veel van mijn geliefden. Iedereen die mij een beetje kent, weet dat ik een meisje ben met passies. Veel van die passies heb ik van jongs af aan: mannen, boeken, schoenen, sieraden. Veel hebben zich in de loop der tijd verder ontwikkeld: boeken, schoenen, sieraden. De enige special interest die vrijwel onveranderd is gebleven, is de man. Ik herinner mij mijn vurig kinderlijke verliefdheden op vriendjes van mijn broer, opgeschoten buurjongens en klasgenoten vanaf groep twee. Natuurlijk waren deze amoureuze gedachten gespeend van ieder seksueel idee: 'trouwen' was in mijn perceptie vooral iets met twee dezelfde ringen, kinderen kwamen net zo vanzelf als een baan en een huis en samen veel delen was vooral erg gezellig, meer niet.
Door het lezen van allerlei romans van tussen 1800 en nu heb ik een zwak voor de mannenmode van(af) die tijd – zonder veel historische accuratesse zijn daar de paardrijbroek met verhoogde taille, schoen met gesp, de kniehoge laars, bakkenbaard-met-staart-in-lint, knielaarzen en pandjesjas: a la Matthew McFadyen in Pride & Prejudice, met een vleugje Tom Hardy in Wuthering Heights, waar hij eigenlijk flink wat weg heeft van Christopher Lambert in Highlander, of beter nog, Billy Wirth, maakt niet uit waarin.
Mijn voorliefde voor mannen die dingen goed kunnen zat er ook vroeg in, met name door de muzieksmaak van mijn vader. Haarzwaaiende rockers met rappe vingers maakten al vroeg dat mijn hartje oversloeg en die voorkeur is gebleven; ik heb een zwak voor gitaristen, liefst met lang, vol haar en diepe, donkere, raspende stemmen. Als ze dan ook nog lichtjes geestelijk getroubleerd of (en!) een beetje verslaafd zijn, kan het feest beginnen. Ik weet inmiddels al vele malen beter, maar toch maken de krullen van een jonge Robert Plant, de rifjes van Jimmy H., de stem van Jim Morrison of gewoon het zien van Slash alleen al dat mijn adem stokt.
Een groot deel daarvan komt door het haar. Lang haar symboliseert iets wilds, viriels en ongetemds waar mijn meisjesgemoed gevoelig voor is. Dat is ook precies de reden dat stomme mannen die goed over willen komen hun haar laten groeien. Godzijdank grijpt de natuur dan in om deze zweefvliegen van het mannelijk smaldeel der natie een halt toe te roepen: hun haar groeit niet, het is slap, dor, dun, pluizig of droog, zodat het resultaat van die zielige poging tot Sebastianeske lokken – Tom, of Bach – meer een vlassige Harmen Siezen oplevert.
Veel van die haarzwaaiers lijden daarnaast ook aan het Samson-syndroom: dat wat het talentloze kaf van het koren scheidt. Mét haar, hoe viezig ook, zijn deze rockers sleazy sexy en clochard chic. Knippen ze dat haar of of worden ze kaal, dan verdwijnt met hun lokken ook hun aantrekkingskracht in de prullenbak.
(U wenst voorbeelden? Ik noem een Chad Kroeger, Jared Gomes, Scott Stapp of onze eigen Dinand W. Of stelt u zich Justin Hawkins eens goedgeknipt voor. Daar blijft niet veel van over, hè? Neen.)
De muzikanten van nu zijn ook zelden klassiek geschoold, terwijl dat vroeger vaker zo leek te zijn. Daarbij heb ik het idee dat de bands van vroegâh meer de tijd kregen om hun draai te vinden en te laten zien; terwijl een album nu verplicht een paar popnummers, wat ballads en flink wat drie-en-een-halve-minuut-hitjes moet bevatten om nog te verkopen. Solo's van zeven minuten, stukken monoloog of instrumentale experimenten zitten er niet meer in. Maar dat komt dus goed uit, want de Muzikant van Vandaag kan helemaal geen noten lezen. Dat kan goed gaan (Oasis) maar de kans daarop is klein. (Valerius)
Begin jaren negentig waren muziekinstrumenten net zo uit als de synthesizer in en ik zeg niet dat dat een slechte ontwikkeling is geweest. Lang leve de stemverbeteraars en pretentieloze pop, bovendien is appels met peren vergelijken tijdrovend en onnodig, want een kwestie van smaak. Met de opkomst van Alicia Keys en Vanessa Carlton maakte het muziekinstrument zijn come-back. (Ook Vanessa Carlton moet dat nog gaan doen.) En prompt wordt er in andere genres weer op echte gitaren gespeeld: hoera, de garageband is terug!
Maar ik wilde helemaal geen stuk schrijven over mannenmode, laat staan over mannenhaar of conservatoria. Toch is het tijd om er vandoor te gaan, reader dear. Benieuwd naar de werkelijke clou van dit verhaal? Lees het, vrees het, in Parel (2) ...
Door het lezen van allerlei romans van tussen 1800 en nu heb ik een zwak voor de mannenmode van(af) die tijd – zonder veel historische accuratesse zijn daar de paardrijbroek met verhoogde taille, schoen met gesp, de kniehoge laars, bakkenbaard-met-staart-in-lint, knielaarzen en pandjesjas: a la Matthew McFadyen in Pride & Prejudice, met een vleugje Tom Hardy in Wuthering Heights, waar hij eigenlijk flink wat weg heeft van Christopher Lambert in Highlander, of beter nog, Billy Wirth, maakt niet uit waarin.
Mijn voorliefde voor mannen die dingen goed kunnen zat er ook vroeg in, met name door de muzieksmaak van mijn vader. Haarzwaaiende rockers met rappe vingers maakten al vroeg dat mijn hartje oversloeg en die voorkeur is gebleven; ik heb een zwak voor gitaristen, liefst met lang, vol haar en diepe, donkere, raspende stemmen. Als ze dan ook nog lichtjes geestelijk getroubleerd of (en!) een beetje verslaafd zijn, kan het feest beginnen. Ik weet inmiddels al vele malen beter, maar toch maken de krullen van een jonge Robert Plant, de rifjes van Jimmy H., de stem van Jim Morrison of gewoon het zien van Slash alleen al dat mijn adem stokt.
Een groot deel daarvan komt door het haar. Lang haar symboliseert iets wilds, viriels en ongetemds waar mijn meisjesgemoed gevoelig voor is. Dat is ook precies de reden dat stomme mannen die goed over willen komen hun haar laten groeien. Godzijdank grijpt de natuur dan in om deze zweefvliegen van het mannelijk smaldeel der natie een halt toe te roepen: hun haar groeit niet, het is slap, dor, dun, pluizig of droog, zodat het resultaat van die zielige poging tot Sebastianeske lokken – Tom, of Bach – meer een vlassige Harmen Siezen oplevert.
Veel van die haarzwaaiers lijden daarnaast ook aan het Samson-syndroom: dat wat het talentloze kaf van het koren scheidt. Mét haar, hoe viezig ook, zijn deze rockers sleazy sexy en clochard chic. Knippen ze dat haar of of worden ze kaal, dan verdwijnt met hun lokken ook hun aantrekkingskracht in de prullenbak.
(U wenst voorbeelden? Ik noem een Chad Kroeger, Jared Gomes, Scott Stapp of onze eigen Dinand W. Of stelt u zich Justin Hawkins eens goedgeknipt voor. Daar blijft niet veel van over, hè? Neen.)
De muzikanten van nu zijn ook zelden klassiek geschoold, terwijl dat vroeger vaker zo leek te zijn. Daarbij heb ik het idee dat de bands van vroegâh meer de tijd kregen om hun draai te vinden en te laten zien; terwijl een album nu verplicht een paar popnummers, wat ballads en flink wat drie-en-een-halve-minuut-hitjes moet bevatten om nog te verkopen. Solo's van zeven minuten, stukken monoloog of instrumentale experimenten zitten er niet meer in. Maar dat komt dus goed uit, want de Muzikant van Vandaag kan helemaal geen noten lezen. Dat kan goed gaan (Oasis) maar de kans daarop is klein. (Valerius)
Begin jaren negentig waren muziekinstrumenten net zo uit als de synthesizer in en ik zeg niet dat dat een slechte ontwikkeling is geweest. Lang leve de stemverbeteraars en pretentieloze pop, bovendien is appels met peren vergelijken tijdrovend en onnodig, want een kwestie van smaak. Met de opkomst van Alicia Keys en Vanessa Carlton maakte het muziekinstrument zijn come-back. (Ook Vanessa Carlton moet dat nog gaan doen.) En prompt wordt er in andere genres weer op echte gitaren gespeeld: hoera, de garageband is terug!
Maar ik wilde helemaal geen stuk schrijven over mannenmode, laat staan over mannenhaar of conservatoria. Toch is het tijd om er vandoor te gaan, reader dear. Benieuwd naar de werkelijke clou van dit verhaal? Lees het, vrees het, in Parel (2) ...
zondag 16 september 2012
Stock
Ik word gelukkig van kleine ordentelijkheid. Als mijn jurkjes gestreken zijn, mijn boeken in de juiste volgorde in de kast staan, ik weet wat ik ga aantrekken naar die borrel, kruimels in de buik van mijn stofzuiger zitten in plaats van in mijn vloerbedekking en ik weet hoe ik van mijn huis naar de nieuwe woning van een vriendin kom, maakt dat me opgelucht, opgeruimd en blij. De meeste dingen in het leven kun je niet plannen, dus in de zaken waarvoor dat wel kan grijp ik mijn kans. I hartje controle, jazeker wel!
Dat uit zich in onschuldige dingen. De ruimte die ik heb om mijn kleren op te bergen bijvoorbeeld is zeer beperkt voor kleren die op een hanger moeten. Ik vind het niet erg om ze op te vouwen – dat moet in twee lades onder mijn bed. Na verloop van tijd en flink wat snel weggemoffelde was is er van de nette stapels natuurlijk niets meer over. Eens in de zoveel tijd haal ik daarom alles uit de lades, vouw, strijk en was zonodig opnieuw, ververs de geurzakjes en maak een nieuwe indeling. Met recht een snotkarwei, maar als het eenmaal gebeurd is voel ik me zeer bevrijd en schoon. Ik verbeeld me dan dat ik de geestelijke clutter die deze kledingbende met zich meebracht, heb opgelost. Hetzelfde geldt voor mijn administratie en het schoonmaken van de tuin; vol goede moed vat ik, alvast trots op mijzelf, de koe bij de horens. Want clutter leidt tot mentale clutter, dat weet natuurlijk iedereen. En mentale clutter is iets wat je moet vermijden, dat weet natuurlijk iedereen.
Een andere stresser waar ik graag zicht op heb is die van de persoonlijke verzorging. Niets erger dan er de avond vóór een sollicitatiegesprek achter te komen dat je deo op is, met natte haren onder de douche mis te grijpen naar de shampoo of een last-minute-date in te moeten met ongeharste benen. Bovendien heb ik als arm studentje een beperkt budget en ben ik vooral een grootverbruiker van haarproducten. Mijn favoriete merk is behoorlijk prijzig, dus als het ergens in de aanbieding is, sla ik groot in.
Al deze glycerines, parfums en kuurtjes sla ik op in een kist. Omdat dit het weekend van de Grote Schoonmaak bleek en ik bovendien wat minder wil gaan consumeren, besloot ik om ook deze kist eens aan een inspectie te onderwerpen.
De opbrengst, reader-dear:
vier potten haarmasker, zes tubes conditioner, vijf extra tandenborstels, vier tubes tandpasta, zes doosjes tampons, vier flessen douchezeep, acht pakjes panty's, twee pakken waxstrips, vier tubes dagcreme, elf (ja, elf!) tubetjes haarserum, vier flessen stylingproduct die ik nooit meer ga gebruiken, twee flacons haarmeuk die ik evenmin zal gebruiken, twee flessen zonnebrand, nog eens vier tubes andere conditioner, drie flessen shampoo, nog wat crèmespoeling – en één extra fles deo.
Voorraad hoera, maar dit gaat ver. Ik heb genoeg spullen voor een jaar of twee, om over de geschatte waarde van al deze tubes nog maar te zwijgen. Ik weet wel waar deze drang vandaan komt: het idee dat als ik de zaken die ik wel in de hand kan houden zo goed mogelijk in de hand heb, de zaken die ik niet in de hand heb, ook als vanzelf geregeld worden. (jaha, lees dat maar eens over.) Het probleem is hier alleen dat ik deze behandbare zaak uit de hand heb laten lopen....
In plaats van het opruimen van clutter is dit ongemerkt en onbedoeld toch weer een verzameling geworden. Jammer hoor...
En wat hebben we hiervan geleerd? Je kunt wel degelijk genoeg shampoo hebben. Ik ben in ieder geval klaar voor plotselinge stakingen bij de drogisterij, de hirsutisme-aanvallen van mijn onderbuurvrouw of een last-minute date, waar ik met glanzend zachte lokken en zalig gladde nylonbenen naar toe kan scharen, mocht dat nodig zijn. Pffiew. Das alvast één zorg minder.
Dat uit zich in onschuldige dingen. De ruimte die ik heb om mijn kleren op te bergen bijvoorbeeld is zeer beperkt voor kleren die op een hanger moeten. Ik vind het niet erg om ze op te vouwen – dat moet in twee lades onder mijn bed. Na verloop van tijd en flink wat snel weggemoffelde was is er van de nette stapels natuurlijk niets meer over. Eens in de zoveel tijd haal ik daarom alles uit de lades, vouw, strijk en was zonodig opnieuw, ververs de geurzakjes en maak een nieuwe indeling. Met recht een snotkarwei, maar als het eenmaal gebeurd is voel ik me zeer bevrijd en schoon. Ik verbeeld me dan dat ik de geestelijke clutter die deze kledingbende met zich meebracht, heb opgelost. Hetzelfde geldt voor mijn administratie en het schoonmaken van de tuin; vol goede moed vat ik, alvast trots op mijzelf, de koe bij de horens. Want clutter leidt tot mentale clutter, dat weet natuurlijk iedereen. En mentale clutter is iets wat je moet vermijden, dat weet natuurlijk iedereen.
Een andere stresser waar ik graag zicht op heb is die van de persoonlijke verzorging. Niets erger dan er de avond vóór een sollicitatiegesprek achter te komen dat je deo op is, met natte haren onder de douche mis te grijpen naar de shampoo of een last-minute-date in te moeten met ongeharste benen. Bovendien heb ik als arm studentje een beperkt budget en ben ik vooral een grootverbruiker van haarproducten. Mijn favoriete merk is behoorlijk prijzig, dus als het ergens in de aanbieding is, sla ik groot in.
Al deze glycerines, parfums en kuurtjes sla ik op in een kist. Omdat dit het weekend van de Grote Schoonmaak bleek en ik bovendien wat minder wil gaan consumeren, besloot ik om ook deze kist eens aan een inspectie te onderwerpen.
De opbrengst, reader-dear:
vier potten haarmasker, zes tubes conditioner, vijf extra tandenborstels, vier tubes tandpasta, zes doosjes tampons, vier flessen douchezeep, acht pakjes panty's, twee pakken waxstrips, vier tubes dagcreme, elf (ja, elf!) tubetjes haarserum, vier flessen stylingproduct die ik nooit meer ga gebruiken, twee flacons haarmeuk die ik evenmin zal gebruiken, twee flessen zonnebrand, nog eens vier tubes andere conditioner, drie flessen shampoo, nog wat crèmespoeling – en één extra fles deo.
Voorraad hoera, maar dit gaat ver. Ik heb genoeg spullen voor een jaar of twee, om over de geschatte waarde van al deze tubes nog maar te zwijgen. Ik weet wel waar deze drang vandaan komt: het idee dat als ik de zaken die ik wel in de hand kan houden zo goed mogelijk in de hand heb, de zaken die ik niet in de hand heb, ook als vanzelf geregeld worden. (jaha, lees dat maar eens over.) Het probleem is hier alleen dat ik deze behandbare zaak uit de hand heb laten lopen....
In plaats van het opruimen van clutter is dit ongemerkt en onbedoeld toch weer een verzameling geworden. Jammer hoor...
En wat hebben we hiervan geleerd? Je kunt wel degelijk genoeg shampoo hebben. Ik ben in ieder geval klaar voor plotselinge stakingen bij de drogisterij, de hirsutisme-aanvallen van mijn onderbuurvrouw of een last-minute date, waar ik met glanzend zachte lokken en zalig gladde nylonbenen naar toe kan scharen, mocht dat nodig zijn. Pffiew. Das alvast één zorg minder.
zaterdag 15 september 2012
Sc(huw) 2
(Komt dit uit de lucht vallen? Lees dan eerst Sc(huw))
Ik zie in de ogen van mijn 'verloofde' dat onze pre-echtelijke ruzie op een onbevredigende teleurstelling is uitgelopen. Geen nieuw servies, geen make up sex, geen passioneel dichtgeslagen deuren. Niets van dit alles, lieve lezer, op mijn pertinente weigering iets met hem te gaan drinken. U zult mij vergeven; het is donderdagavond, ik heb er een lange dag op zitten en ik moet nog van alles regelen vóór de winkels sluiten. Als ik op een onbewaakt moment uit de drogisterij kom, mijn tas vol met smeersels, schuursels en herstelsels en mijn hoofd vol gedachten, houdt hij me staande.
Zijn gezicht staat verwijtend. 'Wanneer?!' bijt hij me toe. Ik kijk hem aan, trek mijn wenkbrauwen niet op en probeer alle walnootbruine hooghartigheid die ik bezit in de boog van mijn fraaie neusje te stoppen. Dat lukt aardig, ik zie dat hij schrikt. Als deze beste man iets goeds te zeggen heeft kan hij dat maar beter snel en duidelijk doen – ik heb niet de hele tijd de dag...
'Wat doe je vanavond?' brengt hij uit. 'Boodschappen,' zeg ik droogjes. 'Ik wil graag dat je met me meegaat om wat te drinken in de stad, ja?' Hij lacht voorzichtig en zijn giftand eist weer al mijn aandacht op. Ik ben blij dat hij voorstelt iets te gaan drinken in de stad in plaats van zich bij mij thuis uit te nodigen – het toppunt van vrijpostigheid – maar dat helpt niet veel. Plotseling moet ik denken aan hoe het zou zijn als hij me zou zoenen en hij een gat in mijn lip zou maken met dat ding, die wond vervolgens zou gaan ontsteken vanwege een slangige infectie, de zaak mijn gelaat zou wegvreten en ik als een soort Nana zou sterven zonder gezicht. Dat zag ik toch altijd als een van mijn sterke lichamelijke kanten, mijn gezicht. Ja, de menselijke imaginatie is een wonderlijke zaak. Ik slik nog maar eens. We hebben niet allemaal het geluk van een dokter Jos.
Ik zeg nog steeds niets. Ik heb niets toe te voegen aan dit gesprek, niets wat ik niet al eerder heb gezegd. 'Je maakt me verdriehietig,' probeert hij. Bah. Als ik iets ergerlijk vind zijn het jammerende mannen – ik zie mijn mannen graag doortastend, mannelijk, viriel en vooral hoffelijk, niet dreinzend, jengelend en kinderlijk. En voor chantage was ik nooit gevoelig. 'Als ik verdrietig ben, poets ik altijd mijn tanden, dat leidt me af,' opper ik. Hij gaat er niet op in. En op wat hij daarna zegt, ben ik nog altijd vastberaden, maar ook sprakeloos.
'Ik snap niet waarom je zo doet tegen mij. Ik wil met je trouwen, dat zeg ik toch? Mijn hart maakt een sprong, iedere keer als ik je zie. Het is God die ons bij elkaar brengt; ik wilde vandaag helemaal niet naar deze winkel maar ik ging toch en nu zie ik jou, liefje. Ik zou je mijn handen en mijn voeten geven, ik zou goed voor je zorgen, ik zou van je houden. Je denkt dat ik het niet meen, hè? Maar ik meen het. Laten we het dan proberen. Want dat je me niet eens een kans geeft, doet me verdriet.'
Zijn handen trillen, ik zie zijn hartslag in zijn keel en hij kijkt me smekend aan. Iedereen weet hoe het voelt als affectie onbeantwoord blijft – wreedheid is niet nodig. Duidelijkheid is in zo'n geval wel het minste wat je de persoon in kwestie verschuldigd bent. Maar dat vind ik dus lastig. Want eigenlijk is ten huwelijk gevraagd worden best leuk. Bovendien is het beter dat ik de letterlijke tand nu zie, dan dat ik in een liefdeloos huwelijk strand door venijn wat me langzaam vergiftigt, als lelietjes-van-dalen-water in de dagelijkse koffie. Toch wil ik niets van deze man, heb hem ook nooit anders verteld, en zijn liefdesverklaring verandert niets hieraan.
Ik leg hem uit dat ik niet voornemens ben, iets met hem te beginnen. Hij begrijpt uit mijn woorden dat ik er nu niet klaar voor ben. Ik laat dat maar zo – aandringen zou waarschijnlijk zoutwrijven betekenen. Dat is laf, ik weet het, maar ik heb hier ook niet om gevraagd. Eén ding wat mijn 'verloofde' niet van mij weet, is dat ik amoureuze conflicten schuw - met liefde.
Ik zie in de ogen van mijn 'verloofde' dat onze pre-echtelijke ruzie op een onbevredigende teleurstelling is uitgelopen. Geen nieuw servies, geen make up sex, geen passioneel dichtgeslagen deuren. Niets van dit alles, lieve lezer, op mijn pertinente weigering iets met hem te gaan drinken. U zult mij vergeven; het is donderdagavond, ik heb er een lange dag op zitten en ik moet nog van alles regelen vóór de winkels sluiten. Als ik op een onbewaakt moment uit de drogisterij kom, mijn tas vol met smeersels, schuursels en herstelsels en mijn hoofd vol gedachten, houdt hij me staande.
Zijn gezicht staat verwijtend. 'Wanneer?!' bijt hij me toe. Ik kijk hem aan, trek mijn wenkbrauwen niet op en probeer alle walnootbruine hooghartigheid die ik bezit in de boog van mijn fraaie neusje te stoppen. Dat lukt aardig, ik zie dat hij schrikt. Als deze beste man iets goeds te zeggen heeft kan hij dat maar beter snel en duidelijk doen – ik heb niet de hele tijd de dag...
'Wat doe je vanavond?' brengt hij uit. 'Boodschappen,' zeg ik droogjes. 'Ik wil graag dat je met me meegaat om wat te drinken in de stad, ja?' Hij lacht voorzichtig en zijn giftand eist weer al mijn aandacht op. Ik ben blij dat hij voorstelt iets te gaan drinken in de stad in plaats van zich bij mij thuis uit te nodigen – het toppunt van vrijpostigheid – maar dat helpt niet veel. Plotseling moet ik denken aan hoe het zou zijn als hij me zou zoenen en hij een gat in mijn lip zou maken met dat ding, die wond vervolgens zou gaan ontsteken vanwege een slangige infectie, de zaak mijn gelaat zou wegvreten en ik als een soort Nana zou sterven zonder gezicht. Dat zag ik toch altijd als een van mijn sterke lichamelijke kanten, mijn gezicht. Ja, de menselijke imaginatie is een wonderlijke zaak. Ik slik nog maar eens. We hebben niet allemaal het geluk van een dokter Jos.
Ik zeg nog steeds niets. Ik heb niets toe te voegen aan dit gesprek, niets wat ik niet al eerder heb gezegd. 'Je maakt me verdriehietig,' probeert hij. Bah. Als ik iets ergerlijk vind zijn het jammerende mannen – ik zie mijn mannen graag doortastend, mannelijk, viriel en vooral hoffelijk, niet dreinzend, jengelend en kinderlijk. En voor chantage was ik nooit gevoelig. 'Als ik verdrietig ben, poets ik altijd mijn tanden, dat leidt me af,' opper ik. Hij gaat er niet op in. En op wat hij daarna zegt, ben ik nog altijd vastberaden, maar ook sprakeloos.
'Ik snap niet waarom je zo doet tegen mij. Ik wil met je trouwen, dat zeg ik toch? Mijn hart maakt een sprong, iedere keer als ik je zie. Het is God die ons bij elkaar brengt; ik wilde vandaag helemaal niet naar deze winkel maar ik ging toch en nu zie ik jou, liefje. Ik zou je mijn handen en mijn voeten geven, ik zou goed voor je zorgen, ik zou van je houden. Je denkt dat ik het niet meen, hè? Maar ik meen het. Laten we het dan proberen. Want dat je me niet eens een kans geeft, doet me verdriet.'
Zijn handen trillen, ik zie zijn hartslag in zijn keel en hij kijkt me smekend aan. Iedereen weet hoe het voelt als affectie onbeantwoord blijft – wreedheid is niet nodig. Duidelijkheid is in zo'n geval wel het minste wat je de persoon in kwestie verschuldigd bent. Maar dat vind ik dus lastig. Want eigenlijk is ten huwelijk gevraagd worden best leuk. Bovendien is het beter dat ik de letterlijke tand nu zie, dan dat ik in een liefdeloos huwelijk strand door venijn wat me langzaam vergiftigt, als lelietjes-van-dalen-water in de dagelijkse koffie. Toch wil ik niets van deze man, heb hem ook nooit anders verteld, en zijn liefdesverklaring verandert niets hieraan.
Ik leg hem uit dat ik niet voornemens ben, iets met hem te beginnen. Hij begrijpt uit mijn woorden dat ik er nu niet klaar voor ben. Ik laat dat maar zo – aandringen zou waarschijnlijk zoutwrijven betekenen. Dat is laf, ik weet het, maar ik heb hier ook niet om gevraagd. Eén ding wat mijn 'verloofde' niet van mij weet, is dat ik amoureuze conflicten schuw - met liefde.
Abonneren op:
Posts (Atom)