Er wordt weleens aan mij gevraagd, hoeveel waarheid er in mijn blog schuilt.
Aan de ene kant verbaast dat me, aan de andere kant kan ik me die vraag voorstellen. Veel van de dingen die ik meemaak zijn zo absurd of bevreemdend dat zelfs ik af en toe de waarheid ervan in twijfel trek. Ik leg nou eenmaal makkelijk contact met mensen – soms te makkelijk, met de verkeerde mensen – en dat heeft vaak zulke opvallende ontmoetingen tot gevolg dat ik er over kan bloggen.
Laat ik u geruststellen, lieve lezer, of misschien verontrusten: alles wat ik schrijf is waargebeurd. Vergelijkt u het maar met een soap: dat is ook een weergave van de werkelijkheid, maar niet noodzakelijk uw werkelijkheid.
Wat heeft mijn blog gemeen met As The World Turns? Twee dingen: het aantal absurde gebeurtenissen en de make-up. Om een blogstuk interessant te houden voeg ik natuurlijk een vernis van narratief toe en met name over de intermenselijke stukken moet ik altijd eerst nadenken voor ik ze tot tekst verwerk, omdat ik ze soms zelf niet direct kan plaatsen.
Maar het tegenovergestelde is ook gebeurd. Ik ben een keer op date geweest met een man die het waarheidsgehalte van mijn blog totaal niet in twijfel trok. Integendeel, hij ging er van uit dat hij mijn blog en mijzelf gelijk kon stellen. Hij wist van mijn blog af vóór onze eerste date en dacht mij te kennen omdat hij enkele van mijn stukken had gelezen. Wel, dat heb ik geweten. Hij vertelde me fijntjes dat ik 'in mijn blog héél anders was dan in het echt', en hoewel ik deze stelling even irreëel als schattig vond, is het mede daarom niets tussen ons geworden. Ik kon de teleurstelling in zijn stem horen toen hij me verweet dat ik 'zo stil' was terwijl ik in mijn blog 'zo welbespraakt overkwam' en hij zei ook dingen als 'maar in je blog schreef je zó en zó, en nu zeg je iets heel anders!' (waarbij zijn blauwe ogen triomfantelijk twinkelden: hermione betrapt...)
Tsja. Wat ik hem niet kon vertellen omdat hij niet echt luisterde naar wat ik zei, was dat het niet zo zinvol is om een schrijver te vereenzelvigen met zijn werk. (Waar ik, overigens, al eens over heb geblogd. Als hij me echt via mijn blog dacht te kunnen leren kennen, had hij dat toch ook op moeten pikken....)
De ronduit op-het-randje-van-beledigende opmerkingen die hij maakte daargelaten vond ik het nogal naïef en simplistisch om te denken dat ik niet méér ben dan mijn tekst. Dat zou namelijk ook betekenen dat iedere misdaadromanschrijver zelf niet zuiver op de graat is, of geen enkele chicklitschrijver (okee, schrijfster) gelukkig in de liefde kan zijn. En ergens klopt dat ook wel, want we gaan er als lezer vanuit dat wat een schrijver aan tekst produceert, is gevormd in zijn eigen brein. Hij hoeft dan misschien geen gore moordenaar of vieze vreemdganger te zijn, het feit dat hij het heeft beschreven betekent wel dat hij vileine of ontrouwe gedachten moet hebben gehad! Hoe komt hij anders aan het idee?! Je hoeft maar naar Woensdag gehaktdag te kijken om te weten dat dat waar is...
Tussen mijn date en mij ging het pas echt mis toen hij mij voortdurend ´confronteerde´met uitspraken die ik in mijn blog had gedaan (die hij geheel naar eigen inzicht betrok en onttrok aan onze conversatie) en daarnaast vrijwel alles wat ik zei betwistte met het 'bewijs´ van mijn blog. Of zo voelde het althans. Ik kon geen kik geven of hij stelde dat ik in mijn blog ´kak´ had gezegd, en hoe ik dat met elkaar wilde rijmen?
Het kwam de sfeer niet ten goede en ik voelde me steeds geagiteerder raken, omdat ik niet begreep waarom hij mij en mijn tekst op één lijn zette en daar ook krampachtig aan vasthield, ondanks mijn zwakke suggesties om het eens van een andere kant te bekijken. (Waarschijnlijk kwamen die suggesties op hem over als draaikonterij en ontwijkend-want-schuldig-gedrag, dat zijn gelijk des te harder bevestigde. Had hij mij even lekker tuk...)
De toon was al gezet bij een van zijn eerste vragen ('vertel eens iets leuks? nee, dat is niet leuk genoeg...') maar het dieptepunt kwam toen ik hem zijn eigen vraag voorlegde en hij uitbarstte: 'Als je me zo onder druk zet, kan ik natuurlijk niets leuks meer verzinnen, dan klap ik helemaal dicht! Jij vroeg mij mee uit, dan ga ik jou toch niet entertainen! Entertain jij mij maar!'
Op mijn opgetrokken wenkbrauwen (over de stelling, over het meten met twee maten, maar vooral over die rare woordkeuze, entertainen, alsof ik een woensdagmiddagvoorstelling was) verklaarde hij dat hij in mijn blog had gelezen dat ik me op datingvlak voor de verandering als een jager zou gaan gedragen – terwijl dat precies het tegenovergestelde was van wat ik had betoogd.
Niet alleen was dit de zoveelste gelijktrekking, nu werden mijn eigen, verkeerd geïnterpreteerde woorden ook nog eens keihard tegen me gebruikt. Terwijl ik hem verbluft aankeek en met mijn mond vol tanden en mijn hoofd vol gedachten stond – luister vader, ik weet verdomme toch zeker zelf wel wat ik heb geblogd!! – bracht ik er met mijn laatste zelfbeheersing tegenin dat dat er echt niet stond, en dat ik het nu graag over iets anders wilde hebben. Wat niet echt lukte. En hier scheidden onze wegen.
(Ik wens hem alle goeds. Onze persoonlijkheden waren als de weerszijden van een stuk rails: voor eeuwig evenwijdig. Het was de vreemdste date die ik ooit heb gehad, maar saai was het zeker niet.)
Naast over de tendens om tekst en schrijver gelijk te stellen, heb ik ook geschreven over het lezer/auteur-debat: de theorie (!!) dat het bij het lezen van een tekst niet gaat om de intentie van de schrijver maar om de interpretatie van de lezer. Ik denk dat mijn date dat stuk wél heeft gelezen, maar geen rekening heeft gehouden met de grenzen van de vrouw die in werkelijkheid voor hem zat. Hij zag wel in dat er een verschil was tussen mij en de schrijver van de blog, maar koos er tegelijkertijd voor, dat verschil te negeren. Ik hoor u denken: maar hoe kan een interpretatie verkeerd zijn? Wel, dat kan ook niet, behalve als hij berust op feitelijke onjuistheden.
Ik vond het vleiend dat hij mijn blog als een soort bijbelhoofdstuk had gebruikt (want ook daar haalt men soms klakkeloos 'waarheden' uit) maar mijn teksten vormen niet de schatkaart tot mijzelf, laat staan tot mijn hart. En net zoals in religieuze aangelegenheden doet opportunistische of véél te letterlijke interpretatie de zaken vaak meer kwaad dan goed.
Hoewel het zelf-labelen onder schrijvers zeer ongebruikelijk is uit angst te worden getypecast, moet ik mijn blog bij de volgende date misschien maar als ´totaal fictief´aanduiden. Als dat mijn kansen op een mannelijke metgezel vergroot, is het een klein offer.
Om met Seth Gaaikema te spreken: terug naar de bron. Hoeveel waarheid schuilt er in mijn blog? Te weinig om me ermee te vereenzelvigen, en hopelijk genoeg om een reactie te ontlokken. Of dat juridisch steekhoudt weet ik niet, maar bij deze dan een disclaimer: wat ik in mijn blog beschrijf is een subjectieve, aangepaste en opnieuw ingekleurde interpretatie van een persoonlijke werkelijkheid.
Dát is wat je uit de twee woorden mijn en blog moet interpreteren. Niet meer, niet minder.
donderdag 17 februari 2011
dinsdag 15 februari 2011
Nachtrust
Wachtend op een tochtig station begreep ik niet waarom de buschauffeur bij aankomst verder reed dan de paal die correspondeerde met zijn busnummer. Het slepen met een zware tas en het late tijdstip hadden er voor gezorgd dat ik te moe was om me er al te lang over te verwonderen, dus liep ik de twintig meter extra tot de deur. Eenmaal binnen wenste ik de chauffeur een goedenavond en wilde doorlopen, toen hij een uitgebreide verklaring gaf over het hoe en waarom van zijn keuze tot het niet stoppen bij de paal, maar twintig meter erachter. Zo kwam ik te weten dat hij van hogerhand de opdracht kreeg om bij een bepaalde tegel te stoppen en de paal te negeren. En dat hij bovendien ruimte overliet voor de bus die vóór hem een standplaats had, zodat die bestuurder rustig kon parkeren. Hoogst interessant, hoogst interessant. Wat een filosofie. Ik ging zitten en dacht niet meer aan chauffeurs, palen, tegels of nummers. Steve L. zong zachtjes in mijn oren dat hij ooit wel over me heen zou komen (as soon as forever is through) en ik geloofde hem op zijn woord.
De halte waar ik er uit moet is semi-tijdelijk en vrijwel onzichtbaar – de stop wordt aangegeven met een geel bordje gestoken in een betonnen blok – en veel buschauffeurs stoppen er niet als je als passagier niet heel hard aan de bel trekt. Bij daglicht is dit al heel spannend, laat staan als de zon is ondergegaan. Gelukkig ligt de bushalte vóór een stoplicht, wat de stop-en-spring-eruit-kans aanzienlijk vergoot, maar als het stoplicht op groen staat kun je het natuurlijk schudden. Alsof de duivel ermee speelt is de volgende halte als enige op die route anderhalve kilometer verder in plaats van de gebruikelijk vijfhonderd meter. Op tijd op de knop drukken kan je dus het afleggen van een kleine marathon schelen. (Okee, ik overdrijf, maar u begrijpt waar ik heen wil...)
Direct nadat de deuren zich hadden gesloten achter de voor mij voorlaatste halte drukte ik dan ook op de stopknop. Ik pakte mijn spullen en ging vast bij de deur staan. Ik zocht naar het witverlichte knopje waarmee ik zelfstandig de deur open kon krijgen maar de bus waarin ik zat was een streekbus, geen stadsbus. De bus stond stil, maar de chauffeur deed de deur niet open. Ik riep, maar toen dat geen effect had holde ik met al mijn tassen naar voren en tikte de buschauffeur aan. 'Meneer, mag ik er hier uit?!' Dodelijk geschrokken keek hij mij aan en begon voor de tweede keer die avond een monoloog af te steken over het hoe en waarom van zijn daden. Ik was al weer op weg naar buiten, maar één zin in het bijzonder hield me nog even tegen. ' Oh sórry, ik had helemaal niet in de gaten dat hier een halte was... moet je er híer uit of bij de volgende, goh, ik had het helemaal niet door... sorry hoor, sorry, ja, ik was gewoon even aan het slapen...
Toen het tot mij doordrong wat hij zei, was ik heel blij dat dit mijn laatste halte was en ik keek hem met grote ogen aan. Toen het tot hém doordrong, begon hij terug te krabbelen: 'Ja, eh, nee, ja, ik bedoel niet slapen op die manier, ik was in gedachten ergens anders...' Er ging een geschrokken zucht door de bus, en terecht. Wat ik hem eigenlijk wilde zeggen was dat slapen, op welke manier dan ook, niet geoorloofd was tijdens zijn dienst. Wat ik zei, terwijl ik hem een klopje op zijn arm gaf was dat hij 'maar niet moest slapen, want dat is niet goed.' Oe, wat welbespraakt. Maar waarschijnlijk hoorde hij me toch niet, weggezakt als hij was in dromenland. Hij reageerde niet, wat mijn vermoedens alleen maar bevestigde. Toen ik een laatste blik in de bus wierp ving ik de blik van een paar meisjes die alles hadden gehoord en hun grote, smekende ogen en verkrampte schouders waren bijna even aandoenlijk als de slaperige buschauffeur zelf.
Het schijnt dat buschauffeurs niet zo vreselijk veel verdienen (dus het draaien van vierdubbele diensten is aantrekkelijk) en natuurlijk is het eentonig werk. Toch schrok ik hier wel van. Bij de NS hebben ze voor dat soort problemen toch een betere oplossing: daar moet de conducteur om de zoveel tijd even op een pedaal drukken om te laten weten dat hij niet slaapt. Belangrijker nog is dat er in een trein geen stuur zit, alleen een voor-en-achteruitrijknop. Of een hendel, daar wil ik vanaf zijn. In ieder geval hoeft een trein veel minder dan een bus te anticiperen op andere weggebruikers. En dus hoeft een conducteur in principe veel minder alert te zijn dan een buschauffeur. Een trein gaat natuurlijk harder en er zitten meer mensen in en als er ergens één ongeluk mee gebeurt is dat deel van Nederland een halve week onbereikbaar. Dat geldt voor een bus niet, maar een ongeluk met een bus doet evenveel, zo niet méér pijn.
Ik begrijp niet dat de overheid met al haar campagnes ('Gordel om? Daar kun je mee thuiskomen'/ 'Rijd met je hart'/ 'Dertig maakt de buurt weer prettig'/ en vooral 'Twee uur rijden? Kwartiertje rust!') geen aandacht heeft besteed aan de relatief kwetsbare buschauffeurs en hun passagiers. Of zou het een gemeentelijke kwestie zijn? Hoe dan ook: ik was geschokt. Niemand past in de plooien van een als een harmonica in elkaar gevouwen bus of in de kleine kreukels van de auto die van opzij kwam, misvormd als een koekje van het laatste deeg. Of het nou ligt aan de slechte arbeidsvoorwaarden bij het vervoerbedrijf, de belabberde zichtbaarheid van de halte of aan dat mijn buschauffeur net had vernomen dat zijn vrouw vreemdging, de enige zin die ik nooit, nooit van welke chauffeur dan ook wil horen is ik was gewoon even aan het slapen.
Het zette me wel aan het denken. Als passagier kun je namelijk geen invloed uitoefenen op wat de buschauffeur doet. Dat staat zelfs op de bordjes bij zijn cabine: niet met de bestuurder praten. Dat hangt daar omdat hij niet afgeleid moet worden. Maar wie weet werkt die stilte juist averechts en moet hij even met iemand praten over de ontrouw van zijn vrouw, om te voorkomen dat hij z'n bus in de prak rijdt. Misschien moet er een biechtvader mee in elke bus, om de zorgen van de bestuurder te verlichten en hem geconcentreerd en alert te houden. Dat kost ook niks extra, want geestelijken rekenen bijna geen honorarium. Probleem opgelost. En dan kan ik ook weer met een gerust hart mee met de bus, zonder nachtmerries over vermoeidheidsongelukken.
De halte waar ik er uit moet is semi-tijdelijk en vrijwel onzichtbaar – de stop wordt aangegeven met een geel bordje gestoken in een betonnen blok – en veel buschauffeurs stoppen er niet als je als passagier niet heel hard aan de bel trekt. Bij daglicht is dit al heel spannend, laat staan als de zon is ondergegaan. Gelukkig ligt de bushalte vóór een stoplicht, wat de stop-en-spring-eruit-kans aanzienlijk vergoot, maar als het stoplicht op groen staat kun je het natuurlijk schudden. Alsof de duivel ermee speelt is de volgende halte als enige op die route anderhalve kilometer verder in plaats van de gebruikelijk vijfhonderd meter. Op tijd op de knop drukken kan je dus het afleggen van een kleine marathon schelen. (Okee, ik overdrijf, maar u begrijpt waar ik heen wil...)
Direct nadat de deuren zich hadden gesloten achter de voor mij voorlaatste halte drukte ik dan ook op de stopknop. Ik pakte mijn spullen en ging vast bij de deur staan. Ik zocht naar het witverlichte knopje waarmee ik zelfstandig de deur open kon krijgen maar de bus waarin ik zat was een streekbus, geen stadsbus. De bus stond stil, maar de chauffeur deed de deur niet open. Ik riep, maar toen dat geen effect had holde ik met al mijn tassen naar voren en tikte de buschauffeur aan. 'Meneer, mag ik er hier uit?!' Dodelijk geschrokken keek hij mij aan en begon voor de tweede keer die avond een monoloog af te steken over het hoe en waarom van zijn daden. Ik was al weer op weg naar buiten, maar één zin in het bijzonder hield me nog even tegen. ' Oh sórry, ik had helemaal niet in de gaten dat hier een halte was... moet je er híer uit of bij de volgende, goh, ik had het helemaal niet door... sorry hoor, sorry, ja, ik was gewoon even aan het slapen...
Toen het tot mij doordrong wat hij zei, was ik heel blij dat dit mijn laatste halte was en ik keek hem met grote ogen aan. Toen het tot hém doordrong, begon hij terug te krabbelen: 'Ja, eh, nee, ja, ik bedoel niet slapen op die manier, ik was in gedachten ergens anders...' Er ging een geschrokken zucht door de bus, en terecht. Wat ik hem eigenlijk wilde zeggen was dat slapen, op welke manier dan ook, niet geoorloofd was tijdens zijn dienst. Wat ik zei, terwijl ik hem een klopje op zijn arm gaf was dat hij 'maar niet moest slapen, want dat is niet goed.' Oe, wat welbespraakt. Maar waarschijnlijk hoorde hij me toch niet, weggezakt als hij was in dromenland. Hij reageerde niet, wat mijn vermoedens alleen maar bevestigde. Toen ik een laatste blik in de bus wierp ving ik de blik van een paar meisjes die alles hadden gehoord en hun grote, smekende ogen en verkrampte schouders waren bijna even aandoenlijk als de slaperige buschauffeur zelf.
Het schijnt dat buschauffeurs niet zo vreselijk veel verdienen (dus het draaien van vierdubbele diensten is aantrekkelijk) en natuurlijk is het eentonig werk. Toch schrok ik hier wel van. Bij de NS hebben ze voor dat soort problemen toch een betere oplossing: daar moet de conducteur om de zoveel tijd even op een pedaal drukken om te laten weten dat hij niet slaapt. Belangrijker nog is dat er in een trein geen stuur zit, alleen een voor-en-achteruitrijknop. Of een hendel, daar wil ik vanaf zijn. In ieder geval hoeft een trein veel minder dan een bus te anticiperen op andere weggebruikers. En dus hoeft een conducteur in principe veel minder alert te zijn dan een buschauffeur. Een trein gaat natuurlijk harder en er zitten meer mensen in en als er ergens één ongeluk mee gebeurt is dat deel van Nederland een halve week onbereikbaar. Dat geldt voor een bus niet, maar een ongeluk met een bus doet evenveel, zo niet méér pijn.
Ik begrijp niet dat de overheid met al haar campagnes ('Gordel om? Daar kun je mee thuiskomen'/ 'Rijd met je hart'/ 'Dertig maakt de buurt weer prettig'/ en vooral 'Twee uur rijden? Kwartiertje rust!') geen aandacht heeft besteed aan de relatief kwetsbare buschauffeurs en hun passagiers. Of zou het een gemeentelijke kwestie zijn? Hoe dan ook: ik was geschokt. Niemand past in de plooien van een als een harmonica in elkaar gevouwen bus of in de kleine kreukels van de auto die van opzij kwam, misvormd als een koekje van het laatste deeg. Of het nou ligt aan de slechte arbeidsvoorwaarden bij het vervoerbedrijf, de belabberde zichtbaarheid van de halte of aan dat mijn buschauffeur net had vernomen dat zijn vrouw vreemdging, de enige zin die ik nooit, nooit van welke chauffeur dan ook wil horen is ik was gewoon even aan het slapen.
Het zette me wel aan het denken. Als passagier kun je namelijk geen invloed uitoefenen op wat de buschauffeur doet. Dat staat zelfs op de bordjes bij zijn cabine: niet met de bestuurder praten. Dat hangt daar omdat hij niet afgeleid moet worden. Maar wie weet werkt die stilte juist averechts en moet hij even met iemand praten over de ontrouw van zijn vrouw, om te voorkomen dat hij z'n bus in de prak rijdt. Misschien moet er een biechtvader mee in elke bus, om de zorgen van de bestuurder te verlichten en hem geconcentreerd en alert te houden. Dat kost ook niks extra, want geestelijken rekenen bijna geen honorarium. Probleem opgelost. En dan kan ik ook weer met een gerust hart mee met de bus, zonder nachtmerries over vermoeidheidsongelukken.
woensdag 9 februari 2011
Broekje
Nadat ik woensdag He's just not that into you had gekeken, kon ik enkele van de geleerde lessen direct de dag erop in de praktijk brengen. Helaas was het donderdagavond en dat betekende dat er vooral veel scholieren (jong, jonger, jongst) in de kroeg waren. Gelukkig hadden we aan ons vieren genoeg. Na een uurtje kwam er een jongen binnen met een Woolrich-jas. Hij liep op me af, kneep speels in mijn zij, kuste mijn wang en stelde zich voor. Hij was knap en jong en ik was te verrast om te protesteren tegen zoveel amicaliteit. Hij had zijn krullende haar naar achter getrokken in een ronde diadeem met tanden en ik zag dat hij een beetje negroïde trekken had. Zijn volle lippen, edele neus zonder scherp puntje, zijn tintje en zijn zachte krullen die licht naar Palmer's roken maakten dat hij me direct voor zich innam. Maar hij was zo jong dat ik er complexen van kreeg. Hij vroeg om mijn nummer en vertrok daarna naar een andere kroeg. Toen ik bij de garderobe stond te wachten op mijn jas stond hij ineens weer naast me. Mijn antwoord op zijn vraag waar ik heen ging kon hem niet bekoren: 'Oh, das jammer, ik dacht, afterparty bij jou thuis?'
Ahum. Het was duidelijk waar hij op uit was en als hij ouder was geweest had ik hem niet meer aangekeken. Maar de waarheid was dat ik me gevleid voelde. Deze krullerige faun was namelijk nog maar twintig. Zijn haarloze kin, veel te hippe kleertjes en smalle middel stonden haaks en vertederend op dat zeer aantrekkelijke gezicht en die vreselijk flirterige manier van doen. Hij was sexy, maar zijn leeftijd maakte dat ik me wel wat bezwaard voelde. Ik kon niet begrijpen wat hij bij mij moest als zijn peer group doorgaans bestond uit borst- en billoze zestienjarige meisjes met teveel mascara en goedkope hakken. Maar wie weet waren mijn voluptueuze lijf en mijn genereuze voorgevel wel helemaal zijn smaak.
Nu begreep ik de tweeëndertigjarige patissier beter die, toen we kennis maakten, waarschuwde dat hij 'héél oud' was. Toen hij vervolgens 'bekende' dat hij tweeëndertig was kon ik het natuurlijk niet laten om te doen alsof ik heel geschokt was. Toegegeven, tweeëndertig is inderdaad wat ouder dan mijn doelgroep, maar we kenden elkaar pas twee minuten en ik was er niet zo ondersteboven van. Toen hij zich ook nog verontschuldigde voor een tatoeage op zijn rug verwachtte ik een reusachtige rode draak van zijn schouders tot zijn stuitje. Het betrof een afbeelding ter grootte van vier flinke postzegels met een zeer onschuldige tekst over de plek waar hij verwekt was. En ondanks mijn afschuw (en afkeur) van tatoeages wilde ik hem toen pas écht...
Waarmee ik maar zeggen wil: leeftijd zegt niet alles. Ik zou nooit zo openlijk mijn onzekerheden op tafel gooien, maar ik begreep hem wel. Het idee erachter is dat je mensen niet moet misleiden. En hoewel ik er niet uitzie alsof ik zestien ben (god, ik zag er op mijn zestiende al niet uit alsof ik zestien was) verwachtte ik dat mijn toyboy af zou haken als ik hem mijn leeftijd vertelde. Maar hij haalde zijn schouders niet eens op.
Ik schrok van zijn, tsja, laat ik het voortvarendheid noemen. Ik dacht aan hoe ik hem mee naar huis zou moeten krijgen. Ik dacht aan het risico dat ik mogelijk zou kunnen lopen. Ik dacht aan de minder volwassen morning after. (Als er een 'morning' zou komen. Je kunt zeggen wat je wilt, maar hij blijft twintig...) Ik dacht aan dat hij alsnog zou kunnen gruwelen van mijn niet-zestienjarige-lijf en dat ik dan met hem in mijn huis zat. Ik dacht aan dat ik wel wat vertier kon gebruiken, maar eigenlijk op zoek ben naar de intimiteit van een vaste relatie. Met een man, een mán, van boven de vijfentwintig en onder de dertig. Ik dacht aan dat hij mijn broertje had kunnen zijn, een heel heet, hitsig broertje waar ik incest mee had willen plegen. Ik dacht aan de XS in het waslabel van zijn broek.
Ik dacht, lieve lezer, aan een hoop. En ik ging naar huis. Alleen.
Ja, natuurlijk vond ik het vleiend dat een jongetje van twintig interesse in me had. En voor hetzelfde geld waren zijn bedoelingen zeer platonisch in plaats van plastisch. Wie weet wilde hij alleen een kopje thee en een goed gesprek en verder niets. Het kan allemaal. Hij is twintig, geen zestien, en al mijn infantiliseerpogingen ten spijt maakte juist zijn voortvarendheid (die ik bij menig vijfentwintigjarige zo hard mis) hem heel mannelijk. Maar feit blijft dat het voor mij clandestien en pedofielig voelde en ik er niet op in kon gaan.
Was hij zesentwintig geweest, dan had ik het wel geweten. (en hij ook, daarna.) Maar dat was hij niet. Bovendien wil ik geen quick fix, ik wil genegenheid. Voor langer dan één avond. Ik wil geen afterparty, ik wil een ongoing party of love and connection. En ik denk te kunnen inschatten dat ik de bereidheid daartoe eerder vind bij iemand die wat ouder is.
Dus nu kauw ik op de herinnering aan deze knappeling. En als ik hem over vier jaar tegenkom, op een billboard of op straat, nodig ik hem misschien wel uit voor een ongoing afterparty of love en wie weet krijgen we vanzelf connection. Het is namelijk niet de XS in zijn broeklabel waar ik me aan stoor, maar de XS die aan zijn wereldervaring hangt. Op het moment dat dat een L is geworden, kunnen we verder praten. Jong, naïef, onbedorven en vol energie...
Ahum. Het was duidelijk waar hij op uit was en als hij ouder was geweest had ik hem niet meer aangekeken. Maar de waarheid was dat ik me gevleid voelde. Deze krullerige faun was namelijk nog maar twintig. Zijn haarloze kin, veel te hippe kleertjes en smalle middel stonden haaks en vertederend op dat zeer aantrekkelijke gezicht en die vreselijk flirterige manier van doen. Hij was sexy, maar zijn leeftijd maakte dat ik me wel wat bezwaard voelde. Ik kon niet begrijpen wat hij bij mij moest als zijn peer group doorgaans bestond uit borst- en billoze zestienjarige meisjes met teveel mascara en goedkope hakken. Maar wie weet waren mijn voluptueuze lijf en mijn genereuze voorgevel wel helemaal zijn smaak.
Nu begreep ik de tweeëndertigjarige patissier beter die, toen we kennis maakten, waarschuwde dat hij 'héél oud' was. Toen hij vervolgens 'bekende' dat hij tweeëndertig was kon ik het natuurlijk niet laten om te doen alsof ik heel geschokt was. Toegegeven, tweeëndertig is inderdaad wat ouder dan mijn doelgroep, maar we kenden elkaar pas twee minuten en ik was er niet zo ondersteboven van. Toen hij zich ook nog verontschuldigde voor een tatoeage op zijn rug verwachtte ik een reusachtige rode draak van zijn schouders tot zijn stuitje. Het betrof een afbeelding ter grootte van vier flinke postzegels met een zeer onschuldige tekst over de plek waar hij verwekt was. En ondanks mijn afschuw (en afkeur) van tatoeages wilde ik hem toen pas écht...
Waarmee ik maar zeggen wil: leeftijd zegt niet alles. Ik zou nooit zo openlijk mijn onzekerheden op tafel gooien, maar ik begreep hem wel. Het idee erachter is dat je mensen niet moet misleiden. En hoewel ik er niet uitzie alsof ik zestien ben (god, ik zag er op mijn zestiende al niet uit alsof ik zestien was) verwachtte ik dat mijn toyboy af zou haken als ik hem mijn leeftijd vertelde. Maar hij haalde zijn schouders niet eens op.
Ik schrok van zijn, tsja, laat ik het voortvarendheid noemen. Ik dacht aan hoe ik hem mee naar huis zou moeten krijgen. Ik dacht aan het risico dat ik mogelijk zou kunnen lopen. Ik dacht aan de minder volwassen morning after. (Als er een 'morning' zou komen. Je kunt zeggen wat je wilt, maar hij blijft twintig...) Ik dacht aan dat hij alsnog zou kunnen gruwelen van mijn niet-zestienjarige-lijf en dat ik dan met hem in mijn huis zat. Ik dacht aan dat ik wel wat vertier kon gebruiken, maar eigenlijk op zoek ben naar de intimiteit van een vaste relatie. Met een man, een mán, van boven de vijfentwintig en onder de dertig. Ik dacht aan dat hij mijn broertje had kunnen zijn, een heel heet, hitsig broertje waar ik incest mee had willen plegen. Ik dacht aan de XS in het waslabel van zijn broek.
Ik dacht, lieve lezer, aan een hoop. En ik ging naar huis. Alleen.
Ja, natuurlijk vond ik het vleiend dat een jongetje van twintig interesse in me had. En voor hetzelfde geld waren zijn bedoelingen zeer platonisch in plaats van plastisch. Wie weet wilde hij alleen een kopje thee en een goed gesprek en verder niets. Het kan allemaal. Hij is twintig, geen zestien, en al mijn infantiliseerpogingen ten spijt maakte juist zijn voortvarendheid (die ik bij menig vijfentwintigjarige zo hard mis) hem heel mannelijk. Maar feit blijft dat het voor mij clandestien en pedofielig voelde en ik er niet op in kon gaan.
Was hij zesentwintig geweest, dan had ik het wel geweten. (en hij ook, daarna.) Maar dat was hij niet. Bovendien wil ik geen quick fix, ik wil genegenheid. Voor langer dan één avond. Ik wil geen afterparty, ik wil een ongoing party of love and connection. En ik denk te kunnen inschatten dat ik de bereidheid daartoe eerder vind bij iemand die wat ouder is.
Dus nu kauw ik op de herinnering aan deze knappeling. En als ik hem over vier jaar tegenkom, op een billboard of op straat, nodig ik hem misschien wel uit voor een ongoing afterparty of love en wie weet krijgen we vanzelf connection. Het is namelijk niet de XS in zijn broeklabel waar ik me aan stoor, maar de XS die aan zijn wereldervaring hangt. Op het moment dat dat een L is geworden, kunnen we verder praten. Jong, naïef, onbedorven en vol energie...
Abonneren op:
Posts (Atom)