Gisteren keek ik weer eens naar een aflevering van mijn favoriete serie van dit moment: The Tudors, gemaakt door Michael Hirst. De afleveringen worden uitgezonden door RTL8, dat restkanaal van RTL. Ik was al zondagavondfan sinds ze dubbele afleveringen van Lipstick Jungle uitzonden, maar sinds The Tudors wil ik stiekem iedere zondag thuisblijven tussen acht en negen.
De kracht van Lipstick Jungle zat ´m vooral in zijn gelijkenis met Sex and the City, alleen was dit concept ietsje anders en de hoofdrolspelers iets ouder. Wat de volwassenheid van de serie ten goede is gekomen. Hoewel ik me eigenlijk meer kon identificeren met het drama in SATC (de TOVTJAP, de eeuwige onbeantwoorde liefde, mooi-zijn-mag-pijn-doen, de sores en mores van het single bestaan) was Lipstick Jungle net een tandje realistischer, zonder daarbij aan glamour in te leveren.
Maar goed. Aan Lipstick Jungle kwam een eind, en toen waren daar de Tudors. Een soort As the World Turns, maar dan historisch, met mooiere mannen en meer vaart. In drie seizoenen heb ik een redelijke indruk gekregen van het reilen en zeilen van de manke koning Hendrik de Achtste (1491-1547) en enkele van zijn hovelingen, waaronder zijn zwager Charles Brandon (1484-1545). (Waar Wikipedia al niet goed voor is...)
Het helpt dat de rol van Henry VIII vertolkt wordt door Jonathan Rhys Meyers (naast acteur ook verdienstelijk Hugo Boss-model) en die van Charles Brandon door Henry Cavill. (geboortejaar 1983 – er is hoop!) Hun quasi-middeleeuwse pompoenbroeken, onflatteuze camisa´s met leren veters op de borst, ongebreidelde vechtlust en opmerkelijke manieren leiden mij niet af van hun mooiheid en ik kon niet anders dan verlangend zuchten toen ik Charles Brandon zijn française zag verleiden.
Dat ging ongeveer zo: Brandon hield de vader van de française in krijgsgevangenschap, maar ruilt hem om voor zijn dochter. De dochter, Brigitte, heeft haar hart inmiddels reeds verpand aan deze van hartstocht zinderende, donders knappe edelman. Een nachtje of wat later staat ze bij zijn bed en probeert een wondje aan zijn hoofd te deppen met een sjaal, nog warm van haar eigen hals. Door dit liefdevolle gebaar ontsteekt bij Brandon de vlam en vervolgens bedrijven ze smeulende liefde op z'n Frans. Brandon neemt haar mee naar Groot-Brittannië en ze leven nog kort en gelukkig, want Brandon sterft al snel, nat van de tranen van zijn exotisch lispelende love interest. Van zijn vrouw was hij gemakshalve nog vóór de intocht bij Boulogne vervreemd geraakt.
(Voor de liefhebber: http://www.youtube.com/watch?v=1ysnvqmqBAQ&feature=related)
Stereotype? Onrealistisch? Erger dan je je ooit kan voorstellen. Maar ook vreselijk romantisch. Zoiets gebeurt alleen maar in damesromannetjes en in historische drama's zoals deze. Er is bovendien geen aandacht voor de smerigheid van de Middeleeuwen: de vrouwen hebben mooie, rechte, witte tanden, schone nagels, hagelwitte hemden, smetteloze, volumineuze kapsels vol parels en iedere dag een andere, schone jurk, mét decolleté, ook als er niets te decolleteren valt. Hun dagbesteding bestaat uit dineren, bidden en een enkele dansles zo nu en dan, gegeven door (jawel!) een fairy queen.
Natuurlijk richt de serie zich op de bourgeoisie en de adel en dus niet op de viezige onderlaag van burgers, maar luizen maken geen onderscheid tussen het bloed van een koningskind en een armoedzaaier, althans, niet op grond van het jaarinkomen. Historisch accuraat is dan ook niet het label wat ik hierop zou plakken, maar ach. Voor een realistischer beeld kijk ik wel naar een Discovery-documentaire.
Voor de zondagavond is deze zwijmelzwendel in ieder geval perfect. Ik kijk het liefst alleen, want dan kan ik hardop zuchten. Een en ander wordt ook getriggerd door de muziek: zwellende violen en een langgerekt, dramatisch aangezet motief maken dat ik ademloos kijk naar onthoofdingen, veldslag, bedscènes en woede-uitbarstingen. Heerlijk.
Had ik in die tijd geleefd (een oriëntalistische onmogelijkheid, maar hee, daar zijn er wel meer van) en had ik tot die klasse behoord dan had ik me prima vermaakt. Helaas. Mijn eeuw is de eenentwintigste, niet de zestiende. Al had ik die jurken beter op kunnen vullen dan menig jonkvrouw, zij hadden dan weer geen vloeibare zeep.
Voorlopig kan ik alleen maar dromen van een hoffelijke Fransoos die niet de wetten van de hygiëne maar wel die van de hoofse liefde heeft geërfd uit de Middeleeuwen. En ik zal met liefde mijn sjaal van mijn hals trekken om zijn nietbestaande wondje te deppen. Om na een hartstochtelijke amour fou te sterven aan een gebroken hart of zo'n makkelijk te romantiseren ziekte als de tering, mijn huid bleek, zijdeachtig met koortsblossen, schattige zweetdruppels op mijn edele voorhoofd, mijn kusbare lippen uitgedroogd en snakkend naar vocht. Natuurlijk ruik ik niet naar pus en verrotting maar naar YSL-parfum. Mijn liefste fransoos staat handenwringend naast mijn bed terwijl ik de zijden lakens onderzweet en ze in een ijldroom verkreukel. Mijn ooit zo weelderige lichaam is nu vermagerd en zwak, maar dat deert mijn minnaar niet. Hij omhelst me en pakt mijn handen, terwijl hij tot zijn zeventien Franse goden (dix-sept!) bidt om herstel. Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen, maar gezien zijn Franse inborst sliepen wij toch al niet veel. Als ik tenslotte huiverend de geest geef plengt hij bittere tranen en na mijn plechtige begrafenis raakt hij aan de drank. En binnen het jaar liggen we weer naast elkaar. Oh ja, romantiek op z'n best.
Ah, de charme van het kostuumdrama! Onder ons gezegd: mocht Henry Cavill bij mij aanbellen, dan doe ik open, al is hij niet Frans maar Brits. Mijn suspension of disbelief wordt plotseling vréselijk willing. (Over de Ierse Jonathan Rhys Meyers zou ik wat langer nadenken – die schijnt al drankproblemen te hebben.)
En de moraal van dit verhaal?
Mannen aller Europese landen, houdt den pleisterbox gevuld!
Een enkele schram, opgemerkt door een welwillende vrouw, kan zomaar het einde inluiden.
maandag 15 november 2010
maandag 8 november 2010
Scheur
Toen ik op de basisschool zat, had ik een jongetje in mijn klas, Jacob, die drie broers had. Op sommige van zijn broeken zat een Batman-embleem van leer, ter hoogte van zijn knieën. Pas later begreep ik dat die hoogte en de patch strategisch waren geplaatst: Jacob was de jongste en ik denk dat zijn moeder, na drie zonen, wel doorhad hoe ze het leven van een jongensspijkerbroek moest verlengen. Ik vond zijn lapje wel wat bevreemdend, maar ook wel interessant. Hij viel om de haverklap, wat ik van mijzelf niet zeggen kon.
In de winter viel ik zelden, en in de zomer zat er geen batman tussen de tere huid van mijn knieën (die steeds minder teer werd) en het grijze grind waarover ik een sliding maakte. Maar kinderen hebben – net als moeders! – geen geheugen voor pijn en een grote, bloedende wond, weggeschaafd tot op het wit, was eigenlijk griezelig stoer. Gefascineerd keek ik als het dan een keer zover was naar mijn knie, de minutieuze reepjes huid, aan elkaar gestikt en wreed opengereten door G-kracht, een paar grindsteentjes en wat zand.
Parbleu, lieve lezer, ik kreeg spontaan last van het Dinand-syndroom als ik ernaar keek. Vernoemd naar Kane-frontman Dinand Woesthoff, die, zo heb ik me laten vertellen, helemaal niet zo heet.
Ik vind wat ik van hem heb gezien op tv (wat natuurlijk gekleurd en selectief is) niet bijster inspirerend, maar zijn stem vind ik zeer prettig. Dat afgrijselijke Haagse accent, dat laagkaakse gemompel, die stomme stopwoorden en dat gígántische voorhoofd maken dat ik rillend naar hem zit te kijken als hij voor de camera verschijnt en zijn diepkelige mening spuwt. Negen van de tien keer versta ik hem niet eens, maar dat geeft niet – wat hij zegt snijdt toch geen hout, althans geen hout waar ik een tuinhuis van wil bouwen.
Adoratie en afschuw strijden om voorrang in mijn lijf, want de stem van die man maakt iets in me los, zoals je soms geraakt kunt zijn door een dissonante toon in een muziekstuk. Als hij praat, trilt het in mijn middenrif, maar ik ben er niet over uit, hoe ik die emotie moet noemen. Inmiddels loopt meneer tegen de veertig en teert samen met de rest van Kane (of eigenlijk vooral met Dennis van Leeuwen, het enige overgebleven originele bandlid naast D. zélf) op een kreunformule van zo'n tien jaar oud.
Add lips ahoy. Maar eerlijk is eerlijk, dat is ook waar Dinand in uitblinkt. Hij eet er in ieder geval goed van, met dat tweede huis op Ibiza. Ook ik ben daar debet aan: ik heb enkele (ja, meer dan één!) van zijn cd's.
Als ik hem zie wil ik wegzappen, maar tegelijkertijd kan ik mijn ogen en oren niet van hem afhouden. Ja, ik huiver, van vervoering, van afgrijzen. Bah. Rrrr. Bah. Rrrr.
En hetzelfde, lieve lezer, geldt voor zo'n pijnlijke grindwond. Na de eerste schrik en de gedroogde tranen heb ik tijd voor fascinatie. Mijn knie doet zeer, maar ik kan niet ophouden er naar te kijken, moet me bedwingen mijn vuile vingers er niet in te steken, pulk de korst van geronnen bloed er af, zodat er dikke, trage rode druppels onder vandaan wellen, tot mijn bloeddorst gelest is en mijn aandacht verschuift. De wond heelt geruisloos en vlot, en ik kijk er niet meer naar om. Net zoals ik Dinand en consorten over een aantal jaar als jeudgzonde hoop te kunnen bestempelen, zijn valpartijen iets van het verleden, waar slechts verkleurde littekens nog aan herinneren.
Maar zoals ik stiekem altijd wel een beschaamde zwak voor D.W. zal blijven behouden, zit ook een ongeluk nog altijd in een klein hoekje. Op de hoek van de straat viel ik zeer recent keihard en lelijk van mijn fiets. Mijn mooie, pas opgeknapte fiets lag bovenop mij. Inventaris: één doorgefietste boosdoener die zich van de prins geen kwaad wist. Eén broek met scheur, onherstelbaar beschadigd. Eén knie met scheur, waarvan we het herstel nog afwachten. En een geschrokken meisje, dat voor het eerst in zo'n vijftien jaar weer eens genadeloos op haar plaat ging. Achter mij stopte een vrouw die vroeg hoe ik me voelde. (Een unicum, en erg lief!)
Ik had haast, want ik moest naar mijn werk. Mijn hart en hoofd deden het nog, mijn fiets ook. Ik bedankte haar, en ging verder. Pas nadat ik mij op mijn werk in mijn in allerijl aangeschafte broek had gehesen kwam het besef: ik ben gevallen, en hard. De schrik zocht zijn uitweg en dikke tranen rolden over mijn wangen. Ongegeneerd huilde ik twee minuten als een kleuter. Daarna was 't natuurlijk uit met de pret, of beter, het leed.
Het was zeker niet de eerste keer dat ik viel, maar wel de eerste keer dat ik mijn broek kapot viel. Zonde van de broek, maar gezien de grootte van de scheur ben ik blij dat t mijn broek was, in plaats van mijn been, waaraan de schade nog wel meevalt. Later, thuis, bekeek ik de wond eens goed.
Op dat moment verlangde ik intens naar mijn vader, die, als hij in de buurt was, de wonden op mijn knieën placht schoon te maken met een schone zakdoek en wat geblaas. Helaas, ik zou t alleen moeten doen. Hinkend stiefelde ik naar de Kruidvat, op zoek naar wat pleisterlijk gerief. Schaafwonden hoef je niet af te dekken, maar ik vreesde dat ik mijn broek na verloop van tijd van mijn wond af zou moeten trekken als ik 'm niet afdekte. Het is immers geen zomer. Een pluiswond is geen fijn gezicht, om over het gevoel van een wreed meegetrokken korst nog maar te zwijgen. Zonder veel plichtplegingen plakte ik een pleister op de schaaf. En dat was dat.
Maar 's avonds, als ik de pleister verwissel, kijk ik onder het mom van het controleren van de progressie nog even aandachtig naar mijn knie. Pulken doe ik niet. Poken evenmin. Nee, ik voel het kloppen van mijn bloed door de wond, en blaas er zachtjes op, bijna genietend van de licht pijnlijke sensatie die dat teweegbrengt. Bah. Rrrr. There's something 'bout your smile, there's something 'bout the way you mááke me feeheel...
In de winter viel ik zelden, en in de zomer zat er geen batman tussen de tere huid van mijn knieën (die steeds minder teer werd) en het grijze grind waarover ik een sliding maakte. Maar kinderen hebben – net als moeders! – geen geheugen voor pijn en een grote, bloedende wond, weggeschaafd tot op het wit, was eigenlijk griezelig stoer. Gefascineerd keek ik als het dan een keer zover was naar mijn knie, de minutieuze reepjes huid, aan elkaar gestikt en wreed opengereten door G-kracht, een paar grindsteentjes en wat zand.
Parbleu, lieve lezer, ik kreeg spontaan last van het Dinand-syndroom als ik ernaar keek. Vernoemd naar Kane-frontman Dinand Woesthoff, die, zo heb ik me laten vertellen, helemaal niet zo heet.
Ik vind wat ik van hem heb gezien op tv (wat natuurlijk gekleurd en selectief is) niet bijster inspirerend, maar zijn stem vind ik zeer prettig. Dat afgrijselijke Haagse accent, dat laagkaakse gemompel, die stomme stopwoorden en dat gígántische voorhoofd maken dat ik rillend naar hem zit te kijken als hij voor de camera verschijnt en zijn diepkelige mening spuwt. Negen van de tien keer versta ik hem niet eens, maar dat geeft niet – wat hij zegt snijdt toch geen hout, althans geen hout waar ik een tuinhuis van wil bouwen.
Adoratie en afschuw strijden om voorrang in mijn lijf, want de stem van die man maakt iets in me los, zoals je soms geraakt kunt zijn door een dissonante toon in een muziekstuk. Als hij praat, trilt het in mijn middenrif, maar ik ben er niet over uit, hoe ik die emotie moet noemen. Inmiddels loopt meneer tegen de veertig en teert samen met de rest van Kane (of eigenlijk vooral met Dennis van Leeuwen, het enige overgebleven originele bandlid naast D. zélf) op een kreunformule van zo'n tien jaar oud.
Add lips ahoy. Maar eerlijk is eerlijk, dat is ook waar Dinand in uitblinkt. Hij eet er in ieder geval goed van, met dat tweede huis op Ibiza. Ook ik ben daar debet aan: ik heb enkele (ja, meer dan één!) van zijn cd's.
Als ik hem zie wil ik wegzappen, maar tegelijkertijd kan ik mijn ogen en oren niet van hem afhouden. Ja, ik huiver, van vervoering, van afgrijzen. Bah. Rrrr. Bah. Rrrr.
En hetzelfde, lieve lezer, geldt voor zo'n pijnlijke grindwond. Na de eerste schrik en de gedroogde tranen heb ik tijd voor fascinatie. Mijn knie doet zeer, maar ik kan niet ophouden er naar te kijken, moet me bedwingen mijn vuile vingers er niet in te steken, pulk de korst van geronnen bloed er af, zodat er dikke, trage rode druppels onder vandaan wellen, tot mijn bloeddorst gelest is en mijn aandacht verschuift. De wond heelt geruisloos en vlot, en ik kijk er niet meer naar om. Net zoals ik Dinand en consorten over een aantal jaar als jeudgzonde hoop te kunnen bestempelen, zijn valpartijen iets van het verleden, waar slechts verkleurde littekens nog aan herinneren.
Maar zoals ik stiekem altijd wel een beschaamde zwak voor D.W. zal blijven behouden, zit ook een ongeluk nog altijd in een klein hoekje. Op de hoek van de straat viel ik zeer recent keihard en lelijk van mijn fiets. Mijn mooie, pas opgeknapte fiets lag bovenop mij. Inventaris: één doorgefietste boosdoener die zich van de prins geen kwaad wist. Eén broek met scheur, onherstelbaar beschadigd. Eén knie met scheur, waarvan we het herstel nog afwachten. En een geschrokken meisje, dat voor het eerst in zo'n vijftien jaar weer eens genadeloos op haar plaat ging. Achter mij stopte een vrouw die vroeg hoe ik me voelde. (Een unicum, en erg lief!)
Ik had haast, want ik moest naar mijn werk. Mijn hart en hoofd deden het nog, mijn fiets ook. Ik bedankte haar, en ging verder. Pas nadat ik mij op mijn werk in mijn in allerijl aangeschafte broek had gehesen kwam het besef: ik ben gevallen, en hard. De schrik zocht zijn uitweg en dikke tranen rolden over mijn wangen. Ongegeneerd huilde ik twee minuten als een kleuter. Daarna was 't natuurlijk uit met de pret, of beter, het leed.
Het was zeker niet de eerste keer dat ik viel, maar wel de eerste keer dat ik mijn broek kapot viel. Zonde van de broek, maar gezien de grootte van de scheur ben ik blij dat t mijn broek was, in plaats van mijn been, waaraan de schade nog wel meevalt. Later, thuis, bekeek ik de wond eens goed.
Op dat moment verlangde ik intens naar mijn vader, die, als hij in de buurt was, de wonden op mijn knieën placht schoon te maken met een schone zakdoek en wat geblaas. Helaas, ik zou t alleen moeten doen. Hinkend stiefelde ik naar de Kruidvat, op zoek naar wat pleisterlijk gerief. Schaafwonden hoef je niet af te dekken, maar ik vreesde dat ik mijn broek na verloop van tijd van mijn wond af zou moeten trekken als ik 'm niet afdekte. Het is immers geen zomer. Een pluiswond is geen fijn gezicht, om over het gevoel van een wreed meegetrokken korst nog maar te zwijgen. Zonder veel plichtplegingen plakte ik een pleister op de schaaf. En dat was dat.
Maar 's avonds, als ik de pleister verwissel, kijk ik onder het mom van het controleren van de progressie nog even aandachtig naar mijn knie. Pulken doe ik niet. Poken evenmin. Nee, ik voel het kloppen van mijn bloed door de wond, en blaas er zachtjes op, bijna genietend van de licht pijnlijke sensatie die dat teweegbrengt. Bah. Rrrr. There's something 'bout your smile, there's something 'bout the way you mááke me feeheel...
woensdag 3 november 2010
Cake
De dag vóór mijn verjaardag stond ik ingeroosterd op mijn werk. En zoals 't een enthousiaste bijna-jarige betaamt, kon ik het niet laten om in vrijwel elke conversatie 'ik ben morgen jarig!' te gooien. Om vervolgens voorbarige maar zeer gewenste (en geviste) felicitaties in ontvangst te nemen. Een felicitatie is een felicitatie, al komt hij van een vreemde, en verheugt voor mij de voorpret.
Halverwege de dag sloeg een after lunch-dip toe. Na een minder plezierige scene met een collega – het ging om iets heel kleins, maar het was groot genoeg om mijn enthousiasme te temperen - zakte mijn humeur beneden peil. Vermoeidheid en spanning eisten hun tol en ik bleef beleefd zoals altijd, maar had de tweede helft van de dag minder plezier dan de eerste. En hoewel ik mijn best deed om vrolijk te blijven, merkte ik aan mijzelf dat ik de uren aftelde die mij scheidden van mijn vrije avond. Geconcentreerd richtte ik mij op mijn taken en was in gedachten verzonken, toen er plotseling een man voor mijn toonbank verscheen.
(Alweer een man? U denkt te kunnen raden waar dit heengaat? Ik denk van niet.)
Ik kende deze man al een beetje. Hij had ongeveer een halfjaar geleden gebruik gemaakt van een aanbieding voor een pannenset, maar vóór hij tot aankoop overging twijfelde hij vreselijk. Hij is wel vijf keer teruggeweest, om te kijken, te voelen en een heel arsenaal aan vragen op ons af te vuren. We moesten de pannenset voor hem reserveren. Toen hij vervolgens uiteindelijk tot aankoop overging, bleek er na een aantal weken iets mis te zijn gegaan met een van zijn pannen. Er was vet ingebrand op de buitenkant en de binnenkant was ook heel smerig, de pan was drooggekookt. Hij kwam bij mij met de vraag of we er iets aan konden doen. Ik gaf hem een pannenspons. Ondanks zijn intense manier van aankopen doen was het best een aardige man. Ik kende zijn achternaam inmiddels van de bestelbon en sprak hem daarbij aan. Hij op zijn beurt wilde graag mijn naam weten, 'voor de eerlijkheid'. We gingen amicaal uit elkaar en hij kwam daarna nog één keer terug. Sinds die keer en de meest recente is wel een kwartaal verstreken.
Ik was verrast toen hij ineens weer voor mijn neus stond (ja, ik laat mij vaak verrassen door de wereld en haar bewoners) en reageerde iets te vrolijk op zijn komst, vergetend dat hij geen oude vriend is, maar een klant. Zijn naam wist ik inmiddels niet meer, maar hij de mijne wel. Mijn pesthumeur was direct vergeten. Hij vroeg me hoe het ging, ik vertelde hem dat ik morgen jarig was. Hij kocht wat hij nodig had, wenste me een fijne verjaardag en vertrok.
Een uurtje later sprak ik met een collega over dit voorval en hoe toevallig het was dat hij juist op deze dag de winkel had bezocht. Net toen ik uitlegde wie hij ook alweer was, riep iemand me. Het was de man, de man van de pannenset, wiens naam ik niet meer wist. Hij keek me stralend aan en drukte een tasje van de Sissy Boy in mijn handen. 'Alsjeblieft, een cadeautje! Omdat je morgen jarig bent!!'
Met een minstens zo brede glimlach maakte ik het pakketje open. Meneer was helemaal naar de Sissy Boy gelopen (niet de Hema, niet de V&D, nee, de Sissy Boy!!) om een cadeautje te kopen voor een verkoopster in een winkel waar hij maar zeer sporadisch komt, alleen maar omdat ze jarig is. Het toppunt van schattig, toch? Ik was echt een beetje ontroerd.
In het pakketje zat een receptenschriftje. Superleuk natuurlijk, ik kon die man wel zoenen! Ik was echt even sprakeloos, het was werkelijk een héél lief gebaar. Mijn eerste impuls was om hem om de hals te vliegen, maar toen bedacht ik me dat ik aan het werk was, er een collega naast me stond, en ik me uit het oogpunt van de betamelijkheid een beetje in moest houden.
Ik gaf hem drie echte, dikke zoenen op zijn wangen en bedankte hem hartelijk. Het sneue was dat ik zijn naam nog altijd niet wist, terwijl hij de mijne zong in iedere zin die hij met me sprak. Nu zou ik hem nooit meer naar zijn naam kunnen vragen, want dat zou het cadeau ondermijnen. Ik zin nog op een manier om erachter te komen, hoe hij heet. Misschien moet ik hem maar naar zijn voornaam vragen, de volgende keer dat hij in de winkel is. Tenslotte weet hij ook alleen mijn voornaam.
Meneer Sissy Boy. Mmh. Dat voldoet voorlopig. Tien tegen een dat hij binnen een maand weer verschijnt, en dan verzin ik wel een smoes om het uit hem te krijgen. En dan zal ik 't opschrijven, in mijn schriftje, onder het recept voor chocoladebrownies. Suikerzoet, maar oh, zo lekker!!!
Halverwege de dag sloeg een after lunch-dip toe. Na een minder plezierige scene met een collega – het ging om iets heel kleins, maar het was groot genoeg om mijn enthousiasme te temperen - zakte mijn humeur beneden peil. Vermoeidheid en spanning eisten hun tol en ik bleef beleefd zoals altijd, maar had de tweede helft van de dag minder plezier dan de eerste. En hoewel ik mijn best deed om vrolijk te blijven, merkte ik aan mijzelf dat ik de uren aftelde die mij scheidden van mijn vrije avond. Geconcentreerd richtte ik mij op mijn taken en was in gedachten verzonken, toen er plotseling een man voor mijn toonbank verscheen.
(Alweer een man? U denkt te kunnen raden waar dit heengaat? Ik denk van niet.)
Ik kende deze man al een beetje. Hij had ongeveer een halfjaar geleden gebruik gemaakt van een aanbieding voor een pannenset, maar vóór hij tot aankoop overging twijfelde hij vreselijk. Hij is wel vijf keer teruggeweest, om te kijken, te voelen en een heel arsenaal aan vragen op ons af te vuren. We moesten de pannenset voor hem reserveren. Toen hij vervolgens uiteindelijk tot aankoop overging, bleek er na een aantal weken iets mis te zijn gegaan met een van zijn pannen. Er was vet ingebrand op de buitenkant en de binnenkant was ook heel smerig, de pan was drooggekookt. Hij kwam bij mij met de vraag of we er iets aan konden doen. Ik gaf hem een pannenspons. Ondanks zijn intense manier van aankopen doen was het best een aardige man. Ik kende zijn achternaam inmiddels van de bestelbon en sprak hem daarbij aan. Hij op zijn beurt wilde graag mijn naam weten, 'voor de eerlijkheid'. We gingen amicaal uit elkaar en hij kwam daarna nog één keer terug. Sinds die keer en de meest recente is wel een kwartaal verstreken.
Ik was verrast toen hij ineens weer voor mijn neus stond (ja, ik laat mij vaak verrassen door de wereld en haar bewoners) en reageerde iets te vrolijk op zijn komst, vergetend dat hij geen oude vriend is, maar een klant. Zijn naam wist ik inmiddels niet meer, maar hij de mijne wel. Mijn pesthumeur was direct vergeten. Hij vroeg me hoe het ging, ik vertelde hem dat ik morgen jarig was. Hij kocht wat hij nodig had, wenste me een fijne verjaardag en vertrok.
Een uurtje later sprak ik met een collega over dit voorval en hoe toevallig het was dat hij juist op deze dag de winkel had bezocht. Net toen ik uitlegde wie hij ook alweer was, riep iemand me. Het was de man, de man van de pannenset, wiens naam ik niet meer wist. Hij keek me stralend aan en drukte een tasje van de Sissy Boy in mijn handen. 'Alsjeblieft, een cadeautje! Omdat je morgen jarig bent!!'
Met een minstens zo brede glimlach maakte ik het pakketje open. Meneer was helemaal naar de Sissy Boy gelopen (niet de Hema, niet de V&D, nee, de Sissy Boy!!) om een cadeautje te kopen voor een verkoopster in een winkel waar hij maar zeer sporadisch komt, alleen maar omdat ze jarig is. Het toppunt van schattig, toch? Ik was echt een beetje ontroerd.
In het pakketje zat een receptenschriftje. Superleuk natuurlijk, ik kon die man wel zoenen! Ik was echt even sprakeloos, het was werkelijk een héél lief gebaar. Mijn eerste impuls was om hem om de hals te vliegen, maar toen bedacht ik me dat ik aan het werk was, er een collega naast me stond, en ik me uit het oogpunt van de betamelijkheid een beetje in moest houden.
Ik gaf hem drie echte, dikke zoenen op zijn wangen en bedankte hem hartelijk. Het sneue was dat ik zijn naam nog altijd niet wist, terwijl hij de mijne zong in iedere zin die hij met me sprak. Nu zou ik hem nooit meer naar zijn naam kunnen vragen, want dat zou het cadeau ondermijnen. Ik zin nog op een manier om erachter te komen, hoe hij heet. Misschien moet ik hem maar naar zijn voornaam vragen, de volgende keer dat hij in de winkel is. Tenslotte weet hij ook alleen mijn voornaam.
Meneer Sissy Boy. Mmh. Dat voldoet voorlopig. Tien tegen een dat hij binnen een maand weer verschijnt, en dan verzin ik wel een smoes om het uit hem te krijgen. En dan zal ik 't opschrijven, in mijn schriftje, onder het recept voor chocoladebrownies. Suikerzoet, maar oh, zo lekker!!!
maandag 1 november 2010
Hof (2)
Wederom Zondag. Het zou de titel kunnen zijn van een EO-programma, maar nee. Het is wederom zondag en ik ben wederom in opkalefatertenue als er wordt aangebeld. Voor mijn neus staat de liefdesbriefschrijver. Hij zegt niets, kijkt me alleen maar aan, ik zie de spanning op zijn gezicht. Een week is verstreken sinds ik zijn brief te lezen kreeg, en ik heb hem nog niets laten weten. Om precies te zijn: ik heb de energie nog niet gevonden om hem vriendelijk en resoluut op schrift te vertellen dat ik zijn affectie niet wil beantwoorden. Hoe pak je zoiets ook aan? Ik waardeer zijn brief, maar heb er niet om gevraagd. Hij hoeft niet nodeloos gekwetst te worden, maar dat geldt voor mij ook.
Het valt me op dat hij er heel netjes en een beetje koloniaal-pooierachtig uitziet. Zijn pak is donkerbruin en te goedkoop om echt mooi te zijn, maar met zorg uitgezocht en onderhouden. De das vloekt nét bij het off-crème -want wit is het toch echt niet - overhemd. Zijn schoenen zijn veterloos en goed gepoetst, maar passen er evenmin helemaal bij. Het is een vermoeiende combinatie, vermoeiend voor het oog, uitzicht- en moedeloos verkeerd. Hij lijkt zo uit een roman gestapt, ieder moment kan een blootvoetige waaikoelie hem een groezelig glas kwast met vliegen erin aanreiken. Het begint me te dagen: dit is een patroon.
De ordentelijkheid van zijn brief en zijn verschijning trekken mij niet over de streep. Hij heeft dit pak waarschijnlijk aangetrokken om mij te imponeren, maar het goud in zijn mond blinkt nog altijd sterker. Hij bezit een deerniswekkende netnietheid, een negatief je ne sais quoi... Sommige mensen hebben 'het', 'hét!', moeiteloos en charismatisch. Bij deze man is het precies omgekeerd.
Ik heb al eens eerder zo'n man gedate, en de vonk sloeg ook toen niet over. Hij bracht me cheesecake, rozen, een teddybeertje, oprechte aandacht en een hoop welwillendheid. Hij was de hoffelijkheid zelve en deed zijn best om het mij naar de zin te maken. Ik vond op mijn beurt dat omdat hij zo lief was, ik mijn zoeken naar een vonk moest staken. Ik deed mijn intuïtie af als nuffigheid en kieskeurigheid. Zoveel leuke mannen die rozen meenemen zijn er namelijk niet. Hij deed alles goed, maar het kwam niet goed.
Uiteindelijk gingen we als vrienden uit elkaar, nog vóór we goed en wel bij elkaar waren gekomen. Ik denk dat hij ook doorhad dat het niet zou werken. En dit was dan nog een jongen zonder gouden tand, slim en veelbelovend, hoffelijk en onderhoudend. Geen onvertogen woord kwam over zijn lippen bij ons scheiden, geen sneer, geen onhebbelijkheid, niets. Ik had hem wat rancune niet kwalijk genomen, maar zelfs daar was hij te lief en te mans voor.
Wat heb ik hiervan geleerd? 1) ze bestaan dus wel, mannen die aan hoofse liefde doen en 2) als ik ondanks alle hoofse liefde toch niet gelukkig ben, heeft het weinig zin om er omwille van de conventie in te volharden als blijkt dat 't niet werkt. Nog geen duizend rozen kunnen een gebrek aan vonk vervangen. Dat maakt mij niet kieskeurig of verknipt, ik bespaar een leuke man en mijzelf graag de teleurstelling en de ingeslagen ruiten van hoop die we samen langzaamaan in het huis van de opbloeiende liefde plaatsen. Ik was blij verrast en gevleid door de mooie brief die ik vorige week kreeg, en ik voel een gebrek aan vonk.
In plaats van mijzelf te sussen ('hij verdient toch een kans? Je hoeft niet met 'm te trouwen? Wie weet wat hij je te bieden heeft? Hij heeft zijn nek uitgestoken, het zou eerlijk zijn om dat te belonen? Er is toch niets mis met hem? (Okee... er is toch niet zovéél mis met hem?) Hij vindt je overduidelijk leuk, what the fuck is your problem, moet hij soms op zijn hoofd gaan staan?') herken ik het gebrek aan charisma nu eerder en ga er dan ook meteen beter mee om. Weg met de lapzwans, hallo Adonis. Wel, dit is niet mijn Adonis. Ik ben hem niets verschuldigd behalve misschien wat beleefdheid en sterker, het zou zelfs onbeleefd zijn om hem aan het lijntje te houden. Bovendien is dit geen goede basis voor een gelijkwaardige relatie. Ik verdien beter, hij ook. Nu moet ik dit alleen nog aan hem kenbaar maken.
Zijn nette pak, hoe koloniaal ook, maakt me bewust van mijn joggingbroek en rommelige wenkbrauwen. Deze keer troost ik me er mee: ik hoop dat hij op me afknapt, nu hij me voor de tweede keer 'zeer blanco' aantreft. Moet 'ie ook maar niet op zondagmiddag aanbellen. Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets – hij heeft mazzel dat ik geen avocado op mijn gezicht heb..... Hij kijkt me nog altijd aan, en ik begin te praten. Ik vertel hem dat ik zijn brief waardeer, en dat ik net zo open en eerlijk tegen hem zal zijn als hij tegen mij is geweest. En dat ik zijn gevoelens niet kan beantwoorden.
Ik houd het kort en neem opgelucht afscheid. Mocht hij dat pak echt voor mij hebben aangetrokken, dan kan hij het uitdoen voor er zweetplekken in het hemd komen. Uit een vals gevoel van veiligheid zou ik een smoes kunnen verzinnen, maar eigenlijk ben ik ook daar te moe voor. De dag is nog niet om, maar ik ben geneigd te geloven dat hij me nu met rust laat.
Het is alles goud wat er blinkt, en dat is onderdeel van het probleem. Misschien eindig ik met de page van mijn prins, maar voorlopig zet ik hoger in dan de staljongen.
Het valt me op dat hij er heel netjes en een beetje koloniaal-pooierachtig uitziet. Zijn pak is donkerbruin en te goedkoop om echt mooi te zijn, maar met zorg uitgezocht en onderhouden. De das vloekt nét bij het off-crème -want wit is het toch echt niet - overhemd. Zijn schoenen zijn veterloos en goed gepoetst, maar passen er evenmin helemaal bij. Het is een vermoeiende combinatie, vermoeiend voor het oog, uitzicht- en moedeloos verkeerd. Hij lijkt zo uit een roman gestapt, ieder moment kan een blootvoetige waaikoelie hem een groezelig glas kwast met vliegen erin aanreiken. Het begint me te dagen: dit is een patroon.
De ordentelijkheid van zijn brief en zijn verschijning trekken mij niet over de streep. Hij heeft dit pak waarschijnlijk aangetrokken om mij te imponeren, maar het goud in zijn mond blinkt nog altijd sterker. Hij bezit een deerniswekkende netnietheid, een negatief je ne sais quoi... Sommige mensen hebben 'het', 'hét!', moeiteloos en charismatisch. Bij deze man is het precies omgekeerd.
Ik heb al eens eerder zo'n man gedate, en de vonk sloeg ook toen niet over. Hij bracht me cheesecake, rozen, een teddybeertje, oprechte aandacht en een hoop welwillendheid. Hij was de hoffelijkheid zelve en deed zijn best om het mij naar de zin te maken. Ik vond op mijn beurt dat omdat hij zo lief was, ik mijn zoeken naar een vonk moest staken. Ik deed mijn intuïtie af als nuffigheid en kieskeurigheid. Zoveel leuke mannen die rozen meenemen zijn er namelijk niet. Hij deed alles goed, maar het kwam niet goed.
Uiteindelijk gingen we als vrienden uit elkaar, nog vóór we goed en wel bij elkaar waren gekomen. Ik denk dat hij ook doorhad dat het niet zou werken. En dit was dan nog een jongen zonder gouden tand, slim en veelbelovend, hoffelijk en onderhoudend. Geen onvertogen woord kwam over zijn lippen bij ons scheiden, geen sneer, geen onhebbelijkheid, niets. Ik had hem wat rancune niet kwalijk genomen, maar zelfs daar was hij te lief en te mans voor.
Wat heb ik hiervan geleerd? 1) ze bestaan dus wel, mannen die aan hoofse liefde doen en 2) als ik ondanks alle hoofse liefde toch niet gelukkig ben, heeft het weinig zin om er omwille van de conventie in te volharden als blijkt dat 't niet werkt. Nog geen duizend rozen kunnen een gebrek aan vonk vervangen. Dat maakt mij niet kieskeurig of verknipt, ik bespaar een leuke man en mijzelf graag de teleurstelling en de ingeslagen ruiten van hoop die we samen langzaamaan in het huis van de opbloeiende liefde plaatsen. Ik was blij verrast en gevleid door de mooie brief die ik vorige week kreeg, en ik voel een gebrek aan vonk.
In plaats van mijzelf te sussen ('hij verdient toch een kans? Je hoeft niet met 'm te trouwen? Wie weet wat hij je te bieden heeft? Hij heeft zijn nek uitgestoken, het zou eerlijk zijn om dat te belonen? Er is toch niets mis met hem? (Okee... er is toch niet zovéél mis met hem?) Hij vindt je overduidelijk leuk, what the fuck is your problem, moet hij soms op zijn hoofd gaan staan?') herken ik het gebrek aan charisma nu eerder en ga er dan ook meteen beter mee om. Weg met de lapzwans, hallo Adonis. Wel, dit is niet mijn Adonis. Ik ben hem niets verschuldigd behalve misschien wat beleefdheid en sterker, het zou zelfs onbeleefd zijn om hem aan het lijntje te houden. Bovendien is dit geen goede basis voor een gelijkwaardige relatie. Ik verdien beter, hij ook. Nu moet ik dit alleen nog aan hem kenbaar maken.
Zijn nette pak, hoe koloniaal ook, maakt me bewust van mijn joggingbroek en rommelige wenkbrauwen. Deze keer troost ik me er mee: ik hoop dat hij op me afknapt, nu hij me voor de tweede keer 'zeer blanco' aantreft. Moet 'ie ook maar niet op zondagmiddag aanbellen. Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets – hij heeft mazzel dat ik geen avocado op mijn gezicht heb..... Hij kijkt me nog altijd aan, en ik begin te praten. Ik vertel hem dat ik zijn brief waardeer, en dat ik net zo open en eerlijk tegen hem zal zijn als hij tegen mij is geweest. En dat ik zijn gevoelens niet kan beantwoorden.
Ik houd het kort en neem opgelucht afscheid. Mocht hij dat pak echt voor mij hebben aangetrokken, dan kan hij het uitdoen voor er zweetplekken in het hemd komen. Uit een vals gevoel van veiligheid zou ik een smoes kunnen verzinnen, maar eigenlijk ben ik ook daar te moe voor. De dag is nog niet om, maar ik ben geneigd te geloven dat hij me nu met rust laat.
Het is alles goud wat er blinkt, en dat is onderdeel van het probleem. Misschien eindig ik met de page van mijn prins, maar voorlopig zet ik hoger in dan de staljongen.
Abonneren op:
Posts (Atom)