Langzaamaan werd het weer tijd voor mijn halfjaarlijks bezoek aan dokter Jos. Omdat ik de komende tijd niet in de gelegenheid zou zijn overdag een afspraak met hem te plannen, besloot ik snel een afspraak te maken in de tijd die me nog restte.
Dat kon. Op een regenachtige morgen lag ik rond tienen in de stoel, opende mijn mond en bad. Omdat ik mijn afspraak redelijk onverwacht had vervroegd, had ik namelijk niet zo trouw gestookt als ik de zes weken in aanloop tot een afspraak gewoon ben. (Hypocriet? Kinderlijk? Houd toch op... u bent geen haar beter....) Ik ben een fervent poetser zoals u weet, maar zolang ik geen pijn ervaar, vergeet ik vaak te stoken. Flossen is lastig, omdat ik als gevolg van mijn beugel een spalkje achter mijn tanden heb.
Het afgelopen half jaar heb ik veel gesnoept – pure nervositeit! – en hoewel ik nooit naar bed ga zonder mijn tanden te poetsen, dacht ik toch een gaatje te voelen in mijn linker bovenkaak. Dat kon hij dan gelijk even in orde maken. Omdat ik slecht gestookt had, zou ik ook wel ontstoken tandvlees hebben. Ook heb ik de afgelopen zes maanden een nieuwe liefde gevonden: groene thee. Als ik zie wat dat achterlaat op mijn witte mokken ben ik verbaasd dat mijn tanden er niet uit zien als het gebit van een pre-industriële Brit. (Of een post-industriële Brit, for that matter.) Al met al beloofde het een enerverend bezoek te worden.
De groene ogen van dokter Jos kijken me doordringend aan. 'Heb je ergens last van, doet het ergens zeer?' Ik 'beken' mijn vermoedens over ontstoken tandvlees en het gaatje in mijn bovenkaak. Met een miniatuurversie van de haak die men gebruikt om kleren uit water te vissen pookt hij zachtjes in mijn kiezen. 'Ja, mmmhhh, mmmh, jaja...'
Ik probeer rustig te blijven en niet terug te deinzen als hij met het puntje van de haak mijn tandvlees controleert. Hij typt iets in mijn dossier en het duurt behoorlijk lang. Ik adem door. Ik ben een volwassene, hij heeft nog niets gezegd, geen reden tot stress. Ik ben op tijd, ruim op tijd zelfs, en ik betaal dokter Jos grif voor zijn goede diensten. Hij heeft er bovendien niets aan als ik erin blijf terwijl ik in zijn stoel lig. Get a grip, Deirdre, stel je niet áán...
'Wist je dat je spalk weg was?' vraagt dokter Jos me. Huh, spalk? Ik voel nog eens met mijn tong en verrek, hij is inderdaad verdwenen. 'Nee, dat wist ik niet!' Het verbaast me, want het ding is zo'n vijf centimeter lang met scherpe punten aan twee kanten en ik heb hem niet uitgespuugd. Geweldig. Misschien moet ik na dokter Jos ook even langs de gastro-enteroloog.
Dokter Jos verwijst me door naar de orthodontist in hetzelfde pand, dokter Juul. Nog diezelfde middag kan ik bij haar terecht voor een consult. Een nieuwe spalk maken gaat twee weken in beslag nemen – die afspraken moet ik dan maar 's avonds plannen. Het alternatief is géén spalk, maar dan is de kans groot dat mijn tanden die met veel geduld, pijn en geld in een gareel – er wás geen 'het' – zijn geperst weer terug glijden in hun oorspronkelijke positie. Ik dacht het niet.
Over mijn tandvlees zegt hij niets, en ook kan hij geen gaatje ontdekken. 'Als je er last van blijft houden, gaan we het onderzoeken, maar ik zie er geen,' zegt hij. Ik ben nog opgelucht ook. We gaan elkaar een tijd niet zien, dus ik schud zijn hand en bedank hem. Ik ben vergeten te vragen of ik mijn tanden kan laten bleken en hoeveel dat kost. Maar dat kan over een half jaar en vierhonderdtweeëndertig liter thee ook nog wel – dan is het des te effectiever. Ik heb in ieder geval niet aan zijn hand gelikt deze keer, dat is tenminste iets.
Als ik in dokter Juuls wachtkamer zit, naast een jongen van twaalf met gebarsten lippen van het beugelen, voel ik me oud. Ze draaien beugels niet meer aan tegenwoordig, maar boy, those were the days... Blij dat ik daar vanaf ben. Nu fluks voorbereidingen treffen voor de spalk en dan ben ik hier klaar. De tang hebben we vandaag niet nodig – die mag in het vuur.
woensdag 13 juni 2012
zaterdag 9 juni 2012
Reptiel
Boven het wiel voel je de schokken het minste, dat is één van de adviezen die ik mee heb genomen in mijn overweging bij het kiezen van een plaats. Dat geldt inmiddels niet meer zo stevig: de bussen van vandaag de dag zijn comfortabel en grijs in plaats van geelgeverfd en overtrokken met rood nappa dat aan je blote benen plakt na het zwemmen. En toen ik met de bus naar schoolzwemmen ging, was het juist een sport om je heupen zo blauw mogelijk te krijgen door bij iedere bocht te zorgen dat je door de bus rolde als de laatste tictac in het doosje.
Toch ga ik, uit gewoonte, boven het wiel zitten. Recht voor me zit een man die een hele vijandige indruk maakt. Ik heb dit niet vaak en mijn indruk is nergens op gebaseerd, maar hij ziet eruit als een Stormfrontsympathisant met een vrije zaterdag gereserveerd voor hooliganproblemen - ik tel de haltes af.
De man lijkt me toch te pienter voor een hakenkruis, dat moet ik hem nageven. Onopvallend speur ik naar triskels, wolfsangels of odalrunen. Zijn huid is bleek, hij heeft een paar sproeten en bleekrossig haar. Hij draagt een legergroene jas. Als ik hem aankijk – en dat gebeurt wel eens, omdat hij lijnrecht tegenover me zit – draaien zijn spleetogen te snel weg in iets wat op walging lijkt. Een vriend van mij zei daar ooit eens over: als twee mensen elkaar te lang aankijken draait dat uit op vechten of seks. Vandaar dat je, als een vreemde je aankijkt, rustig je blik afwendt, en van de persoon in kwestie hetzelfde mag verwachten.
De man wendt zijn blik echter niet rustig af, maar schichtig, haastig, alsof hij per ongeluk zijn ogen op een opengereten karkas heeft laten rusten, of een stuk nageboorte. Een beeld dat je direct weer van je netvlies wilt wissen, terwijl je je afvraagt; waarom keek ik er überhaupt naar...! Ik verwacht dat hij, zoals het nerveuze hooligans betaamt, met zijn aansteker speelt en met zijn voeten tapt. De man heeft zijn ledematen echter perfect onder controle en rookt niet.
Het valt me op dat zijn ogen heel helder groen zijn, bijna geel, en dat hij lange oogleden heeft, met name het onderste ooglid, dat zijn oogbol bijna tot aan zijn pupil bedekt bij iedere oogopslag. Hij knippert met zijn ogen zoals slangen met hun tong. Zijn afkeuring lijkt uit zijn vernietigende blikken te stralen.
Ik ben nieuwsgierig, en ook een beetje bang. Ik kan hem niet plaatsen. Ondanks zijn bleekheid ziet zijn pezige lijf er toch stevig uit, en behalve zijn ogen, die heen en weer schieten, zit hij heel stil. Zijn gezicht is driehoekig, met een stevige kaaklijn en een kleine, vlezige mond. Nu weet ik waarom hij me aankijkt alsof ik een grote paarlemoeren strontvlieg ben. Hij doet me denken aan een reptiel. Een hongerige leguaan, of een varaan, al eten die geen vliegen.
Ik zie dat hij twee ringen draagt; een trouwring en een stalen ring. Blijkbaar is er ook een mevrouw Leguaan. Dat stelt me gerust. Misschien is hij op weg naar zijn spelonk om zijn varanenkinderen wat rottend vlees te brengen. Misschien zit hij wel helemaal niet op het Stormfront. Bij deze gedachte vertrekken mijn mondhoeken zich goedkeurend. Dit wordt direct afgestraft door een felle, geelgroene blik. Tsssssss!! Uh, sorry hoor.
De man moet eerder de bus uit dan ik. Ik zie dat hij wordt afgehaald door een knap meisje met een waterval van kastanjeglanzend haar en mooie benen. Zijn blik verzacht, hij kust haar lief. Er is geen kind, zelfs geen blond kind.
Naast haar lijkt hij plotseling minder slangig en zijn zijn ogen minder geel. Het lijkt wel alsof hij zijn hooliganhuid bij mij in de bus heeft achtergelaten en ik voel me gedwongen even op de grond te kijken of hij misschien nog onder de stoel van de man ligt. Helaas, niets. Misschien heb ik het me verbeeld, maar toch ben ik blij dat hij de bus uit is. Mocht hij thuis zuurkool op Poolse wijze gaan eten met zijn fraaigebeende echtgenote, dan was er niets aan de hand. En anders ook niet, want hij is nu toch weg.
Do not stress, hier komt een wijze les? Niet echt – ik zou kunnen zeggen dat je mensen niet naar hun uiterlijk moet beoordelen, maar in dit soort gevallen hoef je niet op actie te wachten. De man mag dan zijn nasty coat hebben afgelegd, intuïtie is een groot goed.
Het enige wat ik nu weet, is dat het hebben van mooie benen leguanen aantrekt, en dat leguanen en kameleons niet op elkaar lijken. Dat je door leguanen gedist kunt worden, dát wist ik namelijk al.
Toch ga ik, uit gewoonte, boven het wiel zitten. Recht voor me zit een man die een hele vijandige indruk maakt. Ik heb dit niet vaak en mijn indruk is nergens op gebaseerd, maar hij ziet eruit als een Stormfrontsympathisant met een vrije zaterdag gereserveerd voor hooliganproblemen - ik tel de haltes af.
De man lijkt me toch te pienter voor een hakenkruis, dat moet ik hem nageven. Onopvallend speur ik naar triskels, wolfsangels of odalrunen. Zijn huid is bleek, hij heeft een paar sproeten en bleekrossig haar. Hij draagt een legergroene jas. Als ik hem aankijk – en dat gebeurt wel eens, omdat hij lijnrecht tegenover me zit – draaien zijn spleetogen te snel weg in iets wat op walging lijkt. Een vriend van mij zei daar ooit eens over: als twee mensen elkaar te lang aankijken draait dat uit op vechten of seks. Vandaar dat je, als een vreemde je aankijkt, rustig je blik afwendt, en van de persoon in kwestie hetzelfde mag verwachten.
De man wendt zijn blik echter niet rustig af, maar schichtig, haastig, alsof hij per ongeluk zijn ogen op een opengereten karkas heeft laten rusten, of een stuk nageboorte. Een beeld dat je direct weer van je netvlies wilt wissen, terwijl je je afvraagt; waarom keek ik er überhaupt naar...! Ik verwacht dat hij, zoals het nerveuze hooligans betaamt, met zijn aansteker speelt en met zijn voeten tapt. De man heeft zijn ledematen echter perfect onder controle en rookt niet.
Het valt me op dat zijn ogen heel helder groen zijn, bijna geel, en dat hij lange oogleden heeft, met name het onderste ooglid, dat zijn oogbol bijna tot aan zijn pupil bedekt bij iedere oogopslag. Hij knippert met zijn ogen zoals slangen met hun tong. Zijn afkeuring lijkt uit zijn vernietigende blikken te stralen.
Ik ben nieuwsgierig, en ook een beetje bang. Ik kan hem niet plaatsen. Ondanks zijn bleekheid ziet zijn pezige lijf er toch stevig uit, en behalve zijn ogen, die heen en weer schieten, zit hij heel stil. Zijn gezicht is driehoekig, met een stevige kaaklijn en een kleine, vlezige mond. Nu weet ik waarom hij me aankijkt alsof ik een grote paarlemoeren strontvlieg ben. Hij doet me denken aan een reptiel. Een hongerige leguaan, of een varaan, al eten die geen vliegen.
Ik zie dat hij twee ringen draagt; een trouwring en een stalen ring. Blijkbaar is er ook een mevrouw Leguaan. Dat stelt me gerust. Misschien is hij op weg naar zijn spelonk om zijn varanenkinderen wat rottend vlees te brengen. Misschien zit hij wel helemaal niet op het Stormfront. Bij deze gedachte vertrekken mijn mondhoeken zich goedkeurend. Dit wordt direct afgestraft door een felle, geelgroene blik. Tsssssss!! Uh, sorry hoor.
De man moet eerder de bus uit dan ik. Ik zie dat hij wordt afgehaald door een knap meisje met een waterval van kastanjeglanzend haar en mooie benen. Zijn blik verzacht, hij kust haar lief. Er is geen kind, zelfs geen blond kind.
Naast haar lijkt hij plotseling minder slangig en zijn zijn ogen minder geel. Het lijkt wel alsof hij zijn hooliganhuid bij mij in de bus heeft achtergelaten en ik voel me gedwongen even op de grond te kijken of hij misschien nog onder de stoel van de man ligt. Helaas, niets. Misschien heb ik het me verbeeld, maar toch ben ik blij dat hij de bus uit is. Mocht hij thuis zuurkool op Poolse wijze gaan eten met zijn fraaigebeende echtgenote, dan was er niets aan de hand. En anders ook niet, want hij is nu toch weg.
Do not stress, hier komt een wijze les? Niet echt – ik zou kunnen zeggen dat je mensen niet naar hun uiterlijk moet beoordelen, maar in dit soort gevallen hoef je niet op actie te wachten. De man mag dan zijn nasty coat hebben afgelegd, intuïtie is een groot goed.
Het enige wat ik nu weet, is dat het hebben van mooie benen leguanen aantrekt, en dat leguanen en kameleons niet op elkaar lijken. Dat je door leguanen gedist kunt worden, dát wist ik namelijk al.
dinsdag 5 juni 2012
Me(d)edogen(loos)
In de tijd tussen twee ontmoetingen in besluit ik om de krant te gaan lezen in de openbare bibliotheek. Toen ik nog op de middelbare school zat, kwam ik hier iedere dag om te studeren en wat ik toen bedacht was dat zwervers wel de meest geïnformeerde mensen moesten zijn, aangezien zij alle tijd van de wereld hebben om hun kennis te vergroten. De enige zwervers die bovendien mogen blijven zitten verschillen in reuk of aanzien vrijwel niet van de geestezwervers, de dakhebbenden die slechts geestelijk van het padje zijn geraakt.
Kenmerkend is de geur van kleine incontinentie en talg, een bescheiden drankneusje, lange nagels aan ongewassen handen, vaag spastische gebaren of een wat wezenloze blik waaruit arbeidsongeschikteheid en onverwerkt kinderleed straalt.
Na zes jaar hier gewoond te hebben, ken ik nu mijn pappenheimers. Zo is er de albino, die een appartement bezit en af en toe bij de Albert Heijn werkt, en het huilvrouwtje, dat de hele dag de ogen uit haar hoofd huilt. Als je haar nooit eerder hebt gezien, werkt het. Ze jammert en haar wangen en ogen zijn rood, haar huid schraal van het huilen. Ook is er de toeriste, een zwerfster die er uit ziet alsof ze de weg wil vragen en je vervolgens verzoekt om een paar euro. De wolfman, die zijn door neurologische schade aangetaste lijf van hot naar her sleept. En 'Ruurd', een man die de paar tanden die hij nog heeft bloot lacht in een poging zoveel mogelijk kranten kwijt te raken.
Eerlijk is eerlijk, ook daklozen hebben ooit gedroomd van een huis, een baan, een carrière, een relatie, een eigen bed. Dakloos worden kan iedereen overkomen en als je eenmaal in de neerwaartse spiraal zit, is het niet makkelijk om de weg terug te vinden. Je wordt ook nooit van de een op de andere dag dakloos; het is vaak een resultaat van een hele rits aan lichamelijke, geestelijke of financiële problemen. Toch word ik soms geflest en dat voelt oneerlijk. Zo ving ik ooit een gesprek op tussen twee straatkrantverkopers bij mijn Albert Heijn:
'Hee, zit het er weer op voor vandaag?' 'Ja, ik ga naar huis...'
Oh, zit dat zo... Ook was ik geschokt toen ik hoorde dat de blinde bedelaar met zijn schrille blokfluit en roodwitte stok – compleet met hond – helemaal niet blind was; er schijnt helemaal niets mis te zijn met zijn gezichtsvermogen. Maar het is Popeye die de kroon spant. De man, wiens schedel er uit ziet als een dorre savanne, zat tot recent als een soort Scrooge saffies te roken in een rolstoel. Met stompen van dik verband op de plek van zijn voeten klauwde hij zich vloekend en tierend een weg door de stad. Enkele weken laten 'betrapte' ik hem toen hij aan het winkelen was in de Bijenkorf, (!!) lopend, zijn voeten perfect in orde. Ik gun hem alle progressie, maar toch...
Wordt er in misbruik een beroep gedaan op mijn Samaritanengevoel, wordt er schaamteloos ingespeeld op mijn medelijden? Dat Popeye de ene week in een rolstoel zit en de volgende week niet meer, wil niet zeggen dat hij geen geld of hulp nodig heeft. Ik denk dat de blinde blokfluitspeler evenmin voor zijn lol schrille wijsjes door zijn fluit heen perst. Aan de andere kant ben ik al zo murv voor zwervers dat voeten in verband of een maanoog me weinig meer doen en gaat die anderhalve euro waarmee ik mijn goede daad weer heb volbracht – u weet dat ik dol ben op het afkopen van mijn gemoedsrust! – die mensen er echt niet bovenop helpen. Wat het bovendien is; ondanks dat ik weet dat je leven op orde krijgen tijd kost, zie ik Ruurd, de Wolfman en de Albino al zes jaar bedelen. Ik kan zien wanneer ze hun maandelijkse knip- en scheerbeurt hebben gehad, wanneer ze nieuwe kleren hebben gekregen, wanneer er weer wat eten in hun pens zit. En als ik Popeye tegenkom bij afdeling met zijden lakens, moet de volgende truc die hij uithaalt om geld los te kloppen wel zó goed zijn dat hij er zijn brood mee zou kunnen verdienen. Wellicht een carrièrepad...
En de moraal van het verhaal? Als je de zwervereconomie echt wilt opkrikken, moet je je fiets laten jatten en hem vervolgens terugkopen.
Oneerlijk, readertje lief, cru, unfair? Het leven is een pijpkaneel, maar waar sommige mensen erop sabbelen, worden anderen er mee op hun hoofd geslagen. Achterdocht is net zo'n groot goed als mededogen. Verrassend genoeg zijn het namelijk zelden de sabbelaars die slaan.
Kenmerkend is de geur van kleine incontinentie en talg, een bescheiden drankneusje, lange nagels aan ongewassen handen, vaag spastische gebaren of een wat wezenloze blik waaruit arbeidsongeschikteheid en onverwerkt kinderleed straalt.
Na zes jaar hier gewoond te hebben, ken ik nu mijn pappenheimers. Zo is er de albino, die een appartement bezit en af en toe bij de Albert Heijn werkt, en het huilvrouwtje, dat de hele dag de ogen uit haar hoofd huilt. Als je haar nooit eerder hebt gezien, werkt het. Ze jammert en haar wangen en ogen zijn rood, haar huid schraal van het huilen. Ook is er de toeriste, een zwerfster die er uit ziet alsof ze de weg wil vragen en je vervolgens verzoekt om een paar euro. De wolfman, die zijn door neurologische schade aangetaste lijf van hot naar her sleept. En 'Ruurd', een man die de paar tanden die hij nog heeft bloot lacht in een poging zoveel mogelijk kranten kwijt te raken.
Eerlijk is eerlijk, ook daklozen hebben ooit gedroomd van een huis, een baan, een carrière, een relatie, een eigen bed. Dakloos worden kan iedereen overkomen en als je eenmaal in de neerwaartse spiraal zit, is het niet makkelijk om de weg terug te vinden. Je wordt ook nooit van de een op de andere dag dakloos; het is vaak een resultaat van een hele rits aan lichamelijke, geestelijke of financiële problemen. Toch word ik soms geflest en dat voelt oneerlijk. Zo ving ik ooit een gesprek op tussen twee straatkrantverkopers bij mijn Albert Heijn:
'Hee, zit het er weer op voor vandaag?' 'Ja, ik ga naar huis...'
Oh, zit dat zo... Ook was ik geschokt toen ik hoorde dat de blinde bedelaar met zijn schrille blokfluit en roodwitte stok – compleet met hond – helemaal niet blind was; er schijnt helemaal niets mis te zijn met zijn gezichtsvermogen. Maar het is Popeye die de kroon spant. De man, wiens schedel er uit ziet als een dorre savanne, zat tot recent als een soort Scrooge saffies te roken in een rolstoel. Met stompen van dik verband op de plek van zijn voeten klauwde hij zich vloekend en tierend een weg door de stad. Enkele weken laten 'betrapte' ik hem toen hij aan het winkelen was in de Bijenkorf, (!!) lopend, zijn voeten perfect in orde. Ik gun hem alle progressie, maar toch...
Wordt er in misbruik een beroep gedaan op mijn Samaritanengevoel, wordt er schaamteloos ingespeeld op mijn medelijden? Dat Popeye de ene week in een rolstoel zit en de volgende week niet meer, wil niet zeggen dat hij geen geld of hulp nodig heeft. Ik denk dat de blinde blokfluitspeler evenmin voor zijn lol schrille wijsjes door zijn fluit heen perst. Aan de andere kant ben ik al zo murv voor zwervers dat voeten in verband of een maanoog me weinig meer doen en gaat die anderhalve euro waarmee ik mijn goede daad weer heb volbracht – u weet dat ik dol ben op het afkopen van mijn gemoedsrust! – die mensen er echt niet bovenop helpen. Wat het bovendien is; ondanks dat ik weet dat je leven op orde krijgen tijd kost, zie ik Ruurd, de Wolfman en de Albino al zes jaar bedelen. Ik kan zien wanneer ze hun maandelijkse knip- en scheerbeurt hebben gehad, wanneer ze nieuwe kleren hebben gekregen, wanneer er weer wat eten in hun pens zit. En als ik Popeye tegenkom bij afdeling met zijden lakens, moet de volgende truc die hij uithaalt om geld los te kloppen wel zó goed zijn dat hij er zijn brood mee zou kunnen verdienen. Wellicht een carrièrepad...
En de moraal van het verhaal? Als je de zwervereconomie echt wilt opkrikken, moet je je fiets laten jatten en hem vervolgens terugkopen.
Oneerlijk, readertje lief, cru, unfair? Het leven is een pijpkaneel, maar waar sommige mensen erop sabbelen, worden anderen er mee op hun hoofd geslagen. Achterdocht is net zo'n groot goed als mededogen. Verrassend genoeg zijn het namelijk zelden de sabbelaars die slaan.
maandag 4 juni 2012
(Sc)huw
Vorige week kreeg ik mijn vierde huwelijksaanzoek. Ik heb altijd gedacht dat trouwen iets is waar je niet te lichtvoetig over moet denken en daarom zouden woorden in de strekking 'wil je met me/ik wil met je trouwen! 'niet te snel over je lippen moeten komen. Ook ben ik van mening dat goed echtgenootschap kennis over de partner vereist; dit kan men bijvoorbeeld opdoen in samenwonen of daten.
Toch zijn alle aanzoeken gedaan door vreemden. Vleiend? Oordeel zelf.
Het eerste aanzoek kwam van een wat oudere Marokkaan die verklaarde dat ik goede heupen had voor een kind of vier, en dat ik snel moest beslissen omdat ik al wat ouder was, maar dat hij me wel uit de brand wilde helpen omdat ik er uit zag alsof ik lekker kon koken.
Het tweede aanzoek kwam van een rasechte Uterregter die me vertelde dat hij ooit een Afrikaanse vriendin had gehad die zo atletisch was in de slaapkamer dat hij niet meer terug wilde. (Ik durfde niet verder te vragen, dat begrijpt u.) Helaas 'háátsewel wááknake váánnem gejáát' en toen was het over meddeliefde. Maar hij 'zaggameiauge datsjik eahlak wasj', en als ik het echt nodig vond onze liefde te bezegelen met een ring, mocht ik die vandaag nog uitzoeken bij de Kijkshop. Is dat even mazzel hebben...
Het derde aanzoek kwam van een Zeeuw wiens kind ik mee naar huis had genomen als het had gekund – ik zeg wel dat ik niet zo van kinderen houd, maar dat is niet helemaal waar. Ik houd vooral niet van onopgevoede kinderen. Dit kindje had kuiltjes in zijn wangen, donkerblonde krullen, pientere groene ogen en een gulle, vijftandige lach die even groot was als zijn aanhankelijkheid. Nadat ik het kind al onder mijn arm had gestoken en wilde vertrekken vroeg de paps of ik niet mee naar zijn huis wilde, want het was zo'n zooitje thuis en het klikte tussen mij en zijn zoontje... Toen ik, half in scherts, aangaf het niet te zien zitten langdurig samen te wonen zonder echtelijke verbintenis, stelde hij voor om te trouwen. Eerlijk is eerlijk; kousen zijn niet mijn cup of tea, maar wat me werkelijk tegenhield was het lage werkgelegenheidscijfer in Goeree.
Afgelopen week dus aanzoek nummer vier. Ik fietste naar mijn afspraak toen me de weg werd versperd door mijn verloofde in spé. Ik was hem al vaker tegengekomen maar had zijn pogingen tot koffiedrinken en leuke dingen doen altijd afgewimpeld, omdat ik hem niet leuk genoeg vond. Hij zou ongetwijfeld iemand heel gelukkig maken op een dag, maar niet vandaag en zeker mij niet. Dat hij me de weg versperde vond ik vrijpostig, maar zijn vasthoudendheid was aandoenlijk, daarom stopte ik.
'Je hebt nooit tijd voor me, ben je zo druk?!' barstte hij uit op mijn protesten. 'Hoe moet dat als we getrouwd zijn?' Gierende remmen!, hoorde ik dat goed?! Schamperheid overwon. 'Je kent me niet eens, hoe kunnen we dan trouwen?!' De jongen kijkt me grijnzend aan. 'Ik ken je niet, maar ik voel dat je de perfecte vrouw voor me bent. Ik hoef je niet te kennen om dat te weten. Neem me maar mee naar je moeder, want ik wil met je trouwen!'
Hahaha. Nou wordt 'íe mooi. De jongen grijnst nog steeds. Hij doet me denken aan een hondje, niet omdat hij hijgt of vanwege zijn tomeloze enthousiasme, maar omdat hij zijn mond niet dicht schijnt te kunnen doen. Ik word afgeleid door een van de snijtanden in zijn regelmatig onregelmatig gebit; zijn tanden staan in serie scheef, maar deze tand steekt uit de rij en heeft een geheel eigen wil. Ik ben bang dat er gif uit komt als ik te dichtbij kom. Zijn dreadlocks werken evenmin mee aan zijn representativiteit. En mijn afspraak wacht.
'Ik voel me gevleid, en moet je vriendelijk bedanken – ik zal niet met je trouwen.' Ik breek het gesprek af en fiets door, met een glimlach op mijn gezicht die de zijne evenaart. Het is fijn dat hij aangeeft mijn familie te willen leren kennen in plaats van me een leven als baarmachine, huishoudster of kok in het vooruitzicht te stellen alsof het een hemelse positie was. Maar trouwen met een onbekende, dat gaat zelfs mij te ver.
Al zal ik voorlopig met niemand in het huwelijk treden, deze komt bij de collectie. Een man die verantwoordelijkheid niet schuwt, blijft zijn leven lang gelukkig gehuwd...
PS. Lees ook: (Sc)huw (2)
Toch zijn alle aanzoeken gedaan door vreemden. Vleiend? Oordeel zelf.
Het eerste aanzoek kwam van een wat oudere Marokkaan die verklaarde dat ik goede heupen had voor een kind of vier, en dat ik snel moest beslissen omdat ik al wat ouder was, maar dat hij me wel uit de brand wilde helpen omdat ik er uit zag alsof ik lekker kon koken.
Het tweede aanzoek kwam van een rasechte Uterregter die me vertelde dat hij ooit een Afrikaanse vriendin had gehad die zo atletisch was in de slaapkamer dat hij niet meer terug wilde. (Ik durfde niet verder te vragen, dat begrijpt u.) Helaas 'háátsewel wááknake váánnem gejáát' en toen was het over meddeliefde. Maar hij 'zaggameiauge datsjik eahlak wasj', en als ik het echt nodig vond onze liefde te bezegelen met een ring, mocht ik die vandaag nog uitzoeken bij de Kijkshop. Is dat even mazzel hebben...
Het derde aanzoek kwam van een Zeeuw wiens kind ik mee naar huis had genomen als het had gekund – ik zeg wel dat ik niet zo van kinderen houd, maar dat is niet helemaal waar. Ik houd vooral niet van onopgevoede kinderen. Dit kindje had kuiltjes in zijn wangen, donkerblonde krullen, pientere groene ogen en een gulle, vijftandige lach die even groot was als zijn aanhankelijkheid. Nadat ik het kind al onder mijn arm had gestoken en wilde vertrekken vroeg de paps of ik niet mee naar zijn huis wilde, want het was zo'n zooitje thuis en het klikte tussen mij en zijn zoontje... Toen ik, half in scherts, aangaf het niet te zien zitten langdurig samen te wonen zonder echtelijke verbintenis, stelde hij voor om te trouwen. Eerlijk is eerlijk; kousen zijn niet mijn cup of tea, maar wat me werkelijk tegenhield was het lage werkgelegenheidscijfer in Goeree.
Afgelopen week dus aanzoek nummer vier. Ik fietste naar mijn afspraak toen me de weg werd versperd door mijn verloofde in spé. Ik was hem al vaker tegengekomen maar had zijn pogingen tot koffiedrinken en leuke dingen doen altijd afgewimpeld, omdat ik hem niet leuk genoeg vond. Hij zou ongetwijfeld iemand heel gelukkig maken op een dag, maar niet vandaag en zeker mij niet. Dat hij me de weg versperde vond ik vrijpostig, maar zijn vasthoudendheid was aandoenlijk, daarom stopte ik.
'Je hebt nooit tijd voor me, ben je zo druk?!' barstte hij uit op mijn protesten. 'Hoe moet dat als we getrouwd zijn?' Gierende remmen!, hoorde ik dat goed?! Schamperheid overwon. 'Je kent me niet eens, hoe kunnen we dan trouwen?!' De jongen kijkt me grijnzend aan. 'Ik ken je niet, maar ik voel dat je de perfecte vrouw voor me bent. Ik hoef je niet te kennen om dat te weten. Neem me maar mee naar je moeder, want ik wil met je trouwen!'
Hahaha. Nou wordt 'íe mooi. De jongen grijnst nog steeds. Hij doet me denken aan een hondje, niet omdat hij hijgt of vanwege zijn tomeloze enthousiasme, maar omdat hij zijn mond niet dicht schijnt te kunnen doen. Ik word afgeleid door een van de snijtanden in zijn regelmatig onregelmatig gebit; zijn tanden staan in serie scheef, maar deze tand steekt uit de rij en heeft een geheel eigen wil. Ik ben bang dat er gif uit komt als ik te dichtbij kom. Zijn dreadlocks werken evenmin mee aan zijn representativiteit. En mijn afspraak wacht.
'Ik voel me gevleid, en moet je vriendelijk bedanken – ik zal niet met je trouwen.' Ik breek het gesprek af en fiets door, met een glimlach op mijn gezicht die de zijne evenaart. Het is fijn dat hij aangeeft mijn familie te willen leren kennen in plaats van me een leven als baarmachine, huishoudster of kok in het vooruitzicht te stellen alsof het een hemelse positie was. Maar trouwen met een onbekende, dat gaat zelfs mij te ver.
Al zal ik voorlopig met niemand in het huwelijk treden, deze komt bij de collectie. Een man die verantwoordelijkheid niet schuwt, blijft zijn leven lang gelukkig gehuwd...
PS. Lees ook: (Sc)huw (2)
zondag 3 juni 2012
Staartje
Een verhaal uit de kroeg, reader-dear, voor deze troosteloze zondagmiddag. Luisterend naar de Kings of Leon ruim ik de resten van mijn weekend op. Een aantal uur hiervoor stond ik in een plaatselijke kroeg water en cola te drinken nadat de welwillende barman in kroeg één me drie vreselijk sterke mojito's had toegeschoven. Ik had een logee die jonger was dan ik en voelde me ondanks haar meerderjarigheid toch verantwoordelijk, dus een kleine alcoholpauze leek me verantwoord.
Met Koninginnenacht was ik uit met dezelfde dame en toen hadden we in één kroeg zoveel pret dat we niet verder hoefden te kijken. Zo vlot verliep het gisteren niet. Lompe kerels, vertrapte tenen en lallende apen maakten dat we ons gerief ergens anders zochten. Om u een idee te geven; één jongen vond het nodig om mijn metgezel, slank en in de twintig, zonder gene te vergelijken met Michelle Obama. Vanaf toen was de toon wel gezet.
In kroeg nummer twee was het zo vreselijk druk dat we besloten niet naar binnen te gaan. In de tijd dat ik met een oude bekende aan het kletsen was, vroeg een leuke jongen advies aan mijn vriendin. Kroeg nummer drie zag er veelbelovender uit. De belichting en de locatie leken op een schoolfeest in de aula, maar er was ademruimte, de mannen leken hoffelijker en ze roken beter. De leuke jongen van kroeg twee kwam ook binnen en raakte opnieuw aan de praat met mijn vriendin. Mijn blik kruiste die van een lange jongen met een staartje. Onze blikken bleven elkaar kruisen, maar hij zocht geen toenadering.
Ondertussen kletste ik wat met andere mannen. Af en toe toe kwam Staartje langsgestiefeld. Ik weet niet wat de reden was dat hij me niet aansprak – het leek erop dat hij dat wel wilde – maar zelfs als ik (bewust!) alleen was, kwam het er niet van. Ik verloor hem tenslotte uit het oog.
Moe van wat ik interpreteerde als een gebrek aan wil van alle mannen die ik die avond had gezien, ging ik uiteindelijk maar naar buiten om te wachten op mijn vriendinnetje. Toen ik even stond te wachten, kwam Staartje tot mijn verbazing langs de deur. Opnieuw kreeg ik van hem een broeierige blik. Omdat ik weg ging, besloot ik hem toch maar aan te spreken, tegen mijn nurture in (ja, u leest het goed, Patty boekt progressie!) Hij vroeg me mee naar binnen: 'Laten we dansen!' We dansten niet, we kletsten. Hij dacht dat ik Marokkaans was, wat ik erg grappig vond. Na een paar minuten moest ik me verontschuldigen – mijn vriendinnetje stond te wachten, zoals we hadden afgesproken. 'Het spijt me, ik moet nu weg. Ik heb hier de hele avond gestaan... aan mij heeft het niet gelegen!'
Nu ik er over nadenk kwam dat misschien wat verwijtend over, maar ik bedoelde het als verontschuldiging, niet als verwijt. Of misschien een klein beetje dan – ik begreep het niet, en mannen zonder initiatief vind ik bovendien zeer ergerniswekkend, helemaal als ze leuk zijn en mij ook interessant lijken te vinden. De simpele verklaring hiervoor is deze: als je te verlegen bent om me aan te spreken, hoe zouden we dan ooit met elkaar in contact moeten komen?! Ergerlijk...
Was het echter maar zo simpel,want dat is het dus niet altijd. En aangezien ik mij aangetrokken voelde tot Staartje, was ik wat coulanter in mijn oordeel en sprak hem aan. Echte mannen bellen, echte mannen bieden me een drankje aan, echte mannen benaderen mij, benaderen mij, want ze weten dat ik hun hoofd er niet af zal bijten en zijn daar bovendien niet bang voor. Maar dit was Staartje, Echte Man En Hoe! Maar Misschien Niet Op Dat Vlak. Blijkbaar was het beantwoorden van zijn smeulende blikken niet genoeg. Mocht hij twijfelen aan mijn interesse in hem, dan had ik de twijfel hiermee weggenomen, dacht ik zo.
Hij greep de aankondiging van mijn op handen zijnde vertrek niet aan om mijn nummer te vragen, wat me verbaasde, en, lieve lezer, mijn ego een tikje krenkte. Ik kom normaliter nóóit in die kroeg en voor sommige dingen krijg je maar één kans. Ik was een en al sterrenoog, zachtglanzende welwillendheid en karamelkleurig begrip en had niet voor niets teruggelonkt. Ik vond dat ik hem al een reusachtige voorzet had gegeven door hem aan te spreken en vreesde hem en mijzelf te schofferen als ik hem mijn nummer aan zou bieden. I'm a pretty girl and I don't wanna... Mijn karamel begrip is toffeezoet maar niet oneindig elastisch.
Wat voor reden hij ook mag hebben gehad, het heeft geen zin te speculeren. Toch is dat fijn. Misschien heeft 'ie een vriendin, vond 'ie me niet Marokkaans genoeg, is hij echt te verlegen of wil hij me gewoon niet nog een keer zien. Het kan allemaal en de helft van die verklaringen maken dat ik vrede krijg met iets wat niet is gelopen zoals ik graag gewild had, maar waar ik geen invloed op kan of moet willen uitoefenen. Ik verlies me niet graag in kinderachtige details, maar dit zijn voor mij de basics in interseksueel contact. Als je als man mijn nummer niet vraagt, wil je niet graag genoeg. En hoewel ik die beslissing respecteer, zou het minder jammer zijn als ik de reden er achter wist.
De herinnering mag op de brandstapel, want als ik hem nog een keer zou zien, is er plek nodig voor nieuwe – gesteld dat hij mijn nummer dan wel zou vragen. Anders blijft hij gewoon de man die mijn avond opleukte. Hopelijk krijgt deze escapade echter nog een Staartje.
Met Koninginnenacht was ik uit met dezelfde dame en toen hadden we in één kroeg zoveel pret dat we niet verder hoefden te kijken. Zo vlot verliep het gisteren niet. Lompe kerels, vertrapte tenen en lallende apen maakten dat we ons gerief ergens anders zochten. Om u een idee te geven; één jongen vond het nodig om mijn metgezel, slank en in de twintig, zonder gene te vergelijken met Michelle Obama. Vanaf toen was de toon wel gezet.
In kroeg nummer twee was het zo vreselijk druk dat we besloten niet naar binnen te gaan. In de tijd dat ik met een oude bekende aan het kletsen was, vroeg een leuke jongen advies aan mijn vriendin. Kroeg nummer drie zag er veelbelovender uit. De belichting en de locatie leken op een schoolfeest in de aula, maar er was ademruimte, de mannen leken hoffelijker en ze roken beter. De leuke jongen van kroeg twee kwam ook binnen en raakte opnieuw aan de praat met mijn vriendin. Mijn blik kruiste die van een lange jongen met een staartje. Onze blikken bleven elkaar kruisen, maar hij zocht geen toenadering.
Ondertussen kletste ik wat met andere mannen. Af en toe toe kwam Staartje langsgestiefeld. Ik weet niet wat de reden was dat hij me niet aansprak – het leek erop dat hij dat wel wilde – maar zelfs als ik (bewust!) alleen was, kwam het er niet van. Ik verloor hem tenslotte uit het oog.
Moe van wat ik interpreteerde als een gebrek aan wil van alle mannen die ik die avond had gezien, ging ik uiteindelijk maar naar buiten om te wachten op mijn vriendinnetje. Toen ik even stond te wachten, kwam Staartje tot mijn verbazing langs de deur. Opnieuw kreeg ik van hem een broeierige blik. Omdat ik weg ging, besloot ik hem toch maar aan te spreken, tegen mijn nurture in (ja, u leest het goed, Patty boekt progressie!) Hij vroeg me mee naar binnen: 'Laten we dansen!' We dansten niet, we kletsten. Hij dacht dat ik Marokkaans was, wat ik erg grappig vond. Na een paar minuten moest ik me verontschuldigen – mijn vriendinnetje stond te wachten, zoals we hadden afgesproken. 'Het spijt me, ik moet nu weg. Ik heb hier de hele avond gestaan... aan mij heeft het niet gelegen!'
Nu ik er over nadenk kwam dat misschien wat verwijtend over, maar ik bedoelde het als verontschuldiging, niet als verwijt. Of misschien een klein beetje dan – ik begreep het niet, en mannen zonder initiatief vind ik bovendien zeer ergerniswekkend, helemaal als ze leuk zijn en mij ook interessant lijken te vinden. De simpele verklaring hiervoor is deze: als je te verlegen bent om me aan te spreken, hoe zouden we dan ooit met elkaar in contact moeten komen?! Ergerlijk...
Was het echter maar zo simpel,want dat is het dus niet altijd. En aangezien ik mij aangetrokken voelde tot Staartje, was ik wat coulanter in mijn oordeel en sprak hem aan. Echte mannen bellen, echte mannen bieden me een drankje aan, echte mannen benaderen mij, benaderen mij, want ze weten dat ik hun hoofd er niet af zal bijten en zijn daar bovendien niet bang voor. Maar dit was Staartje, Echte Man En Hoe! Maar Misschien Niet Op Dat Vlak. Blijkbaar was het beantwoorden van zijn smeulende blikken niet genoeg. Mocht hij twijfelen aan mijn interesse in hem, dan had ik de twijfel hiermee weggenomen, dacht ik zo.
Hij greep de aankondiging van mijn op handen zijnde vertrek niet aan om mijn nummer te vragen, wat me verbaasde, en, lieve lezer, mijn ego een tikje krenkte. Ik kom normaliter nóóit in die kroeg en voor sommige dingen krijg je maar één kans. Ik was een en al sterrenoog, zachtglanzende welwillendheid en karamelkleurig begrip en had niet voor niets teruggelonkt. Ik vond dat ik hem al een reusachtige voorzet had gegeven door hem aan te spreken en vreesde hem en mijzelf te schofferen als ik hem mijn nummer aan zou bieden. I'm a pretty girl and I don't wanna... Mijn karamel begrip is toffeezoet maar niet oneindig elastisch.
Wat voor reden hij ook mag hebben gehad, het heeft geen zin te speculeren. Toch is dat fijn. Misschien heeft 'ie een vriendin, vond 'ie me niet Marokkaans genoeg, is hij echt te verlegen of wil hij me gewoon niet nog een keer zien. Het kan allemaal en de helft van die verklaringen maken dat ik vrede krijg met iets wat niet is gelopen zoals ik graag gewild had, maar waar ik geen invloed op kan of moet willen uitoefenen. Ik verlies me niet graag in kinderachtige details, maar dit zijn voor mij de basics in interseksueel contact. Als je als man mijn nummer niet vraagt, wil je niet graag genoeg. En hoewel ik die beslissing respecteer, zou het minder jammer zijn als ik de reden er achter wist.
De herinnering mag op de brandstapel, want als ik hem nog een keer zou zien, is er plek nodig voor nieuwe – gesteld dat hij mijn nummer dan wel zou vragen. Anders blijft hij gewoon de man die mijn avond opleukte. Hopelijk krijgt deze escapade echter nog een Staartje.
Abonneren op:
Posts (Atom)