Dit, liever lezer, wordt een zeer persoonlijk en langdurig pleidooi met diepe emotionele wortels.
Ik wil ervoor pleiten, de vraag 'waar kom je vandaan' een zelfde reis te laten beleven als de vraag 'wat is je seksuele geaardheid'. In termen van politieke correctheid, bedoel ik. U wilt niet weten hoe vaak de vraag 'waar kom je vandaan' – en vele variaties hierop – mij gesteld is op grond van mijn uiterlijk en ik heb er genoeg van. Het maakt me boos, verdrietig, onzeker en wrevelig.
Laat ik de zaken nuanceren, oh lezer. Ik begrijp dat de vraag 'waar kom je vandaan' een vrij standaard gebruik is bij de kennismaking. Door de jaren heen heb ik ervaren dat mensen een ander antwoord verwachten dan ik dacht. In den beginne gaf ik altijd mijn woonplaats op als antwoord. Vervolgens de plek waar mijn middelbare school stond. Nog later de plaats waar mijn universiteit zich bevond, afgewisseld met de plek waar mijn ouders resideren. Als men niet tevreden was met deze antwoorden (vraag me niet waarom, want waarom zou dit niet genoeg zijn?) gaf ik bij uitzondering mijn geboorteplaats op, in de hoop hiermee voldaan te hebben aan de sociale wetten.
Maar voor sommigen was dit niet genoeg. Als ik als antwoord gaf: 'Blaricum' keken sommige mensen mij ongelovig of ongeduldig aan. 'Ja, vast wel. Maar ik bedoel: waar kom je oorspronkelijk vandaan?'
Ik vraag u, lieve lezer, wat bedoelt mijn vragensteller? Eens heb ik, verbaasd over zoveel pookzucht en nieuwsgierigheid, maar bereid tot pleasen, geduldig uitgelegd hoe mijn ouders elkaar hebben ontmoet. De vragensteller liep gewoon weg. Een andere keer kreeg ik als eerste vraag 'waar kom je vandaan?' toen 'ja, en wat is je achtergrond?' en daarna 'maar waar zijn je ouders geboren?' en 'maar waar liggen je roots dan?' Ook toen voldeden mijn antwoorden (Uit de buurt van Amsterdam, Literatuurwetenschap, Het zijn beiden stadsmensen, Eigenlijk ligt mijn hart bij de verkoop) wederom niet.
Ik ben niet achterlijk, lieve lezer. In het begin begreep ik oprecht niet wat men van mij verwachtte. U bent de eerste niet, laat ik dat voorop stellen. Ik krijg deze vragen al vanaf het moment dat ik mijn naam kan spellen. Wat mij naast het patroon in deze vragen opviel was dat mijn klasgenootje Kajal, geadopteerd door hartelijke gulle witte westerlingen die haar ongetwijfeld een beter bestaan boden dan ze bij haar moeder in Brazilië had gehad, de vraag ook kreeg. Maar Tjitske, melkwit, blauwogig en donkerblond, hoefde die vraag nooit te beantwoorden. En Wouter, Laura, Frederik en Thijs evenmin. Zelfs Sander, die rood haar had en van achteren McLaren heette, kreeg de vraag nooit.
In mijn basisschoolklas zaten maar twee niet-witte kinderen: Kajal en ik. In mijn tijd bestond het onderscheid tussen 'witte' en 'zwarte' scholen nog niet, maar ik kan met recht stellen dat mijn basisschool toentertijd een witte school was. Politiek witte kinderen, uit het midden- of hogere inkomenssegment, met klinkende namen en welgestelde achtergronden. En hoewel ik zoals altijd aarzel om mijzelf met wie dan ook over één kam te scheren hadden Kajal en ik alles met de anderen gemeen, behalve onze niet-witte huidskleur.
Als iemand Kajal vroeg waar ze vandaan kwam, vertelde ze altijd dat ze geadopteerd was. De tevredenheid die ik op gezichten zag verschijnen als ze zei: 'Ik ben geboren in Sao Paulo, maar ik ben geadopteerd!' maakten me duidelijk dat het goed zou zijn als ik ook zoiets zou zeggen. Mondhoeken krulden, ogen glansden, tanden blikkerden bij de ontdekking van een nieuwe exoot die al even gretig voldeed aan de verwachtingen. En daar wringt bij mij de schoen. Ik ben namelijk niet geadopteerd. Mijn 'afkomst', hoever je ook terug wil gaan, is in mijn ogen even exotisch als aardappelen geteeld in klei.
Ik ben geen diplomatenkind. Ik heb best wat trans-Atlantische vakanties achter de rug, maar veel exotischer dan dat wordt het niet. En inderdaad, mijn beide ouders zijn ook 'gewoon' geboren op Nederland grondgebied. Want stilzwijgend is dat ook de norm, dus als ik de vraag terúg stel ('En waar kom jij vandaan?') wordt er, na een verbaasde stilte, verklaard dat men 'gewoon' uit Diemen komt, of Utrecht, of 'gewoon' uit Limburg.
Let u op? Voor 'normale' mensen is het noemen van een provincie afdoende, terwijl ik nog geacht word de namen van de vingers van de arts die me opving toen ik geboren werd te specificeren.
Wat is de kern van mijn bezwaar, gewaardeerde lezer? Welnu!
De vraag 'waar kom je vandaan' sluit ieder antwoord in de strekking van 'hier' al uit nog voor 'kom' de mond uit is. Op grond van mijn uiterlijk wentelt de aanname, nee, de zekerheid dat ik niet 'van hier' kan komen, mag komen, zich in haar warme bed. Op grond van mijn haar en huidskleur mag mij de vraag 'waar kom je vandaan' opnieuw en opnieuw gesteld worden, tot het gewenste antwoord is opgediept, ook als dat antwoord niet bestaat. Mensen willen horen over adoptie, één of twee migrante ouders (of op z'n minst niet-wit) hechtings- en aanpassingsproblemen en als het meezit een vaderloze en gewelddadige jeugd, die ik hen niet geven kan.
Dit laatste is niet helemaal eerlijk, lezer, dat weet ik. Maar letterlijke en politieke kleur gaan vaak hand in hand, dat weet u net zo goed als ik.
Een tijdje heb ik er over gelogen en totale onzinverhalen opgedist. Af en toe verzon ik mooie exotische herkomsten voor mijzelf. Vaker hoefde ik zaken alleen maar te beamen ('Inderdaad, ik kom uit Brazilie!' 'Ja, ik ben Marokkaans!' 'Ja hoor, ik kom van de Kaapverdische Eilanden, alle zestien...') Het viel me op dat mensen niet eens luisterden naar wat ik zei, zolang ze hun eigen vermoedens en verwachtingen maar bevestigd zagen. ('Oh ja? wat leuk! Ik ken ook iemand die in Tanger op vakantie is geweest!') Verder zijn er nog de echte stommelingen ('Nederlands is een heel moeilijke taal, maar jij hebt helemaal geen accent! Geweldig!''Maar je hebt zo'n normale achternaam, dat had ik echt niet verwacht!') en de bewonderaars ('Je kunt vast goed dansen, het zit in je bloed....!')
Ik zal niet liegen, lieve lezer: mijn uiterlijk opent meer deuren dan dat er voor dichtgaan. Tegelijkertijd pas ik voor exotenfetisjisten m/v die vanwege een idee dat zij ooit ergens hebben gevormd, mijn hele wezen in dat idee willen proppen en me er nog op aanspreken als het niet blijkt te kloppen.
En het ergste is nog; ik ben altijd de gebeten hond. Geef ik het gewenste antwoord, dan betekent dat dat ik er op dezelfde bekrompen manier die ik vragenstellers verwijt vanuit ga dat mensen een 'etnisch' antwoord van mij verwachten, ook als dat niet zo hoeft te zijn. Geef ik niet het gewenste antwoord, dan is dat een uiting van de hechtings- en identiteitscrisis die ik heb opgelopen tijdens het adoptieproces en 'werk ik niet lekker mee'.
Laatst nog kreeg ik de vraag van een manspersoon die, op mijn ietwat ontwijkende antwoorden, verdedigde dat hij 'het heus niet erg vond, maar het gewoon wilde weten'. U heeft genoeg stukken van mij gelezen om te weten dat deze formulering op meerdere vlakken uitgelegd kan worden. Ik laat dat nu maar achterwege: wel wil ik kwijt dat mijn tenen spontaan de andere kant op krulden na deze vraag. (Dat kwam later helemaal goed, hoor.) Maar ik mocht deze manspersoon en ben ook niet te beroerd om toe te geven dat een groot deel van dit complex zich in mijn hoofd afspeelt. Dat zei ik dan ook tegen hem.
Ik vind het niet fijn om over mijn etnische afkomst te moeten vertellen omdat het anderen de macht geeft om mij buiten te sluiten, en het verschil tussen henzelf en mijzelf te benadrukken. Ik kan het dan ook moeilijk geloven als er onder het mom van 'belangstelling en verder niets' naar mijn etniciteit gevraagd wordt. Het feit dat er wordt doorgevraagd als ik een eerste antwoord geef, bewijst dit. Want hoewel het verschil tussen mij en politiek witte anderen miniem is – het zit 'm alleen in mijn huidskleur – is het zichtbaar en onontkenbaar. Ik zeg niet dat de vragensteller liegt, ik denk dat hij of zij zich niet bewust is van het kleine deel, misschien twee of vijf procent, aan andere motieven dat de belangstelling vertroebelt. Gewenning, verwachting, sensatiezucht, exotenfetisjisme. Als het toch niet uitmaakt 'waar ik vandaan kom', waarom er dan überhaupt naar vragen?
Nog meer emotieve argumenten? Goed dan. Deel twee: het impliceert dat ik niet meer ben dan mijn uiterlijk. Deel drie: het geeft me het gevoel dat ik mijn bestaan moet verantwoorden. Deel vier: het voegt niets toe aan wie ik ben. Al grijpt dit eigenlijk terug op deel twee: ik ben bang om gereduceerd te worden tot het idee in iemands hoofd op grond van mijn uiterlijk, zonder dat ik er iets tegen kan doen, zelfs als het een positief idee is. Deel vijf: ik vind dat ik net zoals ieder 'normaal' persoon – en hiermee bedoel ik iedereen wiens etniciteit niet zichtbaar is in zijn uiterlijk of naam – het recht heb om mijn historie te laten beginnen bij mijzelf.
Wat hebben mijn voorouders, anders dan mijn directe ouders en wellicht mijn grootouders van beide kanten, te maken met de persoon die ben vandaag de dag? Vrij weinig. Eigenlijk niets. Bovendien heeft iedereen binnen vijf generaties wel een Indonesische, Marokkaanse, Franse, Surinaamse, Hongaarse, Molukse of Duitse voorouder. Ik vind het oneerlijk dat ik mijn stamboom aan vreemden uit moet tekenen, alleen maar omdat ik er niet-wit uitzie. En hieruit komt deel zes: ik vind mijn historie persoonlijk, net zo persoonlijk als mijn BH-maat, die ik ook niet bij de eerste ontmoeting aan iemand prijsgeef (en als het niet hoeft, helemaal nooit.) Waarom is het wel taboe om daarnaar te vragen nadat je me de hand hebt geschud, maar mag je me wel 'ter verantwoording roepen' over mijn niet-witte uiterlijk? Want zo voelt het, lieve lezer; iedere keer dat iemand vraagt 'waar kom je vandaan', voel ik me voor het blok gezet, veroordeeld, geobjectiveerd, buitenspel gezet. Uitgekleed.
Emoties, lieve lezer. Angst, woede, frustraties. Het feit dat ik deze vragen al meer dan twintig jaar krijg, draagt eraan bij. Maar wat wil ik van u?
Ik haast me te zeggen dat bovenstaand relaas persoonlijk is. Ik zou niet durven stellen dat dit voor iemand anders geldt anders dan voor mijzelf en dan nog heb ik er op sommige dagen meer last van dan op andere. Wat ik wel merk is dat de bal emoties – die ik op het moment van de vraag niet met goed fatsoen hard kan laten stuiteren om redenen die hierboven staan beschreven – steeds vuriger en groter wordt. En ik weet niet of dat iets goeds is. Ik denk eigenlijk van niet. Gelukkig kan ik erover schrijven.
Wat ik van u verlang? De volgende keer dat u iemand ontmoet waarvan u het naadje van de etnische kous wil weten, bijt u dan eens op uw lip. Met een beetje geluk is het een type Kajal en worden al uw exotismevragen als vanzelf beantwoord. Als u geen Kajal treft getuigt het van (nog meer) respect als u met het stellen van de vraag wacht tot u intiem genoeg bent om naar haar BH-maat te vragen, als haar afkomst u dan nog interesseert. In termen van intimiteit delen zij immers een voetstuk. Probeer het eens. Laat u verrassen. Stap buiten het hok. Voor zover dat mogelijk is...
woensdag 26 oktober 2011
Ondergoed
Labels:
emotie,
etniciteit,
identiteit,
klasse,
kleur
dinsdag 18 oktober 2011
Ui(tje)
Zaterdagmiddag, vespertijd. Naast mij op het blauwe bankje zit een meisje dat een ijsje eet. Tegenover haar zit haar vriendinnetje, dat hetzelfde doet. Ik heb mijn muziek zo zacht staan dat ik ze kan horen. Wat ik zie: degelijke panties, Geox-ballerina's, knielange rokken, en een jongen die voorbij stormt. Aan de gepijnigde blik in zijn wanhopige ogen denk ik te merken dat hij een wc zoekt. Een paar weken tevoren had ik diezelfde blik in mijn ogen en de pijn straalde uit naar mijn blaas. Over een aantal minuten zal de gruwelijke waarheid ook hem ten deel vallen: deze trein heeft geen wc. Arme kerel.
De trein vertrekt richting Arnhem. Mijn kleine coupégezellen hebben gewinkeld met z'n tweeën. Ik schat ze een jaar of dertien, maar tegelijkertijd heeft vooral die ene iets tijdloos over zich. Ze zien eruit alsof ze gereformeerd zijn, maar niet ouderwets of overdreven preuts, zoals je dat weleens ziet bij gereformeerde vrouwen. Neen, dit zijn Esprit-gereformeerden uit het hogere segment. Of tenminste wannabe-Esprit. Maar toch bezitten ze die troosteloze tijdloosheid die eenenveertig niet van eenentwintig onderscheidt.
Ik stel me voor dat Sjoukje en Machteld, roepnaam Maggi, vanmorgen gezellig naar Utrecht zijn getogen om daar eens lekker stout de bloemetjes buiten te zetten. Moeders heeft ze op het hart gedrukt om goed op elkaar te passen en niet te praten met vreemden. De C&A werd bezocht, de V&D, en die sletterige winkel waar je met je moeder nooit ingaat: de H&M. En na een lange dag is de tijd nu rijp om terug te keren naar Veenendaal. Net op tijd voor het avondeten.
Ach, lieve lezer, het kost me weinig moeite Sjoukje en Machteld af te schilderen als twee kleine provinciaaltjes. Maar als de doorgewinterde stedeling die ik graag pretendeer te zijn meen ik de stichtelijkheid door de gier en hun hooggesloten shirtjes heen te ruiken. Sjoukje heeft een kleine onderbeet die haar in de loop der jaren nog onaantrekkelijker zal maken. Nu geeft het haar gezicht iets onnozels. Samen met haar rode brilletje met rond montuur (lang leve de kinderbril!) verleent het haar suffige autoriteit en een voorzichtige schattigheid. Al zal ze die niet nodig hebben als ze over vijf jaar trouwt met Gértjan, de zoon van de slager.
Nicht Machteld, roepnaam Maggi, lijkt me de oudste. Ze heeft een iets kleiner ijsje dan haar nicht en is sneller klaar. Uit haar nu al ietwat pafferig en deegkleurig gezicht met fijne, gesprongen adertjes spreekt een jeugd vol koude winters, fietstochten van Veenendaal naar het Lodenstein in Hoevelaken en doorgekookte stamppot met maagzuurjus en uitgelopen uien. Haar bleekblauwe ogen staan hard. In tegenstelling tot haar nicht, die er wat softer uitziet, wekt Machteld de indruk dat ze je zal neerhoeken als je haar Maggi noemt terwijl ze dat niet wil. Het woord stevig is hier nu eens wel op zijn plaats. Het is niet dat ze dik is, nee, nu nog niet. Maar uit haar hele voorkomen straalt een potigheid die je niet zou verwachten bij een meisje van die leeftijd – gesteld dat ze niet stiekem tóch eenentwintig is.
Nu Sjoukje ook klaar is met haar ijsje, richt ze zich op het informatiebord, dat aangeeft wanneer de trein Veenendaal zal bereiken. Eerlijk is eerlijk, de meisjes zijn heel bedeesd en rustig. Ik heb geen last van ze en dat is weleens anders. (Rails) Ergens vind ik het fijn om te zien dat ze geen mascara of lippgloss dragen en met elkaar praten, in plaats van met hun telefoons. Al zijn ze aan het kibbelen. Machteld heeft een telefoon, wellicht de telefoon, waarmee ze contact houdt met de persoon die hen van het station komt halen. Toen de trein vertrok was de verwachting dat hij Veenendaal-West om 18.30 zou bereiken. Dit is dan ook het tijdstip dat er is gecommuniceerd naar het thuisfront. Bij station Bunnik blijkt echter dat de trein drie hele minuten vertraagd is. Sjoukjes stress en bijbehorende paniek hierom worden door Machteld verstandig en snel afgewend met een sms. Bij station Driebergen is de voorspelling echter alweer veranderd. Er komt een conducteur langs. In de rozerode portemonnee van Sjoukje zie ik een kaartje steken met de tekst God's antwoord (nee, die apostrof verzin ik niet) en daaronder iets wat op een set aanwijzingen lijkt.
'Nu moet die trein niet nog sneller gaan rijden – ik heb net ge-smst dat we er om tien over half zullen zijn!' snibt Machteld. 'Nee hoor, je hebt naar het verkeerde station gekeken!' Boze bleekblauwe blik. Een zucht. 'Nee lieve schat, kijk dan! Jij kijkt naar Veenendaal, maar je moet naar Veenendaal-WEST kijken, sukkel, duhhus!' 'Oh ja....je hebt gelijk...' Einde dis. Sjoukje heeft een dikke huid, dat heb ik allang gezien. Alsof het de persoon die op ze staat te wachten uit zal maken of ze om half precies of om drie over half aankomen. Maar dat gaat het brein van een dertienjarige natuurlijk te boven. En afspraak is afspraak.
Vechtlustig steekt Sjoukje haar prominente onderkaak nog een stukje naar voren. Doe maar niet, kind. Je wordt er niet knapper van. 'Nou ja, dan moet ze maar even wachten, hoor!' Machteld reageert niet. Het gesprek neemt een andere wending en Sjoukje vraagt zich hardop af, waar het piepsignaal toe dient dat klinkt als de deuren van de trein zich sluiten. Wederom wordt ze hard gedist door Machteld: 'Ei, denk eens na!' Want, zo stelt Machteld, het piepsignaal is er om vogels van de treinkabels te verjagen.
Ik bijt op mijn lip. Sjoukje zou er beter aan doen het kaartje uit haar portemonnee nog eens te raadplegen in plaats van haar heil bij Machteld te zoeken. Dat zou haar een hoop onnodige bokken schelen. Als de trein wegrijdt zie ik hoe ze verder bakkeleien.
Me dunkt dat Maggi misschien maar met Gértjan moet trouwen, dan kan ze zich richten op het afblaffen van haar eigen talrijke kroost. Onderbeet-Sjoukje vindt wel iemand anders die haar centenbakje wil zoenen. Ze is dan wel vrij onaantrekkelijk, uiteindelijk verliezen een hoop mensen hun looks. Bovendien schijnt het bij gereformeerden (met een grote G) niet om het uiterlijk te gaan, maar om innerlijke waarden als vergevingsgezindheid, een sterk bekken, zuinigheid en naastenliefde. Als je na de wittebroodsweken slechts een zoutpilaar hebt om op terug te vallen, voel je je toch bekocht. Dan ben je met een lief-en-lelijk meisje met een huid als een ui toch beter af. Ook al heeft ze klapkuiten.
Ik hoop in ieder geval dat de trein op tijd aankomt in Veenendaal-West, zodat de balkenbrij nog warm is. En dat de vogels die op de treinkabels zitten Maggi een 'triple chocolate'-koekje van eigen deeg geven. Dat zou een goede combi vormen met de verdroogd-zure rozijn van haar innerlijk en haar deegachtige complexie. Halvegare.
De trein vertrekt richting Arnhem. Mijn kleine coupégezellen hebben gewinkeld met z'n tweeën. Ik schat ze een jaar of dertien, maar tegelijkertijd heeft vooral die ene iets tijdloos over zich. Ze zien eruit alsof ze gereformeerd zijn, maar niet ouderwets of overdreven preuts, zoals je dat weleens ziet bij gereformeerde vrouwen. Neen, dit zijn Esprit-gereformeerden uit het hogere segment. Of tenminste wannabe-Esprit. Maar toch bezitten ze die troosteloze tijdloosheid die eenenveertig niet van eenentwintig onderscheidt.
Ik stel me voor dat Sjoukje en Machteld, roepnaam Maggi, vanmorgen gezellig naar Utrecht zijn getogen om daar eens lekker stout de bloemetjes buiten te zetten. Moeders heeft ze op het hart gedrukt om goed op elkaar te passen en niet te praten met vreemden. De C&A werd bezocht, de V&D, en die sletterige winkel waar je met je moeder nooit ingaat: de H&M. En na een lange dag is de tijd nu rijp om terug te keren naar Veenendaal. Net op tijd voor het avondeten.
Ach, lieve lezer, het kost me weinig moeite Sjoukje en Machteld af te schilderen als twee kleine provinciaaltjes. Maar als de doorgewinterde stedeling die ik graag pretendeer te zijn meen ik de stichtelijkheid door de gier en hun hooggesloten shirtjes heen te ruiken. Sjoukje heeft een kleine onderbeet die haar in de loop der jaren nog onaantrekkelijker zal maken. Nu geeft het haar gezicht iets onnozels. Samen met haar rode brilletje met rond montuur (lang leve de kinderbril!) verleent het haar suffige autoriteit en een voorzichtige schattigheid. Al zal ze die niet nodig hebben als ze over vijf jaar trouwt met Gértjan, de zoon van de slager.
Nicht Machteld, roepnaam Maggi, lijkt me de oudste. Ze heeft een iets kleiner ijsje dan haar nicht en is sneller klaar. Uit haar nu al ietwat pafferig en deegkleurig gezicht met fijne, gesprongen adertjes spreekt een jeugd vol koude winters, fietstochten van Veenendaal naar het Lodenstein in Hoevelaken en doorgekookte stamppot met maagzuurjus en uitgelopen uien. Haar bleekblauwe ogen staan hard. In tegenstelling tot haar nicht, die er wat softer uitziet, wekt Machteld de indruk dat ze je zal neerhoeken als je haar Maggi noemt terwijl ze dat niet wil. Het woord stevig is hier nu eens wel op zijn plaats. Het is niet dat ze dik is, nee, nu nog niet. Maar uit haar hele voorkomen straalt een potigheid die je niet zou verwachten bij een meisje van die leeftijd – gesteld dat ze niet stiekem tóch eenentwintig is.
Nu Sjoukje ook klaar is met haar ijsje, richt ze zich op het informatiebord, dat aangeeft wanneer de trein Veenendaal zal bereiken. Eerlijk is eerlijk, de meisjes zijn heel bedeesd en rustig. Ik heb geen last van ze en dat is weleens anders. (Rails) Ergens vind ik het fijn om te zien dat ze geen mascara of lippgloss dragen en met elkaar praten, in plaats van met hun telefoons. Al zijn ze aan het kibbelen. Machteld heeft een telefoon, wellicht de telefoon, waarmee ze contact houdt met de persoon die hen van het station komt halen. Toen de trein vertrok was de verwachting dat hij Veenendaal-West om 18.30 zou bereiken. Dit is dan ook het tijdstip dat er is gecommuniceerd naar het thuisfront. Bij station Bunnik blijkt echter dat de trein drie hele minuten vertraagd is. Sjoukjes stress en bijbehorende paniek hierom worden door Machteld verstandig en snel afgewend met een sms. Bij station Driebergen is de voorspelling echter alweer veranderd. Er komt een conducteur langs. In de rozerode portemonnee van Sjoukje zie ik een kaartje steken met de tekst God's antwoord (nee, die apostrof verzin ik niet) en daaronder iets wat op een set aanwijzingen lijkt.
'Nu moet die trein niet nog sneller gaan rijden – ik heb net ge-smst dat we er om tien over half zullen zijn!' snibt Machteld. 'Nee hoor, je hebt naar het verkeerde station gekeken!' Boze bleekblauwe blik. Een zucht. 'Nee lieve schat, kijk dan! Jij kijkt naar Veenendaal, maar je moet naar Veenendaal-WEST kijken, sukkel, duhhus!' 'Oh ja....je hebt gelijk...' Einde dis. Sjoukje heeft een dikke huid, dat heb ik allang gezien. Alsof het de persoon die op ze staat te wachten uit zal maken of ze om half precies of om drie over half aankomen. Maar dat gaat het brein van een dertienjarige natuurlijk te boven. En afspraak is afspraak.
Vechtlustig steekt Sjoukje haar prominente onderkaak nog een stukje naar voren. Doe maar niet, kind. Je wordt er niet knapper van. 'Nou ja, dan moet ze maar even wachten, hoor!' Machteld reageert niet. Het gesprek neemt een andere wending en Sjoukje vraagt zich hardop af, waar het piepsignaal toe dient dat klinkt als de deuren van de trein zich sluiten. Wederom wordt ze hard gedist door Machteld: 'Ei, denk eens na!' Want, zo stelt Machteld, het piepsignaal is er om vogels van de treinkabels te verjagen.
Ik bijt op mijn lip. Sjoukje zou er beter aan doen het kaartje uit haar portemonnee nog eens te raadplegen in plaats van haar heil bij Machteld te zoeken. Dat zou haar een hoop onnodige bokken schelen. Als de trein wegrijdt zie ik hoe ze verder bakkeleien.
Me dunkt dat Maggi misschien maar met Gértjan moet trouwen, dan kan ze zich richten op het afblaffen van haar eigen talrijke kroost. Onderbeet-Sjoukje vindt wel iemand anders die haar centenbakje wil zoenen. Ze is dan wel vrij onaantrekkelijk, uiteindelijk verliezen een hoop mensen hun looks. Bovendien schijnt het bij gereformeerden (met een grote G) niet om het uiterlijk te gaan, maar om innerlijke waarden als vergevingsgezindheid, een sterk bekken, zuinigheid en naastenliefde. Als je na de wittebroodsweken slechts een zoutpilaar hebt om op terug te vallen, voel je je toch bekocht. Dan ben je met een lief-en-lelijk meisje met een huid als een ui toch beter af. Ook al heeft ze klapkuiten.
Ik hoop in ieder geval dat de trein op tijd aankomt in Veenendaal-West, zodat de balkenbrij nog warm is. En dat de vogels die op de treinkabels zitten Maggi een 'triple chocolate'-koekje van eigen deeg geven. Dat zou een goede combi vormen met de verdroogd-zure rozijn van haar innerlijk en haar deegachtige complexie. Halvegare.
donderdag 6 oktober 2011
Sleutel
Toen ik zaterdagnacht terugkwam van een avondje stappen trof ik mijn buurman aan voor de portiekdeur. Ik wist dat het mijn buurman was omdat ik een aantal weken geleden terugkwam van spinningles (zweterige verfomfaaide bedoeling, onflatteuze biefstukbroek, onverwachte ontmoeting) en hij toen de deur voor me openhield. Op de een of andere manier brengt hij me van mijn stuk, want ook toen stamelde ik een nerveuzig 'hoi' en liet mijn post, sleutels en sporttas beurtelings uit mijn handen vallen. Zonder hier gelijk een amoureus of label met bijbedoelingen aan te willen hangen – zoals gezegd, ik ken hem niet en onze ontmoetingen vonden in het donker plaats – kan ik wel zeggen dat het een imposant figuur is. Hij is lang, aantrekkelijk en rustig. Voor zover ik dat kan beoordelen.
Hoewel ik hem deze keer al bij de deur zag staan en me dus een beetje kon voorbereiden, was het deze keer niet anders. Eigenlijk is het niet de bedoeling dat je je fiets in het gemeenschappelijk portaal stalt maar ik had hem de volgende morgen weer nodig en als ik 'm daar zou stallen, zou dat zo'n tien minuten schelen. Aan zijn fiets te zien, was hij hetzelfde van plan.
Hij legde uit dat hij zijn voordeursleutel vergeten was. Ik vroeg hem, hoe hij dan zijn appartement binnen zou komen. Ik begreep eerst niet dat hij die sleutel wél bij zich had. In het ergste geval mocht hij wel een nachtje bij mij doorbrengen; hij kon moeilijk in het trappenhuis slapen! Maar zover kwam het gelukkig niet. 'Dus ik ben blij dat jij er bent! Anders had ik via het balkon naar binnen moeten klimmen; dat heb ik wel vaker gedaan!' Oh. Okee. We liepen samen naar binnen en hij wachtte geduldig tot ik mijn fiets gestald had. Mijn slot wilde niet, mijn oordopjes raakten verstrikt in mijn spaken, ik stootte mijzelf in het kruis met mijn bagagedrager en tot overmaat van ramp stroomde er plotseling snot over mijn bovenlip en ik had geen zakdoekje bij de hand. Ge.Nant. Ik probeerde het vocht zo discreet mogelijk weg te vegen en bleef in het donker, uit angst dat hij me zou zien. Ondertussen probeerde hij een gesprekje aan te knopen, dat schatje. 'Ben je uit geweest?' Ik bevestigde dat. Hij was wezen werken en nodigde me uit om een keer langs te komen. De naam van de kroeg waar hij werkte leek echter heel veel op de naam van een kledingketen en ik verwarde de twee met elkaar. Toen hij zei dat hij op vrijdag en zaterdag werkte vertelde ik hem dan ook dat ik op die tijdstippen óók moest werken – maar ik werk overdag en hij natuurlijk 's nachts. Anders stonden we hier überhaupt niet. Maar dat bedacht ik pas toen ik in mijn bedje lag.
'Woon jij boven mij?' vroeg hij. Ik moest even nadenken en toen zei ik: 'Ja, ik denk van wel.' Hij keek me een beetje vreemd aan. Ik denk dat hij doelde op de etage boven hem in plaats van het precieze appartement boven hem, wat ik in gedachten had. Ook dat bedacht ik pas toen ik in mijn bedje lag. 'Nou, ik zie je vast snel wel weer,' zei ik, toen we de twee trapjes naar zijn etage hadden afgelegd. 'We zijn ten slotte buren, toch?' 'Ja,' zei hij, 'Nou, slaap lekker..... Buurvrouw!'
Ik weet nog altijd niet hoe hij heet. Ik heb het niet gevraagd, want dan zou hij me ongetwijfeld een hand toesteken en dat wilde ik, begrijpelijk, vermijden. Ik weet niets van hem, behalve waar hij werkt. Tuurlijk kom ik een keer langs, hij lijkt me heel aardig. En ik zou graag een betere indruk bij hem achterlaten, in plaats van die van een stuntelende, beschonken onbeholpen bimbo. Ik was alleen maar moe en niet dronken, maar hij zal denken van wel. En ik neem het hem niet kwalijk, het was een gênante vertoning.
Ik ken niet zoveel mensen in mijn gebouw, en de mensen die ik wel ken, delen mijn levensovertuiging niet. Of beter gezegd, ik deel die van hen maar tot op zekere hoogte. Deze jongen leek me er een die wel in mijn straatje zou passen, amoureus of anderszins. Hij is lang en ik kon zien dat hij flink wat tijd in de sportschool doorbracht – daar houd ik wel van. Je bent single of je bent het niet. Maar ook als hij al lang en breed een schat van een meid naast zich heeft, is het investeren in burenvriendschap de moeite waard. Ik wil onze nachtelijke ontmoetingen onder geen beding verranzen. Hij leek me oprecht leuk.
Want de laatste tijd, lieve lezer, heb ik last van een rare blinde vlek als het om mannen gaat. Overal waar ik kijk zie ik mannen die heel leuk lijken. Maar als ze dichterbij komen, schrik ik me een hoedje. Die avond nog was het raak geweest in de eerste kroeg waar ik en mijn vriendinnetje neerstreken. Vanaf minuut een had ik de aandacht van een lange man met een ruitjeshemd en een grote bos donkere krullen. Hij bleef kijken. Toen mijn vriendinnetje even naar de WC ging, zag hij zijn kans schoon en sprak me aan. Ik heb het al vaker gezegd: moed verdient aandacht. Maar pas toen hij, op mijn uitnodiging, naast me kwam zitten, zag ik dat hij a) ouder was dan ik dacht en b) ik hoorde dat hij een spraakgebrek had en c) dat hij al een glas teveel ophad. Per ongeluk nam ik een slokje uit zijn glas. Hoe ik daarachter kwam? Hij had een rum-c. (De 'ola mag wegblijven, want zoveel cola zat er niet in.)
Het gesprekje dat we hadden was ook wel vreemd. Op mijn vraag wat hij deed, antwoordde hij; 'Dat wil je niet weten!' Op mijn vraag: 'wat houdt je bezig in het leven?' zei hij: 'veel...' Hij leek overdonderd. Of misschien was hij ook tot een aantal realisaties gekomen toen hij me van dichtbij zag. Maar ik ben wel zoveel hinde (ja, die houden we erin, Hooi) dat ik denk van niet. We vertrokken snel daarna naar een Havana en hij vatte dit vertrek op als een afwijzing. Dat mag, al probeer ik me altijd zo menselijk en beleefd mogelijk te gedragen. Maar hij keurde me geen blik meer waardig. Oh well.
In de kroeg waar we daarna kwamen waren alleen maar hele jonge mannen. (<20) Een van de weinigen die ons aansprak was blond en vrij spichtig. Hij bleek homoseksueel. Wat hij in het oor van mijn vriendinnetje fluisterde weet ik niet. Wij spraken over rolpatronen en hij dacht dat ik wel het type meisje was dat een man wilde die haar, in zijn eigen woorden, 'op het strand in het zand drukte en haar eens goed pakte.' 'Ik wil het ook wel doen, hoor,' zei hij, 'Dat lijkt me vet lachen! Ik weet dat je al sopt bij de gedachte aan mij in mijn onderbroek!' Ik zou hem moeten teleurstellen, maar in plaats daarvan verbeet ik mijn lachen en begon over iets anders. Ik heb het al eerder gezegd: dat je homo bent, wil niet zeggen dat je alles maar kunt zeggen of me, à la Gok Wan, overal mag betasten. En om eerlijk te zijn twijfelde ik aan zijn homoseksuele status na die opmerking. Het zou wel een goede truc zijn.
Ondanks het gebrek aan mannelijk schoon was het toch een leuke avond en toen ik bij mijn buurman aankwam was ik dan ook ontspannen en in een goed humeur. Eindelijk een man van mijn kaliber. Ha. Dus binnenkort breng ik even een bezoek aan zijn kledingzaak, pardon, kroeg. Ik neem aan dat het een bartender is, maar gezien zijn armen kan het ook best een uitsmijter zijn. Of hij kan geweldig goede mojito's schudden! Er is maar een manier om daar achter te komen....
Hoewel ik hem deze keer al bij de deur zag staan en me dus een beetje kon voorbereiden, was het deze keer niet anders. Eigenlijk is het niet de bedoeling dat je je fiets in het gemeenschappelijk portaal stalt maar ik had hem de volgende morgen weer nodig en als ik 'm daar zou stallen, zou dat zo'n tien minuten schelen. Aan zijn fiets te zien, was hij hetzelfde van plan.
Hij legde uit dat hij zijn voordeursleutel vergeten was. Ik vroeg hem, hoe hij dan zijn appartement binnen zou komen. Ik begreep eerst niet dat hij die sleutel wél bij zich had. In het ergste geval mocht hij wel een nachtje bij mij doorbrengen; hij kon moeilijk in het trappenhuis slapen! Maar zover kwam het gelukkig niet. 'Dus ik ben blij dat jij er bent! Anders had ik via het balkon naar binnen moeten klimmen; dat heb ik wel vaker gedaan!' Oh. Okee. We liepen samen naar binnen en hij wachtte geduldig tot ik mijn fiets gestald had. Mijn slot wilde niet, mijn oordopjes raakten verstrikt in mijn spaken, ik stootte mijzelf in het kruis met mijn bagagedrager en tot overmaat van ramp stroomde er plotseling snot over mijn bovenlip en ik had geen zakdoekje bij de hand. Ge.Nant. Ik probeerde het vocht zo discreet mogelijk weg te vegen en bleef in het donker, uit angst dat hij me zou zien. Ondertussen probeerde hij een gesprekje aan te knopen, dat schatje. 'Ben je uit geweest?' Ik bevestigde dat. Hij was wezen werken en nodigde me uit om een keer langs te komen. De naam van de kroeg waar hij werkte leek echter heel veel op de naam van een kledingketen en ik verwarde de twee met elkaar. Toen hij zei dat hij op vrijdag en zaterdag werkte vertelde ik hem dan ook dat ik op die tijdstippen óók moest werken – maar ik werk overdag en hij natuurlijk 's nachts. Anders stonden we hier überhaupt niet. Maar dat bedacht ik pas toen ik in mijn bedje lag.
'Woon jij boven mij?' vroeg hij. Ik moest even nadenken en toen zei ik: 'Ja, ik denk van wel.' Hij keek me een beetje vreemd aan. Ik denk dat hij doelde op de etage boven hem in plaats van het precieze appartement boven hem, wat ik in gedachten had. Ook dat bedacht ik pas toen ik in mijn bedje lag. 'Nou, ik zie je vast snel wel weer,' zei ik, toen we de twee trapjes naar zijn etage hadden afgelegd. 'We zijn ten slotte buren, toch?' 'Ja,' zei hij, 'Nou, slaap lekker..... Buurvrouw!'
Ik weet nog altijd niet hoe hij heet. Ik heb het niet gevraagd, want dan zou hij me ongetwijfeld een hand toesteken en dat wilde ik, begrijpelijk, vermijden. Ik weet niets van hem, behalve waar hij werkt. Tuurlijk kom ik een keer langs, hij lijkt me heel aardig. En ik zou graag een betere indruk bij hem achterlaten, in plaats van die van een stuntelende, beschonken onbeholpen bimbo. Ik was alleen maar moe en niet dronken, maar hij zal denken van wel. En ik neem het hem niet kwalijk, het was een gênante vertoning.
Ik ken niet zoveel mensen in mijn gebouw, en de mensen die ik wel ken, delen mijn levensovertuiging niet. Of beter gezegd, ik deel die van hen maar tot op zekere hoogte. Deze jongen leek me er een die wel in mijn straatje zou passen, amoureus of anderszins. Hij is lang en ik kon zien dat hij flink wat tijd in de sportschool doorbracht – daar houd ik wel van. Je bent single of je bent het niet. Maar ook als hij al lang en breed een schat van een meid naast zich heeft, is het investeren in burenvriendschap de moeite waard. Ik wil onze nachtelijke ontmoetingen onder geen beding verranzen. Hij leek me oprecht leuk.
Want de laatste tijd, lieve lezer, heb ik last van een rare blinde vlek als het om mannen gaat. Overal waar ik kijk zie ik mannen die heel leuk lijken. Maar als ze dichterbij komen, schrik ik me een hoedje. Die avond nog was het raak geweest in de eerste kroeg waar ik en mijn vriendinnetje neerstreken. Vanaf minuut een had ik de aandacht van een lange man met een ruitjeshemd en een grote bos donkere krullen. Hij bleef kijken. Toen mijn vriendinnetje even naar de WC ging, zag hij zijn kans schoon en sprak me aan. Ik heb het al vaker gezegd: moed verdient aandacht. Maar pas toen hij, op mijn uitnodiging, naast me kwam zitten, zag ik dat hij a) ouder was dan ik dacht en b) ik hoorde dat hij een spraakgebrek had en c) dat hij al een glas teveel ophad. Per ongeluk nam ik een slokje uit zijn glas. Hoe ik daarachter kwam? Hij had een rum-c. (De 'ola mag wegblijven, want zoveel cola zat er niet in.)
Het gesprekje dat we hadden was ook wel vreemd. Op mijn vraag wat hij deed, antwoordde hij; 'Dat wil je niet weten!' Op mijn vraag: 'wat houdt je bezig in het leven?' zei hij: 'veel...' Hij leek overdonderd. Of misschien was hij ook tot een aantal realisaties gekomen toen hij me van dichtbij zag. Maar ik ben wel zoveel hinde (ja, die houden we erin, Hooi) dat ik denk van niet. We vertrokken snel daarna naar een Havana en hij vatte dit vertrek op als een afwijzing. Dat mag, al probeer ik me altijd zo menselijk en beleefd mogelijk te gedragen. Maar hij keurde me geen blik meer waardig. Oh well.
In de kroeg waar we daarna kwamen waren alleen maar hele jonge mannen. (<20) Een van de weinigen die ons aansprak was blond en vrij spichtig. Hij bleek homoseksueel. Wat hij in het oor van mijn vriendinnetje fluisterde weet ik niet. Wij spraken over rolpatronen en hij dacht dat ik wel het type meisje was dat een man wilde die haar, in zijn eigen woorden, 'op het strand in het zand drukte en haar eens goed pakte.' 'Ik wil het ook wel doen, hoor,' zei hij, 'Dat lijkt me vet lachen! Ik weet dat je al sopt bij de gedachte aan mij in mijn onderbroek!' Ik zou hem moeten teleurstellen, maar in plaats daarvan verbeet ik mijn lachen en begon over iets anders. Ik heb het al eerder gezegd: dat je homo bent, wil niet zeggen dat je alles maar kunt zeggen of me, à la Gok Wan, overal mag betasten. En om eerlijk te zijn twijfelde ik aan zijn homoseksuele status na die opmerking. Het zou wel een goede truc zijn.
Ondanks het gebrek aan mannelijk schoon was het toch een leuke avond en toen ik bij mijn buurman aankwam was ik dan ook ontspannen en in een goed humeur. Eindelijk een man van mijn kaliber. Ha. Dus binnenkort breng ik even een bezoek aan zijn kledingzaak, pardon, kroeg. Ik neem aan dat het een bartender is, maar gezien zijn armen kan het ook best een uitsmijter zijn. Of hij kan geweldig goede mojito's schudden! Er is maar een manier om daar achter te komen....
woensdag 5 oktober 2011
Arg(ern)us
In mijn vorige buurt had ik een buurvrouw die zo vreselijk nieuwsgierig was dat ze 's avonds vast hoofdpijn had van al dat kijken. In mijn straat kon er geen blad van de boom vallen of buurvrouw Bep had het in het vizier. Dat ging ook op voor bezoek, het doen van boodschappen of het maken van een wandeling. Ze schroomde ook niet om me aan te spreken op mijn gedrag, in haar onvervalste platte accent: 'Jehháát bezsoekhèèh? Wasj datsje moeda?' Nu moet ik zeggen dat ik af en toe blij was met de bemoeienis van deze godmother. Haar aanwezigheid zorgde ervoor dat mijn fiets in mijn bezit bleef en haar kleinzoon op straat kon spelen zonder overreden te worden. Maar vaker kwam haar bemoeizucht me de keel uit.
Hetzelfde gold voor de mensen die, toen ik mijn scriptie nog niet afhad, vroegen wanneer ik 'nou eindelijk eens' mijn scriptie af ging maken. Ik ben de eerste die zal toegeven dat het allemaal flink wat langer duurde dan gepland. Een deel van deze reacties heb ik zelf over me afgeroepen door mijn frustraties over de duur van mijn schrijven te ventileren. Ik heb het dan niet over de goed bedoelde adviezen van hen die wisten waren ze over spraken: dat was alleen maar fijn. Maar de enigen die echt recht van spreken hadden waren de personen die mijn studie betaalden: mijn ouders. Toch kreeg ik van relatieve vreemden deze voor mij confronterende en vrijpostige vraag. In het begin belangstellend, later smalend. Mensen uit de sportschool die, zodra ik mijn hoofd liet zien, me vroegen of ik 'al' afgestudeerd was. Er was zelfs een collega die, uit de goedheid van haar hartje in volle onschuld, me ieder uur dat ik met haar werkte, vertelde dat ik het af moest maken - alsof ik dat zelf niet bedacht had – liefst binnen gehoorsafstand van klanten. (Of misschien was dat toeval.) In reactie op haar vragen, die werkelijk goedbedoeld maar daarom niet minder vervelend waren, kreeg ik ook van een ander dezelfde vraag.
Deze persoon, die niet eens precies wist wat ik studeerde, het woord 'universiteit' nauwelijks kon spellen, laat staan dat ze er ooit een van binnen had gezien, vroeg mij wanneer ik 'nou eindelijk eens af ging studeren, want het duurde wel errrug lang!'
Excuse me, what business is that of yours? Vraag ik soms wanneer jij 'nou eindelijk eens' een man vindt, 'nou eindelijk eens' om leert gaan met je emoties zonder je bokkenpruik op anderen af te reageren of 'nou eindelijk eens een keer' gaat beginnen aan het wegwerken van die tien kilo middenrif teveel van je??!!! De onbeschaamdheid! Mijn beleefde inborst maakte dat ik mijn thee binnenhield en bedaard antwoordde: 'Het komt wanneer het komt.' Per slot van rekening was het mijn zaak, mijn project en al klaag ik erover, dat betekent nog niet dat jij dat ook mag doen. Bewaar je dedain dus maar voor je moeder.
Net zo'n frustratie geeft mijn health kick. Het afgelopen jaar ben ik erg bezig geweest met mijn gezondheid en mijn gewicht. Mijn hart is van nature niet zo vreselijk sterk en ik ben een flinke tijd zwaarder dan betamelijk geweest. Nooit maagband-dik en echt lelijk zal ik wel nooit worden, maar het is voor alle delen van mijn fysieke en mentale gezondheid beter als ik op een gewicht ben waarvan ik vind dat het bij me past. Om dat te bereiken probeer ik dingen uit. Niet alles werkt. Wat ik wel weet, is dat ik van drank een opgezette buik krijg, een ongebreidelde vraatzucht, een slechte huid, cellulite en een onderkin.
Wekelijks spendeer ik zo'n acht uur in de sportschool. Al die inspanningen worden teniet gedaan na een glas wijn. Dat vind ik het maar zelden waard. Als ik een lijf wil dat in de buurt komt van dat van een topsporter, moet ik denken en eten als een topsporter – minus de enorme hoeveelheid koolhydraten. Kiezen is opofferen. Mijn lijn, die altijd op een precair evenwicht berust, komt me zeker niet aanwaaien. En dan nog noemen vreemde oude mannen me 'stevig'. (Hooi)
De andere kant hiervan is dat mijn gewicht invloed heeft op mijn zelfvertrouwen. Slank zijn lost geen problemen op in het sociale vlak: de mensen die niet van me hielden toen ik dikker was, zullen niet van me houden als ik twintig kilo verlies. Ik weet dat slank zijn niet zaligmakend is. Je bent wie je bent, ongeacht je gewicht. Toch worden mensen beoordeeld en afgerekend op hun gewicht. Daarnaast is het niet alleen cosmetisch: sporten heeft altijd een positief effect, óók als je het niet op de weegschaal of in de spiegel ziet. Sporten verandert ook je lichaamsvorm en je vetpercentage. Je hoeft je dus niet blind te staren op een kledingmaat. Maar iedereen die ooit boven zijn ideale gewicht of kledingmaat heeft gezeten, weet hoe heerlijk het voelt om weer in je favoriete spijkerbroek te glijden. Helemaal als dat een bewuste keus is geweest. Ontken het maar niet. En met het oog op komende sollicitaties kan ik ieder greintje zelfvertrouwen gebruiken dat ik vinden kan. Nu heb ik nog de tijd om me af te beulen en mijn conditie en gewicht op peil te houden. Ik wil zelfvertrouwen uitstralen, me goed voelen en genoeg energie hebben om me vol op een baan te storten. Drank hoort daar eventjes niet bij.
Ik mis het niet. Mijn vrienden missen het wel. Ik dacht altijd dat ik me niet anders gedroeg als ik gedronken had en in grote lijnen klopt dat. Ik vestig nooit de aandacht op mijn drankje. Maar ik merk dat het stigma dat op niet-drinkers ligt, nog altijd zwaar weegt. Mismoedig wordt er naar het glas cola in mijn hand gestaard. Een enkele medelijdende zucht wordt mijn kant op geworpen. Mensen zijn teleurgesteld en verslijten mij voor suf, alleen maar omdat ik niet drink. Want alleen orthodoxe gelovigen, kinderen en slappe mensen drinken niet. Natuurlijk, feestjes zijn iets minder leuk als iedereen lam is en ik niet. Maar de keerzijde is dat als ik wel drink, ik dik word en helemaal geen zin heb in feestjes. Laat staan dat ik de foto's kan verdragen die worden genomen. Iedere hoek is dan namelijk ongunstig en schildert mijn lijf af als puilend en wanstaltig. Mijn borsten lijken gigantisch, mijn buik is enorm en gezwollen en mijn benen komen tevoorschijn als zuilen van zwoerd: massief, bleek en bobbelig. Het is erger dan een Hunkemöller- pashokje.
Het punt is dat de mensen die me beschimpen en belachelijk maken vanwege mijn geheelonthoudersstijl in hun eigen leven nog veel rigoureuzere keuzes maken waar niemand iets over zegt. Ik ken een dame die schampere opmerkingen over mij maakte, maar haar arm brak tijdens een eigen lijnpoging omdat ze uit slapte tegen de vlakte sloeg. Dat mag dan weer wel, maar als ik me aan mijn eigen regels houdt, ben ik niet meer leuk.
Newsflash: ik ben liever slanker, gezonder en succesvoller dan het vadsige lachertje van de week. Ik begrijp het wel: het is prettig om iemand in je directe omgeving te hebben naast wie je altijd beter afsteekt. Hoe erg out of shape je ook bent, het is geruststellend om iemand te kennen die er nog slechter aan toe is. Women will be women. Maar ik pas voor die positie.
Al eerder heb ik een lange health kick gehad: toen heb ik ruim twee jaar geen druppel alcohol naar binnen gewerkt en de effecten waren duidelijk zichtbaar. Toen ik na die tijd weer eens een avondje meedronk, omdat ik dat namelijk wél lekker vind werd ik grif bijgeschonken en aangemoedigd, door te drinken. Het was na een etentje met vrienden en in huiselijke kring. Mijn half serieuze vraag op zoveel enthousiasme ('Jij vindt mij leuker als ik dronken ben, hè?') werd met een volmondig JA beantwoord.
Achteraf werd door diezelfde enthousiast schenkende persoon spottend gezegd dat ik 'niet dronk, maar wel een fles rum naar binnen werkte, huhuhuhuh'. Mijn lage tolerantiegrens maakte de opmerking sowieso onmogelijk. Meer nog dan van de eerste opmerking stond ik versteld van de tweede. Is dat eerlijk, nodig, aardig of discreet? Is het een blijk van ware vriendschap? Ik vind van niet.
Bovendien beslis ik nog altijd zelf wanneer ik wel en niet drink: het is niet zo dat omdat ik besluit een tijd niet te drinken, die 'verordening' vanaf dat moment voorgoed in werking is getreden en ik 'de regels breek' of iets 'verkeerd' doe als ik wel een glas drink. Het is mijn beslissing, mijn project, mijn leven en mijn lichaam. Nogmaals: bewaar je dedain maar voor je moeder, met cirrose toe.
En de moraal van dit lange verhaal? Bemoei je met je eigen zaken en steek je haviksneus in je eigen verzakte boezem, dan komt het allemaal terecht. Met een beetje geluk heb ik dan genoeg aan de sportschool om mijn frustraties te uiten in plaats van mijn lezers mee te sleuren in mijn ergernissen. Leuke tijden benadrukken is tenslotte net zo sociaal wenselijk als drinken. En iedereen wil ergens bij horen: ik ook! Bij de grote groep vlotte, strakke, sportievelingen. Dus tenzij iemand mij een glas zalige droge cava aanbiedt zeg ik voorlopig: mais non, merci.
Hetzelfde gold voor de mensen die, toen ik mijn scriptie nog niet afhad, vroegen wanneer ik 'nou eindelijk eens' mijn scriptie af ging maken. Ik ben de eerste die zal toegeven dat het allemaal flink wat langer duurde dan gepland. Een deel van deze reacties heb ik zelf over me afgeroepen door mijn frustraties over de duur van mijn schrijven te ventileren. Ik heb het dan niet over de goed bedoelde adviezen van hen die wisten waren ze over spraken: dat was alleen maar fijn. Maar de enigen die echt recht van spreken hadden waren de personen die mijn studie betaalden: mijn ouders. Toch kreeg ik van relatieve vreemden deze voor mij confronterende en vrijpostige vraag. In het begin belangstellend, later smalend. Mensen uit de sportschool die, zodra ik mijn hoofd liet zien, me vroegen of ik 'al' afgestudeerd was. Er was zelfs een collega die, uit de goedheid van haar hartje in volle onschuld, me ieder uur dat ik met haar werkte, vertelde dat ik het af moest maken - alsof ik dat zelf niet bedacht had – liefst binnen gehoorsafstand van klanten. (Of misschien was dat toeval.) In reactie op haar vragen, die werkelijk goedbedoeld maar daarom niet minder vervelend waren, kreeg ik ook van een ander dezelfde vraag.
Deze persoon, die niet eens precies wist wat ik studeerde, het woord 'universiteit' nauwelijks kon spellen, laat staan dat ze er ooit een van binnen had gezien, vroeg mij wanneer ik 'nou eindelijk eens af ging studeren, want het duurde wel errrug lang!'
Excuse me, what business is that of yours? Vraag ik soms wanneer jij 'nou eindelijk eens' een man vindt, 'nou eindelijk eens' om leert gaan met je emoties zonder je bokkenpruik op anderen af te reageren of 'nou eindelijk eens een keer' gaat beginnen aan het wegwerken van die tien kilo middenrif teveel van je??!!! De onbeschaamdheid! Mijn beleefde inborst maakte dat ik mijn thee binnenhield en bedaard antwoordde: 'Het komt wanneer het komt.' Per slot van rekening was het mijn zaak, mijn project en al klaag ik erover, dat betekent nog niet dat jij dat ook mag doen. Bewaar je dedain dus maar voor je moeder.
Net zo'n frustratie geeft mijn health kick. Het afgelopen jaar ben ik erg bezig geweest met mijn gezondheid en mijn gewicht. Mijn hart is van nature niet zo vreselijk sterk en ik ben een flinke tijd zwaarder dan betamelijk geweest. Nooit maagband-dik en echt lelijk zal ik wel nooit worden, maar het is voor alle delen van mijn fysieke en mentale gezondheid beter als ik op een gewicht ben waarvan ik vind dat het bij me past. Om dat te bereiken probeer ik dingen uit. Niet alles werkt. Wat ik wel weet, is dat ik van drank een opgezette buik krijg, een ongebreidelde vraatzucht, een slechte huid, cellulite en een onderkin.
Wekelijks spendeer ik zo'n acht uur in de sportschool. Al die inspanningen worden teniet gedaan na een glas wijn. Dat vind ik het maar zelden waard. Als ik een lijf wil dat in de buurt komt van dat van een topsporter, moet ik denken en eten als een topsporter – minus de enorme hoeveelheid koolhydraten. Kiezen is opofferen. Mijn lijn, die altijd op een precair evenwicht berust, komt me zeker niet aanwaaien. En dan nog noemen vreemde oude mannen me 'stevig'. (Hooi)
De andere kant hiervan is dat mijn gewicht invloed heeft op mijn zelfvertrouwen. Slank zijn lost geen problemen op in het sociale vlak: de mensen die niet van me hielden toen ik dikker was, zullen niet van me houden als ik twintig kilo verlies. Ik weet dat slank zijn niet zaligmakend is. Je bent wie je bent, ongeacht je gewicht. Toch worden mensen beoordeeld en afgerekend op hun gewicht. Daarnaast is het niet alleen cosmetisch: sporten heeft altijd een positief effect, óók als je het niet op de weegschaal of in de spiegel ziet. Sporten verandert ook je lichaamsvorm en je vetpercentage. Je hoeft je dus niet blind te staren op een kledingmaat. Maar iedereen die ooit boven zijn ideale gewicht of kledingmaat heeft gezeten, weet hoe heerlijk het voelt om weer in je favoriete spijkerbroek te glijden. Helemaal als dat een bewuste keus is geweest. Ontken het maar niet. En met het oog op komende sollicitaties kan ik ieder greintje zelfvertrouwen gebruiken dat ik vinden kan. Nu heb ik nog de tijd om me af te beulen en mijn conditie en gewicht op peil te houden. Ik wil zelfvertrouwen uitstralen, me goed voelen en genoeg energie hebben om me vol op een baan te storten. Drank hoort daar eventjes niet bij.
Ik mis het niet. Mijn vrienden missen het wel. Ik dacht altijd dat ik me niet anders gedroeg als ik gedronken had en in grote lijnen klopt dat. Ik vestig nooit de aandacht op mijn drankje. Maar ik merk dat het stigma dat op niet-drinkers ligt, nog altijd zwaar weegt. Mismoedig wordt er naar het glas cola in mijn hand gestaard. Een enkele medelijdende zucht wordt mijn kant op geworpen. Mensen zijn teleurgesteld en verslijten mij voor suf, alleen maar omdat ik niet drink. Want alleen orthodoxe gelovigen, kinderen en slappe mensen drinken niet. Natuurlijk, feestjes zijn iets minder leuk als iedereen lam is en ik niet. Maar de keerzijde is dat als ik wel drink, ik dik word en helemaal geen zin heb in feestjes. Laat staan dat ik de foto's kan verdragen die worden genomen. Iedere hoek is dan namelijk ongunstig en schildert mijn lijf af als puilend en wanstaltig. Mijn borsten lijken gigantisch, mijn buik is enorm en gezwollen en mijn benen komen tevoorschijn als zuilen van zwoerd: massief, bleek en bobbelig. Het is erger dan een Hunkemöller- pashokje.
Het punt is dat de mensen die me beschimpen en belachelijk maken vanwege mijn geheelonthoudersstijl in hun eigen leven nog veel rigoureuzere keuzes maken waar niemand iets over zegt. Ik ken een dame die schampere opmerkingen over mij maakte, maar haar arm brak tijdens een eigen lijnpoging omdat ze uit slapte tegen de vlakte sloeg. Dat mag dan weer wel, maar als ik me aan mijn eigen regels houdt, ben ik niet meer leuk.
Newsflash: ik ben liever slanker, gezonder en succesvoller dan het vadsige lachertje van de week. Ik begrijp het wel: het is prettig om iemand in je directe omgeving te hebben naast wie je altijd beter afsteekt. Hoe erg out of shape je ook bent, het is geruststellend om iemand te kennen die er nog slechter aan toe is. Women will be women. Maar ik pas voor die positie.
Al eerder heb ik een lange health kick gehad: toen heb ik ruim twee jaar geen druppel alcohol naar binnen gewerkt en de effecten waren duidelijk zichtbaar. Toen ik na die tijd weer eens een avondje meedronk, omdat ik dat namelijk wél lekker vind werd ik grif bijgeschonken en aangemoedigd, door te drinken. Het was na een etentje met vrienden en in huiselijke kring. Mijn half serieuze vraag op zoveel enthousiasme ('Jij vindt mij leuker als ik dronken ben, hè?') werd met een volmondig JA beantwoord.
Achteraf werd door diezelfde enthousiast schenkende persoon spottend gezegd dat ik 'niet dronk, maar wel een fles rum naar binnen werkte, huhuhuhuh'. Mijn lage tolerantiegrens maakte de opmerking sowieso onmogelijk. Meer nog dan van de eerste opmerking stond ik versteld van de tweede. Is dat eerlijk, nodig, aardig of discreet? Is het een blijk van ware vriendschap? Ik vind van niet.
Bovendien beslis ik nog altijd zelf wanneer ik wel en niet drink: het is niet zo dat omdat ik besluit een tijd niet te drinken, die 'verordening' vanaf dat moment voorgoed in werking is getreden en ik 'de regels breek' of iets 'verkeerd' doe als ik wel een glas drink. Het is mijn beslissing, mijn project, mijn leven en mijn lichaam. Nogmaals: bewaar je dedain maar voor je moeder, met cirrose toe.
En de moraal van dit lange verhaal? Bemoei je met je eigen zaken en steek je haviksneus in je eigen verzakte boezem, dan komt het allemaal terecht. Met een beetje geluk heb ik dan genoeg aan de sportschool om mijn frustraties te uiten in plaats van mijn lezers mee te sleuren in mijn ergernissen. Leuke tijden benadrukken is tenslotte net zo sociaal wenselijk als drinken. En iedereen wil ergens bij horen: ik ook! Bij de grote groep vlotte, strakke, sportievelingen. Dus tenzij iemand mij een glas zalige droge cava aanbiedt zeg ik voorlopig: mais non, merci.
dinsdag 4 oktober 2011
Hooi
Op het pleintje bij mijn plaatselijke supermarkt werd ik bij aankomst bij mijn fiets verrast door een bruine man op leeftijd. Ik had een zware tas bij me en keek hem verwonderd aan. 'Ik kom naar je toe,' zei hij. 'Nu kom ik naar jou toe!' Ik trok mijn wenkbrauwen op, maar het was werkelijk een oude man en hij leek kortademig, dus ik maakte me niet teveel zorgen.
'Nou, welkom!' zei ik dan ook. 'Ik zag jou al,' begon hij, licht verwijtend, 'ik zag jou al vorige week! En ik stak mijn hand op. Maar jij, jij keek niet eens op of om!'
Dit, lieve lezer, klinkt als een befaamde truc. Ik had niets met die man te schaften, was hem niets verplicht en kende hem niet. Reden genoeg om hen te negeren. Dat is wat mensen die elkaar niet kennen doen, volgens de auteur van De Naakte Aap.
Waarschijnlijk had ik hem vrijpostig gevonden en daarom niet op of om gekeken. Nog waarschijnlijker was dat ik zo in gedachten verzonken was dat ik hem helemaal niet heb opgemerkt. Hij keek me de hele tijd aandachtig aan en ik hoorde zijn adem door lagen slijm heen piepen. Hij rookte een dunne sigaar. Net toen ik bedacht dat ik me nu wel genoeg van mijn lieve-meisjeskant had laten zien, zeeg hij neer op mijn fiets. Jammerrrrrrrr.....
Bedachtzaam ging hij verder: 'Ja... Ja, ik weet wel dat jij zo niet bent, hoor. Jij bent niet zo, jij bent een goed meisje. Ik weet het wel, hoor.' Hij lachte raspend. 'Woon je hier in de buurt?' Hoe bonafide hij ook mocht klinken, deze vraag beantwoord ik altijd met enige reserve. (Schoffelen) Gelukkig nam hij me het werk uit handen. 'Je woont hier in de buurt, niet?' Ik beaamde dat. 'En u?' Hij zei dat hij in de flat tegenover het winkelcentrum woonde; 'Ik woon daar als single persoon!'
Goed hoor, opaatje. Zijn archaïsch nette taalgebruik en geaffecteerde manier van spreken maakten me duidelijk dat het een Surinamer was. Iets in hem deed me aan mijn geliefde ome Humbert denken, een verre neef van wijlen mijn opa. Ik had deze man slechts eenmaal ontmoet toen ik op vakantie was. Ondanks dat het buiten zo'n zeventwintig graden celsius was ging hij altijd onberispelijk correct gekleed in driedelig grijs. Hij droeg een hoed en gebruikte een wandelstok en had ogen die van ouderdom zo blauw waren als de bodem van de Adriatische zee. Ik ken niemand die meer indruk op me maakte dan hij. Ik ben nou eenmaal gevoelig voor mannen met charisma en hij oefende een grote aantrekkingskracht op me uit. Ik probeerde mijn adoratie wel te verbergen, maar mijn broer had gelijk toen hij – half ongelovig, half triomfantelijk – opmerkte dat Humbert wel mijn type man was.
Toen ik bij thuiskomst dit gevoel probeerde uit te leggen aan mijn vriendinnetjes merkte er eentje in volle onschuld op: 'Ik kan het me zo voorstellen, je ziet hem nog net geen dansje doen!!' en ze maakte wat vage dansgebaren met een denkbeeldige wandelstok. Het kostte me grote moeite niet NEEEHEEE, NATUURLIJK NIET!!! in haar gezicht te schreeuwen. Ze sloeg zo vreselijk de plank mis dat ik naar adem snakte. Ik beschreef de vleesgeworden Phileas Fogg, zij had een coon in haar hoofd, een Jolicoeur, een Uncle Tom. Wat ik bedoelde stond echt haaks op wat ze trachtte te beschrijven en ik hield dan ook vlug mijn mond, voor de gedachte nog verder bezoedeld zou worden door haar foutieve beschrijving. Dat ze überhaupt dacht dat ik onder de indruk zou kunnen zijn van zoiets ging mij ook boven de pet. Maar blijkbaar was mijn adoratie wel overgekomen, alleen stelde zij zich bij 'stijlvolle zwarte man op leeftijd' een buck voor. Okee. Opinies verschillen. Zucht...
De man die voor me stond had nog geen tiende van het charisma van mijn oom Humbert. Eigenlijk hadden ze, op zijn leeftijd na, helemaal niets gemeen. Maar zijn rustige manieren en zijn bedachtzame woorden (toegegeven, die werden waarschijnlijk eerder veroorzaakt door emfyseem dan door het werkelijke denkproces) deden me terugverlangen naar de vredige tijd die ik toen beleefd had. De man die voor me stond droeg geen driedelig grijs maar een spijkerbroek. Toch zag hij er verzorgd uit. Hij droeg sokken met een motiefje, een vrij nieuwe spijkerbroek, bruine loafers, een overhemd, een spencer en een iets aftands jasje. Ondanks dat hij wat plekken had overgeslagen kon ik aan het kleine scheerwondje zien dat hij zich die morgen geschoren had en hij rook niet vreselijk naar tabak, zoals rokende oude mannen soms kunnen doen. Al zorgde ik wel dat ik op gepaste afstand van hem bleef. Maar zijn vingernagels waren helderroze.
Deze ontmoeting was een duidelijk staaltje bruine-mensen-krentenbrood. Het idee dat ik als bruin persoon een band (zou) (moeten) heb(ben) met andere bruine personen heb ik wel vaker in actie gezien. Het is een ongeschreven en misschien wel niet-bestaande regel, een 'ding' dat zich niet laat vangen en evenmin laat verklaren. Het idee komt uit hetzelfde straatje als de 'vrouwelijke solidariteit'; dat vrouwen wereldwijd en taalbarrière-overschrijdend een band hebben of een gesprek met elkaar aangaan vanwege hun GGD: hun vagijn en hun borsten. Dat u zich er een voorstelling van kan maken....
De man legde uit dat hij een paar jaar geleden een hersenbloeding had gehad, rechtszijdig verlamd was geraakt en nu iedere dag een stukje naar het winkelcentrum liep, met zijn scootmobiel. Hij vroeg hoe ik heette en haastte zich uit te leggen dat hij een Chinese achternaam had. Dat zou best kunnen; hoewel hij veel creoolse trekken had was hij wel klein zoals Chinezen vaak zijn en licht van kleur. In zijn gezicht zag ik het Chinese in ieder geval niet zo terug. Ik zag het überhaupt niet zo terug. Het boeide me verder eigenlijk ook niet zo. De man ging verder en ik kwam aan de weet dat zijn Chinese grootvader kinderen had gekregen met een Indiaanse vrouw. Enig, zeg. Ik knikte maar eens. Over zijn eigen ouders hield hij zijn mond. Ik vroeg dan ook niet verder. Waarschijnlijk was hij wel trots op zijn Chinese en Indiaanse roots maar niet op zijn Creoolse. Daar hebben wel meer bruine mensen last van, je kunt er Fanon op naslaan.
Koket ging meneer verder: 'Ik werd gepest met mijn naam, vroeger. Ze zeiden dat ik geen land heb!' Ik glimlachte en knikte nog maar eens. 'Werkelijk?' Dat leek me, in het multiculturele veelkleurige Suriname, nogal onwaarschijnlijk. Zijn bruine ogen gleden over mijn lichaam.'Maar jij bent ook gemixt!' Weer die toon. Ik vertelde hem wat ik altijd vertel: dat ik een wereldburger ben. Hij zei niets. Plotseling verdween de onschuldige opa en kwam de wellusteling in hem naar boven. Hij floot door zijn tanden. 'Maar je bent stevig! Je bent een flinke meid! Stevig, ben je!!' Voor ik een reactie kon bedenken op deze constatering ging hij verder: 'Ik kijk vaak naar je, hoor! Je ziet er goed uit, ja hoor! Je mag er zijn!'
Lieve lezer, ik zal eerlijk zijn. Het is niet de eerste keer dat een man zoiets tegen me zegt, al namen ze het woord 'stevig' niet eerder in de mond. Maar ondanks de positieve toon en de goede bedoelingen vind ik de benaming stevig geen compliment, al is het wel zo bedoeld. Sterker, het kost me moeite om niet in elkaar te krimpen. Geen enkel meisje zou dat als een compliment opvatten. Als meisje wil je gracieus gevonden worden, sierlijk, fijntjes, chique, gedistingeerd. Je wil een hinde zijn, een hinde met lange ledematen, grote ogen, een scherp brein en een aaibare, zachte vacht. Geen schattig varkentje met korte dikke pootjes, een aandoenlijk vadsig bewegelijk rompje en stug rughaar dat ronkend knort van genoegen bij de geur van verse aardappelschillen. En stevig impliceert spijtig genoeg dat laatste, in mijn opinie.
Los van dit alles beviel de richting van het gesprek me niet zo, dus ik zei hem dat ik afspraken had en vertrok. Zijn hoge leeftijd en immobiliteit mogen dan vertrouwen hebben gewekt, vragen als de zijne doen dat zeker niet. Hij stond op van mijn fiets en greep mijn hand, toch weer de broze greep van een oude, zieke man. Ik kneep harder dan hij, en hij mompelde nog maar eens: ' ...Stevig...!' Nu durf ik, spreekwoordelijk gezien, bijna geen boodschappen meer te doen. Het scheelt dat hij niet weet hoe ik echt heet, of waar ik precies woon, of de waarheid over mijn baan. Als hij mag claimen dat hij Chinees-Indiaans is, mag ik ook over mijzelf beweren wat ik wil. Als hij naar het welbevinden van mijn vriend informeert, mag ik zeggen dat hij het goed maakt. Want hoewel je scootmobielen niet zomaar loskrijgt bij het ziekenhuis en je longemfyseem moeilijk kunt faken, stond hij verrassend lang op zijn benen en de schittering in zijn ogen was er een van een berekenende oude bok. Daar helpt geen raspend lachje of onzorgvuldige scheerwond aan.
Hij mag mij stevig vinden, ik ben hinde genoeg om daar niet in te trappen. Fluks trok ik aan mijn kuierlatten.... ik houd van vers gras, niet van vrijpostig hooi.
'Nou, welkom!' zei ik dan ook. 'Ik zag jou al,' begon hij, licht verwijtend, 'ik zag jou al vorige week! En ik stak mijn hand op. Maar jij, jij keek niet eens op of om!'
Dit, lieve lezer, klinkt als een befaamde truc. Ik had niets met die man te schaften, was hem niets verplicht en kende hem niet. Reden genoeg om hen te negeren. Dat is wat mensen die elkaar niet kennen doen, volgens de auteur van De Naakte Aap.
Waarschijnlijk had ik hem vrijpostig gevonden en daarom niet op of om gekeken. Nog waarschijnlijker was dat ik zo in gedachten verzonken was dat ik hem helemaal niet heb opgemerkt. Hij keek me de hele tijd aandachtig aan en ik hoorde zijn adem door lagen slijm heen piepen. Hij rookte een dunne sigaar. Net toen ik bedacht dat ik me nu wel genoeg van mijn lieve-meisjeskant had laten zien, zeeg hij neer op mijn fiets. Jammerrrrrrrr.....
Bedachtzaam ging hij verder: 'Ja... Ja, ik weet wel dat jij zo niet bent, hoor. Jij bent niet zo, jij bent een goed meisje. Ik weet het wel, hoor.' Hij lachte raspend. 'Woon je hier in de buurt?' Hoe bonafide hij ook mocht klinken, deze vraag beantwoord ik altijd met enige reserve. (Schoffelen) Gelukkig nam hij me het werk uit handen. 'Je woont hier in de buurt, niet?' Ik beaamde dat. 'En u?' Hij zei dat hij in de flat tegenover het winkelcentrum woonde; 'Ik woon daar als single persoon!'
Goed hoor, opaatje. Zijn archaïsch nette taalgebruik en geaffecteerde manier van spreken maakten me duidelijk dat het een Surinamer was. Iets in hem deed me aan mijn geliefde ome Humbert denken, een verre neef van wijlen mijn opa. Ik had deze man slechts eenmaal ontmoet toen ik op vakantie was. Ondanks dat het buiten zo'n zeventwintig graden celsius was ging hij altijd onberispelijk correct gekleed in driedelig grijs. Hij droeg een hoed en gebruikte een wandelstok en had ogen die van ouderdom zo blauw waren als de bodem van de Adriatische zee. Ik ken niemand die meer indruk op me maakte dan hij. Ik ben nou eenmaal gevoelig voor mannen met charisma en hij oefende een grote aantrekkingskracht op me uit. Ik probeerde mijn adoratie wel te verbergen, maar mijn broer had gelijk toen hij – half ongelovig, half triomfantelijk – opmerkte dat Humbert wel mijn type man was.
Toen ik bij thuiskomst dit gevoel probeerde uit te leggen aan mijn vriendinnetjes merkte er eentje in volle onschuld op: 'Ik kan het me zo voorstellen, je ziet hem nog net geen dansje doen!!' en ze maakte wat vage dansgebaren met een denkbeeldige wandelstok. Het kostte me grote moeite niet NEEEHEEE, NATUURLIJK NIET!!! in haar gezicht te schreeuwen. Ze sloeg zo vreselijk de plank mis dat ik naar adem snakte. Ik beschreef de vleesgeworden Phileas Fogg, zij had een coon in haar hoofd, een Jolicoeur, een Uncle Tom. Wat ik bedoelde stond echt haaks op wat ze trachtte te beschrijven en ik hield dan ook vlug mijn mond, voor de gedachte nog verder bezoedeld zou worden door haar foutieve beschrijving. Dat ze überhaupt dacht dat ik onder de indruk zou kunnen zijn van zoiets ging mij ook boven de pet. Maar blijkbaar was mijn adoratie wel overgekomen, alleen stelde zij zich bij 'stijlvolle zwarte man op leeftijd' een buck voor. Okee. Opinies verschillen. Zucht...
De man die voor me stond had nog geen tiende van het charisma van mijn oom Humbert. Eigenlijk hadden ze, op zijn leeftijd na, helemaal niets gemeen. Maar zijn rustige manieren en zijn bedachtzame woorden (toegegeven, die werden waarschijnlijk eerder veroorzaakt door emfyseem dan door het werkelijke denkproces) deden me terugverlangen naar de vredige tijd die ik toen beleefd had. De man die voor me stond droeg geen driedelig grijs maar een spijkerbroek. Toch zag hij er verzorgd uit. Hij droeg sokken met een motiefje, een vrij nieuwe spijkerbroek, bruine loafers, een overhemd, een spencer en een iets aftands jasje. Ondanks dat hij wat plekken had overgeslagen kon ik aan het kleine scheerwondje zien dat hij zich die morgen geschoren had en hij rook niet vreselijk naar tabak, zoals rokende oude mannen soms kunnen doen. Al zorgde ik wel dat ik op gepaste afstand van hem bleef. Maar zijn vingernagels waren helderroze.
Deze ontmoeting was een duidelijk staaltje bruine-mensen-krentenbrood. Het idee dat ik als bruin persoon een band (zou) (moeten) heb(ben) met andere bruine personen heb ik wel vaker in actie gezien. Het is een ongeschreven en misschien wel niet-bestaande regel, een 'ding' dat zich niet laat vangen en evenmin laat verklaren. Het idee komt uit hetzelfde straatje als de 'vrouwelijke solidariteit'; dat vrouwen wereldwijd en taalbarrière-overschrijdend een band hebben of een gesprek met elkaar aangaan vanwege hun GGD: hun vagijn en hun borsten. Dat u zich er een voorstelling van kan maken....
De man legde uit dat hij een paar jaar geleden een hersenbloeding had gehad, rechtszijdig verlamd was geraakt en nu iedere dag een stukje naar het winkelcentrum liep, met zijn scootmobiel. Hij vroeg hoe ik heette en haastte zich uit te leggen dat hij een Chinese achternaam had. Dat zou best kunnen; hoewel hij veel creoolse trekken had was hij wel klein zoals Chinezen vaak zijn en licht van kleur. In zijn gezicht zag ik het Chinese in ieder geval niet zo terug. Ik zag het überhaupt niet zo terug. Het boeide me verder eigenlijk ook niet zo. De man ging verder en ik kwam aan de weet dat zijn Chinese grootvader kinderen had gekregen met een Indiaanse vrouw. Enig, zeg. Ik knikte maar eens. Over zijn eigen ouders hield hij zijn mond. Ik vroeg dan ook niet verder. Waarschijnlijk was hij wel trots op zijn Chinese en Indiaanse roots maar niet op zijn Creoolse. Daar hebben wel meer bruine mensen last van, je kunt er Fanon op naslaan.
Koket ging meneer verder: 'Ik werd gepest met mijn naam, vroeger. Ze zeiden dat ik geen land heb!' Ik glimlachte en knikte nog maar eens. 'Werkelijk?' Dat leek me, in het multiculturele veelkleurige Suriname, nogal onwaarschijnlijk. Zijn bruine ogen gleden over mijn lichaam.'Maar jij bent ook gemixt!' Weer die toon. Ik vertelde hem wat ik altijd vertel: dat ik een wereldburger ben. Hij zei niets. Plotseling verdween de onschuldige opa en kwam de wellusteling in hem naar boven. Hij floot door zijn tanden. 'Maar je bent stevig! Je bent een flinke meid! Stevig, ben je!!' Voor ik een reactie kon bedenken op deze constatering ging hij verder: 'Ik kijk vaak naar je, hoor! Je ziet er goed uit, ja hoor! Je mag er zijn!'
Lieve lezer, ik zal eerlijk zijn. Het is niet de eerste keer dat een man zoiets tegen me zegt, al namen ze het woord 'stevig' niet eerder in de mond. Maar ondanks de positieve toon en de goede bedoelingen vind ik de benaming stevig geen compliment, al is het wel zo bedoeld. Sterker, het kost me moeite om niet in elkaar te krimpen. Geen enkel meisje zou dat als een compliment opvatten. Als meisje wil je gracieus gevonden worden, sierlijk, fijntjes, chique, gedistingeerd. Je wil een hinde zijn, een hinde met lange ledematen, grote ogen, een scherp brein en een aaibare, zachte vacht. Geen schattig varkentje met korte dikke pootjes, een aandoenlijk vadsig bewegelijk rompje en stug rughaar dat ronkend knort van genoegen bij de geur van verse aardappelschillen. En stevig impliceert spijtig genoeg dat laatste, in mijn opinie.
Los van dit alles beviel de richting van het gesprek me niet zo, dus ik zei hem dat ik afspraken had en vertrok. Zijn hoge leeftijd en immobiliteit mogen dan vertrouwen hebben gewekt, vragen als de zijne doen dat zeker niet. Hij stond op van mijn fiets en greep mijn hand, toch weer de broze greep van een oude, zieke man. Ik kneep harder dan hij, en hij mompelde nog maar eens: ' ...Stevig...!' Nu durf ik, spreekwoordelijk gezien, bijna geen boodschappen meer te doen. Het scheelt dat hij niet weet hoe ik echt heet, of waar ik precies woon, of de waarheid over mijn baan. Als hij mag claimen dat hij Chinees-Indiaans is, mag ik ook over mijzelf beweren wat ik wil. Als hij naar het welbevinden van mijn vriend informeert, mag ik zeggen dat hij het goed maakt. Want hoewel je scootmobielen niet zomaar loskrijgt bij het ziekenhuis en je longemfyseem moeilijk kunt faken, stond hij verrassend lang op zijn benen en de schittering in zijn ogen was er een van een berekenende oude bok. Daar helpt geen raspend lachje of onzorgvuldige scheerwond aan.
Hij mag mij stevig vinden, ik ben hinde genoeg om daar niet in te trappen. Fluks trok ik aan mijn kuierlatten.... ik houd van vers gras, niet van vrijpostig hooi.
Abonneren op:
Posts (Atom)