Voor de spanningsboog is het beter om elkaar binnen zeven dagen na date één opnieuw te ontmoeten; al was het maar om te kijken of alcohol, kaarslicht en vermoeidheid je oordeel niet al te zeer vertroebeld hebben. Helaas lagen de kaarten anders – onze drukke levens maakten ons het niet makkelijk.
'Wanneer ben je weer in 020?', lees ik voor de zoveelste keer op mijn telefoon. 'Wanneer ben je weer in 020?'
Reeds na anderhalve week werd ik achterdochtig. De man in kwestie onderhield wel contact en belde af en toe netjes op. Dat hij geen moeite deed op de manier die ik gewend ben wil nog niet zeggen dat hij daadwerkelijk geen moeite deed of niet in me geïnteresseerd was. Mijn agenda is bovendien niet belangrijker dan de zijne: als ik niet van plan was mijn plannen ten gunste van hem te wijzigen, kon ik dat evenmin van hem verwachten.
Een feit bleef dat we inmiddels in de zesde week na onze eerste ontmoeting zaten en we elkaar sindsdien nog steeds niet hadden gezien. Ik nam het de booi in kwestie niet kwalijk, maar ik meende uit zijn 'lethargie' op te maken dat het hem aan goesting ontbrak. Tijd is immers geld en ik kan het mijne wel beter besteden.
Tot mijn grote ergernis stelde hij daarnaast nooit concreet iets voor. Als je me leuk vindt, kun je me mee uit vragen, zoals het hoort. Iets in de de trant van 'Zullen we hier-en-daar op die-en-die-dag wat gaan drinken?', 'Zal ik naar jou toekomen rond zo-en-zo-laat?' of zelfs 'Vind je het erg om halverwege te meeten?'
Maar. Neen. Het enige wat hij vroeg was: 'Wanneer ben je weer in 020?'
Semantische kwestie? Het is meer, lieve lezer. Ik interpreteerde dit als de klassieke actie van een hitsige opportunist, een best offer boy pur sang: misschien drankjes als het een keer schikt, en graag wanneer ik in de buurt ben, zodat hij alleen nog maar op hoeft te komen dagen. Als wel, dan leuk. Als niet, dan niet. Ik kreeg er jeuk van: een echte man maakt gewoon een stevige afspraak en zorgt dat hij die nakomt, in plaats van te strooien met puberale vaagheden en IseeyawhenIseeya's. (Al paste dat consequent gebruik van '020' daar dan wel weer bij.) Hij hield nét genoeg contact om me niet te doen besluiten zijn nummer te wissen. En hij was aardig, dat werkte in zijn voordeel. Wat niet wil zeggen dat hij niet in mijn achting daalde. I'm a pretty girl and I need more.
Na acht weken (!!) leek het er dan toch van te komen. Wel moest ik de laatste trein halen, wat zou betekenen dat we net een uur hadden om wat te drinken... en dat on a school night... Hij bood mij daarom lief een slaapplek aan. En neen, ik verdacht hem nergens van. Dat kwam pas toen ik me een paar uur daarna bedacht. Echte heren haken namelijk niet af als de dame in kwestie afziet van een logeerpartij, omdat zij dankzij hun eigen eerbare bedoelingen haar bezwaren zullen begrijpen. Maar dat was niet eens het belangrijkste.
Omdat we elkaar al zo lang niet hadden gezien en ik was afgeknapt op die vreselijk lethargische houding, vreesde ik dat de date zich zou voortslepen als een kreupele lamantijn in de Sahara. Waarna ik dan noodgedwongen met die man in één bed moest kruipen, wij beiden van teen tot kin gehuld in ondoordringbaar kriebelflanel, druipend van wrok, ergernis en ik-wilde-dat-ik-hier-nóóit-in-had-toegestemd-sfeer. Na een korte en onrustige nacht aan de verste koude uiteinden van het bed zouden wij ´s ochtends nog beleefdheden moeten uitwisselen – bedankt voor alles, het was gezellig, laten we dit niet nog eens doen – en zou hij mij meteen ook make-uploos & met inbedkapsel moesten aanschouwen – dat is niet vertederend als je elkaar niet kent en elkaar evenmin verkend hebt die nacht. Er moet wat seks overblijven, zogezegd.
Bovendien had ik geen zin om mijn werkdag gehaast en gestrest te beginnen voor iemand die het allemaal niet veel uit leek te maken. Na acht weken konden die paar dagen tot het weekend ook geen probleem meer zijn, dacht ik zo...
Dus ik zei dat ik niet wilde blijven slapen en vroeg om een andere dag. Dat bleek echter teveel voor de rek van zijn geduld. Code 020 brak door en ik heb nooit meer iets van hem gehoord. Blij toe...
En de moraal van het verhaal? If it quacks like a duck... trust your instincts and shoot it.
maandag 19 mei 2014
zondag 18 mei 2014
Krachtig
Mijn Psychologie Magazine laat ik achter op de zeer bewust gekozen coconnerige tweezits-treinbank: ik ben geen litteraar, maar gun een volgende reiziger graag wat te lezen. Als je een test nodig hebt om vast te stellen of je gevoelsmens bent, zegt dat bovendien eigenlijk al genoeg. Opgewekt vervolg ik mijn weg naar mijn werkplek: de zon beschijnt mijn humeur, ik heb nieuwe schoenen en ik weet dat Hafid B. een nieuwe roman uit heeft gebracht. Mooier dan dat wordt het bijna niet.
's Avonds haast ik mij naar het perron waar mijn trein vertrekt: het is een van de laatste uit de dienstregeling en ik wil haar niet missen. Ik eet een stukje overgebleven lunch als een oudere man mij eerst vluchtig en daarna veel te aandachtig in het gezicht kijkt. Op straat eten geeft natuurlijk geen pas voor een dame van stand, bovendien zien mensen die eten er stom en ietwat kameelachtig uit. Ik wil graag dat hij wegkijkt. Maar dat is me niet gegund.
'Mag ik u iets vragen? Gaat deze trein richting Den Haag?' Ik bevestig dat met een knikje – nog altijd etend. Waar zou de trein waar 'Den Haag' op staat anders heen gaan? Maar vragen staat vrij.
'Heeee!' brengt de man uit, terwijl hij een benige vinger opheft naar mijn gezicht. 'Ik zat op de heenweg tegenover u!' Haastig slik ik mijn stukje brood door en probeer er wat minder kameelachtig uit te zien – en dat allemaal zonder dat er stukjes lunch in en uit onze op handen zijnde conversatie vliegen. Volgens mij klopt het niet wat hij zegt – ik koos mijn tweezitsbank uit omdat ik juist niet beleefd wilde knikken naar de persoon tegenover me. Ik wilde mijn magazine lezen, daarom ging ik alleen zitten. Maar ruziemaken binnen de eerste vijf zinnen is aardig noch zinvol, dus ik knik hem toe dat dat wellicht zou kunnen.
We vervolgen onze weg gezamenlijk. Hij noemt mijn gezicht een 'krachtige kop' en mijn ogen 'opvallend' en hoewel ik maar aanneem dat hij deze woordkeus maakt omdat hij niet over wil komen als een vieze oude man vind ik 'krachtige kop' een dubieus compliment. Het doet me denken aan een kaaklijn die dicht tegen de mannelijke breedte aanzit (zodat je twee keer moet kijken om je van het geslacht van de bezitter te overtuigen) en aan een androgyne opvallendheid die niet per se aantrekkelijk is, zoals bij Tilda Swinton, Agyness Deyn of Andrej Pejic. Als hij me knap vindt kan hij dat gewoon zeggen: ik vis nooit naar complimentjes en zal de zijne in dankbaarheid aannemen, zonder hem te verdenken van achterbakse bedoelingen. We praten over architectuur (waar hij veel van weet en ik niet zoveel) over literatuur (waar hij niet zoveel van weet en dus brengt hij het gesprek snel op iets anders) en het trauma van de geboorte (ik vrees grafische beschrijvingen op de late avond en houd beleefd voor me dat als we dit trauma met de rest van de mensheid delen de traumaklikker na de bevalling weer gereset mag worden wat mij betreft – en dat ik me afvraag voor welke betrokkene de geboorte nou precies het grootste trauma oplevert...).
Ik praat zachtjes: ik ben bang dat het brood mijn adem heeft verzuurd en ik merk dat ons gesprek naar de oppervlakte terugkeert zodra ik iets zeg dat niet strookt met wat mijn gesprekspartner zegt. De term 'partner' is dan ook niet echt op zijn plaats. Blijkbaar is het niet mijn deel om mijn mening te geven of mee te converseren. Mijn rol moet beperkt blijven tot 'krachtig' en 'opvallend' – maar dan wel stil en beamend.
De man is erg aardig en wil me graag imponeren, dat zie ik heus wel, maar dit is het langste nongesprek wat ik ooit hebt gevoerd. Als ik me al iets herinnerde van mijn eigen geboorte zou ik er niet over willen praten (tis dat trauma, hè...) In een gevecht tegen de bierkaai heb ik echter geen trek en we rijden het station al weer binnen. Soms is conflictvermijding de beste strategie: als rationeel mens sta ik toch genoeg in contact met mijn gevoel om dát te beseffen. Over krachtige stempels gesproken...
's Avonds haast ik mij naar het perron waar mijn trein vertrekt: het is een van de laatste uit de dienstregeling en ik wil haar niet missen. Ik eet een stukje overgebleven lunch als een oudere man mij eerst vluchtig en daarna veel te aandachtig in het gezicht kijkt. Op straat eten geeft natuurlijk geen pas voor een dame van stand, bovendien zien mensen die eten er stom en ietwat kameelachtig uit. Ik wil graag dat hij wegkijkt. Maar dat is me niet gegund.
'Mag ik u iets vragen? Gaat deze trein richting Den Haag?' Ik bevestig dat met een knikje – nog altijd etend. Waar zou de trein waar 'Den Haag' op staat anders heen gaan? Maar vragen staat vrij.
'Heeee!' brengt de man uit, terwijl hij een benige vinger opheft naar mijn gezicht. 'Ik zat op de heenweg tegenover u!' Haastig slik ik mijn stukje brood door en probeer er wat minder kameelachtig uit te zien – en dat allemaal zonder dat er stukjes lunch in en uit onze op handen zijnde conversatie vliegen. Volgens mij klopt het niet wat hij zegt – ik koos mijn tweezitsbank uit omdat ik juist niet beleefd wilde knikken naar de persoon tegenover me. Ik wilde mijn magazine lezen, daarom ging ik alleen zitten. Maar ruziemaken binnen de eerste vijf zinnen is aardig noch zinvol, dus ik knik hem toe dat dat wellicht zou kunnen.
We vervolgen onze weg gezamenlijk. Hij noemt mijn gezicht een 'krachtige kop' en mijn ogen 'opvallend' en hoewel ik maar aanneem dat hij deze woordkeus maakt omdat hij niet over wil komen als een vieze oude man vind ik 'krachtige kop' een dubieus compliment. Het doet me denken aan een kaaklijn die dicht tegen de mannelijke breedte aanzit (zodat je twee keer moet kijken om je van het geslacht van de bezitter te overtuigen) en aan een androgyne opvallendheid die niet per se aantrekkelijk is, zoals bij Tilda Swinton, Agyness Deyn of Andrej Pejic. Als hij me knap vindt kan hij dat gewoon zeggen: ik vis nooit naar complimentjes en zal de zijne in dankbaarheid aannemen, zonder hem te verdenken van achterbakse bedoelingen. We praten over architectuur (waar hij veel van weet en ik niet zoveel) over literatuur (waar hij niet zoveel van weet en dus brengt hij het gesprek snel op iets anders) en het trauma van de geboorte (ik vrees grafische beschrijvingen op de late avond en houd beleefd voor me dat als we dit trauma met de rest van de mensheid delen de traumaklikker na de bevalling weer gereset mag worden wat mij betreft – en dat ik me afvraag voor welke betrokkene de geboorte nou precies het grootste trauma oplevert...).
Ik praat zachtjes: ik ben bang dat het brood mijn adem heeft verzuurd en ik merk dat ons gesprek naar de oppervlakte terugkeert zodra ik iets zeg dat niet strookt met wat mijn gesprekspartner zegt. De term 'partner' is dan ook niet echt op zijn plaats. Blijkbaar is het niet mijn deel om mijn mening te geven of mee te converseren. Mijn rol moet beperkt blijven tot 'krachtig' en 'opvallend' – maar dan wel stil en beamend.
De man is erg aardig en wil me graag imponeren, dat zie ik heus wel, maar dit is het langste nongesprek wat ik ooit hebt gevoerd. Als ik me al iets herinnerde van mijn eigen geboorte zou ik er niet over willen praten (tis dat trauma, hè...) In een gevecht tegen de bierkaai heb ik echter geen trek en we rijden het station al weer binnen. Soms is conflictvermijding de beste strategie: als rationeel mens sta ik toch genoeg in contact met mijn gevoel om dát te beseffen. Over krachtige stempels gesproken...
vrijdag 9 mei 2014
Roltrap
Als ik mijn fiets uit de onverlichte nis pak, hoor ik iemand vlak achter me. Gezien mijn ervaringen van de laatste tijd springt mijn lichaam in de dwing-me-niet-je-lens-te-slaan-modus, maar het is de jongen van de roltrap maar. 'Hoi,' zegt hij. 'Ga je mee wat drinken?'
Enkele minuten geleden keek hij naar me en ik keek terug. Hij is duidelijk licht beschonken, maar toch is het vleiend. Het is zaterdag, drieëntwintig uur. Mijn afspraak is gecancelled en hoewel ik het vooruitzicht van een film in mijn eentje op de bank niet vreselijk vind, heb ik eigenlijk nog geen zin om naar huis te gaan.
Ach ja, waarom ook niet. We kijken wel waar het schip strandt – een drankje kan geen kwaad. Ik neem hem mee naar een plaatselijke kroeg en het gesprek komt langzaam op gang.
Hij is aardig, en best gezellig, maar hij blijft maar doorgaan over dat het zo bijzonder is dat we nu wat zitten te drinken terwijl hij dat normaal 'nooit zo aanpakt' (tsja...) en dat hij het zo fijn heeft. Hij deelt wat persoonlijke details over zijn leven en hoewel ik blij ben een bijdrage te kunnen leveren aan zijn emotionele terugkeer naar de bewoonde wereld, wordt het idee van een film in mijn eentje steeds aanlokkelijker. Het is niet zo dat ik hem niet mag of hem geen luisterend oor wil bieden – maar zijn emotionele behoeftigheid, versterkt door het blikje Scotch & Soda in zijn hand, maakt me moe. Ik heb genoeg aan mijn eigen piekermomenten. En we kennen elkaar nog maar een half uur.
Praten tegen een vreemde kan opluchten, dat weet ik. Zijn intoxication daargelaten lijkt het me gewoon een kwetsbare, verdrietige jongen. En dat fragiele ego heeft er vast niets aan als ik er op ga stampen. Bovendien had ik ook 'nee' kunnen zeggen toen hij me vroeg. Maar ik had gehoopt op een luchtige, ontspannen avond met een flirterige, knappe jongen die met me over koetjes en kalfjes had gekletst en me wijn had gevoerd terwijl hij mijn cupmaat probeerde te raden. Zoals de meeste zaterdagen in mijn leven.
Als ik er echt genoeg van heb, besluit ik naar huis te gaan. De booi heeft zoveel ontzag voor me dat hij me niet eens probeert te zoenen: hij kust mijn voorhoofd en mijn hand. Schattig. Ik heb al zoveel bilgraaiers, heupglijders en gelegenheidskussers ontmoet dat ik bijna vergeten was dat zoenen na een drankje niet noodzakelijk is. Ik verwacht en verguis het tegelijkertijd.
Dat zit zo: ik wil me begeerd voelen dus ik wil dat m'n date me wil zoenen, maar hij stijgt in mijn achting als hij het niet na de eerste date al doet. Natúúrlijk wil ik dat hij me wil. Maar ik heb meer fiducie in een tweede ontmoeting als we niet gelijk fysiek worden. En inderdaad, daar zitten jaren van inprenting, een flinke schep nette-meisjes-saus en een gezonde dosis intuïtie achter.
Niets van dit alles is echter aan de orde bij de booi en yours truly. Dit was geen date maar een toevallige ontmoeting. En aangezien meneer vandaag zijn hart bij me heeft uitgestort is al het seksuele wat er ooit tussen ons had kunnen zijn verdwenen. Over ontspannen gesproken.
Na wat berichtjes over en weer dooft ons contact uit als een kaars. Dankbaarheid alléén is geen goede basis voor een date, en eenzijdige emotionele verbondenheid evenmin. Ik zou zijn verdriet en strubbelingen zeker niet belachelijk willen maken – hoe vaak heb ik zelf in vervlogen tijden mijn hart niet gelucht bij vriendinnen en mentoren om iets dat oneindig veel futieler was dan wat hij me vertelde! – maar ik kan noch wil hem verder helpen. Als het al zo zou zijn dat ik hem een zetje in de goede richting geef is dat zetje voldoende: sommige mensen rollen je leven in en rollen er precies zo hard weer uit.
Enkele minuten geleden keek hij naar me en ik keek terug. Hij is duidelijk licht beschonken, maar toch is het vleiend. Het is zaterdag, drieëntwintig uur. Mijn afspraak is gecancelled en hoewel ik het vooruitzicht van een film in mijn eentje op de bank niet vreselijk vind, heb ik eigenlijk nog geen zin om naar huis te gaan.
Ach ja, waarom ook niet. We kijken wel waar het schip strandt – een drankje kan geen kwaad. Ik neem hem mee naar een plaatselijke kroeg en het gesprek komt langzaam op gang.
Hij is aardig, en best gezellig, maar hij blijft maar doorgaan over dat het zo bijzonder is dat we nu wat zitten te drinken terwijl hij dat normaal 'nooit zo aanpakt' (tsja...) en dat hij het zo fijn heeft. Hij deelt wat persoonlijke details over zijn leven en hoewel ik blij ben een bijdrage te kunnen leveren aan zijn emotionele terugkeer naar de bewoonde wereld, wordt het idee van een film in mijn eentje steeds aanlokkelijker. Het is niet zo dat ik hem niet mag of hem geen luisterend oor wil bieden – maar zijn emotionele behoeftigheid, versterkt door het blikje Scotch & Soda in zijn hand, maakt me moe. Ik heb genoeg aan mijn eigen piekermomenten. En we kennen elkaar nog maar een half uur.
Praten tegen een vreemde kan opluchten, dat weet ik. Zijn intoxication daargelaten lijkt het me gewoon een kwetsbare, verdrietige jongen. En dat fragiele ego heeft er vast niets aan als ik er op ga stampen. Bovendien had ik ook 'nee' kunnen zeggen toen hij me vroeg. Maar ik had gehoopt op een luchtige, ontspannen avond met een flirterige, knappe jongen die met me over koetjes en kalfjes had gekletst en me wijn had gevoerd terwijl hij mijn cupmaat probeerde te raden. Zoals de meeste zaterdagen in mijn leven.
Als ik er echt genoeg van heb, besluit ik naar huis te gaan. De booi heeft zoveel ontzag voor me dat hij me niet eens probeert te zoenen: hij kust mijn voorhoofd en mijn hand. Schattig. Ik heb al zoveel bilgraaiers, heupglijders en gelegenheidskussers ontmoet dat ik bijna vergeten was dat zoenen na een drankje niet noodzakelijk is. Ik verwacht en verguis het tegelijkertijd.
Dat zit zo: ik wil me begeerd voelen dus ik wil dat m'n date me wil zoenen, maar hij stijgt in mijn achting als hij het niet na de eerste date al doet. Natúúrlijk wil ik dat hij me wil. Maar ik heb meer fiducie in een tweede ontmoeting als we niet gelijk fysiek worden. En inderdaad, daar zitten jaren van inprenting, een flinke schep nette-meisjes-saus en een gezonde dosis intuïtie achter.
Niets van dit alles is echter aan de orde bij de booi en yours truly. Dit was geen date maar een toevallige ontmoeting. En aangezien meneer vandaag zijn hart bij me heeft uitgestort is al het seksuele wat er ooit tussen ons had kunnen zijn verdwenen. Over ontspannen gesproken.
Na wat berichtjes over en weer dooft ons contact uit als een kaars. Dankbaarheid alléén is geen goede basis voor een date, en eenzijdige emotionele verbondenheid evenmin. Ik zou zijn verdriet en strubbelingen zeker niet belachelijk willen maken – hoe vaak heb ik zelf in vervlogen tijden mijn hart niet gelucht bij vriendinnen en mentoren om iets dat oneindig veel futieler was dan wat hij me vertelde! – maar ik kan noch wil hem verder helpen. Als het al zo zou zijn dat ik hem een zetje in de goede richting geef is dat zetje voldoende: sommige mensen rollen je leven in en rollen er precies zo hard weer uit.
Abonneren op:
Posts (Atom)