woensdag 27 augustus 2014

Kruis

Na een zonnig middagje richting de Bijenkorf neem ik de bus terug. Het einde van de koopdag nadert. Tegenover mij zit een man met zijn dochters. Dochter één zit rechts van hem. Dochter twee links. Het linkse meisje, blond en blauwogig, is nu nog schattig maar zal over een paar jaar uitgroeien tot een naar mokkel met een wipneus, een onderbeet en kleine, ver uit elkaar staande varkensoogjes. Het rechtse meisje – donker haar, donkere ogen – is minder sprekend dan haar zus, maar zal vermoedelijk beter opdrogen.
De meisjes lijken te weinig op elkaar en zijn ongeveer even oud. Ik vermoed dat ze verschillende moeders hebben. Wat me verbaast, want als ik naar paps kijk weet ik niet hoe hij het voor elkaar gekregen heeft om zo'n zes jaar geleden twee vrouwen het spreekwoordelijke bed in te praten.

Paps, een Frans Bauer-lookalike, zit loodrecht en onverbolgen wijdbeens tegenover me en dat is een belangrijke toevoeging. De lichtblauwe corduroy broek van de man paste hem een aantal maanden geleden – of misschien zes jaar geleden – nog, maar nu niet meer. Omdat hij onophoudelijk met zijn voeten tikt (beide!) en er als een gevolg daarvan vanalles beweegt kan ik mijn ogen niet van zijn buik afhouden – het afdak voor zijn gemartelde, afgeknepen kruis. Als dit als goedkope anticonceptie moet dienen is de missie geslaagd, want niet alleen zal de man geen zaadcellen meer kunnen produceren, de obscene aanblik van zijn ingesnoerde geslachtsdelen zal iedere vrouw doen wegrennen. Het is opvallend dat zijn kinderen heel rustig en stil zijn, terwijl hij kwijlt van opwinding, zijn benen voortdurend in beweging zijn alsof hij op wil staan en hij met één oog zijn telefoon in de gaten houdt terwijl het andere in zijn kas draait.

Maar leuk dat hij wat tijd met zijn dochters doorbrengt. Al vindt paps zijn telefoon veel interessanter dan zijn kids. Op elk van de talrijke vragen die dochter één stelt antwoordt hij met een afwezig 'mmh- mmh..' en dochter twee krijgt helemaal geen aandacht: ze verveelt zich stierlijk. 'Bra-, braillle, pappa, daar staat bralle!' zegt dochter één als we langs de Braillesingel rijden. 'Bral-je, schat,' mompelt paps, nog altijd gebogen over zijn telefoon.
Dochter twee draait met haar kraaloogjes en zal aanstonds stampij maken om de aandacht van wie dan ook te trekken. Vóór het zover is geeft pappa toe aan de pogingen van dochter één. 'Weet je wat dat is, braille?' vraagt hij iets te demonstratief, terwijl zijn oog naar de omzittende passagiers loenst. 'Dat is zodat blinde mensen ook kunnen lezen.'
Duidelijke, redelijke uitleg. Dochter één knikt als een volleerd actrice – voor haar is dit geen nieuwe informatie, ze spaart slechts zijn gevoelens. Die hoffelijkheid is echter niet wederzijds. Met de elleboog van zijn vrije arm doet pappa net alsof hij de tanden uit de mond van zijn dochter wil slaan. 'Doesj!' begeleidt hij zijn faux peut. 'Zal ik de tanden uit je waffeltje slaan? Ben je gelijk klaar met wisselen!' Hij lacht snorkend.

Ongetwijfeld is dit ruwe liefde en gestoeld op onderhuids begrip waar ik geen weet van heb, noch zie ik het aan de verste horizon gloeien. Oordelen? Eentje dan: plotseling ben ik heel, heel blij dat mijn vader toen ik die leeftijd had luisterde naar wat ik zei, normaal antwoord gaf op mijn vragen en bovenal nooit voor de grap deed alsof hij de tanden uit mijn mond hoekte. Vanaf deze kant ziet het er namelijk allesbehalve grappig uit, laat staan liefdevol. Ik voel afkeer voor de situatie en bewondering voor die twee stabiele persoontjes. En hun respectievelijke moeders.

Ik stap de bus uit, terwijl ik de naar goedkeuring zoekende loens van de man zorgvuldig schuw. Deadbeat dad is on a roll, nou, mijn zegen krijgt hij niet. Als dank krijg ik een knipoog van het benarde geslacht van de man, die het zich al schuddebuikend wat gerieflijker maakt nu daar weer plek voor is. Er zijn hier echter twee personen die een zwaarder kruis moeten dragen...

vrijdag 1 augustus 2014

Wolk

Als ik door de stromende regen aan kom lopen word ik opgewacht door een groepje nors kijkende mensen. Het groepje bestaat uit zes leden: twee vrouwen met uitbundige vlechten, een schichtig kijkende man met één wenkbrauw en sportschoenen, een koppel waarvan het meisje aan één stuk door rookt en een vrouw van halverwege de vijftig die duidelijk aan de drugs is en/of is geweest – en dan druk ik me positief uit. Ze heeft een crackwalk, haar tint is geel van de nicotine en haar wangen zijn van een ingezonkenheid die normaal gereserveerd is voor mensen die AIDS-medicatie gebruiken of weinig tanden meer hebben. 'Ben jij nummer twee? Ben jij nummer twee op de lijst?' grijnst ze vriendelijk nieuwsgierig naar me. Ik sta vaak in het midden van de lijst, daar voel ik me het veiligst. Welkom, buuv! Koppie suiker?
'Nee, ik ben nummer vijf,' knik ik terug, terwijl ik onder het balkon schuil en aansluit in de rij.

De bezichtigingsmakelaar is laat en ik kruip wat dichter tegen de jongen aan zodat ik onder het balkon kan schuilen. Hij deinst terug. Ik ben niet degene van wie je coodies gaat krijgen, booi. Kijk anders eens naar de luizenpels naast je of de junk, die nu vol trots haar rouwomrande roodgelakte tengels laat zien aan de vrouw met de vlechten. 'Heb ik acht dagen geleden laten doen! Bij de Brazilianen! Acht dagen!' Da's inderdaad best lang voor een manicure, helemaal als je veel shag draait. Maar ach. Ieder zijn meug. De makelaar is er nog steeds niet en ik kijk eens om me heen. Dat zich op de hoek van de straat een coffeeshop bevindt had ik op Google Maps al gezien. Dat dit niet de meest nette wijk is was mij ook al opgevallen: in het kwartier dat we inmiddels staan te wachten hebben twee mensen in de tegenoverliggende prullenbak een ontbijt geflanst. Lekker hoor, natte verrassingsfrieten in vergaande staat van o. en vooral oh nee...

Daar is de makelaar dan. 'Hoi, hallo, jullie komen voor het huis zeker?' Wel verdorie dame, jij dan niet? Ik verwacht een 'Goedemorgen, ik ben Evelien van de woningstichting!' maar dat doet ook eigenlijk niet terzake. Bovendien zou ik de luizenpels óók geen hand willen geven als ik haar was. Het gaat mij om het huis. Ik vermijd zorgvuldig de blik van de junk als ik Evelien de vier steile trappen op volg. Het ruikt in de gang niet naar urine, dat is een pluspunt.

Het appartement strekt zich uit over twee verdiepingen. Naast de voordeur ligt een slaapkamer en een grote garderobekast. In de badkamer is geen licht en de vriend van het rookmeisje stapt met natte voeten naar buiten. Lekkage. Toevallig. Op de tweede etage van het appartement zit een ruime keuken, een woonkamertje met een smal balkon, een ruime meter/bergkast en een extra kamer.
In gedachten stapel ik mijn pumps al op in de walk-in closet. Lekkage of niet, dit ziet er best aanlokkelijk uit. En als de wind goed staat, verandert mijn ergernis dankzij de coffeeshop vanzelf in vrede.

Evelien gooit roet in het eten. 'U bent nummer vijf – er is nu één andere geïnteresseerde.' De vrouw met de vlechten slaat demonstratief haar pruik naar achter en ik ruik talg met haast. De begeleidster doet ook een duit in het zakje. 'Het zou goed zijn als mevrouw deze woning zou krijgen,' verklaart ze lijzig. 'Ik zoek al een hele tijd voor mevrouw naar een geschikte woning en deze is geschikt. Het zou goed zijn.' Net zo goed als het voor mij zou zijn. Maar dat zeg ik niet. 'Mag ik hier roken?' vraagt het stellemeisje.

Ik vrees dat mijn kansen verkeken zijn, maar maak nog snel wat foto's voor het geval dát. De badkamer blijft nat en onverlicht. Ik geloof Evelien natuurlijk meteen als ze zegt dat dat nog verholpen gaat worden. Waarschijnlijk is het toch niet mijn hoofdpijn, want plotseling stoot Schicht Monobrauw goedkeurende kreten uit. Dat betekent nog meer gegadigden en lagere kansen. En met de junk kan ik al helemaal niet concurreren. 'Succes hè!' roept ze me na als ik de woning verlaat. Bedankt, zus. Weet je wel zeker dat je dat weg wil geven?

vrijdag 13 juni 2014

Scherm

In een mooie straat vol prachtige bedrijfspanden sla ik mijn goedkope paraplu open – ik ben op weg naar een tea party en wil niet verregend aankomen
Ik steek de straat over en doe net alsof ik de vragend kijkende man niet opmerk. Hij draagt grijze skinny jeans en gympies en ik schat hem een jaar of 46. Ik zou hem toch niet kunnen helpen, bovendien heb ik eventjes genoeg van vragend kijkende mannen. Enkele seconden later vraagt hij echter of hij onder mijn paraplu mag. Dat sta ik toe: we moeten toch dezelfde kant op en we kunnen er best met z'n tweeën onder. Als onze wegen scheiden vraagt hij mij om mijn nummer en dat geef ik hem. Wie weet wat eruit voortvloeit.

'Waar kom je vandaan?' vraagt hij als hij een week later belt. Ik vertel hem wat meer over mijzelf en waar ik allemaal heb gewoond tijdens mijn studie. 'En jij?' vraag ik. 'Zeg ik niet!'
Mijn tenen krommen spontaan, lieve lezer; gaan we zo beginnen? Ik ben het nu al moe.

'We moeten toch iets overhouden om over te praten als we wat gaan drinken. En daarover gesproken: kun jij een beetje innemen?'
Fijntjes zeg ik hem dat óók als ik vijf avonden per week laveloos over de tafel zou liggen, ik hem dat natuurlijk niet zou vertellen. Ik snap ook niet goed waarom hij het vraagt: alsof ik er aantrekkelijker van word als ik trots een (overigens verzonnen, moeder!) verhaal op zou hangen over de talloze, talloze malen dat ik straalbezopen mijzelf heb natgemaakt bij het wildplassen, daarna met een vreemde kerel en zijn hangbuikzwijn in bed ben gekropen en bij het wakker schrikken de stank uit mijn mond en de zwijnenkots uit mijn haar heb gewassen met de wodka van gister. Want dan zou ik pas echt zeker weten dat hij me zou willen...

Om het gesprek toch een beetje op gang te houden vraag ik hem naar zijn werk. Hij heeft een baan in design – wel, dat is prima. Als ik vertel wat ik doe (want zo gaat dat in een normaal gesprek) zegt hij: 'Oh? En dat noemen ze werk?!'

Dat was slag twee. Ik sta op het punt op te hangen. Los van dat hij nou zelf niet de meest enerverende baan op aarde heeft, is dit ronduit onbeschoft en slaat het bovendien de conversatie dood. Hij vindt het zelf waarschijnlijk erg gevat: ik krijg er vooral hoofdpijn van. Maar misschien is hij nerveus en weet hij zich geen houding te geven door de onconventionele manier waarop we elkaar hebben ontmoet.

Later in de week belt hij opnieuw. 'Wat ik nog wilde vragen: wat is je achternaam eigenlijk?'
Ja, en me dan uitgebreid gaan googlen zeker. Ik besluit hem een koekje van eigen deeg te geven. 'Zeg ik niet!' Hij valt even stil – precies, zo voelt dat nou! – en vraagt het dan nog eens. Ik heb niets te verliezen. 'Als jij niet wil vertellen waar je vandaan komt, ga ik jou niet vertellen wat mijn achternaam is – we moeten toch iets overhouden om over te praten.' 'Vertel nou, wat is je achternaam?' Ik weiger, hij treedt de wet van gelijk oversteken met de voeten. Maar meneer is serieus. 'Als jij niet vertelt wat je achternaam is, ga ik niet met jou op date!'

Het is een dreigement, maar het boezemt me op dit moment meer vreugd dan angst in. Gek toch, hoe iets wat leuk, spontaan en lieflijk zou moeten zijn zich kan ontpoppen tot een competitief, kinderachtig, achterdochtig, gespannen en vervelend festijn. We maken ondanks dat toch een afspraak voor een drankje, die ik later afbel.

Als hij zich over de telefoon al zo opstelt kan ik me opmaken voor een middagje haalneer, sneer & denigreer waarin alles wat ik vertel zal worden gewogen en geridiculiseerd en mijn vragen zullen worden beantwoord met 'zeg ik niet!/dat vind ik niet belangrijk nu/genoeg over mij, meer over jou'. Waarna hij me waarschijnlijk zal betasten in de hoop dat ik te beschonken ben om bezwaar te maken.
'Ik merk dat ik er niet naar uitkijk,' geef ik hem als reden op. Eerlijker dan dat kan ik het niet maken. Sommige paraplu's beschermen tegen water en andere tegen degens.

maandag 19 mei 2014

Code 020

Voor de spanningsboog is het beter om elkaar binnen zeven dagen na date één opnieuw te ontmoeten; al was het maar om te kijken of alcohol, kaarslicht en vermoeidheid je oordeel niet al te zeer vertroebeld hebben. Helaas lagen de kaarten anders – onze drukke levens maakten ons het niet makkelijk.
'Wanneer ben je weer in 020?', lees ik voor de zoveelste keer op mijn telefoon. 'Wanneer ben je weer in 020?'

Reeds na anderhalve week werd ik achterdochtig. De man in kwestie onderhield wel contact en belde af en toe netjes op. Dat hij geen moeite deed op de manier die ik gewend ben wil nog niet zeggen dat hij daadwerkelijk geen moeite deed of niet in me geïnteresseerd was. Mijn agenda is bovendien niet belangrijker dan de zijne: als ik niet van plan was mijn plannen ten gunste van hem te wijzigen, kon ik dat evenmin van hem verwachten.

Een feit bleef dat we inmiddels in de zesde week na onze eerste ontmoeting zaten en we elkaar sindsdien nog steeds niet hadden gezien. Ik nam het de booi in kwestie niet kwalijk, maar ik meende uit zijn 'lethargie' op te maken dat het hem aan goesting ontbrak. Tijd is immers geld en ik kan het mijne wel beter besteden.
Tot mijn grote ergernis stelde hij daarnaast nooit concreet iets voor. Als je me leuk vindt, kun je me mee uit vragen, zoals het hoort. Iets in de de trant van 'Zullen we hier-en-daar op die-en-die-dag wat gaan drinken?', 'Zal ik naar jou toekomen rond zo-en-zo-laat?' of zelfs 'Vind je het erg om halverwege te meeten?'
Maar. Neen. Het enige wat hij vroeg was: 'Wanneer ben je weer in 020?'

Semantische kwestie? Het is meer, lieve lezer. Ik interpreteerde dit als de klassieke actie van een hitsige opportunist, een best offer boy pur sang: misschien drankjes als het een keer schikt, en graag wanneer ik in de buurt ben, zodat hij alleen nog maar op hoeft te komen dagen. Als wel, dan leuk. Als niet, dan niet. Ik kreeg er jeuk van: een echte man maakt gewoon een stevige afspraak en zorgt dat hij die nakomt, in plaats van te strooien met puberale vaagheden en IseeyawhenIseeya's. (Al paste dat consequent gebruik van '020' daar dan wel weer bij.) Hij hield nét genoeg contact om me niet te doen besluiten zijn nummer te wissen. En hij was aardig, dat werkte in zijn voordeel. Wat niet wil zeggen dat hij niet in mijn achting daalde. I'm a pretty girl and I need more.

Na acht weken (!!) leek het er dan toch van te komen. Wel moest ik de laatste trein halen, wat zou betekenen dat we net een uur hadden om wat te drinken... en dat on a school night... Hij bood mij daarom lief een slaapplek aan. En neen, ik verdacht hem nergens van. Dat kwam pas toen ik me een paar uur daarna bedacht. Echte heren haken namelijk niet af als de dame in kwestie afziet van een logeerpartij, omdat zij dankzij hun eigen eerbare bedoelingen haar bezwaren zullen begrijpen. Maar dat was niet eens het belangrijkste.

Omdat we elkaar al zo lang niet hadden gezien en ik was afgeknapt op die vreselijk lethargische houding, vreesde ik dat de date zich zou voortslepen als een kreupele lamantijn in de Sahara. Waarna ik dan noodgedwongen met die man in één bed moest kruipen, wij beiden van teen tot kin gehuld in ondoordringbaar kriebelflanel, druipend van wrok, ergernis en ik-wilde-dat-ik-hier-nóóit-in-had-toegestemd-sfeer. Na een korte en onrustige nacht aan de verste koude uiteinden van het bed zouden wij ´s ochtends nog beleefdheden moeten uitwisselen – bedankt voor alles, het was gezellig, laten we dit niet nog eens doen – en zou hij mij meteen ook make-uploos & met inbedkapsel moesten aanschouwen – dat is niet vertederend als je elkaar niet kent en elkaar evenmin verkend hebt die nacht. Er moet wat seks overblijven, zogezegd.
Bovendien had ik geen zin om mijn werkdag gehaast en gestrest te beginnen voor iemand die het allemaal niet veel uit leek te maken. Na acht weken konden die paar dagen tot het weekend ook geen probleem meer zijn, dacht ik zo...

Dus ik zei dat ik niet wilde blijven slapen en vroeg om een andere dag. Dat bleek echter teveel voor de rek van zijn geduld. Code 020 brak door en ik heb nooit meer iets van hem gehoord. Blij toe...
En de moraal van het verhaal? If it quacks like a duck... trust your instincts and shoot it.

zondag 18 mei 2014

Krachtig

Mijn Psychologie Magazine laat ik achter op de zeer bewust gekozen coconnerige tweezits-treinbank: ik ben geen litteraar, maar gun een volgende reiziger graag wat te lezen. Als je een test nodig hebt om vast te stellen of je gevoelsmens bent, zegt dat bovendien eigenlijk al genoeg. Opgewekt vervolg ik mijn weg naar mijn werkplek: de zon beschijnt mijn humeur, ik heb nieuwe schoenen en ik weet dat Hafid B. een nieuwe roman uit heeft gebracht. Mooier dan dat wordt het bijna niet.

's Avonds haast ik mij naar het perron waar mijn trein vertrekt: het is een van de laatste uit de dienstregeling en ik wil haar niet missen. Ik eet een stukje overgebleven lunch als een oudere man mij eerst vluchtig en daarna veel te aandachtig in het gezicht kijkt. Op straat eten geeft natuurlijk geen pas voor een dame van stand, bovendien zien mensen die eten er stom en ietwat kameelachtig uit. Ik wil graag dat hij wegkijkt. Maar dat is me niet gegund.

'Mag ik u iets vragen? Gaat deze trein richting Den Haag?' Ik bevestig dat met een knikje – nog altijd etend. Waar zou de trein waar 'Den Haag' op staat anders heen gaan? Maar vragen staat vrij.
'Heeee!' brengt de man uit, terwijl hij een benige vinger opheft naar mijn gezicht. 'Ik zat op de heenweg tegenover u!' Haastig slik ik mijn stukje brood door en probeer er wat minder kameelachtig uit te zien – en dat allemaal zonder dat er stukjes lunch in en uit onze op handen zijnde conversatie vliegen. Volgens mij klopt het niet wat hij zegt – ik koos mijn tweezitsbank uit omdat ik juist niet beleefd wilde knikken naar de persoon tegenover me. Ik wilde mijn magazine lezen, daarom ging ik alleen zitten. Maar ruziemaken binnen de eerste vijf zinnen is aardig noch zinvol, dus ik knik hem toe dat dat wellicht zou kunnen.

We vervolgen onze weg gezamenlijk. Hij noemt mijn gezicht een 'krachtige kop' en mijn ogen 'opvallend' en hoewel ik maar aanneem dat hij deze woordkeus maakt omdat hij niet over wil komen als een vieze oude man vind ik 'krachtige kop' een dubieus compliment. Het doet me denken aan een kaaklijn die dicht tegen de mannelijke breedte aanzit (zodat je twee keer moet kijken om je van het geslacht van de bezitter te overtuigen) en aan een androgyne opvallendheid die niet per se aantrekkelijk is, zoals bij Tilda Swinton, Agyness Deyn of Andrej Pejic. Als hij me knap vindt kan hij dat gewoon zeggen: ik vis nooit naar complimentjes en zal de zijne in dankbaarheid aannemen, zonder hem te verdenken van achterbakse bedoelingen. We praten over architectuur (waar hij veel van weet en ik niet zoveel) over literatuur (waar hij niet zoveel van weet en dus brengt hij het gesprek snel op iets anders) en het trauma van de geboorte (ik vrees grafische beschrijvingen op de late avond en houd beleefd voor me dat als we dit trauma met de rest van de mensheid delen de traumaklikker na de bevalling weer gereset mag worden wat mij betreft – en dat ik me afvraag voor welke betrokkene de geboorte nou precies het grootste trauma oplevert...).

Ik praat zachtjes: ik ben bang dat het brood mijn adem heeft verzuurd en ik merk dat ons gesprek naar de oppervlakte terugkeert zodra ik iets zeg dat niet strookt met wat mijn gesprekspartner zegt. De term 'partner' is dan ook niet echt op zijn plaats. Blijkbaar is het niet mijn deel om mijn mening te geven of mee te converseren. Mijn rol moet beperkt blijven tot 'krachtig' en 'opvallend' – maar dan wel stil en beamend.

De man is erg aardig en wil me graag imponeren, dat zie ik heus wel, maar dit is het langste nongesprek wat ik ooit hebt gevoerd. Als ik me al iets herinnerde van mijn eigen geboorte zou ik er niet over willen praten (tis dat trauma, hè...) In een gevecht tegen de bierkaai heb ik echter geen trek en we rijden het station al weer binnen. Soms is conflictvermijding de beste strategie: als rationeel mens sta ik toch genoeg in contact met mijn gevoel om dát te beseffen. Over krachtige stempels gesproken...

vrijdag 9 mei 2014

Roltrap

Als ik mijn fiets uit de onverlichte nis pak, hoor ik iemand vlak achter me. Gezien mijn ervaringen van de laatste tijd springt mijn lichaam in de dwing-me-niet-je-lens-te-slaan-modus, maar het is de jongen van de roltrap maar. 'Hoi,' zegt hij. 'Ga je mee wat drinken?'

Enkele minuten geleden keek hij naar me en ik keek terug. Hij is duidelijk licht beschonken, maar toch is het vleiend. Het is zaterdag, drieëntwintig uur. Mijn afspraak is gecancelled en hoewel ik het vooruitzicht van een film in mijn eentje op de bank niet vreselijk vind, heb ik eigenlijk nog geen zin om naar huis te gaan.

Ach ja, waarom ook niet. We kijken wel waar het schip strandt – een drankje kan geen kwaad. Ik neem hem mee naar een plaatselijke kroeg en het gesprek komt langzaam op gang.
Hij is aardig, en best gezellig, maar hij blijft maar doorgaan over dat het zo bijzonder is dat we nu wat zitten te drinken terwijl hij dat normaal 'nooit zo aanpakt' (tsja...) en dat hij het zo fijn heeft. Hij deelt wat persoonlijke details over zijn leven en hoewel ik blij ben een bijdrage te kunnen leveren aan zijn emotionele terugkeer naar de bewoonde wereld, wordt het idee van een film in mijn eentje steeds aanlokkelijker. Het is niet zo dat ik hem niet mag of hem geen luisterend oor wil bieden – maar zijn emotionele behoeftigheid, versterkt door het blikje Scotch & Soda in zijn hand, maakt me moe. Ik heb genoeg aan mijn eigen piekermomenten. En we kennen elkaar nog maar een half uur.

Praten tegen een vreemde kan opluchten, dat weet ik. Zijn intoxication daargelaten lijkt het me gewoon een kwetsbare, verdrietige jongen. En dat fragiele ego heeft er vast niets aan als ik er op ga stampen. Bovendien had ik ook 'nee' kunnen zeggen toen hij me vroeg. Maar ik had gehoopt op een luchtige, ontspannen avond met een flirterige, knappe jongen die met me over koetjes en kalfjes had gekletst en me wijn had gevoerd terwijl hij mijn cupmaat probeerde te raden. Zoals de meeste zaterdagen in mijn leven.

Als ik er echt genoeg van heb, besluit ik naar huis te gaan. De booi heeft zoveel ontzag voor me dat hij me niet eens probeert te zoenen: hij kust mijn voorhoofd en mijn hand. Schattig. Ik heb al zoveel bilgraaiers, heupglijders en gelegenheidskussers ontmoet dat ik bijna vergeten was dat zoenen na een drankje niet noodzakelijk is. Ik verwacht en verguis het tegelijkertijd.
Dat zit zo: ik wil me begeerd voelen dus ik wil dat m'n date me wil zoenen, maar hij stijgt in mijn achting als hij het niet na de eerste date al doet. Natúúrlijk wil ik dat hij me wil. Maar ik heb meer fiducie in een tweede ontmoeting als we niet gelijk fysiek worden. En inderdaad, daar zitten jaren van inprenting, een flinke schep nette-meisjes-saus en een gezonde dosis intuïtie achter.

Niets van dit alles is echter aan de orde bij de booi en yours truly. Dit was geen date maar een toevallige ontmoeting. En aangezien meneer vandaag zijn hart bij me heeft uitgestort is al het seksuele wat er ooit tussen ons had kunnen zijn verdwenen. Over ontspannen gesproken.

Na wat berichtjes over en weer dooft ons contact uit als een kaars. Dankbaarheid alléén is geen goede basis voor een date, en eenzijdige emotionele verbondenheid evenmin. Ik zou zijn verdriet en strubbelingen zeker niet belachelijk willen maken – hoe vaak heb ik zelf in vervlogen tijden mijn hart niet gelucht bij vriendinnen en mentoren om iets dat oneindig veel futieler was dan wat hij me vertelde! – maar ik kan noch wil hem verder helpen. Als het al zo zou zijn dat ik hem een zetje in de goede richting geef is dat zetje voldoende: sommige mensen rollen je leven in en rollen er precies zo hard weer uit.

dinsdag 1 april 2014

Trance

Op één van de eerste warme namiddagen van het jaar sta ik in de trein te wachten op vertrek. De meldingsborden zijn uitgevallen maar de trein lijkt aanstalten te maken, daarom ben ik in de dichtstbijzijnde coupé gestapt. Vanwege de mankerende berichtgeving is het echter niet duidelijk of en wanneer de trein waar naartoe vertrekt. Maar de trein in mijn richting gaat altijd van dit perron, dus ik ben bereid de gok te nemen. En de zon schijnt. En dan is alles minder erg.

Ik ben niet de enige die denkt dat de trein aanstonds zal gaan rijden. Vlak na mij komen er drie dames met omvangrijke tasssen de coupé in gepuft. Ze spreken Spaans met elkaar. Het zijn twee vrouwen van een jaar of vijfenvijftig, goedverzorgd, strak in de verf, en hun metgezellin, die beduidend jonger is. Alle drie zien ze er goed uit – charmant zoals sommige vrouwen in Spaanstalige landen zich een stijl eigen kunnen maken. Schijnbaar moeiteloos knap – alsof je haren laten uitföhnen net zo normaal is als tandenpoetsen. Pretty as a way of life.

De jongste vrouw verzucht met lage stem dat ze het zó heet heeft, waarbij ze zichzelf theatraal koelte toewuift. Ik sta zo dichtbij dat ik haar make-up kan zien zitten. Van hieraf is ze niet zo knap – haar kaaklijn is vrij hoekig en de make-up is, hoewel de juiste tint, vier lagen te dik opgebracht. Ook heeft ze acnelittekentjes. Opvallender nog dan haar maquillage of kaaklijn is haar kont. Ze is niet dik, maar heeft billen waar Jennifer Lopez nog een puntje aan kan zuigen. En ik twijfel of al dat achterfruit natuurlijk is.

Ik gluur naar haar onderarmen, waar wat dons op schittert, maar nog altijd minder dan op de armen van mijn Turkse buurmeisje. Ik werp een blik op haar handen: ze zijn vrij groot, maar de palmen en ruggen geven niets weg. Ik kijk naar haar voeten, maar die zijn maximaal maat 42 en bieden me dus evenmin uitsluitsel.
Stiekem bekijk ik haar borsten. Ze hangen op een natuurlijke hoogte – anders dan je zou verwachten bij een paar implantaten. Haar heupen zijn wel wat smal voor een vrouw, de verhouding bil-middel (het woord 'taille' zal ik niet gebruiken) is 1 en ze heeft een buikje. Ook dat is echter niet doorslaggevend – ondanks alles is haar figuur redelijk en ze kleedt zich behoorlijk. Wel staat ze met haar heupen naar voren, precies zoals sommige mannen denken dat vrouwen staan. Terwijl vrouwen juist moeite doen om niet zo te staan – het ziet er onvrouwelijk uit en je lijkt er breder door.... Voorzichtig werp ik een blik in haar zonnebril en zie dat ze haar wenkbrauwen heeft bijgetekend in een zwarte, smalle lijn. Mmmmmh. Suspiciousssss....

Wat maakt mij het uit, lieve lezer, of deze vrouw is geboren met een set mannelijke primaire geslachtskenmerken? Eigenlijk niets. Maar mijn nieuwsgierigheid strijdt met mijn bewondering: als dit een transseksueel is, is ze verfijnder dan menigeen die haar voorging. Haar borsten zijn niet te groot of te hoog, haar make-up is dik maar niet overdreven. Haar hakken zijn niet te porno. En haar manieren niet te nichterig. De grootste weggever bij een transseksueel is namelijk het gebrek aan ingetogenheid. Bij voormalig mannelijke transseksuelen uit zich dat vaak in RuPaul-achtige make-up, overdreven mimiek en schreeuwerige, veel te korte kleren: in de poging er zo vrouwelijk mogelijk uit te zien, komen ze niet verder dan travestie, letterlijk en figuurlijk, waardoor hun mannelijkheid nóg meer in het oog springt. Mission not accomplished.

De meeste transseksuelen weten op hele jonge leeftijd al dat ze niet niet de sekse willen hebben waarmee ze geboren zijn en zijn daarnaast vaak al wat androgyn. Zo ook deze Spaanstalige dame. Als de oudere vrouw haar moeder is, mag ze zich gelukkig prijzen met zulke steun. Ik hoop nu bijna dat ze transseksueel is, want als dat niet klopt, is er nog een hoop werk aan de winkel. Maar ook in dat geval heeft ze vast de steun van haar moeder. En dan maakt al het andere niet meer uit.

vrijdag 7 maart 2014

Klap

Op een gewone doordeweekse nacht fietste ik naar huis. Na een lange en plezante date met een lieve jongen had ik besloten te vertrekken – ik was moe en ondanks dat ik mijn date mocht, waren er wat woorden gevallen. Het was zo laat dat het weer vroeg was en de wegen waren gehuld in diepe rust. Er hing een dikke, ondoordringbare mist. Bij een rood stoplicht checkte ik of mijn fietslicht aanstond, want ik was al menigmaal verrast door een tegenligger die ik pas op drie meter afstand zag aankomen. Je zag letterlijk geen hand voor ogen en vanuit de auto is het zicht slechter en de botsschade groter. Naast mij stond een zwarte, kleine auto.

Hoe kon ik weten dat de milde quarrel die ik met mijn date had gehad in het niet zou vallen bij het angstige halfuur dat ik nu mee zou maken?

Ik fietste verder op een separaat fietspad, naast een autoweg. Aan mijn rechterhand lag een sportveld. Aan mijn linkerhand lagen huizen. Ik vervolgde rustig mijn weg – de route was niet nieuw voor me. Na een paar minuten zag ik een zwarte Golf (?) met knipperende waarschuwingslichten stilstaan op 50 meter van mij vandaan. 'Waarom zou die auto daar staan?', vroeg ik me af. Voor ik kon bedenken waarom zag ik hoe er een groteske figuur vanuit de mist op me af kwam stormen. Hij droeg een zwarte pet, een zwarte sjaal en daar tussenin een grote skibril met zilveren rand. Hij was klein, ongeveer 1.70. En in zijn hand droeg hij een honkbalknuppel.
Die knuppel zwaaide hij met grote kracht richting mijn hoofd. Het was duidelijk dat hij me neer zou slaan als ik me niet zou verzetten. Om me daarna te beroven, te verkrachten, of allebei.

Tijd om verbijsterd te zijn was er niet. Ik weet wat mensen altijd zeggen: Krab hem. Pak wat van zijn haar. Spuit deo in zijn gezicht. Trap hem in zijn ballen. Geef niet op. Maar lieve lezer, dat werkt misschien als je opgesloten zit in een kofferbak en tijd hebt om na te denken over wanneer je dat voor elkaar gaat krijgen. Tegen de tijd dat ik de deo – die ik niet bij me had – van zijn dopje zou hebben ontdaan zou hij me allang een verbrijzeld heupbeen, een dwarslaesie of een schedelbasisfractuur hebben geslagen. Er was geen tijd voor wat dan ook. Dus deed ik wat ik kon: ik trapte mijn pedalen in of mijn leven er vanaf hing. En ik schreeuwde. Tegen een honkbalknuppel was ik zo goed als weerloos. Maar mocht hij me te pakken krijgen dan zou ik me niet in stilte gewonnen geven.

Hij rende me achterna en sloeg me met de knuppel. Dankzij God, extra ijzerpillen, God, extra spinninglessen, adrenaline en God had ik al wat vaart en daarom raakte hij mijn schouder in plaats van mijn hoofd. Zelfs na die klap bleef hij me achterna rennen en ik zette er nog een tandje bij. Ondanks de pijn fietste ik door en ik zag hem even later over de brug scheuren. Zijn kentekenplaat was geel maar te ver weg om te kunnen lezen. En hoewel ik overstuur was en trilde was ik nog altijd niet veilig. Ter plekke stilstaan om het alarmnummer, mijn date of andere hulptroepen in te schakelen was misschien niet verstandig – als hij me op een separaat fietspad op kon wachten had ik geen garantie dat hij de klus niet op een ander punt op de route af kwam maken. Ik moest eerst naar binnen.

Eenmaal thuis zochten hete angsttranen hun weg naar buiten en ik besloot - met nog altijd van angst knikkende knieën - alles op te schrijven wat ik me herinnerde. Gelukkig had ik niet gedronken – dat had de avond in termen van reactietijd ongetwijfeld een andere wending gegeven.
De bestuurder van de Golf had me bij het stoplicht al in het vizier gehad, zoveel was duidelijk. Maar waar ik het meest van schrok was de planning achter de daad - tegen zoveel agressie is mijn brein niet opgewassen.
Natuurlijk heb ik aangifte gedaan en de vriendelijke agent zei wel dat het verstandiger was geweest metéén na het ongeval aangifte te komen doen – dan hadden ze 'm klemgereden.

De littekens, zowel lichamelijk als geestelijk, zullen mettertijd wel helen. Voorlopig bel ik mijn taximannetje als ik 's avonds naar huis wil. Het is die meerprijs echt wel waard.

zondag 2 februari 2014

Brandpunt

Soms heb je van die dagen waarop je niet vooruit te branden bent. Vandaag was zo'n dag. Om elf uur zette ik de tv aan, bleef vervolgens hangen in drie afleveringen van National Geopraphics Drugged – ik drink nooit meer! – en was ondertussen begonnen met licht huishoudelijk werk, als halfslachtige vervanging voor mijn van uitstel-komt-afstel-truc richting de sportschool. Halverwege het ramen zemen raakte ik verzeild in een documentaire over een lampenkap, naar verluidt vervaardigd van menselijke huid. En hoewel ik de uitkomst al wist, bleef het toch een spannende documentaire.
Aan het einde van de middag kon ik trots op mijzelf zijn. Mijn minipaleis was spotless and squeaky en dat is ook wat waard. Het enige wat mij nog restte waren boodschappen. En omdat ik nog niet buiten was geweest en wel wat lichaamsbeweging kon gebruiken, besloot ik ze lopend te gaan halen.

Ergens in het gangpad tussen het gehakt en de lamskoteletten viel mijn oog op een uitzonderlijke man. Hij was bruin, met opvallend groenblauwe ogen. Ik zou vast niet de eerste zijn die hem zo aankeek, dus ik probeerde mijn blik af te wenden. Was het een wijnvlek geweest, dan had ik me namelijk geschaamd en zulk gestaar geeft geen pas voor een dame van stand. Maar het viel me zwaar, lieve lezer. Ik vergat de rest van de winkel, zo erg was het.

Hij liep rakelings langs me. Hij hengelde en ik hapte. We spraken wat en hij zei: 'Vrouwen willen me vanwege mijn ogen, maar ik zoek een echte, mooie, nette vrouw. Zoals jij.'
Tsja, lieve lezer. Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik óók mesmerized was door zijn ogen, zó betoverd dat ik bereid was zijn lijfluchtje door de vingers te zien. 'Ik ben niet van de straat, ik ben een nette jongen, ik heb zeven zussen! Ik houd niet van praatjes.. heb m'n leven op orde, ik heb een baan, mijn huis, en ik zoek een net meisje om dat allemaal mee te delen en een kindje te krijgen, gewoon een gezinnetje, weet je...?'
Erg fijn dat hij zijn leven op de rit had, maar ondanks mijn groenblauwe betovering was ik niet blind voor de grote tatoeage in zijn nek. Of de twee rijen traantjes onder zijn linkeroog. Maar hee, de definitie van 'netjes' is blijkbaar vloeiend... Voor iemand die niet van praatjes houdt had hij er aardig wat. En dat zei ik hem ook.

'Zullen we een kind maken?' vraagt hij me tenslotte op de man af. 'Wordt een mooi gebruind kind, een jongetje, of een meisje, met jouw zachte krullen, jouw mooie lippen en groene ogen, die komen in mijn familie heel veel voor...'
Granted, voor die ogen zou ik zonder aarzelen tekenen, maar dat is dan ook alles. 'Ik krijg liever geen kind zonder eerst getrouwd te zijn,' zeg ik. 'Trouwen? Waarom dan?' vraagt hij. Nou, daarom dus. En dan heb ik dat Marilyn-en-Einstein-moment nog buiten beschouwing gelaten: genotype zegt weinig over fenotype.

Inmiddels zijn we bij zijn huis en hier spreekt hij de legendarische woorden: 'Ik zet de boodschappen even achter de deur, daarna draai ik even een joint en dan loop ik met je mee naar huis.'

'Nee hoor, dat hoeft niet. Geniet van je weekend. Ik ga nu,' breng ik uit als mijn kaken weer dicht genoeg bij elkaar zijn gekomen. En ik voeg daad bij woord. Hij rent me achterna. 'Mami, wat is het probleem? Wil je geen kindje maken? Een baby, van ons tweeën?'
'Ik kan geen kind krijgen met iemand die drugs gebruikt,' zeg ik hem. 'In alle eerlijkheid: je bent m'n type niet.' Hij slaat om als een blad aan de boom, alle zoetsappigheid verdwijnt. 'Ik ben je type niet... wel, veel vrouwen willen mij! Dus ik laat je met rust...' En hij verdwijnt zonder er nog een woord aan vuil te maken.

Jammer van die wiet, vriend. Maar ik meen het. Bovendien schijnt cannabis de zaadproductie negatief te beïnvloeden. Dus tot zover het plan voor die groenogige baby. Had ik nou niet naar National Geographic gekeken vanmorgen...

woensdag 29 januari 2014

Mock amore (2)

Amper een jaar geleden schreef ik op deze plek over een bijzondere ontmoeting op een koude maandagmiddag in een emotioneel turbulente tijd. Over charisma ging mijn verzuchting, over lotsbestemming en je ne sais quoi. En de reden dat ik vandaag weer een document kan opmaken, reader dear, is dat de voorzienigheid op een niet zo koude middag dezelfde man op mijn pad bracht, voor het eerst in een jaar.

U weet, ik romantiseer graag. Het menselijk brein is een prachtig orgaan. In mijn herinnering leek hij op Peter Mensah, Gijs Staverman, Sean Connery. De man die ik voor me zag had meer weg van Djimon Honsou, Edwin Evers, Daniel Craig. Dat geeft niet, het zegt meer over mij dan over hem en het is al helemáál geen graadmeter voor wat dan ook – mijn beoordelingsvermogen en enthousiasme uitgezonderd. Maar dat kan hij weten noch helpen.

Hij vroeg me nogmaals heel voorzichtig of ik iets met hem wilde drinken. Deze keer ging ik akkoord en we streken ergens neer voor een kop thee. De thee werd wijn maar voor eten was de date te pril. Ons gesprek was beschaafd en prettig. Wel had het een vrij seksuele tendens – hij was allerminst grof, maar hij sprak vol vuur over hoe verschillend mannen en vrouwen seksualiteit en sensualiteit beleven. Zulke zaken vind ik om meerdere redenen geen gepaste onderwerpen voor een eerste ontmoeting, maar wie weet was hij nerveus.
Hij gaf me complimenten bij het leven en ook daar werd ik op het laatst een beetje ongemakkelijk van. De gewoonte om complimenten te bagatelliseren, af te zwakken en niet te kunnen accepteren heb ik ondanks mijn Hollandse inborst nooit gehad: een goed compliment accepteer ik met precies zoveel gratie en oprechtheid als ze geuit wordt. Met alles wat naar vleierij neigt ga ik dan wel weer zeer Hollands om. Het scheelde dat het café zeer rumoerig was en ik slechts een kwart van wat hij zei verstond, maar de strekking werd me door al die herhaling in ieder geval goed duidelijk. Op de rest heb ik geknikt, ge-ahaa'd en ge-hhm-d.

Misschien had het te maken met het spetterende weekend, waarin ik ook wat hele inspiratievolle ontmoetingen had. Misschien had het te maken met het late tijdstip van het gesprek, waarna al mijn vuur en pit was opgebruikt. Misschien met het weer. Ik kan niet zeggen dat het niet leuk was, dat ik me verveelde of dat hij niet zijn best deed om het me naar de zin te maken. Maar de chemie die ik de eerste keer ervoer, het trillen van mijn handen, het stokken van mijn ademhaling, het knikken van mijn knieën: niets van dit alles was er deze keer aan de orde. En dat was ook de reden dat ik, nu ik niet van slag was, kon zien dat we eigenlijk weinig gemeen hadden en ik hem niet zo aantrekkelijk vond als ik eerst en het gehele jaar daarna had gedacht.

Ik had u graag een Disney-eind gegeven, lieve lezer, inclusief violen en baljurk met hoepelrok. Helaas. Ik voelde helemaal niets meer, behalve de intermenselijke beleefdheid en een grijns omdat ik deze man na een jaar (!!) op precies dezelfde plek opnieuw tegenkom. Maar zo ondersteboven als ik vorig jaar was, zo koud laat hij me nu. Hij is aardig en ik mag hem, heus. Da's dan ook alles.

Kan ik hieruit concluderen dat het einde van de liefde nabij is? Welnee. Hij had vorig jaar gewoon wat volhardender moeten zijn, dan had ik nu een diamanten ring en een hypotheekakte gehad. Of de man met wie ik toen aan het daten was had wat volhardender moeten zijn, dan had ik nu een grote diamanten ring, een Maxicosi en een grote hypotheekakte gehad....
Misschien moet ik nu de zaken omdraaien en Peter Mensah het voordeel van de twijfel en wat tijd gunnen, net als ik toen wilde doen bij mijn date. Ik zie wel hoe dit afloopt - thee kan hoe kan ook weinig kwaad.

woensdag 15 januari 2014

Zwang

Na het eten strijken we neer in een kroegje vlakbij. Ik plant mijn billen op de comfortabele bank en ben vastberaden mijn gemangelde voeten rust te geven na tien uur in smalle pumps. Vanaf hier heb ik bovendien goed uitzicht op het aanwezige manvolk – het is wat te oud maar de avond is jong en de broekies die nu niet durven, hebben over een uurtje genoeg moed verzameld. De barman doet tot drie keer toe alsof hij me niet verstaat, dus ik schreeuw mijn bestelling in zijn oor. Dat wordt mooi geen fooi kerel, een goed verstaander heeft aan een half en voor een barman geldt dat dubbel. Wat kun je nou misinterpreteren aan wodka lime?

Naast ons staat een kleine man met sluik halflang haar glibberig te doen terwijl hij naar ons lonkt. Vanaf de andere kant komt er een man met rossig haar en een bril op me af. 'Mag ik een foto van je benen maken, zodat ik een vriend van mij deze kant op kan lokken?' Mmmh. Vreemd verzoek, maar ik draag een dikke panty en als het werkt, hebben we meteen iets om over te praten. Bovendien zal het glibberig & sluik op afstand houden. Ik stem toe. De man met de bril heet Jeff en ik moet zeggen, voor telefoonfoto's zonder flits zijn ze zeer goed gelukt. Ik zou ervoor naar de kroeg struinen, dus ik geef hem groot gelijk. Jeff geeft ons wodka lime en wijn, wat ik lief van hem vind. Jeffs vriend Harry verklaart zonder dubbele tong dat wij beiden, 'zonder dollen in alle ernst!' een lust voor het oog zijn. Bedankt, Harry. De avond wordt steeds leuker.

Ondertussen kijk ik subtiel naar de man in de zwarte longsleeve die zich afzijdig genoeg houdt om me nieuwsgierig te maken. Hij is een jaar of veertig en vriendin en ik zijn het er over eens dat hij leed uitstraalt: diepe groeven tekenen zijn gebruind gezicht. Ook lijkt hij recent plaatselijk een paar kilo te zijn aangekomen. Zijn vrienden geven goedmoedig klopjes op zijn stressbuikie – iets wat alleen mannen onder elkaar kunnen doen. Mij maakt het niet uit, ik zie mijn mannen graag standvastig. Maar ik weet óók dat de gepijnigde blik en diepbruine groeven waar ik mijn reddersfantasie maar al te graag op los wil laten net zo goed een teken kunnen zijn van een algeheel onbegrip van het leven. Verwachtingen en fata morgana's beginnen niet voor niets beiden met de F van vervelend...

Glibberig, klein en sluik maakt nog steeds misbaar in mijn ooghoek. Ik plaats Jeff strategisch tussen hem en mij, maar wat ik niet had voorzien was dat de twee elkaar kennen. Voor ik het weet bevindt glibberig zich tussen ons in voor een feauteau medde maaissies en ik heb niet de tegenwoordigheid van geest om vies te kijken, zoals mijn metgezel. Neen. Ik ben onder invloed van beleefdheid en wodka lime, dus ik lach afwezig als een boer met kiespijn. Jeffs foto is beduidend beter.

Harry noemt me Drie en mijn metgezel Robijntje. Ik vraag me af hoe laat mijn trein gaat, want de hele situatie begint me te benauwen en ik wil naar huis. Longsleeve stelt zich voor als Mitchell en ik krijg gelijk: hij praat honderduit over zijn liefe wrauw en zijn oogappel van een zoon – de reden voor zijn buik, want hij is gestopt met roken.

Waarschijnlijk was de avond zonder al deze dingen minder ontspannen verlopen. Maar de waarheid is dat hoewel ik mannen zonder doel waardeer, mannen mét een doel spannender zijn. Ik mis het spel, het draaien, het geflirt, het idee, de potentie. Longsleeves onzekere gekweel over zijn gezin is zó demonstratief en angstig dat het op mijn lachspieren werkt ('ik kan eigenlijk niet eens met je kletsen want jij bent jong en single en ik ben getrouwd maar dat is helemaal niet erg, helemaal niet erg, helemaal niet erg!').
Ik verveel me. Zo, dat is eruit. En ik ben niet in de stemming, ik heb stress in plaats van geduld. Alle lieve complimenten en dito drank ten spijt sla ik het aanbod om mee te gaan naar een volgende kroeg dan ook af. Het is tijd voor de trein – dit is geen dag om te daten.
Ik neem afscheid van Harry, Longsleeve, Jeff en het hartelijkst van mijn lieve vriendinnetje. In de trein terug trekt de wodka me gelukkig half in slaap, zodat ik niet langer hoef na te denken over of ik nog wel in zwang ben. Morgen wordt een betere dag, ik weet het zeker. Vertrouwen, schwung, senang.

donderdag 2 januari 2014

Verliefd

Mijn eerste mijmering van 2014 zal ik niet wijden aan sociaal ongemak, onfortuinlijke ontmoetingen, goed slechte gesprekken, vernaggelde dates, stomme vragen, verregende kapsels of gemiste kansen in de kroeg of daarbuiten. Mijn eerste stuk van dit jaar wil ik wijden aan de liefde.

Een en ander, lieve lezer, wordt getriggerd door een fragmentje dat ik op Youtube vond van de in 2013 overleden zanger Maarten van Roozendaal. Ik heb hem te laat ontdekt om me nog in een kring van zijn rook te hullen. En dat wil heel wat zeggen, want ik verdraag rook nog slechter dan mijn hekel eraan groot is. Pompeus? Mag ik ook even een poging doen, na het – keer op keer! – horen van dit fragment?

Wat heeft mijn liefde met Maarten te maken? Wel, ik ben dol ben op mannen die dingen goed kunnen. En de zang en teksten van deze man voel ik in mijn buik, net als het gitaarspel van Slash, de solo's van Steve Lukather, de proza van Hafid Bouazza, de ogen van Al Pacino, de schwung van Christopher Walken, de neus van David Gandy en de attitude van Keanu Reeves. Het is hetzelfde gevoel dat maakt dat ik wenste dat ik een manfiguur in mijn leven had als Donald Sutherland, Robert Plant, Jeremy Irons, Bryan Ferry (inclusief zijn vier zalige zonen), mijn filosofieprofessor Marcus Duwell of Alan Moore, de goeroestriptekenaar met zijn zeven stalen ringen. Ik ben dol op mannen die dingen goed kunnen, ongeacht hun geboorte- of sterftejaar. En Maarten mag aanschuiven in deze op volstrekte willekeur gebaseerde lijst.

Nodeloos te zeggen dat mijn adoratie platonisch en geheiligd is: Marcus en Hafid zijn relatief dichtbij, maar de kans dat ik ooit mijn hand door Steves genialiteit mag halen is nihil. En als ik eerlijk ben, is dat wel zo prettig: ik ben net zo dol op deze mannen als ik ben op de mythes die ze omringen, bovendien twijfel ik weleens aan de echtheid ervan. Lang leve PR. Maar net zoals tienermeisjes hun ogen sluiten voor drugsmisbruik en ongeplande zwangerschap van hun idolen, blijf ik vasthouden aan het idee. Sterker nog, meestal ga ik de man in kwestie er alleen maar begeerlijker door vinden – geweldsincidenten daargelaten. Maar zeg nou zelf: een beetje drank, drugs en zelfkant doen toch niemand kwaad?

Overeenkomsten die ik tussen deze mannen heb kunnen vinden zijn hun donkerharigheid en hun lengte. Mannen waarmee ik een kind zou kunnen krijgen – niet om de daad an sich, hemel nee – maar het bestaan van het kind, zodat het de helft van die begeerlijke genen meekrijgt en de potentie om net zo geweldig te worden als pappa, met mijn nederige hulp. Al geef ik toe dat het met David Gandy makkelijker zou gaan, daar heb ik zelfs een close encounter met Donald voor over.

Maar wat is de link tussen Maarten, 2014 en de liefde? Simpel. Iedere keer als ik bijvoorbeeld aan Maartens Mooi denk, brengt dat automatisch al het mooie van 2013 naar boven. Ik denk aan zuivere, onstoffelijke liefde en mijn hart zwelt, waardoor er geen ruimte meer is voor narigheid. En ik ga met een goed en positief gevoel 2014 in, met verse hoop, bescheiden plannen, hartelijke wensen voor anderen en mijzelf. Ik hoop dat 2014 me op liefdes- en carrièregebied mijn eigen Marcus, Steve of Hafid brengt, en als hij wat wegheeft van David is dat mooi meegenomen. Ik hoop dat ik, meer dan in afgelopen jaar, mijn innerlijke Slash naar buiten kan halen: rustig als Jeremy, charismatisch als Keanu, funky als Christopher en eerbaar als Bryan. En anders is er altijd 2015 – het is fijn om iets te wensen over te laten.