Smoezend banen wij ons een weg door het mannenwalhalla dat kroeg heet. Waar ik ook kijk, ik zie alleen maar leuke kerels, waaronder een man met een zwarte Moby-bril en een rustige, vriendelijke uitstraling. Naast ons staat een groepje mannen in spijkerblauw en mijn metgezel heeft haar oog laten vallen op een aantrekkelijk stuk denim met een rossig baardje. Dit belooft wat.
Stiekem vind ik Moby het leukst, daarom negeer ik voorlopig de aanbiddelijke adonis met de zwarte jas die herhaaldelijk naar me kijkt en knipoogt. Maar de man geeft geen sjoege. Nadat ik een uur lang welwillend heb geprobeerd conversatie met hem te maken, mee ben gegaan naar een andere kroeg, vriendelijk heb gelachen om zijn grapjes die ik maar half versta en hij nog steeds geen aanstalten maakt richting mijn nummer wordt mijn ongelovige ego duidelijk wat ik verstandelijk al veel eerder wist: hij wil niet. Dat mag natuurlijk, niet de hele wereld wil mij. En met zijn betrokken vriend, een getrouwde vader van twee kinderen, heb ik een toch minstens zo interessant en plezant gesprek, zonder druk of verwachtingen.
Maar de avond vordert en de mannen zijn talrijk. Daarom sta ik nu tegen Geert aan, die naar me grijnst terwijl hij mijn borsten ritmisch plet tegen zijn lijf en tot vier keer toe zijn Bacardi-cola over me heen gutst. De opmerking 'Wat kun jij goed dansen zeg, het is dus waar wat ze zeggen!' laat ik alleen maar passeren vanwege Geerts tomeloze enthousiasme en de vijf gin tonics achter mijn kiezen. Gelukkig brengt mijn gezel wat lucht in de situatie: zij wil met groupe denim mee naar kroeg nummer drie. Ik vertrouw haar toe aan de zorgzame handen van Barbarossa & co en zoek mijn heil bij de hete tweeling die me ridderlijk en onzelfzuchtig redt uit Geerts grijpgrage klauwen, vóór hij me naast een rumdouche ook blauwe plekken bezorgt.
In de rij voor de garderobe kom ik in contact met een nieuwe man: Bram. Hij wil me meenemen terug naar kroeg één en dat klinkt als een plan. De schat houdt de deur open, hangt mijn jas onder de zijne, legt zijn hand zacht sturend op mijn rug en haast zich om me een drankje te geven. Maar zijn noodlot wil, lezer, dat alles wat deze geweldig lieve, leuke jongen voor me doet in het niet valt bij de verraste glimlach die me tegemoet straalt als we kroeg één betreden. Wie vangt me op? Adonis Zwartjas. En de sterren in mijn ogen zijn niet bedoeld voor arme Bram. The female preference can be a b.
Adonis raakt mijn haar aan, steekt zijn handen in mijn broekzakken. 'Ik vind je leuk,' zegt hij. Insgelijks...mijn jas en Bram ben ik al vergeten. Maar na enig vragen komt de reden achter Adonis' aarzeling naar boven. 'Ik zou graag je nummer willen – ik heb een vriendin, maar ik vind je echt heel leuk... ' Hij knipoogt en zijn stem daalt veelbetekenend. 'We kunnen elkaar nog eens ontmoeten als je wilt... Hoe sta jij daar tegenover?'
Meestal blijf ik in deze gevallen niet staan – ik ren zo snel mijn benen me dragen kunnen de andere kant op. Dank je feestelijk, Adonis. Mijn eer is net zo gezond als mijn lijf en leden en dat mag zo blijven. Jammer alleen dat ik hem door dit voorstel niet ineens afstotelijk ga vinden. Maar Bram verschijnt en neemt me opnieuw onder zijn hoede.
Zonder een woord van verwijt om mijn onverklaarbare verdwijnactie legt hij mijn jas om mijn schouders en escorteert me naar huis, mijn arm in de zijne. 'Ik zou het leuk vinden je nog eens te zien,' zegt hij zacht en hoopvol. Hij heeft mijn nummer goed in zijn telefoon staan, op één cijfer teveel na. Dat laat ik maar zo – Bram is lief, maar hij is niet mijn type. Ik gun hem het voordeel van de twijfel, maar ik gun mijzelf de twijfel.
Weet ik een goede man soms niet op waarde te schatten – moet hij ook nog op zijn hoofd gaan staan? Nee hoor. Maar chemie kun je niet afdwingen, alle nachtelijke wandelingen ten spijt. Als Bram slim genoeg is om de fout uit mijn nummer te halen hoop ik dat hij me belt, zodat we thee kunnen gaan drinken en ik me óók van mijn beste kant kan laten zien. Tenslotte draait het in de wereld om kansen – sommige mensen pakken ze niet, anderen zien ze niet en weer anderen geef ik graag een tweede.
maandag 30 december 2013
maandag 23 december 2013
Opgeblazen
Het trillen van mijn hart dat ik ervoer toen ik de Godfather-trilogie voor de eerste keer bekeek had meer te maken met Al Pacino dan met de waarden die in de film zo worden geromantiseerd en gepropageerd: eer, respect, verantwoordelijkheid, loyaliteit en discretie. Ik had er een hoop voor over gehad om te trouwen in één van die oud-adelijke Italiaanse families in het begin van de twintigste eeuw, waar de rolverdeling tussen man en vrouw duidelijk was, de haren vettig en zwart en de neuzen groot – en allemaal in dezelfde windrichting. U weet, ik heb romantiek hoog in het vaandel staan. En ik had er, met mijn Bertolli-Italiaanse krullen, goed tussen gepast.
Het was nostalgie op haar best die me deed hunkeren naar nieuwe afleveringen van National Geographics Inside the American Mob. De documentaire schetst een beeld vanaf het punt dat de Staten Island Police en de maffia niet meer door één deur konden: het begin van de jaren zeventig. Daarvóór werd die grote, stille organisatie met haar vele rokken geleid door de bazen aan het hoofd van vijf samengestelde families: Gambino, Columbo, Bonanno, Genovese, Lucchese.
Volgens het witwesters stereotype staan Italiaanse mannen bekend om hun kleine-man-complex, met als gevolg hun opvliegende aard en gevoelige ego. Binnen de maffia kom je met dat soort korte-termijn-waarden helemaal nergens. Naar het zelfde stereotype hebben Italianen namelijk nooit haast en in zaken van leven en dood komt die koele kalmte ze zeker van pas. De documentaire schetst dan ook een beeld van vijf founding godfathers die pas geweld gebruiken als het echt moet – na inachtneming van de mores en erecodes die bij dit soort zaken in werking treden. Deze vroeg-maffiaanse scrupules omtrent geweld zijn niet toevallig. Na God de Vader komt immers de angst van iedere godvrezende Italiaan nog: de Heilige Moeder. Een positief punt uit het eerder genoemde stereotype is dit: Italianen hebben heilig respect voor (mooie) vrouwen. Dat pleit voor ze. En misschien nog wel belangrijker: de maffiosi gebruiken hun gezond verstand en denken aan de mogelijke gevolgen op lange termijn. Door hun acties onder het bereik van de politieradar te houden, leidden zij een onzelfzuchtig, gedoogd, gelukkig, weldadig leven in Little Italy, New York.
Net zoals in Coppola's films komen andere onderwerpen subtieler aan bod: met name de delicate balans tussen assimilatie en identiteitsbehoud voor eerste-, tweede-, en derde-generatie immigranten in een niet zo Italo-vriendelijk Amerika. Misschien spreekt de trilogie me daarom zo aan – de afweging van je moeten aanpassen aan de wetten van de samenleving waarin je leeft, waarin je half-Italiaanse (genetisch, cultureel, of allebei) kinderen opgroeien, zonder daarbij je wortels te verloochenen boeit mij als literatuurwetenschapper natuurlijk bijzonder.
Met de nieuwe generaties maffiosi verdreven egoïsme, winstbejag en kip-zonder-kop-represailles (oog om oog: iedereen blind!) uiteindelijk het oude-stijl maffiasysteem (inclusief goedkeuringscommissie, met vetorecht) en dat kwam de organisatie niet ten goede. Eeuwig zonde, maar misschien ook niet, anders waren de film en de docu er nooit gekomen. Het Amerikaanse beeld dat Italianen gewelddadig en meedogenloos zijn wordt in géén van beide representaties neergesabeld – wat ik wel jammer vind.
(Er bestaat trouwens wel een serie waarin maffiavrouwen centraal staan: Mob Wives, uitgezonden door TLC. Maar daar worden de hoofdrolspelers neergezet als een stel geldbeluste, gebotoxte alcoholici die volledig afhankelijk zijn van de willekeur van hun bad boy echtgenoten. Wat een leven...)
Ofwel de documentaire is geromantiseerd, of The Godfather is realistischer dan ik dacht, op de aanwezigheid van Kay na dan. En wat hebben we hiervan geleerd? Niet alle Italian-Americans zijn gewelddadige patsers, maar de meeste maffiosi wel. Als je leven je lief is, blijft La Cosa Nostra vooral none of your business. En daar is geen woord Italiaans bij.
Het was nostalgie op haar best die me deed hunkeren naar nieuwe afleveringen van National Geographics Inside the American Mob. De documentaire schetst een beeld vanaf het punt dat de Staten Island Police en de maffia niet meer door één deur konden: het begin van de jaren zeventig. Daarvóór werd die grote, stille organisatie met haar vele rokken geleid door de bazen aan het hoofd van vijf samengestelde families: Gambino, Columbo, Bonanno, Genovese, Lucchese.
Volgens het witwesters stereotype staan Italiaanse mannen bekend om hun kleine-man-complex, met als gevolg hun opvliegende aard en gevoelige ego. Binnen de maffia kom je met dat soort korte-termijn-waarden helemaal nergens. Naar het zelfde stereotype hebben Italianen namelijk nooit haast en in zaken van leven en dood komt die koele kalmte ze zeker van pas. De documentaire schetst dan ook een beeld van vijf founding godfathers die pas geweld gebruiken als het echt moet – na inachtneming van de mores en erecodes die bij dit soort zaken in werking treden. Deze vroeg-maffiaanse scrupules omtrent geweld zijn niet toevallig. Na God de Vader komt immers de angst van iedere godvrezende Italiaan nog: de Heilige Moeder. Een positief punt uit het eerder genoemde stereotype is dit: Italianen hebben heilig respect voor (mooie) vrouwen. Dat pleit voor ze. En misschien nog wel belangrijker: de maffiosi gebruiken hun gezond verstand en denken aan de mogelijke gevolgen op lange termijn. Door hun acties onder het bereik van de politieradar te houden, leidden zij een onzelfzuchtig, gedoogd, gelukkig, weldadig leven in Little Italy, New York.
Net zoals in Coppola's films komen andere onderwerpen subtieler aan bod: met name de delicate balans tussen assimilatie en identiteitsbehoud voor eerste-, tweede-, en derde-generatie immigranten in een niet zo Italo-vriendelijk Amerika. Misschien spreekt de trilogie me daarom zo aan – de afweging van je moeten aanpassen aan de wetten van de samenleving waarin je leeft, waarin je half-Italiaanse (genetisch, cultureel, of allebei) kinderen opgroeien, zonder daarbij je wortels te verloochenen boeit mij als literatuurwetenschapper natuurlijk bijzonder.
Met de nieuwe generaties maffiosi verdreven egoïsme, winstbejag en kip-zonder-kop-represailles (oog om oog: iedereen blind!) uiteindelijk het oude-stijl maffiasysteem (inclusief goedkeuringscommissie, met vetorecht) en dat kwam de organisatie niet ten goede. Eeuwig zonde, maar misschien ook niet, anders waren de film en de docu er nooit gekomen. Het Amerikaanse beeld dat Italianen gewelddadig en meedogenloos zijn wordt in géén van beide representaties neergesabeld – wat ik wel jammer vind.
(Er bestaat trouwens wel een serie waarin maffiavrouwen centraal staan: Mob Wives, uitgezonden door TLC. Maar daar worden de hoofdrolspelers neergezet als een stel geldbeluste, gebotoxte alcoholici die volledig afhankelijk zijn van de willekeur van hun bad boy echtgenoten. Wat een leven...)
Ofwel de documentaire is geromantiseerd, of The Godfather is realistischer dan ik dacht, op de aanwezigheid van Kay na dan. En wat hebben we hiervan geleerd? Niet alle Italian-Americans zijn gewelddadige patsers, maar de meeste maffiosi wel. Als je leven je lief is, blijft La Cosa Nostra vooral none of your business. En daar is geen woord Italiaans bij.
woensdag 18 december 2013
Zon(d)e
Er kwam iets op mijn pad. Het iets droeg een muts, een spijkerbroek en een blikje bier. Hij noemde me Lola, in een eerbetoon aan de halfblinde prostituee met één been die hij regelmatig placht te bezoeken toen de zone voor dames van lichte zeden en zware misdrijven nog openstond voor publiek. De eerste keer dat wij elkaar ontmoetten kostte het hem zijn stem en een sprint; maar de naam Lola doet bij mij dan ook geen lichtje branden. Ondanks mijn botsingloos en rap vertrek dacht Sjaak echter dat ik Lola was. En hij begreep dat de pro Lola in haar niet-werkende leven (ik zal niet het woord 'privé' gebruiken) natúúrlijk niet de naam Lola bezigde. Dat ik niet reageerde nam hij me al hijgend niet kwalijk. En ik vond het op mijn beurt zwaar onnodig hem mijn naam te vertellen, dus liet ik het maar zo.
Mijn andere grote vriend die in dezelfde contreien ronddoolt, William, trok wit weg toen hij mij met Sjaak zag praten. 'Hij is niet... met hem moet je niet praten hoor.. ' Ja, dat Sjaak niet tot de zuiverste koffieklasse behoort had ik ook wel in de gaten. Maar op het plein der maf,- en smeerkezen is tweebeen koning. Toen hij mij met zijn indrukwekkende Schultenbraubuik de weg versperde had ik bovendien weinig keus – ik ben niet op mijn mondje gevallen maar weet óók wanneer ik aan de kuierlatten moet trekken.
'Hee, Lola, schát...! braakt Sjaak er met een onvervalst platte tongval uit. Ik hoor Utrecht, Amsterdam, Den Haag. 'A's ik jau zie, a's ik jauw auge zie, worrik heulemaol warrum vaan binnuh!' U zult mij vergeven, lezer, als ik alles wat hij zegt fonetisch weergeef begrijpt u niet wat er staat. Ik moest zijn woorden in mijn hoofd herhalen en van elkaar scheiden vóór ik kon gniffelen om het soortement de compliment dat hij me probeerde te maken. Ik schenk hem mijn laat-me-met-rust-lach en maak aanstalten om op mijn fiets te stappen. 'Hebbjuh wat sap?' Het lijkt of hij vraagt om een glas van het een of ander. Ik zeg niets, voor ik mijzelf dieper in de penarie breng. Tenslotte reageren mannen het beste op stilte. 'Kan ik je lieve berichies sturen voâh je gaat slaopuh! Niet aas je vriend Dubai is, maar gewoon voor de lol. Kun je bij me laangs coma, gewoon gezellig. Of ben je nog gelukkig met je maan, Lola, schát? Nou, dan doen we het toch gewoon niessohail vaaok?!'
Een en ander wordt vergezeld door de berekenende grijns van een man die denkt dat de vis goed bijt vandaag. Ik ben niet bang om geweld te gebruiken als het moet en op zijn berichtjes zit ik evenmin te wachten. Maar hij heeft andere zorgen.
'Weet je wel hoe oud ik ben? Eenenvijftig! Daar sta je van te kijken, hè? Ik schat jau in de twinnetig, nu wil je zeker niet meer, hè?' Ik negeer de 'meer' en zeg hem dat leeftijd slechts een getal is... 'Ja, je bent wel eens met een oudere man uitgeweest. Maar ik wil je als vriendin. Ik wil graag iets vastigs, iemand om stevig en lekker hard vast te pakken, weejewel. Ik had heel laang iets met een getrouwde wrauw, dat groeide zo, maar dat wil ik nu niet meer. Ik bedoel, ik ben single, alles kaan kapot en ik moet het ook kwijt, weet je..!'
Ik zie het niet in het minst als mijn taak om het hoofd van een mafkees hier en daar op te ruimen – dat hij knettergek is is niet mijn schuld en ik trek me dat evenmin aan. Hell, op die manier kunnen we bezig blijven, bovendien doe ik wel graag alsof de wereld om mij draait: dat maakt het nog niet waar. Sjaak is echter niet de eerste man (lees bijvoorbeeld hier een recent incident) die zijn seksuele hutspot op mijn bord gooit zonder te bedenken hoe ik dat vind en dat je zoiets niet tegen een dame zegt, als je het überhaupt al zegt. Frappant is ook dat hij op een subtiel-oh-toch-niet-zo-subtiele wijze aangeeft bijzonder ondamesachtige dingen van me te verlangen, maar ik in zijn ogen geen dame ben, anders zou hij het voorstel niet doen. Maar dat gaat hem natuurlijk veel te diep.
Ach wat, ik ben damesachtig genoeg. Hij heeft gewoon tijd en lust over (ik krijg het woord 'liefde' in dit verband amper uit den bek) en hij zoekt een willige bijslaap, voor warm plezier. Nou, dat staat hem vrij, maar aangezien ik Lola niet ben, zal hij de zone weer op moeten zoeken. Ze is naar het schijnt met kerst weer in bedrijf....
Mijn andere grote vriend die in dezelfde contreien ronddoolt, William, trok wit weg toen hij mij met Sjaak zag praten. 'Hij is niet... met hem moet je niet praten hoor.. ' Ja, dat Sjaak niet tot de zuiverste koffieklasse behoort had ik ook wel in de gaten. Maar op het plein der maf,- en smeerkezen is tweebeen koning. Toen hij mij met zijn indrukwekkende Schultenbraubuik de weg versperde had ik bovendien weinig keus – ik ben niet op mijn mondje gevallen maar weet óók wanneer ik aan de kuierlatten moet trekken.
'Hee, Lola, schát...! braakt Sjaak er met een onvervalst platte tongval uit. Ik hoor Utrecht, Amsterdam, Den Haag. 'A's ik jau zie, a's ik jauw auge zie, worrik heulemaol warrum vaan binnuh!' U zult mij vergeven, lezer, als ik alles wat hij zegt fonetisch weergeef begrijpt u niet wat er staat. Ik moest zijn woorden in mijn hoofd herhalen en van elkaar scheiden vóór ik kon gniffelen om het soortement de compliment dat hij me probeerde te maken. Ik schenk hem mijn laat-me-met-rust-lach en maak aanstalten om op mijn fiets te stappen. 'Hebbjuh wat sap?' Het lijkt of hij vraagt om een glas van het een of ander. Ik zeg niets, voor ik mijzelf dieper in de penarie breng. Tenslotte reageren mannen het beste op stilte. 'Kan ik je lieve berichies sturen voâh je gaat slaopuh! Niet aas je vriend Dubai is, maar gewoon voor de lol. Kun je bij me laangs coma, gewoon gezellig. Of ben je nog gelukkig met je maan, Lola, schát? Nou, dan doen we het toch gewoon niessohail vaaok?!'
Een en ander wordt vergezeld door de berekenende grijns van een man die denkt dat de vis goed bijt vandaag. Ik ben niet bang om geweld te gebruiken als het moet en op zijn berichtjes zit ik evenmin te wachten. Maar hij heeft andere zorgen.
'Weet je wel hoe oud ik ben? Eenenvijftig! Daar sta je van te kijken, hè? Ik schat jau in de twinnetig, nu wil je zeker niet meer, hè?' Ik negeer de 'meer' en zeg hem dat leeftijd slechts een getal is... 'Ja, je bent wel eens met een oudere man uitgeweest. Maar ik wil je als vriendin. Ik wil graag iets vastigs, iemand om stevig en lekker hard vast te pakken, weejewel. Ik had heel laang iets met een getrouwde wrauw, dat groeide zo, maar dat wil ik nu niet meer. Ik bedoel, ik ben single, alles kaan kapot en ik moet het ook kwijt, weet je..!'
Ik zie het niet in het minst als mijn taak om het hoofd van een mafkees hier en daar op te ruimen – dat hij knettergek is is niet mijn schuld en ik trek me dat evenmin aan. Hell, op die manier kunnen we bezig blijven, bovendien doe ik wel graag alsof de wereld om mij draait: dat maakt het nog niet waar. Sjaak is echter niet de eerste man (lees bijvoorbeeld hier een recent incident) die zijn seksuele hutspot op mijn bord gooit zonder te bedenken hoe ik dat vind en dat je zoiets niet tegen een dame zegt, als je het überhaupt al zegt. Frappant is ook dat hij op een subtiel-oh-toch-niet-zo-subtiele wijze aangeeft bijzonder ondamesachtige dingen van me te verlangen, maar ik in zijn ogen geen dame ben, anders zou hij het voorstel niet doen. Maar dat gaat hem natuurlijk veel te diep.
Ach wat, ik ben damesachtig genoeg. Hij heeft gewoon tijd en lust over (ik krijg het woord 'liefde' in dit verband amper uit den bek) en hij zoekt een willige bijslaap, voor warm plezier. Nou, dat staat hem vrij, maar aangezien ik Lola niet ben, zal hij de zone weer op moeten zoeken. Ze is naar het schijnt met kerst weer in bedrijf....
vrijdag 6 december 2013
Geboekt
Het valt niet meer te ontkennen: ik heb mij als een junk gedragen. Deze week las ik twee boeken: Dromen, Durven, Doen van Ben Tiggelaar en De Voedselzandloper van Kris Verburgh.
De Voedselzandloper heb ik pas een maand, maar de rug is al kapot, zo vaak heb ik er in gekeken. Ben Tiggelaars boek heb ik al anderhalf jaar in mijn lectuurmand liggen (het is een doe-boek, bovendien verdient hij geen plek naast mijn geliefde Hafid B., kom nou...) maar ik kwam er telkens niet aan toe...
Het lezen van Ben en Kris samen maakte dat ik besloot volgens De Voedselzandloper te willen gaan eten. Concreet betekende dat vooral: geen suiker. En hoewel sommige mensen – waaronder Ben - stellen dat je de juiste omstandigheden moet creëren voor verandering, en alle drankgelagen, feestjes, gebroken nachten en overdadig voedsel van de komende tijd daar geen goede combi mee vormen, besloot ik het juist nu te doen, vóórdat het vetgedruis in alle hevigheid losbarst.
Zelden ben ik in mijn leven chagrijniger geweest dan in de eerste drie dagen. Zelden heb ik meer amandelen gegeten. Zelden kwamen de muren sneller op me af dan in die scène uit Labyrinth, met die schoonmakers. Mijn humeur was beneden elk peil, ik voelde me onrustig, verschrikkelijk prikkelbaar, ik weet nu tot in de kleinste details wat er in mijn keukenkasten zwerft na een grondige zoektocht naar verlichting en na dag één was ik in staat mijn geliefde grootmoeder, mijn linkerpink en mijn eerste kind te ruilen voor een stukje chocola – met minder dan 86% cacao.
Strikt op deze manier eten is een aardige bourgeoishobby, want met vet, zout, E-nummers en suiker verrijkte voedingsmiddelen zijn makkelijker verkrijgbaar en veel goedkoper dan onbewerkt eten. Om het te laten slagen moet je de levensstijl behandelen als een allergie. Zoals Ben zegt: je moet er flink wat tijd en planning voor inboeken.
Natuurlijk, lieve lezer, ben ik van plan mijn consumptie van noten en spruitjes omlaag te schroeven. Maar in lijn met Bens aanbeveling is dat mijn plan B: als ik immers met alles tegelijk stop (suiker, koolhydraten, vet, zuivel, vlees en als we toch bezig zijn ook koffie, waarom niet?) is de kans op terugval natuurlijk levensgroot. En de kans op flauwval ook. Ik denk dat ik baat heb bij een verminderde suikerconsumptie. Aan de andere kant zijn variatie en moderatie nog even belangrijk als in een 'standaard' voedingspatroon: van een teveel aan anti-oxidanten schijn je kanker te kunnen krijgen, een teveel aan eiwitten (ter vervanging van koolhydraten) maakt dat je nieren wellicht overbelast raken en oh ja, veel fruit jaagt je bloedsuikerspiegel alsnog omhoog, met alle gevolgen van dien. Waarmee ik natuurlijk niet beweer dat 'slecht' eten beter is voor je gezondheid. Maar al heb je maar één set organen, er is altijd ergens een nieuwere hype.
In aanvulling op Kris en Ben viel mijn oog deze week op een artikel: een opsomming van wat Britse gezondheidsexperts zelf in hun winkelmandje stoppen. Het resultaat zal u verbazen: alleen de mand van de obesitasspecialist heeft een echt duidelijke argumentatie en de rest laat zich met praktische bezwaren ('mijn kind vindt het lekker', 'smaak is ook belangrijk' ) en jamaars verleiden tot de aankoop van nepboter, in vet verlaagde kaas met ongetwijfeld extra suiker en miniem vermagerd gehakt. En ze verlaten zich op een door de overheid ingevoerd stoplichtsysteem – de enige die hier enige kanttekeningen bij heeft is de gezondheidspsycholoog.
Kan ik u een handvat bieden? Nee, ik heb slechts een boek gelezen. Bovendien ben ik druk met afkicken. Zelfs diëtisten zijn geconformeerd aan de gezondheidsregels van hun tijd, die allen standplaatsgebonden zijn. Wat ik wel denk te weten is dat er geen standaard aanpak is als het om je gezondheid gaat: de een voelt zich geweldig bij een low-carb levenstijl terwijl een ander zweert bij cola light met cornflakes. Wat ik ook denk te weten is dat het daarom weinig zin heeft voeding een moraal mee te geven: er is niet zoiets als 'goed' of 'slecht' voedsel. En laten we ook de sociale functie van eten niet vergeten. Als je (geestelijke) ontspanning verkrijgt door een paar glazen wijn of avondje Gluttony on Ice, weegt het voordeel daarvan dan op tegen het gif?
Een onvervalst Hollandse polderconclusie deze keer, want mijn boerenkool wacht. Hoe jouw loper er uit ziet, kun je het beste zelf en zelf het beste bepalen. Om met Ben Tiggelaar te spreken: je moet het gewoon doen.
De Voedselzandloper heb ik pas een maand, maar de rug is al kapot, zo vaak heb ik er in gekeken. Ben Tiggelaars boek heb ik al anderhalf jaar in mijn lectuurmand liggen (het is een doe-boek, bovendien verdient hij geen plek naast mijn geliefde Hafid B., kom nou...) maar ik kwam er telkens niet aan toe...
Het lezen van Ben en Kris samen maakte dat ik besloot volgens De Voedselzandloper te willen gaan eten. Concreet betekende dat vooral: geen suiker. En hoewel sommige mensen – waaronder Ben - stellen dat je de juiste omstandigheden moet creëren voor verandering, en alle drankgelagen, feestjes, gebroken nachten en overdadig voedsel van de komende tijd daar geen goede combi mee vormen, besloot ik het juist nu te doen, vóórdat het vetgedruis in alle hevigheid losbarst.
Zelden ben ik in mijn leven chagrijniger geweest dan in de eerste drie dagen. Zelden heb ik meer amandelen gegeten. Zelden kwamen de muren sneller op me af dan in die scène uit Labyrinth, met die schoonmakers. Mijn humeur was beneden elk peil, ik voelde me onrustig, verschrikkelijk prikkelbaar, ik weet nu tot in de kleinste details wat er in mijn keukenkasten zwerft na een grondige zoektocht naar verlichting en na dag één was ik in staat mijn geliefde grootmoeder, mijn linkerpink en mijn eerste kind te ruilen voor een stukje chocola – met minder dan 86% cacao.
Strikt op deze manier eten is een aardige bourgeoishobby, want met vet, zout, E-nummers en suiker verrijkte voedingsmiddelen zijn makkelijker verkrijgbaar en veel goedkoper dan onbewerkt eten. Om het te laten slagen moet je de levensstijl behandelen als een allergie. Zoals Ben zegt: je moet er flink wat tijd en planning voor inboeken.
Natuurlijk, lieve lezer, ben ik van plan mijn consumptie van noten en spruitjes omlaag te schroeven. Maar in lijn met Bens aanbeveling is dat mijn plan B: als ik immers met alles tegelijk stop (suiker, koolhydraten, vet, zuivel, vlees en als we toch bezig zijn ook koffie, waarom niet?) is de kans op terugval natuurlijk levensgroot. En de kans op flauwval ook. Ik denk dat ik baat heb bij een verminderde suikerconsumptie. Aan de andere kant zijn variatie en moderatie nog even belangrijk als in een 'standaard' voedingspatroon: van een teveel aan anti-oxidanten schijn je kanker te kunnen krijgen, een teveel aan eiwitten (ter vervanging van koolhydraten) maakt dat je nieren wellicht overbelast raken en oh ja, veel fruit jaagt je bloedsuikerspiegel alsnog omhoog, met alle gevolgen van dien. Waarmee ik natuurlijk niet beweer dat 'slecht' eten beter is voor je gezondheid. Maar al heb je maar één set organen, er is altijd ergens een nieuwere hype.
In aanvulling op Kris en Ben viel mijn oog deze week op een artikel: een opsomming van wat Britse gezondheidsexperts zelf in hun winkelmandje stoppen. Het resultaat zal u verbazen: alleen de mand van de obesitasspecialist heeft een echt duidelijke argumentatie en de rest laat zich met praktische bezwaren ('mijn kind vindt het lekker', 'smaak is ook belangrijk' ) en jamaars verleiden tot de aankoop van nepboter, in vet verlaagde kaas met ongetwijfeld extra suiker en miniem vermagerd gehakt. En ze verlaten zich op een door de overheid ingevoerd stoplichtsysteem – de enige die hier enige kanttekeningen bij heeft is de gezondheidspsycholoog.
Kan ik u een handvat bieden? Nee, ik heb slechts een boek gelezen. Bovendien ben ik druk met afkicken. Zelfs diëtisten zijn geconformeerd aan de gezondheidsregels van hun tijd, die allen standplaatsgebonden zijn. Wat ik wel denk te weten is dat er geen standaard aanpak is als het om je gezondheid gaat: de een voelt zich geweldig bij een low-carb levenstijl terwijl een ander zweert bij cola light met cornflakes. Wat ik ook denk te weten is dat het daarom weinig zin heeft voeding een moraal mee te geven: er is niet zoiets als 'goed' of 'slecht' voedsel. En laten we ook de sociale functie van eten niet vergeten. Als je (geestelijke) ontspanning verkrijgt door een paar glazen wijn of avondje Gluttony on Ice, weegt het voordeel daarvan dan op tegen het gif?
Een onvervalst Hollandse polderconclusie deze keer, want mijn boerenkool wacht. Hoe jouw loper er uit ziet, kun je het beste zelf en zelf het beste bepalen. Om met Ben Tiggelaar te spreken: je moet het gewoon doen.
Abonneren op:
Posts (Atom)