dinsdag 15 november 2011

Douche

Tijd voor een nieuw stukje blog, reader-dear. Vandaag een stuk vol liefde, waardering en nostalgie. Uit een nachtelijke mijmering kwamen twee dingen naar voren die ik mij herinner uit mijn adolescentie. Laat ik met de gekste beginnen: die is minder liefdevol, en meer nostalgisch.

Mijn gehele schooltijd heb ik doorgebracht in een andere stad dan mijn woonplaats. De eerste tien jaar werd ik gebracht, maar zodra ik mijn basisschool verruilde voor de middelbare, was ik oud genoeg om de drie kwartier per rit met de fiets af te leggen. Het hield me fit en mijn benen hebben er de vruchten van geplukt. Natuurlijk vond ik het niet altijd leuk, maar het wende snel en de weg was lang en recht. Het fietspad was bovendien secundair en er waren weinig stoplichten of interactie met ander verkeer. Met Eddie Vedder, Laurent Wolf of wat bijeengesprokkelde pretentieloze pop in mijn discman (ja!) legde ik de rit zes jaar lang twee keer per dag af, soms vaker. Ondanks deze muzikale bijstand was het wel vaak een saai stuk fietsen. Wat me opviel was dat er wel meer mensen waren die hetzelfde stuk aflegden. Waarmee ik natuurlijk bedoel: ik spotte 'bekenden'. Afgezien van de grote groep revo's die met een enorm tempo voorbij zoefden (als ik achter ze aanfietste verkortte het mijn reistijd met een kwartier) waren er meer eigenaardige types op de weg. Zo was daar de Snotterige Wielrenner. Op welk punt op de weg ik me ook bevond en welk seizoen het ook was, een meter nadat hij me had ingehaald, maakte hij zijn neus leeg op die kenmerkende wielrennersmanier die u vast bekend is. Smerig. Hoeft niet, vader. Smeerkees.
Ook was daar het elfenmeisje, dat ik alleen in de zomer zag en dat altijd op blote voeten fietste. Verder herkende ik ook van veraf de rode scooter van Jeroen K., een jongen die bij mij in de buurt woonde en waar ik al jaren in stilte verliefd op was. Hij was lang, had dik, golvend ravenzwart haar en een mooie neus, en hij zat op het categoraal gymnasium. Mijn broer en hij waren vrienden. Zucht... Jeroen had echter geen belangstelling voor me – althans, ik geloof niet dat hij me op die manier beschouwde. Ik denk niet dat ik überhaupt op zijn mental map voorkwam maar als hij al iets van me vond, zal dat schattig geweest zijn. Dat was geheel in lijn met zijn rechtschapen en ridderlijke opvoeding – en ik zal niet ontkennen dat ik dat jammer vond, alle ridderlijkheid ten spijt.

Een andere groep waren de revo's. Lezer, vergeeft u mij mijn revo-bashing van de laatste tijd. Ik heb niets tegen Hen, met een grote H. Maar toentertijd hebben ze zich tegenover mij van hun gekste en vreemdste kanten laten zien. Net zoals ik iedere dag naar school fietste, kwamen ook zij iedere dag op hetzelfde stuk weg. En waar ik bij slecht weer nog wel eens een lift bij mijn ouders kon loskrijgen of de bus nam, kwamen zij iedere dag op de fiets, sneeuw of geen sneeuw. Ik vond drie kwartier fietsen al lang, maar sommigen onder hen hadden er al een uur op zitten vóór ze langs mijn vertrekpunt kwamen en waren nog niet op punt van bestemming als ik dat wel was. Vandaar ook dat tempo. Als ik er achter aan fietste en contact legde met de achterste regionen vroegen ze me honderduit over mijn school. De jongetjes vroegen naar mijn nog niet bestaande seksleven, in niet mis te verstane termen. Niet verwonderlijk, want onder revo's is slechts sprake van voortplantingsseks. Genot is onkuis, is hun credo. Maar de hormonen razen natuurlijk net zo hard door het revopuberlijf als door ieder ander, en zonder uitlaatklep zelfs nog harder. De meisjes hielden zich in, zoals het meisjes betaamt, maar giechelden als een Bert, Hendrik of Hans heel hard (en herhaaldelijk!) vroeg of ik wilde neuken, waar ik naar toe ging, en of ik 'm in mijn kont wilde in het nabijgelegen bosje. Gelukkig duurde dit altijd maar even, want als de branie was weggeëbd (vaak stak ik mijn niet-revoneusje in de lucht, of ik reageerde helemaal niet) fietsten ze snel weer naar hun vrienden.
Alle meisjes droegen rokken, altijd. Sommigen hadden merkkleding (Esprit, Mexx, BirdDog, pareloorbelletjes, voorzichtige make-up) en anderen waren armer. Velen hadden lang haar, vaak in één of twee vlechten. De jongens droegen immer spijkerbroeken, Gaastra-jassen (rijk) Lidl-jassen (arm) Hush Puppies en bordeelsluipers nieuwe stijl – geen Todds of andere hete loafers maar slip-ins zonder veters, van het soort dat ook wel gedragen wordt door telefoonverkopers en McDonald's-medewerkers. Ze zouden verboden moeten worden, het is een smet op de esthetiek. Maar dat terzijde.

Een andere persoon die mij in die zes jaar opviel was een man die ik Zwalker heb gedoopt. Hij had een witte mountainbike, brede armen en als hij fietste bewoog hij zijn bovenlichaam van links naar rechts. Wat de balans van de fiets niet ten goede kwam. Zijn haar, dat tot over zijn schouders viel, zwiepte mee. In de zomer droeg hij hemden, in de winter sweaters. Van veraf leek het alsof een kruising tussen Kevin Sorbo en Spartacus op me af kwam fietsen. Als onze wegen elkaar kruisten verscheen er een glimlach van oor tot oor op zijn gezicht en hij grijnsde: 'Hoi!!'
Lieve lezer, wat ik nu ga vertellen is een onopgesmukte, onverdraaide versie van de waarheid. Luistert en huivert.
Na hem zo'n vier jaar maandelijks te hebben gespot, ging deze Zwalker een eigen leven leiden in mijn hoofd. Ik was nieuwsgierig naar wat hem dreef, en wist tegelijkertijd heel goed dat het weleens tegen zou kunnen vallen. Ook ik was onder invloed van hormonen. Fantasieën over romantische thee- en wijnsessies in het kasteel dat nabij lag en waar hij wel moest wonen waren mij niet vreemd. Toch deed ik ze af als nonsens. 'Deirdre, stel je niet zo aan,' zei ik tegen mijzelf. Ik weet nog precies wat ik dacht: 'Het feit dat hij overdag zulke lange fietstochten kan maken en nooit een jas aanheeft betekent niet dat hij een vrije geest is. Het betekent dat hij waarschijnlijk werk- en kansloos is. Hij heet helemaal geen Alain of Francois maar gewoon Bertram, Herman of Frithjof en hij woont niet in een kasteel. Op z'n best is hij de stalknecht met scoliose. Als hij hier in de buurt woont is dat in een papieren tochtige hut en plakt hij shampoosamples in damestijdschriften voor zijn brood. Laat. Het. Gaan.'
In mijn nog ongenuanceerde puberhoofd was thuiswerken en een oubollige naam hebben het toppunt van kansloosheid, dat begrijpt u. Je bent zestien of je bent het niet. Ik probeerde me er nog van te weerhouden, maar de nieuwsgierigheid won. Dus toen hij op een mooie dag weer langsfietste, hield ik hem staande.
Ik vond het heel spannend. Mijn hart klopte in mijn keel. 'Hoe heet je eigenlijk?' vroeg ik hem. Hij kwam een stukje dichterbij en ik zag dat wat ik altijd voor een gezonde tint had gehouden, een lappendeken van sproeten en uitslag was. Zijn gezicht, dat van veraf knap en gebruind had geleken, was onregelmatig en hij had een hele rare neus. Hij keek me nog altijd guitig aan, maar hij moet iets van afschuw op mijn gezicht hebben gezien. Ik was toen minder getraind in het vasthouden van een pokerface dan nu. En toen barstte de bom.
'Ik heet Herman, aangenaam!' Oh God. Nee toch. 'Mooie dag om te fietsen, hè?' Ik zei hem dat mijn tocht niet echt recreatief was. 'Maar jij fietst wel graag, toch?' Ik was vastbesloten me niet uit het veld te laten slaan door zijn naam. Daar kan hij toch niets aan doen. We kunnen niet allemaal Alastair heten, en hij was vast toch een prins.... 'Nou jah, ik werk thuis, dus ik heb veel tijd over, hè. Dus dan maar fietsen, hahaha!' Oh God. Oh, God.

Hij was eigenlijk best groezelig. Zijn witte sweater was niet wit, om over zijn tanden nog maar te zwijgen. Zijn haar hing in ongewassen slierten langs zijn gezicht en toen hij het achter zijn oor streek, zag ik dat hij een oorbel had – alweer een deceptie. Hoe langer ik met hem sprak, hoe meer hij weg had van Meneer Griezel, minus de baard. Maar nog gaf ik me niet gewonnen, nog wilde ik er niet aan geloven.
'Jeetje,' piepte ik. 'Dus je bent...schrijver?' Laatste hoop. 'Schrijver! Haha, nee hoor! Ik werk thuis! Ik ben thuiswerker!'

Ik geloof dat ik iets heb gestameld over haast en afspraken. Ik kan me niet meer herinneren dat ik afscheid heb genomen. Verdwaasd legde ik de rest van de weg naar huis af. Was dit het, was dit het echt? Was dit alles? Ondanks mijzelf moest ik wel lachen: hij was de belichaming van mijn ultieme angst, mijn nuffig dédain. Hoe groot was de kans dat hij daadwerkelijk Herman zou heten en écht thuiswerker zou zijn? Dat komt er nou van, zei ik tegen mijzelf, dat komt er nou van als je teveel dagdroomt over mannen en kastelen. Dit is je straf.
Daarna ben ik hem, opvallend genoeg, ook niet meer tegengekomen. En de moraal van dit verhaal? Is dat dan niet duidelijk? Kunt u dat zelf niet bedenken? Verwachting is een groot goed, dat is wat ik hier nog nog eens bevestigd zag. Wat niet wil zeggen dat ik niet meer geloof in een leven met een prins. Maar alles begint met een goede douche: al word je van een warme beter schoon.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten