zondag 26 februari 2012

Kie(m)(n)en

Zondagmorgen, rond tienen. Na een ziekbed van een kleine week, waarin de uitgangen van mijn lichaam zwaar op de proef gesteld zijn, is vandaag een dag om wat stamina op te bouwen. Ik ben over het algemeen zo gezond als een vis maar als het toeslaat (en met 'het' bedoel ik de ziektekiem, die dan al geen kiem meer is, maar een bodysnatcher met de gretigheid van een bonenstaak on meth) is het ook goed raak. En altijd als ik beter ben, voel ik me als Olivier uit Korenvliet, die de balans van zijn leven opgemaakt ziet worden. Je voelt je? Goed. Weer? Droog. Wat nu? Pak fiets. Doe fiets. Doe stop. Ga in. Pak tas. Doe beweeg.

Vol goede moed stap ik de spinningzaal binnen. Vorige week, reader-dear, was ik wat later dan normaal. Mijn twee favoriete plekken waren bezet. Dat hoeft geen ramp te zijn – het is maar een fiets en ik kan geen aanspraak maken op een reservering. Er zijn genoeg andere plekken en fietsen. En het is vervelend.
De fiets waar ik op terechtkwam had een tic in de trapper en de weerstand was ongetrapt en ongelijkmatig ingesteld, wat zeer ongemakkelijk was voor het verdelen van mijn energie. Als ik er op zat, kreeg ik de pedalen haast niet vooruit. Liftte ik mijn billen van het zadel dan vloog ik bijna voorover. Draaide ik er ter preventie vijf minuten bij op de weerstandsschijf, dan leek het alsof er een molensteen aan mijn wiel hing. Na tien minuten kwam ik er achter dat ik naast een zware roker en achter een lijfluchter zat. Lang verhaal kort: néén, dat niet nog eens.

Maar dat alles lijkt nu voorbij. Ik ben op tijd, het is rustig. Schuin achter mij zit een lange, magere man, die ik in de afgelopen weken al vaker heb gezien. Mijn favoriete plek en fiets zijn nog vrij. Ik claim ze snel. Op recuperation day – en op iedere andere dag – gun ik mijzelf dit soort kleine pleziertjes. Wel staan de fietsen onbehaaglijk dicht bij elkaar, maar daar kan ik niet zoveel aan doen. Over een klein kwartier zal ik het niet eens meer merken, mits de roker uit mijn buurt blijft vandaag.

Ik sport het liefste alleen. Sommige mensen sporten makkelijker met een sportmaatje en natuurlijk vind ik samen sporten motiverend en gezellig. Het gaat alleen wel ten koste van mijn concentratie. Dit soort sporten – zoals spinning – bedrijf ik het liefst ergens waar niemand me kent, zodat ik me geen zorgen hoef te maken over het contrast tussen mij-op-mijn-beter (of op mijn best) en mij-in-sportmodus en ik me totaal op het sporten kan richten, in plaats van op mijn verschijning. Ik sport graag zonder make-up, met mijn haar in een troosteloos staartje of knotje in een onflatteuze wielrennersbroek. Is dat onoverkomelijk? Zeker niet. Is het appetijtelijk? Ik denk van niet, al maakt het sommige mensen niet uit. Zou ik willen dat een potentiële liefdeskandidaat of werkgever me zo zag? Liever niet, al is er wat voor te zeggen me gade te slaan in het heetst van de strijd. Ik verloochen mijn hardwerkende lichaam niet, oh ijdelheid, en al zijn er charmantere momenten: het kan alleen maar beter worden.

Spinning is vanuit confectie-oogpunt een vreemde sport. Veel van mijn klasgenoten dragen spandex broeken met ingenaaide zeem. Bij mannen hangt in zo'n broek the full (of dankzij de zeem the fuller) package pontificaal in het zicht en bij vrouwen zorgt de zeem voor een kraamverband-meets-luier-effect dat den bil misvormt, het kruis desexualiseert en plaatselijk 10 centimeter omvang toevoegt. Voor een uurtje op de fiets is dat het overigens allemaal waard en niets om je druk over te maken: als je eenmaal zit is het hebben van een optisch dikke kont een van je minste problemen. Maar er kan een hoop gebeuren tussen kleedkamer en spinningzaal. En ik lijk tijdens die gebeurtenissen liefst zo min mogelijk op een Fernando Botero-muze. Ik vind sporten een persoonlijk moment, maar ook op persoonlijke momenten moet je voorbereid zijn op de buitenwereld. Gelukkig is er gekleurde vaseline, functioneel en vlot.

Bij het betreden van de zaal vervalt het verschil tussen de mensen onderling. Aan hun lijven kan ik niet zien of ik naast een docent, slager, winkelmedewerker of letselschadeadvocaat zit. Dunne mannenbenen en ongeschoren vrouwenbenen kunnen zich niet meer verbergen, cellulite schemert door pillende broeken, lijfluchten komen aan de oppervlakte. Een figurantenbijeenkomst van Das Parfum is er niets bij. De grote spiegels tegenover de spinners versterken dit nog eens. Het verleent ze een bepaalde kwetsbaarheid, al die mensen in de zaaldarm van spinningworst. En na het instellen van de fiets kan het Grote Zweten een aanvang nemen.

Een spinningles is mijn hedendaagse Korenvliet. Ik volg de opdrachten op, blij om de controle over mijn spieren gedoseerd los te laten en er helemaal voor te gaan. En ik ben niet alleen. Sommige mensen laten hun lichaam ritmisch meedeinen op de muziek. Anderen zegt het woord 'ritme' helemaal niets. Ik zie nekken steeds korter worden, kuiten verkrampen, vastberaden gezichten, bezwete haarslierten en stukgebeten lippen. Het lijkt een collectieve bevalling en dat is het eigenlijk ook. De parallel bestaat hieruit, dat men schaamte achterlaat bij de deur, het ondanks alle hulp toch zelf moet zien te klaren en de zaal pas verlaat als de teerling is geworpen.

Aan het einde verspreidt de happy sweaty glow zich door heel de klas. Onbehoorlijk grote gulpen water glijden door klokkende slokdarmen, spieren worden gerekt, zuchten worden geloosd. Er worden weer grapjes gemaakt, niemand let op de zweetplekken van zijn buurman. De sfeer is ontspannen en gemoedelijk, als bij een Oranjewedstrijd. Het is weer volbracht. Het zit er weer op. De klus is geklaard. We hebben het gedaan.

Volgende week, zelfde tijd, zelfde klas. Zeker, sport is een persoonlijk moment – een moment van een uur. En de moraal van het verhaal? Goed dan: je laten gaan kan af en toe heel lekker zijn, individueel collectief. Sporten en geboorte hebben wel wat van elkaar weg. Pietluttigheid is soms nuttig. Je voelt je? Moe, voldaan. Weer? Nat. Wat nu? Pak fiets. Ga huis. Ga in. Ga douche. Na een uurtje de controle te hebben overgegeven aan mijn instructeur, mag ik het nu weer zelf doen. De ziektekiem heeft mijn lichaam verlaten, de bonenstaak is verschrompeld. De draak is verslagen, het beest gedood. Ik heb weer autonomie over mijn lijf. Ik heb slechts één boodschap voor Olivier: Ga sluit.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten