Deze week werd ik op twee verschillende momenten geconfronteerd met een dilemma. De eerste keer was toen ik één station met een spitstrein mee moest, staande in het gangpad. Er zat een man heel aandachtig naar me te kijken en aangezien zulke aandacht meestal duidt op een ladderende panty of een vlok niet-uitgesmeerde huidcrème op je wang, ging ik onopvallend na waarom de man zo intens aan het kijken was. Het bleek echter dat hij twijfelde over of hij mij zijn zitplek aan ging bieden. Hij dééd het ook nog.
Nu zijn er meerdere redenen waarom dat op dat moment niet kon. De belangrijkste was dat we binnen een halve minuut het station zouden binnenrijden: tegen de tijd dat de man zou zijn opgestaan, zou zijn attente gebaar niet meer nodig zijn. Ik kan met recht zeggen dat ik de laatste vrouw op aarde ben die de goede wil of een hoffelijk gebaar (van een man) zal wegwuiven. Mijn overweging bestond er daarnaast vooral uit dat hij zich bij mijn weigering een volgende keer wel vijf keer zou bedenken voor hij een dame een plek aan zou bieden en dat vind ik eeuwig zonde. In dit geval was het echt een kwestie van parels voor de zwijnen en een druppel 'too little too late'.
Ik gaf de man daarom mijn liefste, breedste en hagelwitte lach die zich tot in mijn ogen uitstrekte en bedankte hem hartelijk, terwijl ik uitlegde dat ik maar één station hoefde en dat het echt de moeite niet was, en dat dit hoffelijke gebaar mijn hele dag goed maakte en dat terwijl het pas even na achten was! Kat in het bakkie, toch? Niemand gekwetst, man publiek in zijn generositeit erkend, iedereen blij.
In plaats van het door mij snel gefikste theatrale sfeertje door te zetten en zijn denkbeeldige hoed in een zwierig mannelijk gebaar af te nemen voor mijn denkbeeldige reverence, viel de man genadeloos door de mand. Gaf hij mij een roos, een begripvolle knipoog of zelfs maar een glimlach die half zo breed was als de mijne? Neen, lieve lezer. Twee diepe zuchten van ergernis (hardop!) en een paar rollende ogen waren mijn deel.
Okee, okee. Het is inderdaad niet leuk als iemand je vriendelijk gebaar afwijst. En toch... Zijn reactie wees erop dat hij helemaal geen zin had om zijn plek aan mij af te staan, zich door stille publieke opinie en wat verloren flarden zondagsschool gedwongen voelde op te staan, daar nét te lang mee wachtte en toen nog teleurgesteld werd ook. Arme, arme kerel. Ik hoop dat hij een volgende keer óf eerder opstaat, of het gewoon niet aanbiedt als hij er niet vanuit zijn hart toe bereid is.
Een dag later, een muffe bus. Een vrouw zit zich in de gangkantstoel van een tweezitter op te maken. Een andere vrouw geeft haar de blik met opgetrokken wenkbrauwen. 'Dit is eigenlijk een plek voor twee personen, hè...' verontwaardigt Wenkbrauw nadrukkelijk, pinnig en zonder enige in- of aanleiding.
'Ik heb niet gezegd dat u hier niet kon zitten,' stamelt Poederkwast, die op haar beurt haar bruin ingevulde wenkbrauwen optrekt om zoveel nauwelijks verholen giftige woede op de vroege morgen. Ik moet haar gelijk geven: een simpel 'Kan ik hier zitten!' (zonder vraagteken) of zelfs 'Ik wil hier zitten.' was vriendelijker geweest dan deze sneer, die Poederkwast niet had kunnen zien aankomen en die ook zonder reden uitgedeeld is.
Het geeft mij te denken: als goede bedoelingen niet worden beloond, spreid je ze dan nog wel tentoon? Maar wat áls ik een hoffelijk gebaar niet aan kan nemen – of als dat gebaar in plaats van zaken voor mij te vergemakkelijken mijn leven lastiger maakt, vermoedelijk geheel tegen de intentie van de gever in? Ik cijfer mijzelf en mijn belangen niet graag weg voor een ceremonie. Dat zal niemand mij kwalijk nemen. Juist in deze verharde tijden vind ik wél dat ik lieflijkheid moet stimuleren en voeden en belonen door de 'juiste' reactie te geven op een attent gebaar. Lezer, het weigeren valt mij uit moreel oogpunt zwaar. Maar als het de intentie is die telt heb ik alle recht om te weigeren.
Aardig en beleefd zijn haalt niets van je weg, dat is wat ik zeggen wil. Oprechte aardigheid is onvoorwaardelijk - je bent aardig omdat je dat belangrijk vindt, zonder meer. Vanuit de zondagsschool: aardigheid is haar eigen beloning.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten