zondag 20 mei 2012

Steek

'Heb je de berging al opgeruimd?' zijn de eerste woorden die uit de mond van mijn buurman komen. Even ben ik confuus. Hij houdt de deur van het portiek voor me open: dat is fijn, want mijn sleutels bevinden zich op de bodem van mijn volle boodschappentas. Ik dacht altijd dat mijn flatje voor studenten en yuppen bedoeld was, maar deze man is minstens vijftig en ziet er niet uit als een professional, al is hij dat wel. Waarin, dat zal ik zo ontdekken.
'Nou, heb je het al gedaan? Je berging opgeruimd?' Ik heb hem tóch goed verstaan, maar leg zijn link niet. Het is lekker weer, misschien doelt hij op een wat verlate voorjaarsschoonmaak. Maar aangezien ik de berging bijna niet gebruik, is die nog schoon genoeg. 'Mijn berging ziet er prima uit, bedankt.'

'Nee, ik bedoel voor je fiets!' De schrille toon en felle blik – plotseling kijkt hij me aan – verrassen me. Hij tutoyeert me bovendien, terwijl ik hem nooit eerder heb gezien. Ik besluit mijzelf allereerst uit de deuropening te bevrijden, want fysiek staan we in aanvalspositie tegenover elkaar en dat bevalt me niet. Ik rijd door, zet mijn fiets neer, geef de man mijn minzaamste glimlach en houd mijn mond, terwijl ik aanstalten maak de trap te bestijgen alsof ik hem niet gehoord heb. Goed beschouwd is dit namelijk een nongesprek en mijn pakje roomkaas hoeft niet in een plas te eindigen, als ik opschiet. 'Je kunt je fiets niet meer hier neerzetten!! Dat gáát niet!'

Oh, dus hier gaat het om. Ik had kunnen vermoeden dat iemand me ooit aan zou spreken hierop; de man heeft gelijk. Fietsen in het gezamenlijk portiek worden gedoogd, maar de laatste weken zie ik labels hangen aan fietsen die er lang staan, met de boodschap 'Deze fiets is HINDERLIJK gestald. Zet uw fiets in het vervolg in uw berging of in het fietsenrek. Uw fiets zal worden verwijderd!'
Aan mijn fiets is geen label gehangen, omdat ik er op dat moment de hort mee op was. Ik gebruik mijn fiets namelijk voor alles, soms heb ik hem zes keer per dag nodig. Stalling in het portiek scheelt mij tien minuten die ik anders kwijt ben aan het openen en sluiten van deuren die niet per se helpen tegen wat dan ook. Ik maak dankbaar gebruik van het gedoogbeleid. En dat laatste is half spreekwoordelijk, want ik betaal ook gewoon huur. Als wij een fietsenrek hadden gehad, had ik mijn fiets daar met liefde ingezet. Met deze oplossing ben ik ook zéér content.

Ik kan nu wel raden van wie de woningcorporatie de tip over de fietsen heeft gekregen. Ik vraag de man – uiteraard uit beleefdheid – of hij zich ergert aan mijn fiets. Ik leg uit dat het me enorme tijdwinst oplevert als ik haar hier stal en biedt aan mijn fiets ergens neer te zetten, omdat ik zijn horizon niet zou willen vervuilen...
Het antwoord wat ik krijg druipt van de passief-agressieve wrok, gedrenkt in een oplossing van gebiedende wijs. 'Nee, nee, nee, nee! Ik persoonlijk heb er geen last van, nee, maar de schoonmakers, die wel! Ze kunnen namelijk niet schoonmaken als al die fietsen hier staan! Dus IK ga m'n schuurtje snel opruimen, zodat IK ze niet meer erger. Je moet je fiets gewoon in de berging stallen als je kunt, en iedereen heeft dezelfde berging, dus je kunt 'm daar stallen zoals de bedoeling is, dus dat ga IK wél doen, dus zo simpel is het gewoon.'

Ergens tussen zin één en twee ben ik al afgehaakt. Wat wil deze man van mij?! Hij wil me persoonlijk aanspreken op mijn kleine indiscretie. Dankzij het gedoogbeleid doe ik helaas niet echt iets verkeerd, bovendien kennen wij elkaar niet en ziet hij ook aan mijn gezicht dat hij me niet kan berispen, want ik ben niets dan beminnelijk.
In plaats daarvan probeert hij me dwingend aan te sporen mijn berging op te ruimen, waarmee hij bedoelt dat ik mijn fiets dáár moet stallen in plaats van in het portiek, waarmee hij wil zeggen dat hij last heeft van mijn fiets. Dat hij dat ontkent als ik het hem op de man af vraag vraag, is vreemd, en niet zo efficiënt. Deze tirade over wat hij gaat doen met zijn fiets en zijn berging is voor mij niet zo interessant: als hij iets te zeggen heeft kan hij dat doen, of anders kan hij beter helemaal zijn mond houden.

(Wát betekenen bovendien de woorden ik persoonlijk, is dat een quasi-franse benadrukking van het ego? Ik geef toe, directe confrontatie is er óók een op het randje, maar ik persoonlijk? Om over die gekke causaliteit nog maar te zwijgen, dus. Tfoeeee...vaatdoek, bespaar me je holle frasen.... )

Vrolijk vertel hem nog eens hoevéél tijd het me scheelt als ik mijn fiets in het portiek neerzet, hoe fijn ik dat precies vind en hoe simpel dat is. Tenslotte wens ik hem heel, héél veel plezier bij het opruimen van zijn berging en spreek de hoop uit dat zijn fiets er dan EINDELIJK in past. Hij wordt rood, maar reageert niet. Ik pak mijn spullen en loop de trap op, terwijl mijn buurman de portiekdeur achter zich dichtklapt.
Mocht ik volgende week een label om mijn stuur vinden, dan weet ik wat me te doen staat, maar voor nu laat ik mijn fiets vrolijk staan. Meneer Attentie Buurtpreventie vindt hopelijk belangrijker zaken om zich mee bezig te houden. Professioneel muggenziften is blijkbaar ook een vak. Hij is er alleen niet zo goed in. Dat ik mijn fiets in het portiek stal doe ik natuurlijk niet om hem te ergeren, laat dat duidelijk zijn. Maar hoewel ik best geloof in de kracht van passief-agressief op z'n tijd, bereikt hij er in deze situatie helemaal niets mee. Bovendien vind ik het vreemd dat hij mij denkt te moeten berispen terwijl zijn eigen fiets net zo clandestien geparkeerd staat.
Gelukkig heeft hij een berg spullen om zijn frustratie op bot te vieren, en aangezien hij vanaf dat moment zijn fiets in zijn berging zal stallen, zullen wij elkaar niet meer tegenkomen. Probleem opgelost. Muggen hebben dan wel twee poten méér dan olifanten; een trap van een olifant kan voor de sfeer net zo dodelijk zijn als de steek van een mug.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten