zondag 12 mei 2013

Huisje

Ooit toen ik heel jong, naïef en onbedorven was, maakte ik er een sport van om overal in te klimmen. Geen boom of struik was veilig voor me. Vlak bij mijn ouderlijk huis was een speelhuisje waar ook altijd op geklommen werd. Het vereiste behendigheid: je moest lang genoeg zijn om je vingers om het randje van het dak te krijgen, sterk je genoeg om je eigen lichaamsgewicht omhoog te trekken en slim genoeg om te bedenken op welk punt je de ribbels van het dak als voetsteun kon gebruiken. Eenmaal bovenop moest je er dan ook weer af, ruggelings, wat meestal gepaard ging met een meter of anderhalf aan onprettige sensatie kontglijden over datzelfde onregelmatige oppervlak van het schuine dak.
In andere speeltuintjes hadden ze die huisjes ook. Op een mooie, bloedhete dag was ik alleen op stap en ik zag zo'n huisje. Vol goede moed kroop ik er bovenop. Eenmaal boven kwam de herinnering van de laatste keer afglijden me wat al te levendig voor ogen, dus ik besloot nog even te blijven zitten. Zó leuk is het niet in je eentje bovenop een speelhuisje, en na een tijdje sloeg de paniek toch wel toe. Ik durfde niet om hulp te roepen: tenslotte was ik er zelf opgeklommen en zou het de duizendste keer zijn dat ik er ook weer af moest. Niets nieuws, maar ik kon mijzelf er niet toe zetten. Mijn keel schroefde dicht, mijn mond werd droog en ik had geen idee hoe ik nu weer van het huisje af ging komen.
Na wat hete wanhoopstranen (in stilte geplengd) en een tijd die gevoelsmatig uren duurde kwam een buurvrouw die ik vaag kende op het huisje af. Ze stak haar armen uit en hielp me het huisje af. De vrouw, toen al in de zestig, is nu in de tachtig en herkent me niet meer, maar ik herken haar wel. De opluchting die ik voelde toen mijn gympies de grond bereikten was onbeschrijfelijk: ik kon de vrouw wel zoenen! Voor haar betekende het misschien niets, maar voor mij betekende het alles.

Aan dat gevoel, lieve lezer, moest ik denken toen ik zaterdag in de kassarij stond. De klant vóór mij was een jongen met wat spullen: vier petit pains in een zakje, een blik poedermelk, een pak soep, een pak rijst, wat snoepjes en een fles wasmiddel. Het was druk en de rij was lang. Hij had geen tasje, dus hij nam een shopper om te includeren bij zijn boodschappen. Groot gelijk, aan die stomme plastic tasjes heb je toch niets. Toen de caissière eindelijk klaar was met afrekenen, begon hij te sputteren. 'Heb je een goedkoper tasje?' Min-blieb. 'Ehm, mag het pakje rijst er af?' Min-blieb. 'Misschien de broodjes ook nog?' Zucht, gedoe, min-blieb. Ik zag dat de jongen nu was toegekomen aan wat hij echt nodig had en zijn voorhoofd begon te glimmen van de stress. Een roze briefje flitste in zijn handen en hij zocht naarstig in de zakken van zijn versleten joggingbroek. Het bedrag op de display was €10.68.
Mijn zaterdag was kostbaar, de jongen had waarschijnlijk echt niet meer geld bij zich en het ging om zo'n klein bedrag. Op dezelfde manier als dat ik twintig jaar geleden boven op dat huisje had gefantaseerd over sterven – niemand wist waar ik was en ze zouden me niet zien, aangezien niemand naar boven zou kijken, ik zou langzaam verdrogen (dorst!) met mijn benen aan weerszijden van de nok – bedacht ik me nu dat hij misschien geslagen zou worden als hij niet met de juiste spullen thuis kwam. Hij was heel stil, behoorlijk bleek, zijn oorlellen waren niet doorboord, hij rook naar lentebries en hij was goedgeknipt. Waarschijnlijk was de poedermelk voor zijn zusje dat net van de borst af was en zou zijn moeder het niet leuk vinden als hij zonder thuis zou komen. Het aanhoudende gehuil van de hongerige baby zou haar bovendien nog prikkelbaarder maken en de kans bestond dat hij een klap voor den bek zou krijgen waar hij van uit zijn scapinogympen zou vliegen.
'Gaat het om zeventig cent?' vroeg ik de caissière. Ze knikte, en ik diste het bedragje op uit mijn portemonnee. Of ik nou een daklozenkrant koop, iets doneer aan de KWF of een jongen uit de brand help – het is me om het even.

De opluchting stond op zijn gezicht te lezen en plotseling leek het scenario van den klap niet meer zo vreemd. Hij bedankte me kort maar gemeend – precies zoals ik het graag heb – en liep door.
Was mijn daad werkelijk onzelfzuchtig? In zekere zin wel, in andere zin ook weer niet, want ik hoop dat als de jongen ooit iemand ziet die vastzit op een speelhuisje, waar dat op dat moment ook een metafoor voor mag zijn, hij zijn armen uitsteekt. Tenslotte zijn we op de wereld om elkaar te hellepe, niewaar?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten