Mijn Psychologie Magazine laat ik achter op de zeer bewust gekozen coconnerige tweezits-treinbank: ik ben geen litteraar, maar gun een volgende reiziger graag wat te lezen. Als je een test nodig hebt om vast te stellen of je gevoelsmens bent, zegt dat bovendien eigenlijk al genoeg. Opgewekt vervolg ik mijn weg naar mijn werkplek: de zon beschijnt mijn humeur, ik heb nieuwe schoenen en ik weet dat Hafid B. een nieuwe roman uit heeft gebracht. Mooier dan dat wordt het bijna niet.
's Avonds haast ik mij naar het perron waar mijn trein vertrekt: het is een van de laatste uit de dienstregeling en ik wil haar niet missen. Ik eet een stukje overgebleven lunch als een oudere man mij eerst vluchtig en daarna veel te aandachtig in het gezicht kijkt. Op straat eten geeft natuurlijk geen pas voor een dame van stand, bovendien zien mensen die eten er stom en ietwat kameelachtig uit. Ik wil graag dat hij wegkijkt. Maar dat is me niet gegund.
'Mag ik u iets vragen? Gaat deze trein richting Den Haag?' Ik bevestig dat met een knikje – nog altijd etend. Waar zou de trein waar 'Den Haag' op staat anders heen gaan? Maar vragen staat vrij.
'Heeee!' brengt de man uit, terwijl hij een benige vinger opheft naar mijn gezicht. 'Ik zat op de heenweg tegenover u!' Haastig slik ik mijn stukje brood door en probeer er wat minder kameelachtig uit te zien – en dat allemaal zonder dat er stukjes lunch in en uit onze op handen zijnde conversatie vliegen. Volgens mij klopt het niet wat hij zegt – ik koos mijn tweezitsbank uit omdat ik juist niet beleefd wilde knikken naar de persoon tegenover me. Ik wilde mijn magazine lezen, daarom ging ik alleen zitten. Maar ruziemaken binnen de eerste vijf zinnen is aardig noch zinvol, dus ik knik hem toe dat dat wellicht zou kunnen.
We vervolgen onze weg gezamenlijk. Hij noemt mijn gezicht een 'krachtige kop' en mijn ogen 'opvallend' en hoewel ik maar aanneem dat hij deze woordkeus maakt omdat hij niet over wil komen als een vieze oude man vind ik 'krachtige kop' een dubieus compliment. Het doet me denken aan een kaaklijn die dicht tegen de mannelijke breedte aanzit (zodat je twee keer moet kijken om je van het geslacht van de bezitter te overtuigen) en aan een androgyne opvallendheid die niet per se aantrekkelijk is, zoals bij Tilda Swinton, Agyness Deyn of Andrej Pejic. Als hij me knap vindt kan hij dat gewoon zeggen: ik vis nooit naar complimentjes en zal de zijne in dankbaarheid aannemen, zonder hem te verdenken van achterbakse bedoelingen. We praten over architectuur (waar hij veel van weet en ik niet zoveel) over literatuur (waar hij niet zoveel van weet en dus brengt hij het gesprek snel op iets anders) en het trauma van de geboorte (ik vrees grafische beschrijvingen op de late avond en houd beleefd voor me dat als we dit trauma met de rest van de mensheid delen de traumaklikker na de bevalling weer gereset mag worden wat mij betreft – en dat ik me afvraag voor welke betrokkene de geboorte nou precies het grootste trauma oplevert...).
Ik praat zachtjes: ik ben bang dat het brood mijn adem heeft verzuurd en ik merk dat ons gesprek naar de oppervlakte terugkeert zodra ik iets zeg dat niet strookt met wat mijn gesprekspartner zegt. De term 'partner' is dan ook niet echt op zijn plaats. Blijkbaar is het niet mijn deel om mijn mening te geven of mee te converseren. Mijn rol moet beperkt blijven tot 'krachtig' en 'opvallend' – maar dan wel stil en beamend.
De man is erg aardig en wil me graag imponeren, dat zie ik heus wel, maar dit is het langste nongesprek wat ik ooit hebt gevoerd. Als ik me al iets herinnerde van mijn eigen geboorte zou ik er niet over willen praten (tis dat trauma, hè...) In een gevecht tegen de bierkaai heb ik echter geen trek en we rijden het station al weer binnen. Soms is conflictvermijding de beste strategie: als rationeel mens sta ik toch genoeg in contact met mijn gevoel om dát te beseffen. Over krachtige stempels gesproken...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten