In een mooie straat vol prachtige bedrijfspanden sla ik mijn goedkope paraplu open – ik ben op weg naar een tea party en wil niet verregend aankomen
Ik steek de straat over en doe net alsof ik de vragend kijkende man niet opmerk. Hij draagt grijze skinny jeans en gympies en ik schat hem een jaar of 46. Ik zou hem toch niet kunnen helpen, bovendien heb ik eventjes genoeg van vragend kijkende mannen. Enkele seconden later vraagt hij echter of hij onder mijn paraplu mag. Dat sta ik toe: we moeten toch dezelfde kant op en we kunnen er best met z'n tweeën onder. Als onze wegen scheiden vraagt hij mij om mijn nummer en dat geef ik hem. Wie weet wat eruit voortvloeit.
'Waar kom je vandaan?' vraagt hij als hij een week later belt. Ik vertel hem wat meer over mijzelf en waar ik allemaal heb gewoond tijdens mijn studie. 'En jij?' vraag ik. 'Zeg ik niet!'
Mijn tenen krommen spontaan, lieve lezer; gaan we zo beginnen? Ik ben het nu al moe.
'We moeten toch iets overhouden om over te praten als we wat gaan drinken. En daarover gesproken: kun jij een beetje innemen?'
Fijntjes zeg ik hem dat óók als ik vijf avonden per week laveloos over de tafel zou liggen, ik hem dat natuurlijk niet zou vertellen. Ik snap ook niet goed waarom hij het vraagt: alsof ik er aantrekkelijker van word als ik trots een (overigens verzonnen, moeder!) verhaal op zou hangen over de talloze, talloze malen dat ik straalbezopen mijzelf heb natgemaakt bij het wildplassen, daarna met een vreemde kerel en zijn hangbuikzwijn in bed ben gekropen en bij het wakker schrikken de stank uit mijn mond en de zwijnenkots uit mijn haar heb gewassen met de wodka van gister. Want dan zou ik pas echt zeker weten dat hij me zou willen...
Om het gesprek toch een beetje op gang te houden vraag ik hem naar zijn werk. Hij heeft een baan in design – wel, dat is prima. Als ik vertel wat ik doe (want zo gaat dat in een normaal gesprek) zegt hij: 'Oh? En dat noemen ze werk?!'
Dat was slag twee. Ik sta op het punt op te hangen. Los van dat hij nou zelf niet de meest enerverende baan op aarde heeft, is dit ronduit onbeschoft en slaat het bovendien de conversatie dood. Hij vindt het zelf waarschijnlijk erg gevat: ik krijg er vooral hoofdpijn van. Maar misschien is hij nerveus en weet hij zich geen houding te geven door de onconventionele manier waarop we elkaar hebben ontmoet.
Later in de week belt hij opnieuw. 'Wat ik nog wilde vragen: wat is je achternaam eigenlijk?'
Ja, en me dan uitgebreid gaan googlen zeker. Ik besluit hem een koekje van eigen deeg te geven. 'Zeg ik niet!' Hij valt even stil – precies, zo voelt dat nou! – en vraagt het dan nog eens. Ik heb niets te verliezen. 'Als jij niet wil vertellen waar je vandaan komt, ga ik jou niet vertellen wat mijn achternaam is – we moeten toch iets overhouden om over te praten.' 'Vertel nou, wat is je achternaam?' Ik weiger, hij treedt de wet van gelijk oversteken met de voeten. Maar meneer is serieus. 'Als jij niet vertelt wat je achternaam is, ga ik niet met jou op date!'
Het is een dreigement, maar het boezemt me op dit moment meer vreugd dan angst in. Gek toch, hoe iets wat leuk, spontaan en lieflijk zou moeten zijn zich kan ontpoppen tot een competitief, kinderachtig, achterdochtig, gespannen en vervelend festijn. We maken ondanks dat toch een afspraak voor een drankje, die ik later afbel.
Als hij zich over de telefoon al zo opstelt kan ik me opmaken voor een middagje haalneer, sneer & denigreer waarin alles wat ik vertel zal worden gewogen en geridiculiseerd en mijn vragen zullen worden beantwoord met 'zeg ik niet!/dat vind ik niet belangrijk nu/genoeg over mij, meer over jou'. Waarna hij me waarschijnlijk zal betasten in de hoop dat ik te beschonken ben om bezwaar te maken.
'Ik merk dat ik er niet naar uitkijk,' geef ik hem als reden op. Eerlijker dan dat kan ik het niet maken. Sommige paraplu's beschermen tegen water en andere tegen degens.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten