maandag 13 september 2010

Carbon

Recentelijk heb ik mijn kast opgeruimd. Ik bewaar graag dingen voor je-weet-maar-nooit, maar opruimen is bevrijdend. Bovendien ben ik kleinbehuisd en komen er nog steeds dingen bij. Om te voorkomen dat mijn kamertje dichtslibt met spullen, moet er af en toe wat weg.
Mijn broer stuurde me vorig jaar een link met een sketch van komiek George Carlin. Ik kende hem alleen als Rufus uit Bill & Ted's Excellent Adventures, maar hij was blijkbaar ook comedian. In het stuk spreekt hij over de waarde van stuff en ik moet zeggen, hij heeft een punt. Ik heb veel spullen, maar de dingen die er echt toe doen zijn op één hand te tellen. Okee, vier handen dan...
(Voor de liefhebber: http://www.youtube.com/watch?v=MvgN5gCuLac)

Naast een hoop dingen die ik beter nog niet weg kan gooien (recente studieaantekeningen, readers die nog van pas kunnen komen, teksten waarvoor ik naar Amsterdam moest reizen, rekeningafschriften) heb ik een hoop dingen waarvan ik het niet zeker weet (aantekeningen van vakken uit mijn eerste jaar, foto's met inmiddels ex-vrienden m/v, vergeelde krantenartikelen, bewaartijdschriften uit 2008) en artikelen die zeker weg mogen (voor 5/6 opgebruikte te dure en niet-werkende conditioner, afgedragen maar zeer mooie slippers, armbandjes met kapotte sluiting, postzegels in guldenvaluta, verdroogde nagellak, de gebruiksaanwijzing van mijn vóórvóórlaatste printer.) Voor kleren geldt hetzelfde: alles wat té versleten is gooi ik weg, de rest gaat in de zak van Max. Te groot, te klein, verkeerde kleur, verkeerde snit, verschoten: ik haal het voorgoed uit m'n kast. Opzouten met die hap. Mijn kamertje is echt klein, maar ik sta versteld over hoeveel meuk zich kan herbergen op die paar vierkante meter. En ik woon er nog niet eens zo lang. Ik kan sommige van mijn spullen op marktplaats zetten, maar 1) ik heb geen camera en 2) dan moet ik ze toch weer herbergen tot ik een koper vind. En ik wil het juist NU kwijt, weg, uit mijn blikveld, optieven, schuif, pleite. De enige oplossing: een paar vuilniszakken (en een witte van humanitaritas kledinginzameling) en ik ben weer gelukkig.
Net zo gelukkig als ik was toen ik al die spullen kocht. Want ooit was ik dolblij met mijn te dure conditioner, kon mijn dag niet meer stuk na het kopen van dat bleekroze heb-je-griepvest, die veel te hoge hakken, die afschuwelijke paarse sjaal, en voelde ik me de koning te rijk met mijn plastic Titanic-hartketting. Ooit heb ik ze aan mijn boezem gedrukt, maar nu wil ik ze uit mijn leven, en liever vandaag dan morgen.
Als kinderen krijgen zo'n zelfde illusie herbergt, moet ik misschien maar kinderloos blijven. Met als verschil dat kinderen meegroeien met hun ouders, terwijl de meeste spullen niets méér kunnen herbergen dan herinneringen. Herinneringen die met de tijd vervagen of juist beter, zoeter of bitterder kunnen worden.
Wat moet ik bijvoorbeeld doen met mijn eerste paar Dr. Martens, die hun gelijke in comfort tot op de dag van vandaag nog niet hebben gevonden? Ik kreeg ze voor de eerste dag op de middelbare school. Ze waren duur, maar hebben hun waarde zowel nominaal als emotioneel ruimschoots bewezen. Op deze schoenen liep ik talloze kilometers, ze hebben schoolkampen meegemaakt, hete zomers, natte winters en maar liefst tien van mijn verjaardagen, waarvan vijf op mijn schoenenkastplank. De zolen zijn afgesleten naar mijn specifieke looppatroon en voetstand, de stiksels laten los. De veters rafelen. Ik pas ze nog weleens, maar ze zijn niet meer representatief, noch waterdicht.
(Dat eerste waren ze na drie jaar al niet meer, maar dat hield me toen niet tegen.)

Ik heb, jawel, van deze schoenen gehouden, en er een hoop op beleefd. Dag en nacht droeg ik ze, met zwarte veters erin, met elastiek en hartjeskralen, zonder veters, onder broeken, onder rokjes, op scouting, tijdens het uitgaan, tijdens het winkelen, naar familie. Zomer of winter: ik droeg ze. Uit mijn klas en jaar was ik één van de eersten die ze had en de connotatie met het altodom was mij nog onbekend. Ik had licht glimmende zwarte in het klassieke halfhoge laarsmodel en die waren nog redelijk normaal: om mij heen zag ik limited editions met de Union Jack erop, en iemand die ik kende had de hare zelfs goud geverfd. Na een jaar kreeg ik nieuwe, maar die liepen niet zo lekker, dus ik trok ze niet aan. Het jaar erop kreeg ik blauwe, maar ook die haalden het niet bij mijn eerste paar. De pogingen van mijn moeder ten spijt, hield ik vast aan mijn afgetrapte, heerlijke laarzen.
Waarschijnlijk zal ik nooit meer een paar vinden dat even lekker loopt. En dat hoeft ook niet. Inmiddels ben ik de Dr. Martens als schoensoort ontgroeid. Weggooien, dat gaat echter te ver. Maar wat moet ik er dan mee? Ik had ooit bedacht dat ik ze wilde laten vergulden. Misschien moet ik eens achter die mogelijkheid aan. Want als er één voorwerp verbonden is met mijn acht jaar durende rite de passage van kind naar volwassene, zijn het die schoenen.
Ik heb twee vuilniszakken vol gesprokkeld, tjokvol met meuk. Kralen, hotelzeepjes, afgedragen gympies, halflege deoflessen, haarproducten die mijn haar kroes en stug maken, oude bonnetjes van apparaten die het al hebben begeven. Uitgebeten sportshirtjes, hoe-word-ik-gelukkig-gidsjes (ik wéét inmiddels waar ik gelukkig van word –schoon schip maken) oude verjaardags – en ansichtkaarten, een kaart van Den Haag, een verloren waxinelichtje zonder huls, kerstverlichting met kapotte lampjes, een frisbee en een make-uptasje zonder spiegel. WEG ERMEE, en snel.

Mijn Dr. Martens, die blijven. Ze hebben me letterlijk op de voet gevolgd, overal naartoe en vooral weg van alles, en die herinnering is sterker dan opruimdrang en schoonschipperij samen. Dat ik inmiddels relativeringsvermogen heb verkregen en zij niet, is geen reden om ons verbond te verbreken. Wij zijn samen ouder geworden, wij zijn samen gegroeid, en zij hebben de barsten en rimpels gekregen. Zij zijn voor mij gestorven, samen met mijn puber-ik. En nu zijn het slechts twee gehavende herinneringen aan een zware, mooie, zware tijd.
Ik kan ze niet weggooien. Zij zorgden voor mij, nu zorg ik voor hen. Ik zal ze koesteren als waren het mijn eerstgebore. Al worden die tegenwoordig bij bosjes de zolder op geslingerd en rücksichtslos begraven, ik zal de mijne inbakeren en vertroetelen. Een likje ledervet, naald en draad, een dotje schoensmeer, een paar nieuwe veters en ik kan ze met trots tentoonstellen naast de hooggehakte Louboutins die ik nog niet heb. In schoonheid doen zij in mijn ogen niet voor elkaar onder; vinden moeders hun eigen baby´s niet altijd het mooiste?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten