maandag 1 november 2010

Hof (2)

Wederom Zondag. Het zou de titel kunnen zijn van een EO-programma, maar nee. Het is wederom zondag en ik ben wederom in opkalefatertenue als er wordt aangebeld. Voor mijn neus staat de liefdesbriefschrijver. Hij zegt niets, kijkt me alleen maar aan, ik zie de spanning op zijn gezicht. Een week is verstreken sinds ik zijn brief te lezen kreeg, en ik heb hem nog niets laten weten. Om precies te zijn: ik heb de energie nog niet gevonden om hem vriendelijk en resoluut op schrift te vertellen dat ik zijn affectie niet wil beantwoorden. Hoe pak je zoiets ook aan? Ik waardeer zijn brief, maar heb er niet om gevraagd. Hij hoeft niet nodeloos gekwetst te worden, maar dat geldt voor mij ook.
Het valt me op dat hij er heel netjes en een beetje koloniaal-pooierachtig uitziet. Zijn pak is donkerbruin en te goedkoop om echt mooi te zijn, maar met zorg uitgezocht en onderhouden. De das vloekt nét bij het off-crème -want wit is het toch echt niet - overhemd. Zijn schoenen zijn veterloos en goed gepoetst, maar passen er evenmin helemaal bij. Het is een vermoeiende combinatie, vermoeiend voor het oog, uitzicht- en moedeloos verkeerd. Hij lijkt zo uit een roman gestapt, ieder moment kan een blootvoetige waaikoelie hem een groezelig glas kwast met vliegen erin aanreiken. Het begint me te dagen: dit is een patroon.
De ordentelijkheid van zijn brief en zijn verschijning trekken mij niet over de streep. Hij heeft dit pak waarschijnlijk aangetrokken om mij te imponeren, maar het goud in zijn mond blinkt nog altijd sterker. Hij bezit een deerniswekkende netnietheid, een negatief je ne sais quoi... Sommige mensen hebben 'het', 'hét!', moeiteloos en charismatisch. Bij deze man is het precies omgekeerd.
Ik heb al eens eerder zo'n man gedate, en de vonk sloeg ook toen niet over. Hij bracht me cheesecake, rozen, een teddybeertje, oprechte aandacht en een hoop welwillendheid. Hij was de hoffelijkheid zelve en deed zijn best om het mij naar de zin te maken. Ik vond op mijn beurt dat omdat hij zo lief was, ik mijn zoeken naar een vonk moest staken. Ik deed mijn intuïtie af als nuffigheid en kieskeurigheid. Zoveel leuke mannen die rozen meenemen zijn er namelijk niet. Hij deed alles goed, maar het kwam niet goed.
Uiteindelijk gingen we als vrienden uit elkaar, nog vóór we goed en wel bij elkaar waren gekomen. Ik denk dat hij ook doorhad dat het niet zou werken. En dit was dan nog een jongen zonder gouden tand, slim en veelbelovend, hoffelijk en onderhoudend. Geen onvertogen woord kwam over zijn lippen bij ons scheiden, geen sneer, geen onhebbelijkheid, niets. Ik had hem wat rancune niet kwalijk genomen, maar zelfs daar was hij te lief en te mans voor.
Wat heb ik hiervan geleerd? 1) ze bestaan dus wel, mannen die aan hoofse liefde doen en 2) als ik ondanks alle hoofse liefde toch niet gelukkig ben, heeft het weinig zin om er omwille van de conventie in te volharden als blijkt dat 't niet werkt. Nog geen duizend rozen kunnen een gebrek aan vonk vervangen. Dat maakt mij niet kieskeurig of verknipt, ik bespaar een leuke man en mijzelf graag de teleurstelling en de ingeslagen ruiten van hoop die we samen langzaamaan in het huis van de opbloeiende liefde plaatsen. Ik was blij verrast en gevleid door de mooie brief die ik vorige week kreeg, en ik voel een gebrek aan vonk.
In plaats van mijzelf te sussen ('hij verdient toch een kans? Je hoeft niet met 'm te trouwen? Wie weet wat hij je te bieden heeft? Hij heeft zijn nek uitgestoken, het zou eerlijk zijn om dat te belonen? Er is toch niets mis met hem? (Okee... er is toch niet zovéél mis met hem?) Hij vindt je overduidelijk leuk, what the fuck is your problem, moet hij soms op zijn hoofd gaan staan?') herken ik het gebrek aan charisma nu eerder en ga er dan ook meteen beter mee om. Weg met de lapzwans, hallo Adonis. Wel, dit is niet mijn Adonis. Ik ben hem niets verschuldigd behalve misschien wat beleefdheid en sterker, het zou zelfs onbeleefd zijn om hem aan het lijntje te houden. Bovendien is dit geen goede basis voor een gelijkwaardige relatie. Ik verdien beter, hij ook. Nu moet ik dit alleen nog aan hem kenbaar maken.
Zijn nette pak, hoe koloniaal ook, maakt me bewust van mijn joggingbroek en rommelige wenkbrauwen. Deze keer troost ik me er mee: ik hoop dat hij op me afknapt, nu hij me voor de tweede keer 'zeer blanco' aantreft. Moet 'ie ook maar niet op zondagmiddag aanbellen. Je straalt zo mooi als de bloemen op je fiets – hij heeft mazzel dat ik geen avocado op mijn gezicht heb..... Hij kijkt me nog altijd aan, en ik begin te praten. Ik vertel hem dat ik zijn brief waardeer, en dat ik net zo open en eerlijk tegen hem zal zijn als hij tegen mij is geweest. En dat ik zijn gevoelens niet kan beantwoorden.
Ik houd het kort en neem opgelucht afscheid. Mocht hij dat pak echt voor mij hebben aangetrokken, dan kan hij het uitdoen voor er zweetplekken in het hemd komen. Uit een vals gevoel van veiligheid zou ik een smoes kunnen verzinnen, maar eigenlijk ben ik ook daar te moe voor. De dag is nog niet om, maar ik ben geneigd te geloven dat hij me nu met rust laat.
Het is alles goud wat er blinkt, en dat is onderdeel van het probleem. Misschien eindig ik met de page van mijn prins, maar voorlopig zet ik hoger in dan de staljongen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten