maandag 8 november 2010

Scheur

Toen ik op de basisschool zat, had ik een jongetje in mijn klas, Jacob, die drie broers had. Op sommige van zijn broeken zat een Batman-embleem van leer, ter hoogte van zijn knieën. Pas later begreep ik dat die hoogte en de patch strategisch waren geplaatst: Jacob was de jongste en ik denk dat zijn moeder, na drie zonen, wel doorhad hoe ze het leven van een jongensspijkerbroek moest verlengen. Ik vond zijn lapje wel wat bevreemdend, maar ook wel interessant. Hij viel om de haverklap, wat ik van mijzelf niet zeggen kon.
In de winter viel ik zelden, en in de zomer zat er geen batman tussen de tere huid van mijn knieën (die steeds minder teer werd) en het grijze grind waarover ik een sliding maakte. Maar kinderen hebben – net als moeders! – geen geheugen voor pijn en een grote, bloedende wond, weggeschaafd tot op het wit, was eigenlijk griezelig stoer. Gefascineerd keek ik als het dan een keer zover was naar mijn knie, de minutieuze reepjes huid, aan elkaar gestikt en wreed opengereten door G-kracht, een paar grindsteentjes en wat zand.
Parbleu, lieve lezer, ik kreeg spontaan last van het Dinand-syndroom als ik ernaar keek. Vernoemd naar Kane-frontman Dinand Woesthoff, die, zo heb ik me laten vertellen, helemaal niet zo heet.
Ik vind wat ik van hem heb gezien op tv (wat natuurlijk gekleurd en selectief is) niet bijster inspirerend, maar zijn stem vind ik zeer prettig. Dat afgrijselijke Haagse accent, dat laagkaakse gemompel, die stomme stopwoorden en dat gígántische voorhoofd maken dat ik rillend naar hem zit te kijken als hij voor de camera verschijnt en zijn diepkelige mening spuwt. Negen van de tien keer versta ik hem niet eens, maar dat geeft niet – wat hij zegt snijdt toch geen hout, althans geen hout waar ik een tuinhuis van wil bouwen.
Adoratie en afschuw strijden om voorrang in mijn lijf, want de stem van die man maakt iets in me los, zoals je soms geraakt kunt zijn door een dissonante toon in een muziekstuk. Als hij praat, trilt het in mijn middenrif, maar ik ben er niet over uit, hoe ik die emotie moet noemen. Inmiddels loopt meneer tegen de veertig en teert samen met de rest van Kane (of eigenlijk vooral met Dennis van Leeuwen, het enige overgebleven originele bandlid naast D. zélf) op een kreunformule van zo'n tien jaar oud.
Add lips ahoy. Maar eerlijk is eerlijk, dat is ook waar Dinand in uitblinkt. Hij eet er in ieder geval goed van, met dat tweede huis op Ibiza. Ook ik ben daar debet aan: ik heb enkele (ja, meer dan één!) van zijn cd's.
Als ik hem zie wil ik wegzappen, maar tegelijkertijd kan ik mijn ogen en oren niet van hem afhouden. Ja, ik huiver, van vervoering, van afgrijzen. Bah. Rrrr. Bah. Rrrr.
En hetzelfde, lieve lezer, geldt voor zo'n pijnlijke grindwond. Na de eerste schrik en de gedroogde tranen heb ik tijd voor fascinatie. Mijn knie doet zeer, maar ik kan niet ophouden er naar te kijken, moet me bedwingen mijn vuile vingers er niet in te steken, pulk de korst van geronnen bloed er af, zodat er dikke, trage rode druppels onder vandaan wellen, tot mijn bloeddorst gelest is en mijn aandacht verschuift. De wond heelt geruisloos en vlot, en ik kijk er niet meer naar om. Net zoals ik Dinand en consorten over een aantal jaar als jeudgzonde hoop te kunnen bestempelen, zijn valpartijen iets van het verleden, waar slechts verkleurde littekens nog aan herinneren.
Maar zoals ik stiekem altijd wel een beschaamde zwak voor D.W. zal blijven behouden, zit ook een ongeluk nog altijd in een klein hoekje. Op de hoek van de straat viel ik zeer recent keihard en lelijk van mijn fiets. Mijn mooie, pas opgeknapte fiets lag bovenop mij. Inventaris: één doorgefietste boosdoener die zich van de prins geen kwaad wist. Eén broek met scheur, onherstelbaar beschadigd. Eén knie met scheur, waarvan we het herstel nog afwachten. En een geschrokken meisje, dat voor het eerst in zo'n vijftien jaar weer eens genadeloos op haar plaat ging. Achter mij stopte een vrouw die vroeg hoe ik me voelde. (Een unicum, en erg lief!)
Ik had haast, want ik moest naar mijn werk. Mijn hart en hoofd deden het nog, mijn fiets ook. Ik bedankte haar, en ging verder. Pas nadat ik mij op mijn werk in mijn in allerijl aangeschafte broek had gehesen kwam het besef: ik ben gevallen, en hard. De schrik zocht zijn uitweg en dikke tranen rolden over mijn wangen. Ongegeneerd huilde ik twee minuten als een kleuter. Daarna was 't natuurlijk uit met de pret, of beter, het leed.
Het was zeker niet de eerste keer dat ik viel, maar wel de eerste keer dat ik mijn broek kapot viel. Zonde van de broek, maar gezien de grootte van de scheur ben ik blij dat t mijn broek was, in plaats van mijn been, waaraan de schade nog wel meevalt. Later, thuis, bekeek ik de wond eens goed.
Op dat moment verlangde ik intens naar mijn vader, die, als hij in de buurt was, de wonden op mijn knieën placht schoon te maken met een schone zakdoek en wat geblaas. Helaas, ik zou t alleen moeten doen. Hinkend stiefelde ik naar de Kruidvat, op zoek naar wat pleisterlijk gerief. Schaafwonden hoef je niet af te dekken, maar ik vreesde dat ik mijn broek na verloop van tijd van mijn wond af zou moeten trekken als ik 'm niet afdekte. Het is immers geen zomer. Een pluiswond is geen fijn gezicht, om over het gevoel van een wreed meegetrokken korst nog maar te zwijgen. Zonder veel plichtplegingen plakte ik een pleister op de schaaf. En dat was dat.
Maar 's avonds, als ik de pleister verwissel, kijk ik onder het mom van het controleren van de progressie nog even aandachtig naar mijn knie. Pulken doe ik niet. Poken evenmin. Nee, ik voel het kloppen van mijn bloed door de wond, en blaas er zachtjes op, bijna genietend van de licht pijnlijke sensatie die dat teweegbrengt. Bah. Rrrr. There's something 'bout your smile, there's something 'bout the way you mááke me feeheel...

1 opmerking:

  1. Hihi, geweldig weer! Ik herken me in je beschrijving wat betreft D.W. Ik wil het niet toegeven maar ik vind hem eigenlijk best wel leuk :-). Sssssst. Don't tell anyone.

    Len

    BeantwoordenVerwijderen