Al maanden twijfel ik over de aanschaf van een e-reader. Over het algemeen ben ik niet zo'n koper van het eerste uur: ik hecht vrijwel geen waarde aan het gevoel de eerste te zijn en zelfs voor kleine dingen wacht ik liever eerst de kinderziektenbestrijding, prijsverlaging en eerste innovaties af. Het is eigenlijk nooit voorgekomen dat ik een gadget als eerste bezat – en evenmin heb ik dat ooit betreurd.
Ik logenstraf mijn luxeverlangen naar dit apparaat door mijzelf te vertellen dat ik, als literatuurwetenschapper, niet zonder kan. Er is geen dringende reden om mijn leesroutine in inkt en papier aan te vullen met een schermpje van driehonderd euro. Heb ik 'm nodig? Om met de woorden van die fronsfransoos uit de renault-reclame te spreken: non, mais je le veux.
Gelukkig hoeven e-readers helemaal geen driehonderd euro meer te kosten. Dat maakt de keus niet makkelijker. Naar de verhouding tussen kwaliteit en prijs kan ik met zoveel keus nu alleen nog maar gissen. Ik wil graag een e-reader met een groot scherm, lange accutijd en veel ruimte voor boeken. Het scherm is echter het belangrijkst – ik ben migrainegevoelig en wil mijzelf geen bril lezen. De belangrijkste vraag blijf echter: ga ik 'm echt gebruiken, zolang het alternatief nog voorhanden is?
Want ondanks het vermoedelijke gebruiksgemak (lezen in de sportschool, geen uitgescheurde tassen meer, geen nieuwe boekenkasten meer nodig...) heeft het papieren boek ook zo haar charme. Talloze boeken heb ik gelezen achter in de auto op weg naar familie, vakantie of het winkelcentrum. Alleen op de wereld, Schateiland met Spitting Image-plaatjes, Robinson Crusoe, Grimms sprookjes, Gullivers Reizen, De reis om de wereld in 80 dagen, Paul Biegel, Thea Beckman, De Moeder van David S., Alleen gekken blijven (en tien jaar later daarom Nana) en romans waar ik eigenlijk veel te jong voor was: Het fortuin van Roquentin, De Man die Op Aarde Viel, De Triffids Komen, Liefde in tijden van Cholera, De Vingerafdrukken van Brahma en massa's, massa's science-fiction pockets uit datzelfde tijdvak.
Ursula K. le Guin, Phillip K. Dick, Wim Gijsen, Roger Zelazny, Isaac Asimov, Robert Heinlein, Tanith Lee. Ze maakten dat ik fantaseerde over mannen die leken op hoe ik me Phileas Fogg voorstelde, bad dat David Bowie in mijn tuin zou vallen en zorgden dat ik tijden lang blikjes met cake en tamme kastanjes in diezelfde tuin begroef, voor als de Triffids onverhoopt langs mochten komen. Ook de plek van de tuinschaar had ik paraat in mijn geheugen.
Ondanks de sciencefiction- insteek (mens tegen de wereld, tijdschaarste en dreiging van onaardse entiteit) zat er in vrijwel alle verhalen een element van menselijke relaties (man verslaat het beest en krijgt de prinses) en de hoofdrolspelers waren altijd mensen of mensachtigen (twee benen, twee ogen, een verstand en het vermogen tot empathie). Weliswaar soms in parallelle universa – groen bloed, veelwijverij of alwetende baby's – maar dat maakte het alleen maar leuker.
En het waren allemaal goedkope paperbacks, genummerde Elsevierpockets met stereotype omslagen gemaakt door lamlendige, onderbetaalde tekenaars. In de seventies was verzamelen nog heel erg in. Zodoende. Het papier leek op papier waar ik later proefwerken op schreef en wat bij sommige mensen op het toilet hing en de kleuren van het omslag waren quasi-mysterieus: verwelkte bloemen in mistroostig roze, pastelgroene woestijnen met stukjes skelet, oranjebruine zonsondergangen en stoer kijkende krijgers met bonten beenkappen, kohl rond de ogen, wapperend haar en klemarmbanden. Heerlijk.
Dát is dus wat ik zal missen, verhalen van exact tweehonderdvijftig pagina's waarin deze wereld of een andere weer eens wordt gered. De boeken die ik zo gretig verslond zijn digitaal waarschijnlijk niet meer te krijgen en de charme pakt mij vast niet meer zo erg als toen.
Ik koester mijn onschuldige mythes graag, echter niet ten koste van mijn rug. Maar hoewel het nostalgie-argument evenveel waard is als de juwelenkist van een kippige zigeunerin zie je van veraf genoeg het verschil niet. Goed plastic is niet lelijk, dat wisten ze in de seventies óók.
Het is jammer dat ik geen e-reader had toen ik student was en wekelijks twee a drie boeken moest lezen – dan had ik het kunnen opvoeren als noodzaak. Aan de andere kant is een e-reader nooit noodzaak. Net zo min als het redden van een prinses dat is. Ze zou namelijk weleens een vleesetende plant kunnen zijn, die je beenmerg 's nachts met smaak verorbert – via je neusgat.
Afijn, ik dwaal af. Af en toe laait de discussie – want dat is het! – over papier versus e-ink weer op. Zo hoorde ik laatst een vrouw kraaien dat ze liever van papier las. Omdat dat minder pijn aan haar ogen gaf dan lezen van een scherm? Nee. Omdat ze überhaupt weinig las? Neen. Ze kweelde, en ik verzin dit niet, dat ze liever 'echte boeken' las, 'omdat ze de lijm zo lekker vond ruiken...!' Een en ander ging vergezeld van gebaren met handen en een aanzienlijke neus die zinnelijk niet-bestaande geur opsnoof.
Wát een crap. Als je zo van lijmsnuiven houdt, zijn er goedkopere en rendabeler oplossingen dan het kopen van boeken. Dat weet iedere kleuter. Zij eten het zelfs.
Het punt is dat de e-reader is statussymbool is, net zoals het hebben van een imposante boekenkast dat is. Veel boeken hébben – veel boeken ten toon kunnen stellen – betekent dat je belezen bent, wat betekent dat je een intellectueel bent, wat veel mensen erg wenselijk vinden. Een e-reader is echter duur en daarom net zo hard een statussymbool. Dat is, marketingtechnisch, heel slim. Het laat zich lezen als een slogan. E-reader. Voor de Intellectueel die Kennis met zich Meedraagt....
Lieve lezer, ik weet niet of ik zou kunnen wennen aan een e-reader, maar zolang het alternatief nog blijft bestaan, maak ik me niet al teveel zorgen. Hopelijk verdwijnen naast boerenbont, mauvekleurige wandtegels en vettige typografie ook de zilvervisjes achter de met bloemen bedrukte corduroy gordijnen. Wat dat betreft is de e-reader dan wél weer een uitgelezen oplossing.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten