Dinsdagmiddag, rond vijven. De achttien graden Celsius die op de thermometer staan vertellen me dat ik mijn panty uit moet doen, maar eenmaal uit de zon daalt het kwik gestaag, dus ik houd hem aan. Het is mijn eerste vrije doordeweekse dag in tijden en ik heb haar doorgebracht met vriendin A., veel thee en een broodje Kwekkeboom-kalf op een plaatselijk terras. De serveerster, die een beetje getikt en niet zo savvy is, heeft vandaag een goed humeur. Wel zet ze tot vier keer toe onze bestellingen verkeerd neer (dat kan gebeuren) en deelt ze ons op twee verschillende tafels in. Aangezien zij de enige is die ons bedient en wij de hele middag aan dezelfde tafel hebben gezeten snap ik niet hoe dát kan gebeuren, maar de zon schijnt te hard om me er druk over te maken.
En nu is het tijd om over te gaan tot de orde van de dag. Mijn fiets is bij de fietsenmaker, dus ik ben lopend boodschappen gaan doen. Ik laad de spullen in mijn tas en net als ik op huis aan wil gaan, wordt mij de weg versperd door een oude man in een scootmobiel. Oh ja. Het is William, met wie ik al eerder goede gesprekken heb gehad. (Hooi)
Hij glundert, ik zie het boordje van zijn witte shirt in zijn hals. Hij ziet er goed uit. Vrijpostig als altijd pakt hij mijn hand en ik lach, ondanks zijn onbeschaamdheid. Eigenlijk heb ik een zwak voor mannen die me overrompelen, al mag hij dat natuurlijk niet weten. 'Niet zo klef doen hoor,' vertel ik hem, 'Laat u mij eens snel los!' Er zijn grenzen, zelfs voor oude bruine mannen in scootmobielen, en hoewel ik deze man niet vrees, ken ik hem evenmin. Ik zie niet in waarom hij me aan zou moeten raken. Hij is stil, lijkt geschrokken, en ik wil hem niet schofferen, dus ik vraag hem hoe het gaat. Hij kijkt me trots aan: 'Ik kan weer een klein beetje lopen!' Wat volgt is een uitgebreide litanie en ik laat hem praten, opnieuw vertederd. Hij vraagt naar mijn welzijn en ik antwoord hem beleefd. Hij vraagt naar mijn werk, ik zeg hem dat mijn contract niet wordt verlengd. Op zijn gezicht verschijnt een wolk en hij maakt een geluid dat afkeuring en teleurstelling uitdrukt. 'Meissie, dat spijt me zeer zeer zeker voor je,' zegt hij hoofdschuddend. 'Zééeér vervelend, ja, zéér.' Vertel mij wat. Maar William zou William niet zijn als hij niet even zou poken, want ik weet dat hij dat graag doet.
'Wat zegt je vriend er van?' Het vriendje dat ik in een parallel universum zeker heb zou zeggen dat hij het heel vervelend voor me vond. William knikt. 'Woon je met hem samen?' Ik woon niet samen met mijn parallelvriendje, nee. 'Waar is je ring dan?' De ring waar hij op doelt is thuis – thuis bij een nog nader te bepalen juwelier. Lieve meisjes liegen niet, en zijn voor zichzelf nog het liefst. 'Wil je dan niet trouwen?' Ik wil best trouwen. Tijd voor een wedervraag.
'Ben jij getrouwd geweest?' Oei. Deksel. Beerput. Geest. Fles. Onomkeerbare scheikundige processen. Donkere wolk. 'Ik had een vriendin. Toen ik ziek werd, in 2001, heeft ze me niet meer gebeld. Ziek was ik, maar ze heeft niet gebeld.' (Weer dat geluid.) 'Later belde ze, toen vroeg ik haar: waarom bel je me? Je hoeft niet meer te bellen. Ja toch?' Hij kijkt meewarig naar me. Het probleem met William, zo realiseer ik me voor de zoveelste keer, is dat zijn uiterlijk en leeftijd sympathie wekken. Dat gaat verder dan de scootmobiel, want eigenlijk associeer ik die dingen met bewuste arbeidsongeschiktheid en het grote verschil tussen mijn bruto en mijn nettoloon. Het zijn die grote bruine ogen, de pruillip die eigenlijk gewoon een asbak inclusief rookgoot is en de pauzes tussen zijn woorden. Alsof ik deze maand niet al genoeg over TOVTJAPs geschreven had.
Het is natuurlijk een onschuldig opaatje. Maar niet voor het eerst zie ik een wellustige tinteling in zijn ogen als hij het onderwerp listig op wat lichamelijke en seksuelere zaken brengt. Wat maar het beste gepareerd kan worden met een gulle lach en een beetje spot.
De mededeling over mijn contract was geen leugen. En ik geef toe: in tijden van persoonlijke onzekerheid ben ik vatbaarder voor vrijmoedigheden, die ik anders zou verwijzen daar het rijk der onbeschoftheid, bij gebrek aan rijk der fabelen. (Was het maar zo'n feest...) Plotseling haal ik een stukje eigenwaarde uit mannelijke aandacht – terwijl dat normaal toch zeker veel minder het geval is. En dat de man in kwestie zo oud is als het meisje van Yde lijkt me ook niet te deren...
'Ja, en toen hoefde het van mij niet meer, toch?' haalt hij me uit mijn dagdroompje. 'Dat vond ik wel heel jammer voor haar...' Ik vraag me af of ik het goed gehoord heb: zij verlaat hem en hij vindt het jammer voor haar? Ik zeg niet dat het niet kan, maar zie gelijk 's mans pragmatische houding: her loss, whatevah!! Het is maar goed dat ik slechts één kant van het verhaal te horen krijg.
'Als ik thuis ben, ga ik even koken,' gaat hij verder, terwijl hij met zijn lippen smakt. 'Mmmmh, rijst... kip, en een beetje kousenband. Van gisteren!' Ik duw mijn pak diepvriesspinazie onopvallend wat dieper naar onderen. 'En dan ga ik eerst baden, en daarna: lekker eten in mijn jockey!' Ik heb dit woord vaak genoeg gehoord om te weten dat ik dit niet had hoeven weten. Maar nee, het is nog niet genoeg. 'Dat doe jij toch ook wel?'
Eten in mijn onderbroek? Neen. En als ik het deed, hield ik het voor me. Tijd voor een vermoorde onschuld. 'Koken? Natuurlijk wel!' William begrijpt de hint. Hij praat nog wat verder en zo kom ik aan de weet dat hij 'een schat van een meid' als huishoudster heeft; maar dat hij nog een nieuwe zoekt... en aangezien ik binnenkort veel vrije tijd heb...?
Ik zal eerlijk zijn, reader dear. Mijn ware frustratie wordt getriggerd door William, maar hij is deze keer niet de enige oorzaak. Enkele weken geleden ontving ik via mijn werk een priek-priek-kaartje ('joehoe, ik ben er nog! Aandacht?! Aandacht?!') van een TOVTJAP – een polishedTJAP weliswaar, maar toch een TOVTJAP. Ideeën over beleefd-zijn en me van mijn beste kant laten zien plus nieuwsgierigheid maken dat ik al een tijdje twijfel over wat ik hiermee moet. Wat ik zeker weet, is dat ik het TOVTJAP-traject niet in wil. Niet als schoonmaakster, noch anderszins. En hoewel het een volkomen onschuldig kaartje is, lijkt de intentie erachter duidelijk. Wat ik als agressief en intrusief ervaar. En als ik met William praat, komt de opwinding hierover weer boven.
Stiekem verfoei ik mijzelf omdat ik nog aandacht schenk aan deze vrijpostige oude man met een speciale interesse voor mijn liefdesleven. Ik vind het oprecht fijn voor hem dat zijn gezondheid vooruit is gegaan, maar dat legitimeert zijn vrijheden nog niet. Zuchtend laat ik ze echter aan me voorbij trekken, omdat ik, zoals het een net meisje betaamt, oude mensen met respect behandel, ook als ze dat niet bij mij doen. Ik vertel William dat ik moet gaan koken, en laat hem alleen met zijn sores in de liefde. Ik ben moe. Rozen zijn rood, viooltjes blauw, en als je de veertig gepasseerd bent, vertrek dan gauw.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten