We komen allemaal wel eens iemand tegen die wel kennen, maar waarvan we niet meer weten hoe of waarvan. Als ex-student kom ik bijvoorbeeld mensen in de stad tegen waar ik anderhalf jaar geleden twaalf dinsdagochtenden mee heb doorgebracht. Ook kom ik weleens mensen uit mijn sportschool tegen in de stad, of klanten uit de winkel waar ik werk op een concert of in de supermarkt. Ik ken ze niet altijd, maar herken ze wel, en pijnig mijn hersens om te bedenken waarvan, zodat ik een klefheidsanalyse kan maken.
Nu ben ik graag hartelijk. Het gevolg is dat ik soms mensen die ik nauwelijks ken heel enthousiast groet. Dat geeft niet – je kunt in mijn opinie beter hartelijk doen dan nors – maar het levert soms rare situaties op. Ik heb weleens een kop thee gedronken met iemand die ik drie jaar daarvoor was tegengekomen bij een bushalte in een andere stad. Ik heb weleens aan een vrouw gevraagd hoe het met haar leven ging, terwijl ik alleen maar naast haar had gezeten in de wachtruimte van Burgerzaken en ik me toen bijzonder ergerde aan haar harde telefoongesprekken. (Ik wist zodoende al het een en ander over haar leven – u kunt zich de verwarring vast voorstellen.) Ik ben weleens op date geweest met een neef van de stiefbroer van het ex-vriendje van een oude schoolvriendin die ik ooit op een feestje had gezien.
Even zo vaak kom ik mensen tegen die ik niet wil kennen, en daarom ook niet wil groeten. Meeliftende groepsgenoten, mensen die niet lekker ruiken maar toch graag dichtbij komen, of personen die ik helemaal niet ken maar die daar zelf maar al te graag verandering in willen brengen.
Als het welopgevoede en wat dorpse meisje dat ik ben, groet ik dan maar. Het haalt immers niets van me weg, het bevestigt (vaak achteraf) alleen de zekerheid dat ik niet zit te wachten op contact. Maar zolang het bij groeten blijft, kom ik er er wel overheen. Ik ben zo vreselijk beleefd dat ik me soms conformeer in het valse offer, om er maar vanaf te zijn. Ik ben namelijk liever te beleefd dan lafjes, al helpt dat me dus niet.
Toch vind ik mijn oplossing menslievender dan de grimlach. Voor u die er nog nooit een heeft gezien of gemaakt zal ik een klein stappenplan opstellen.
Trek uw onderlip tot over uw boventanden op en houdt hierbij uw mond vanzelfsprekend gesloten - pers uw lippen op elkaar en krul ze naar binnen. Zorg dat er geen sprankje vreugd of empathie in uw blik te lezen is. Knipper langzaam en nadrukkelijk één keer met uw ogen, een blik die het midden houdt tussen ja, ik begrijp het en zó jammer, dit, jij. Houdt de scheidslijn hiertussen bewust onduidelijk. Zó ja, goed zo. Trek nu uw mondhoeken een stukje omhoog, alsof u glimlacht. Voila: de grimlach.
Van veraf ziet dit eruit als een glimlach, van iets dichterbij als de derde dag Avondvierdaagse in te krappe schoenen en van groetafstand straalt deze blik precies de juiste ambiguïteit uit: ik ken je niet vaag genoeg om je te negeren, maar vaag genoeg om geen hallo te willen zeggen...
U heeft in uw eigen omgeving vast wat grimlachers. De buurman die u al zeven keer bent tegengekomen in het portiek terwijl het pas dinsdag is. Met een grimlach paraat maakt hij zich schielijk uit de voeten, beducht op nog een uur gangpadconversatie. De buurvrouw die haar spaniel in uw tuin heeft laten poepen – ze trekt haar hond vlug weg als ze uw auto de oprit op ziet rijden en in de glimp die u van haar opvangt ziet u nog net een opgekrulde mondhoek. Die collega van drie werkplekken geleden wiens naam u niet meer weet – en hij de uwe evenmin.
Al zou er zonder schuld natuurlijk geen boete of zonder lafheid geen heldenmoed bestaan. En het draait om schuld, lieve lezer, het groter wordende schuldbesef waar de schenker van de grim zich terdege van bewust is. Vandaar ook dat vertrokken gezicht; een terecht lastige plooi, want bewust je sociale verantwoordelijkheid ontlopen terwijl je beter weet is nog best moeilijk.
Ik heb het tot nu toe slechts gehad over de grimlach in ontmoetingen met vage kennissen, maar er is nog een tweede soort grimlachsituatie; die waarin de ontvanger donders goed weet dat er iets niet pluis is, en het desondanks toch doorzet.
Ik heb het over het schattige omaatje dat bij je in de buscoupé zit, terwijl het plotseling vreselijk naar methaangas begint te meuren. De moeder die haar krijsende kleuter meeneemt naar de bibliotheektafel waaraan jij aan het studeren bent. De bestuurder van de auto voor je, die je al bellend de weg afsnijdt en tegenstrijdige signalen afgeeft. Op dat moment kun je bijna niet anders dan je verlies kenbaar maken met een je weet dat ik hier onder protest mee akkoord moet-blik, subliem samengevat in de grimlach.
(Overigens is deze blik nauw verwant aan het constipatiegezicht; het gezicht dat schoenverkopers opzetten als ze je vertellen dat je maat niet meer voorradig is.)
Nu liggen beleefdheid en eerlijkheid in mijn opinie in elkaars verlengde. U kent mij langer dan vandaag; ik hecht veel waarde aan goede omgangsvormen en de grimlach is mij daarom een doorn in het glanzend helderbruine oog. Hallo, hoi of een knik doen geen pijn. Daarbij sta ik zelf vaak genoeg aan de grimlachzijde – al heb ik er nog nooit een weggegeven, ik ken de drang. Maar er zijn betere en beleefdere oplossingen dan de grimlach, die van elk greintje standvastigheid en hoffelijkheid gespeend is. De grimlach – die voor netnietkennissen – is het ultieme symbool van slangigheid, lafheid en andere laag-bij-de-grondse waarden.
Daarnaast is de grimlach slechts een middel tot uitstel; gewoon hoi zeggen of juist helemaal niets zeggen maakt, als het om ontmoetingen gaat, voorgoed een eind aan het probleem van de netniet-kennis. Zoals gezegd: ik verkies te lief zijn boven te suf zijn en bovendien wil ik mensen die in het grimlachgebied vallen vaak helemaal niet kennen en daarom ook niet groeten.
(Gebeurt niet snel of vaak, maar soms...)
Mijn oproep? Blok de laffe begroeting net zo hard als de slappe hand, de dubbele ontkenning en de valse besluiteloosheid. Kies een kamp, beken kleur. Groet met je hart en negeer met verve; de keus is aan jou. Maar doe iets, doe iets! Zoals een oom van mij placht te zeggen: wees een man, net als je moeder. Dat je je neus niet de lucht in wilt steken is prima, maar doe dan ook niet alsof hij bloedt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten