zaterdag 15 september 2012

Sc(huw) 2

(Komt dit uit de lucht vallen? Lees dan eerst Sc(huw))

Ik zie in de ogen van mijn 'verloofde' dat onze pre-echtelijke ruzie op een onbevredigende teleurstelling is uitgelopen. Geen nieuw servies, geen make up sex, geen passioneel dichtgeslagen deuren. Niets van dit alles, lieve lezer, op mijn pertinente weigering iets met hem te gaan drinken. U zult mij vergeven; het is donderdagavond, ik heb er een lange dag op zitten en ik moet nog van alles regelen vóór de winkels sluiten. Als ik op een onbewaakt moment uit de drogisterij kom, mijn tas vol met smeersels, schuursels en herstelsels en mijn hoofd vol gedachten, houdt hij me staande.

Zijn gezicht staat verwijtend. 'Wanneer?!' bijt hij me toe. Ik kijk hem aan, trek mijn wenkbrauwen niet op en probeer alle walnootbruine hooghartigheid die ik bezit in de boog van mijn fraaie neusje te stoppen. Dat lukt aardig, ik zie dat hij schrikt. Als deze beste man iets goeds te zeggen heeft kan hij dat maar beter snel en duidelijk doen – ik heb niet de hele tijd de dag...

'Wat doe je vanavond?' brengt hij uit. 'Boodschappen,' zeg ik droogjes. 'Ik wil graag dat je met me meegaat om wat te drinken in de stad, ja?' Hij lacht voorzichtig en zijn giftand eist weer al mijn aandacht op. Ik ben blij dat hij voorstelt iets te gaan drinken in de stad in plaats van zich bij mij thuis uit te nodigen – het toppunt van vrijpostigheid – maar dat helpt niet veel. Plotseling moet ik denken aan hoe het zou zijn als hij me zou zoenen en hij een gat in mijn lip zou maken met dat ding, die wond vervolgens zou gaan ontsteken vanwege een slangige infectie, de zaak mijn gelaat zou wegvreten en ik als een soort Nana zou sterven zonder gezicht. Dat zag ik toch altijd als een van mijn sterke lichamelijke kanten, mijn gezicht. Ja, de menselijke imaginatie is een wonderlijke zaak. Ik slik nog maar eens. We hebben niet allemaal het geluk van een dokter Jos.
Ik zeg nog steeds niets. Ik heb niets toe te voegen aan dit gesprek, niets wat ik niet al eerder heb gezegd. 'Je maakt me verdriehietig,' probeert hij. Bah. Als ik iets ergerlijk vind zijn het jammerende mannen – ik zie mijn mannen graag doortastend, mannelijk, viriel en vooral hoffelijk, niet dreinzend, jengelend en kinderlijk. En voor chantage was ik nooit gevoelig. 'Als ik verdrietig ben, poets ik altijd mijn tanden, dat leidt me af,' opper ik. Hij gaat er niet op in. En op wat hij daarna zegt, ben ik nog altijd vastberaden, maar ook sprakeloos.

'Ik snap niet waarom je zo doet tegen mij. Ik wil met je trouwen, dat zeg ik toch? Mijn hart maakt een sprong, iedere keer als ik je zie. Het is God die ons bij elkaar brengt; ik wilde vandaag helemaal niet naar deze winkel maar ik ging toch en nu zie ik jou, liefje. Ik zou je mijn handen en mijn voeten geven, ik zou goed voor je zorgen, ik zou van je houden. Je denkt dat ik het niet meen, hè? Maar ik meen het. Laten we het dan proberen. Want dat je me niet eens een kans geeft, doet me verdriet.'

Zijn handen trillen, ik zie zijn hartslag in zijn keel en hij kijkt me smekend aan. Iedereen weet hoe het voelt als affectie onbeantwoord blijft – wreedheid is niet nodig. Duidelijkheid is in zo'n geval wel het minste wat je de persoon in kwestie verschuldigd bent. Maar dat vind ik dus lastig. Want eigenlijk is ten huwelijk gevraagd worden best leuk. Bovendien is het beter dat ik de letterlijke tand nu zie, dan dat ik in een liefdeloos huwelijk strand door venijn wat me langzaam vergiftigt, als lelietjes-van-dalen-water in de dagelijkse koffie. Toch wil ik niets van deze man, heb hem ook nooit anders verteld, en zijn liefdesverklaring verandert niets hieraan.
Ik leg hem uit dat ik niet voornemens ben, iets met hem te beginnen. Hij begrijpt uit mijn woorden dat ik er nu niet klaar voor ben. Ik laat dat maar zo – aandringen zou waarschijnlijk zoutwrijven betekenen. Dat is laf, ik weet het, maar ik heb hier ook niet om gevraagd. Eén ding wat mijn 'verloofde' niet van mij weet, is dat ik amoureuze conflicten schuw - met liefde.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten