Het stormt, daarom heb ik mijn haar in een knotje gedraaid. Niets onhandiger dan naar huis fietsen met lokken haar in je gezicht bij windkracht acht. Ik betreur mijn knotje niet als er een zeer aantrekkelijke man tegenover me plaatsneemt, maar vraag me wel af of hij toeschietelijker was geweest als hij mijn haar had kunnen zien.
Ik heb mijn voeten zojuist van de krant en de bank gehaald als hij opduikt en zijn hand uitstrekt naar de krant, terwijl hij vraagt of ik er klaar mee was. Ik stamel eueue en ja, en dorst hem niet te zeggen dat ik mijn voeten op de krant heb gelegd. Ze waren ook niet echt vies. Maar toch.
De man verdiept zich in zijn krant. Hij houdt het ding vóór zijn gezicht en kijkt er vanaf een abnormaal kleine afstand naar, alsof hij een bril nodig heeft maar er te ijdel voor is. Ik houd mijn mond. Hij draagt kisten en slaat zijn benen in een driehoek over elkaar, terwijl hij er zorgvuldig op let dat hij mijn panty niet raakt. Leuk. Hij heeft rode handen, schoon met gezonde nagels waar iets heel scheppends van uit gaat; alsof hij je een gebloemd kopje thee kan brengen nadat hij het water op zelfgestookt haardvuur heeft gekookt, of een hertje voor je snijdt uit hout dat hij eigenhandig heeft gehakt. Hij heeft het soort handen waar je het hoofdje van een pasgeborende in ziet liggen. Het zal mijn tijd van de maand wel zijn, maar ik kan mijn ogen er niet vanaf houden.
Voor de rest is hij niet zo bijzonder. Toch wil ik dat hij met me wil praten. Maar hij is verdiept in die stomme, oppervlakkige krant.
Ik ken dit niet. Ik schuifel heen en weer, ik doe de lippenbalsemtruc, ik laat hem mijn benen zien. Hij laat zich niet afleiden. Als onze blikken elkaar eindelijk, eindelijk kruisen, krijg ik een grijns. Hij lacht vooral met zijn ogen naar me en ik voel me een beetje betrapt. Zijn mond is te dun, zijn neus is te groot en hij is ouder dan hij eruit ziet, maar door die lach ben ik bereid door de vingers te zien dat hij met diezelfde aanbiddelijke handen langdurig aan een puistje in zijn nek zat te frunniken. Hij is het type man waar je koffie mee wilt drinken op de treden van het Stadhuisplein. Zwarte loeihete koffie en jazz. Hij is vast grafisch ontwerper, meubelmaker of goudsmid, en ik zou een moord doen voor een snee van zijn zelfgebakken speltbrood met verse kersenjam. Oh, gentle bliss...
Mijn station nadert en in gedachten neem ik afscheid. Als ik een ding heb geleerd, is dat je mannen hun rol als man moet gunnen. Als hij me aan had willen spreken, had hij dat wel gedaan. En dat hij de nasleep van een weekendje raddraaien in Groningen interessanter vindt dan mijn welwillende porem, nou ja, daar kom ik wel overheen. Al is het natuurlijk jammer, want ik had best een goed filosofisch gesprek met hem willen voeren in de trein op weg naar de Pelikaan in Zutphen. Dat zal nu nooit gebeuren.
Ik pak langzaam mijn spullen en hij maakt plaats voor me. Bye, voeg ik hem toch maar toe. 'Goed weekend, hè,' knikt hij terug. Weekend? 'Je bent erg vroeg, het is pas maandag...' 'Oh ja, nou ja, dat had ik gister ook...' Nogal wiedes, vriend, gister was het weekend. Kleine mafketel... Hij pakt mijn hand en zijn greep is zoals ik me had voorgesteld; droog, stevig, hartelijk en toch gepast gereserveerd. 'Het was mij een genoegen, wellicht tot ziens!' Ik houd de vraag wanneer gaan we met moeite binnen en loop door. Hij is te laat. En als wij echt samen naar de Pelikaan moeten kom ik hem wel weer tegen. Wie wat bewaart, die heeft wat...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten