woensdag 10 oktober 2012

Mo(n)sterd

Als fervent lezer en taalliefhebber doen sommige woorden mij pijn. Ik begrijp heel goed dat taal leeft en zoals veel levende dingen daarom verandert, maar aan sommige veranderingen kan ik niet wennen.
Ik heb begrepen dat toen de vroege voorloper van het Groene Boekje en de allereerste Van Dale nog niet waren verschenen, men zelf mocht bepalen hoe men het Hollandsch neerpende – of ganzeveerde, of liet optekenen, enfin, afijn... Het lijkt erop dat we terugkeren naar die tijd – zij het sneller in woord dan in geschrift. Ik kan daarnaast dan weer niet begrijpen hoe het komt dat hele volksstammen het traditionele (maar misschien is dat juist het struikelblok) Nederlands verlaten en massaal voor zichzelf bepalen (ja, dat kan dus, iets massaal voor jezelf bepalen) welke woorden ze willen gebruiken. Het onderscheid tussen straattaal, patois, pingtaal, streekuitdrukkingen, bargoens en Engels vervaagt, zeker waar het vervoegingen betreft. En omdat niemand meer schijnt te weten hoe het zou moeten – volgens het boekje – weet ik dat zo langzamerhand ook niet meer.

Wel erger ik me aan mensen (of moet ik personen zeggen?) die iets dat verkeerd (fout?) is gegaan nog een keertje overdoen en het resultaat nachecken, mensen die ergens aangeland zijn (om met een anglicisme aan te komen: wtf?) of met enorme zevenmijlslaarzen ergens doorheen fietsen. Ook van gezamenlijke collectieven en mensen die zich dingen beseffen word ik moe. Om maar te zwijgen over oneigenlijk gebruik van interpunctie en de apostrof (s'ochtends, gaan we weer s' iets drinken? me moeder heb gezegd beter niet) en personen die irriteren gebruiken waar ze ergeren bedoelen. Ook de heisa omtrent het koppel shock naast het perfect voldoende Nederlandse schokken kost mij hoofdbrekens: geschokt zijn verwordt tot in shock zijn (van: in shock verkeren) en vanaf daar de glijbaan af het moeras in:

het shockt me/ het is shockking (of erger: het is shockkend, Godbewaarme!)/ dat was me een shock!/ik was geshockt toen ik het hoorde.

Wát een woordenpoep. De nagel aan mijn doodskist, verdorie....

Andere fouten begrijp ik beter. Zambak, paddestoel, poszegel, schilpad, symptonen en zelfs percies zijn dingen die op papier niet snel verkeerd zullen gaan. (Het woord 'dingen' staat hier stilistisch, dat begrijpt u.) Maar sinds sjaal naast shawl mag en kado naast cadeau – een overblijfsel uit de jaren taggetig – moet ik over de spellingswijze van chagrijnig ook even nadenken. Gelukkig is het al snel goed: sjaggerijnig mag, chaggo kan ook, ontstemd is natuurlijk helemaal top en als ik sjagrijnig of zwaar klote neerzet weet óók iedereen wat ik bedoel. Maar gaat het daar om?

Hierover zijn de meningen wederom verdeeld. Natuurlijk begrijp ik de persoon die vertelt het enigste meisje uit de klas die geen laarzen had naar huis te hebben gebracht omdat hun geen soortement van laarzen te leen hadden. Ook kan ik wel wijs worden uit de bedoeling achter het schaamrood op de lippen hebben staan, ergens geen poot in zien, niets in de pap te brokkelen hebben of de ballen van de hoed weten. Maar duidelijker wordt er er niet van.

Eén troostrijk doembeeld: door dat niemand straks meer weet hoe het traditioneel gezien moet, kan en mag straks alles op het gebied van taal. Door de totale (en vooral complete) taalanarchie kan het spelen van de bereidwillige betweter je lelijk in den bil bijten. Daar kan geen Yellow Claw tegen op. Diegenen die hopen dat het Hollands blijft zoals het anno 1996 is vastgelegd, kunnen hun hart ophalen met de nog immer in trek zijnde papieren Van Dale. Voor andere kalveren is deze bron van kennis reeds een gedempte put. De mooiste verhaspeling om deze ontwikkeling te beschrijven las ik echter ergens op een forum (je zou wél en toch weer niet willen dat je haar had bedacht):

Maar dat is Abraham na de mosterd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten