zondag 10 november 2013

Fetisj

De buurt waar ik woon is op zijn zachtst gezegd gemêleerd te noemen. Witte rasbewoners uit het sociaal lagere milieu kleuren als er voetbal is de straten weken van tevoren oranje met hun slingers en groen met hun tattoos. Het aantal centimeters van de main tv is groter dan het maandelijks besteedbaar inkomen in euro's. In de kleine arbeidershuizen wordt er fanatiek geproperd: stoepen worden dagelijks geschrobd met bleek, de geur van doodgekookte bloemkool wasemt je tegemoet en ramen worden gelapt door grootmoeders van amper 38 die rode lak over hun nicotinenagels hebben gesmeerd, wachtend op hun echtgenoten die om vier uur terugkomen uit de ploegendienst en dan een warme prak verlangen. In de omringende flats worden kleurrijke gebedskleedjes over het balkon uitgeklopt, hangen djellaba's naast Nike-truien en Lelli-Kelly-pyama's te drogen en de nasale gebedsoproep is iets waar je na verloop van tijd aan gewend raakt. Buren delen tijdens de Ramadan hun voedsel met Eva en Ton. Olijfkleurige kinderen met groenblauwe spleetoogjes en donkerblond kroeshaar zijn hier geen uitzondering. Bruine moeders letten in het park op witte kinderen en andersom, voor zover de witte moeders hier überhaupt op kinderen letten. Maar van een moeder die zelf niet veel meer dan een kind is, moet je misschien niet veel verwachten. De mensen hier zijn aan de ene kant goedmoedig, simpel-eerlijk, plat gezellig. Aan de andere kant zijn kleine diefstallen, vechtpartijen en huiselijk geweld niet van de lucht. En voor zo'n moslimrijke buurt ligt er verrassend veel hondenpoep.
Witte jochies van acht dragen sportkleding, rattenstaartjes en een oorbel, of twee. Zwarte meisjes dragen pijnlijk strakke vlechtjes of, jong als ze zijn, een pruik. Oudste zonen vervelen zich en proberen in de gunst te komen bij de vaderloze lycrameisjes die hunkeren naar liefde, zodat ze kunnen snoepen van de genereuze proporties die een opvoeding op klappen, marsen en goedkoop vanille-ijs met zich meebrengt. Ruwe liefde is aan de orde van de dag.
Sociale decreten als 'zondagsrust', 'geen gescheld en geen geschreeuw' of 'na het eten niet meer op straat' zegt de ouders hier niets. 'Kanker', in haar vele varianten, wel. Geen enkel kind draagt leren schoenen.

Als ik in de supermarkt een holle Sint voor mijn buurvrouw sta af te rekenen, word ik aangesproken door de man die achter me staat. Hij neemt dadelijk 32 blikjes Schultenbrau mee naar huis, en een metworst. 'Tis alweer bijna hè, Sinterklaas,' knikt hij me toe. 'Maar ik vind dat Zwarte Piet moet blijven hoor. Ze weten niet waar ze het over hebben, die mensen die gelijk roepen: 'tis racisme!' maar het is geen racisme, hoor. Ik heb Zwarte Piet altijd heel spannend gevonden.'

Ik weet eigenlijk niet wat ik moet zeggen. Het onderwerp boeit me niet echt, al vind ik dat het gemenebest begrip op kan brengen voor de mogelijk koloniale/racistische lezing die je in het uiterlijk van ZP zou kunnen lezen. Ik sta niet sympathiek tegenover 's mans exotenfetisjisme, maar ach, wat doe je eraan. Een aanpassing van een blackface naar een paar roetvegen is voor alle partijen beter: dat scheelt make-uptijd, komt internationaal beter over, spaart het milieu (korter douchen!) en de gevoelens van hen die er aanstoot aan nemen, zonder dat er een man of een traditie overboord is. Wat mij betreft hoeft Piet echter niet te verdwijnen.

De man merkt niet dat ik ademhaal voor een reactie. 'Oh zo spannend vond ik het vroeger, als het bijna Sinterklaas was! En nog steeds! Die mensen begrijpen dat niet, zij zijn niet zoals u en ik! En die heisa begint steeds eerder!' Hij kijkt me fel aan, op zoek naar een ja, dus ik zeg goedmoedig: 'Ach, als de Sint vroeger in het jaar aantreedt, is hij misschien ook eerder weg... Bovendien is alle heisa op 6 december weer geluwd.' Ik kijk naar de hand van de man als hij zijn droge, vergeelde klauw trillend van opwinding op mijn arm legt en stevig knijpt. 'Nee, vijf december bedoelt u. Vijf. Vijf.'
Uh, okee. Vijf. Wat maakt mij het ook uit. De caissière kijkt me geamuseerd aan van achter haar minibalie als de man doorraast. 'Ze begrijpen het niet, ik ben geen racist! Ik vind het overdreven, ja toch? Sinterklaas is ons feest, en als ze dat niet willen, vieren ze het toch niet?! Ze moeten niet zeuren, toch?'

Iets zegt me dat ik geen begin hoef te maken met het uitleggen van mijn visie. Ik haal voor de tweede keer adem om iets te zeggen, maar nu redt de caissière me. Snel maak ik me uit te voeten, waarbij ik niet vergeet hem een fijne Sinterklaas te wensen. De Sint, die is voor ons allen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten