Je hoeft niet ver te lopen om gekke dingen mee te maken. En de wereld komt je des te vreemder voor als je je niet lekker voelt. Afgelopen maandag was ik ziek. Mijn hoofd bonsde, ik was misselijk als een hond en het leek wel alsof er in mijn achterhoofd een paukenspeler heel fanatiek aan het oefenen was op een fanfarestuk. Ik wilde eigenlijk het liefste mijn bed in duiken, de lichten uit doen en mijn ogen sluiten. Maar als je ziek bent en je eet niet goed, duurt het herstel nog vele malen langer. En ik had niets in huis. Bovendien dacht ik dat een beetje frisse lucht en een onderbreking in de voortdurende stroom van alfagolven waarin ik mij bevind als ik achter mijn computer zit, me goed zou doen. Misschien zou het mijn murvgetobde, gestresste geest wat afleiden. Dus stiefelde ik naar het plaatselijke winkelcentrum om daar mijn gedachten eens lekker in de vrije loop te laten. Het was regenachtig weer maar niet koud – zoals dat vaak zo is als het regent – dus ik droeg een jackje, maar ook een dikke sjaal, om mijn keel wat te ontzien. Omdat ik ziek was zag ik bleek en ik had me niet opgemaakt. Soms is zelfs het gewicht van een streep eyeliner al teveel. Toch deed het gefluit van een paar vuilnismannen uit een passerende wagen me goed. Ik kan mijn cynisme hierover uitsmeren, maar mijn hoofd doet nog steeds zeer en ik ben moe. En op dagen als deze kan ik alle aandacht gebruiken die ik krijgen kan. Ook vuilnismannelijke.
Eenmaal bij het winkelcentrum ergerde ik me aan alles. Ik geef het toe, aanhoudende hoofdpijn maakt mij onredelijk en ongeduldig en ik verdraag niets, zelfs geen zonlicht. Grote kinderwagens versperden me de weg, besluiteloze stellen bleven staan waar ik moest zijn, het TL-licht maakte mijn zicht of humeur er niet beter op en ik voelde me hoe langer hoe kregeliger worden. Een en ander werd nog versterkt door de troela bij de Douglas die het cadeautje voor mijn jarige huisgenote eerst af-re-ken-de en daarna i-i-n-n-p-p-p-p-a-a-a-k-k-t-t-t-e-e-e-e-e. Ook nu schoten allerlei gemene, vervelende gedachten door mijn hoofd, achter de pijnscheuten aan. Als ik zo traag zou inpakken, zou ik ontslagen worden. Gemene dingen passeerden de revue. Ik weet dat je hart bij dure make-up en bevergeil in een flesje ligt, maar zou je kunnen opschieten? Tempo, zus. Ik begrijp wel dat inpakken lastig is met zulke lange tengels, maar ik heb nog meer te doen. Je hoeft dat ding niet met net zoveel tierlantijnen te omhangen als jezelf. Ik zie je uitgroei en geloof me, die tong uit je mond laat je er niet charmanter uitzien. Schiet verdorie op, het is toch geen octaëder? Laat die sfeerimpressie met dat lint maar achterwege, het is zo al genoeg vernacheld, verfpalet. En dan krijg ik nog zo'n sloeberaal wit plastic tasje ook. Dan had je niet zoveel moeite hoeven doen. Jij ook een fijne dag, hoor. Dat je nog maar weinig klanten helpen mag.
Natuurlijk zei ik geen van deze dingen. Maar ik dacht ze des te harder. In de AH waren ook allemaal vervelende mensen en gillende en jankende kinderen en de speculoos was op. Met een humeur zwaar beneden peil nam ik plaats in de te lange rij en zuchtte nog maar eens. Ik wist heus dat het aan mij lag, maar het leek wel alsof kindergehuil nog nooit zo penetrant schel had geklonken en de handen van de caissière nog nooit zo traag hadden gewerkt. Hoe doen ouders dat toch? Voor me stond een meisje dat onophoudelijk 'mama! Mama! Mama! MAMA!'gilde en haar moeder luisterde niet, waardoor het kind nog harder begon te gillen. Ik wilde het wicht het liefst door elkaar schudden en haar vertellen dat ze haar grote tochtgat moest houden omdat ze niet de enige persoon in de winkel was. (Mocht ik ooit een kind krijgen dan zou ik er in de eerste plaats voor zorgen dat het zich betamelijk gedroeg. Aandacht vragen is één ding, gillen géén tweede.)
Maar wie ben ik? Een toevallige voorbijgangster met een gigantische migraineaanval. Dus ik hield mijn mond. Ik laadde mijn boodschappen op de band en de vrouw achter me ving mijn gepijnigde, geërgerde blik onbedoeld op. De paukenspeler op de achtergrond werd nu vergezeld door een vioolspelende slager die zijn snaren, gemaakt van hersendraden in mijn hoofd, leek te bewerken met een bot fileermes als strijkstok. Wat ik voelde leek op het geluid in die douchescene uit Psycho en dat dan een keer of zestig achter elkaar. Ik voelde me dan ook in staat tot het plegen van douchescenes. De vrouw kuchte en ik keek haar aan met een onderkoelde ja-wat-nu-dan-weer-blik. Als ze maar niet dacht sympathie van mij te krijgen over dat afgrijselijk schreeuwende kind. Luister, miss Daisy, vandaag niet, okee?
'Nou, ik vind in ieder geval dat je héél mooi haar hebt,' zei ze.
Ahum. Uhm, oh. Als mijn schaamrood niet druk bezig was mijn hart draaiende te houden, was het zeker naar mijn wangen gestegen. Op momenten als deze weet ik weer waarom beleefd zijn – inclusief niet het slechtste over mensen denken – zo cruciaal is. Het simpele compliment verlichtte mijn slechte gemoed een beetje en daar was ik dankbaar voor. Ik kreeg het voor elkaar om mijn verticaal splijtende schedel even te negeren en een horizontale splijting op mijn gezicht te laten verschijnen. 'Dank u, dat is erg lief,' zei ik vanuit de grond van mijn hart. Op de weg naar huis brak de zon even door de wolken. Het leven was zo slecht nog niet. De paukenspeler ramt er nog steeds op los, maar ik hoop dat ik hem met de twee paracetamolpillen die ik dadelijk ga eten het zwijgen op kan leggen. Het is tijd voor het echte werk, en daar kan ik geen paukenspelers of slagers zonder muzikaal talent bij gebruiken. Lammetjes, gemberthee, rijstewafels, rust en zacht licht. Dat heb ik nodig. Zachte kussens, hete kippensoep en een zalig lange rugmassage met patchouli-olie. Maar een compliment van een vreemde vrouw op leeftijd is een goed begin. Wie het kleine niet eert, zal het grote niet waarderen...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten