dinsdag 4 oktober 2011

Hooi

Op het pleintje bij mijn plaatselijke supermarkt werd ik bij aankomst bij mijn fiets verrast door een bruine man op leeftijd. Ik had een zware tas bij me en keek hem verwonderd aan. 'Ik kom naar je toe,' zei hij. 'Nu kom ik naar jou toe!' Ik trok mijn wenkbrauwen op, maar het was werkelijk een oude man en hij leek kortademig, dus ik maakte me niet teveel zorgen.
'Nou, welkom!' zei ik dan ook. 'Ik zag jou al,' begon hij, licht verwijtend, 'ik zag jou al vorige week! En ik stak mijn hand op. Maar jij, jij keek niet eens op of om!'
Dit, lieve lezer, klinkt als een befaamde truc. Ik had niets met die man te schaften, was hem niets verplicht en kende hem niet. Reden genoeg om hen te negeren. Dat is wat mensen die elkaar niet kennen doen, volgens de auteur van De Naakte Aap.
Waarschijnlijk had ik hem vrijpostig gevonden en daarom niet op of om gekeken. Nog waarschijnlijker was dat ik zo in gedachten verzonken was dat ik hem helemaal niet heb opgemerkt. Hij keek me de hele tijd aandachtig aan en ik hoorde zijn adem door lagen slijm heen piepen. Hij rookte een dunne sigaar. Net toen ik bedacht dat ik me nu wel genoeg van mijn lieve-meisjeskant had laten zien, zeeg hij neer op mijn fiets. Jammerrrrrrrr.....

Bedachtzaam ging hij verder: 'Ja... Ja, ik weet wel dat jij zo niet bent, hoor. Jij bent niet zo, jij bent een goed meisje. Ik weet het wel, hoor.' Hij lachte raspend. 'Woon je hier in de buurt?' Hoe bonafide hij ook mocht klinken, deze vraag beantwoord ik altijd met enige reserve. (Schoffelen) Gelukkig nam hij me het werk uit handen. 'Je woont hier in de buurt, niet?' Ik beaamde dat. 'En u?' Hij zei dat hij in de flat tegenover het winkelcentrum woonde; 'Ik woon daar als single persoon!'
Goed hoor, opaatje. Zijn archaïsch nette taalgebruik en geaffecteerde manier van spreken maakten me duidelijk dat het een Surinamer was. Iets in hem deed me aan mijn geliefde ome Humbert denken, een verre neef van wijlen mijn opa. Ik had deze man slechts eenmaal ontmoet toen ik op vakantie was. Ondanks dat het buiten zo'n zeventwintig graden celsius was ging hij altijd onberispelijk correct gekleed in driedelig grijs. Hij droeg een hoed en gebruikte een wandelstok en had ogen die van ouderdom zo blauw waren als de bodem van de Adriatische zee. Ik ken niemand die meer indruk op me maakte dan hij. Ik ben nou eenmaal gevoelig voor mannen met charisma en hij oefende een grote aantrekkingskracht op me uit. Ik probeerde mijn adoratie wel te verbergen, maar mijn broer had gelijk toen hij – half ongelovig, half triomfantelijk – opmerkte dat Humbert wel mijn type man was.
Toen ik bij thuiskomst dit gevoel probeerde uit te leggen aan mijn vriendinnetjes merkte er eentje in volle onschuld op: 'Ik kan het me zo voorstellen, je ziet hem nog net geen dansje doen!!' en ze maakte wat vage dansgebaren met een denkbeeldige wandelstok. Het kostte me grote moeite niet NEEEHEEE, NATUURLIJK NIET!!! in haar gezicht te schreeuwen. Ze sloeg zo vreselijk de plank mis dat ik naar adem snakte. Ik beschreef de vleesgeworden Phileas Fogg, zij had een coon in haar hoofd, een Jolicoeur, een Uncle Tom. Wat ik bedoelde stond echt haaks op wat ze trachtte te beschrijven en ik hield dan ook vlug mijn mond, voor de gedachte nog verder bezoedeld zou worden door haar foutieve beschrijving. Dat ze überhaupt dacht dat ik onder de indruk zou kunnen zijn van zoiets ging mij ook boven de pet. Maar blijkbaar was mijn adoratie wel overgekomen, alleen stelde zij zich bij 'stijlvolle zwarte man op leeftijd' een buck voor. Okee. Opinies verschillen. Zucht...
De man die voor me stond had nog geen tiende van het charisma van mijn oom Humbert. Eigenlijk hadden ze, op zijn leeftijd na, helemaal niets gemeen. Maar zijn rustige manieren en zijn bedachtzame woorden (toegegeven, die werden waarschijnlijk eerder veroorzaakt door emfyseem dan door het werkelijke denkproces) deden me terugverlangen naar de vredige tijd die ik toen beleefd had. De man die voor me stond droeg geen driedelig grijs maar een spijkerbroek. Toch zag hij er verzorgd uit. Hij droeg sokken met een motiefje, een vrij nieuwe spijkerbroek, bruine loafers, een overhemd, een spencer en een iets aftands jasje. Ondanks dat hij wat plekken had overgeslagen kon ik aan het kleine scheerwondje zien dat hij zich die morgen geschoren had en hij rook niet vreselijk naar tabak, zoals rokende oude mannen soms kunnen doen. Al zorgde ik wel dat ik op gepaste afstand van hem bleef. Maar zijn vingernagels waren helderroze.

Deze ontmoeting was een duidelijk staaltje bruine-mensen-krentenbrood. Het idee dat ik als bruin persoon een band (zou) (moeten) heb(ben) met andere bruine personen heb ik wel vaker in actie gezien. Het is een ongeschreven en misschien wel niet-bestaande regel, een 'ding' dat zich niet laat vangen en evenmin laat verklaren. Het idee komt uit hetzelfde straatje als de 'vrouwelijke solidariteit'; dat vrouwen wereldwijd en taalbarrière-overschrijdend een band hebben of een gesprek met elkaar aangaan vanwege hun GGD: hun vagijn en hun borsten. Dat u zich er een voorstelling van kan maken....

De man legde uit dat hij een paar jaar geleden een hersenbloeding had gehad, rechtszijdig verlamd was geraakt en nu iedere dag een stukje naar het winkelcentrum liep, met zijn scootmobiel. Hij vroeg hoe ik heette en haastte zich uit te leggen dat hij een Chinese achternaam had. Dat zou best kunnen; hoewel hij veel creoolse trekken had was hij wel klein zoals Chinezen vaak zijn en licht van kleur. In zijn gezicht zag ik het Chinese in ieder geval niet zo terug. Ik zag het überhaupt niet zo terug. Het boeide me verder eigenlijk ook niet zo. De man ging verder en ik kwam aan de weet dat zijn Chinese grootvader kinderen had gekregen met een Indiaanse vrouw. Enig, zeg. Ik knikte maar eens. Over zijn eigen ouders hield hij zijn mond. Ik vroeg dan ook niet verder. Waarschijnlijk was hij wel trots op zijn Chinese en Indiaanse roots maar niet op zijn Creoolse. Daar hebben wel meer bruine mensen last van, je kunt er Fanon op naslaan.
Koket ging meneer verder: 'Ik werd gepest met mijn naam, vroeger. Ze zeiden dat ik geen land heb!' Ik glimlachte en knikte nog maar eens. 'Werkelijk?' Dat leek me, in het multiculturele veelkleurige Suriname, nogal onwaarschijnlijk. Zijn bruine ogen gleden over mijn lichaam.'Maar jij bent ook gemixt!' Weer die toon. Ik vertelde hem wat ik altijd vertel: dat ik een wereldburger ben. Hij zei niets. Plotseling verdween de onschuldige opa en kwam de wellusteling in hem naar boven. Hij floot door zijn tanden. 'Maar je bent stevig! Je bent een flinke meid! Stevig, ben je!!' Voor ik een reactie kon bedenken op deze constatering ging hij verder: 'Ik kijk vaak naar je, hoor! Je ziet er goed uit, ja hoor! Je mag er zijn!'

Lieve lezer, ik zal eerlijk zijn. Het is niet de eerste keer dat een man zoiets tegen me zegt, al namen ze het woord 'stevig' niet eerder in de mond. Maar ondanks de positieve toon en de goede bedoelingen vind ik de benaming stevig geen compliment, al is het wel zo bedoeld. Sterker, het kost me moeite om niet in elkaar te krimpen. Geen enkel meisje zou dat als een compliment opvatten. Als meisje wil je gracieus gevonden worden, sierlijk, fijntjes, chique, gedistingeerd. Je wil een hinde zijn, een hinde met lange ledematen, grote ogen, een scherp brein en een aaibare, zachte vacht. Geen schattig varkentje met korte dikke pootjes, een aandoenlijk vadsig bewegelijk rompje en stug rughaar dat ronkend knort van genoegen bij de geur van verse aardappelschillen. En stevig impliceert spijtig genoeg dat laatste, in mijn opinie.

Los van dit alles beviel de richting van het gesprek me niet zo, dus ik zei hem dat ik afspraken had en vertrok. Zijn hoge leeftijd en immobiliteit mogen dan vertrouwen hebben gewekt, vragen als de zijne doen dat zeker niet. Hij stond op van mijn fiets en greep mijn hand, toch weer de broze greep van een oude, zieke man. Ik kneep harder dan hij, en hij mompelde nog maar eens: ' ...Stevig...!' Nu durf ik, spreekwoordelijk gezien, bijna geen boodschappen meer te doen. Het scheelt dat hij niet weet hoe ik echt heet, of waar ik precies woon, of de waarheid over mijn baan. Als hij mag claimen dat hij Chinees-Indiaans is, mag ik ook over mijzelf beweren wat ik wil. Als hij naar het welbevinden van mijn vriend informeert, mag ik zeggen dat hij het goed maakt. Want hoewel je scootmobielen niet zomaar loskrijgt bij het ziekenhuis en je longemfyseem moeilijk kunt faken, stond hij verrassend lang op zijn benen en de schittering in zijn ogen was er een van een berekenende oude bok. Daar helpt geen raspend lachje of onzorgvuldige scheerwond aan.
Hij mag mij stevig vinden, ik ben hinde genoeg om daar niet in te trappen. Fluks trok ik aan mijn kuierlatten.... ik houd van vers gras, niet van vrijpostig hooi.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten