Op zaterdagen werk ik in een kookwinkel. De meeste mensen die binnenstappen, zijn erg aardig. De dresscode is zwart, maar soms hebben wij themadagen. Bij de Giro d'Italia kwamen we in roze, en afgelopen zaterdag heb ik wat overgebleven koninginnedagversiering omgehangen, vanwege het WK. Een oranje guirlande op mijn hoofd,een sjerp om mijn middel en klaar is Kees!
Het is een grote winkel, met veel spullen. Ik kan me voorstellen dat dat intimiderend kan zijn, zeker als je iets kleins zoekt. Gelukkig zijn we geen van allen te beroerd om een zoekende klant even de weg te wijzen, óók als de vraag ietwat raar overkomt. We hebben bijvoorbeeld twee kassa's op de toonbank, met, hoe logisch, twee pinapparaten, precies zoals je het zou verwachten. De pinapparaten staan beide op logische plekken. Toch reikhalst negentig procent van de mensen in de rij bij kassa één naar het pinapparaat bij kassa twee, terwijl het 'eigen' apparaat pontificaal voor hun neus staat. Vice versa is dat ongeveer veertig procent. Onnodig, en een beetje gek, maar wie zijn wij om daarover te steggelen?
Hetzelfde geldt voor de Wand met de Pepermolens. Deze wand is recht tegenover de toonbank, links van de ingang, en bevat naar pepermolens ook zoutmolens, en nootmuskaatraspen. Als je bij de kassa naar de pepermolens vraagt, sta je er dus precies met je rug naartoe. De wand is zo vol en groot dat ik me niet kan voorstellen dat je eroverheen kijkt, maar dat gebeurt dus regelmatig. Afgelopen zaterdag kwam er een stel binnen, al wat op leeftijd. Ze komen wel vaker in de winkel. De vrouw is niet zozeer potig, maar van een taaiheid die maakt dat ik haar in gedachten het beroep van ziekenzuster of wezenverpleegster toeschrijf (ja, precies in die terminologie) compleet met vleeskleurig bruine kousen en een witte overhemdjurk, te strak bij de buste en te wijd bij de derriere, van dik jeukend katoen. Het soort zuster dat op de kinderafdeling zieke kindjes levertraan voert en zelf ook een paar lepels achteroverslaat in de hoop dat er codeïne inzit. Het leven is niet aardig voor haar geweest en daarom ziet zij de noodzaak ervan ook niet in. Ze heeft een gehandicapte zoon uit een fling met een zakenvriend van haar vader, die haar wel wilde bezoedelen, maar niet wilde huwen (zij was nog niet daadkrachtig in die tijd, dat kwam daarna pas.) Om haar onafhankelijkheid te bewaren wijdde zij haar leven aan snotneuzen en de bestrijding van rachitis. Op haar vijftigste trouwde ze met de weduwvader van één van haar patientjes. Ze is nooit knap geweest, maar zeker daadkrachtig. En nu is ze op zoek naar een pepermolen.
De vrouw stevende op de kassa af en riep, met haar daadkrachtige stem, 'Pepermolens!' Dit is natuurlijk geen manier om een winkel binnen te komen, maar als zij zo haar doel denkt te bereiken, wie zijn wij dan om daarover te steggelen? Met zachte hand wordt ze dan ook op de reuzenwand achter zich gewezen, waar al wat ze zou kunnen zoeken uitgestald staat. Ze is vastbesloten de gelegenheid om noten op haar zang te kunnen hebben, uit te buiten tot de laatste snik. Een van mijn collega's is de pineut. Mevrouw Daadkracht wil graag weten, hoe duur één pepermolen is, die in een setje wordt verkocht. Mijn collega: 'mevrouw, die komen in een setje!' Op haar aandringen wordt er speciaal voor haar een los prijsje gemaakt. Ze twijfelt, maar neemt uiteindelijk toch maar een setje van peper en zout. Alles goed en wel. Nu ben ik aan de beurt. Ze smijt het setje op de toonbank en blaft: 'Tasje!' Suikerzoet waarschuwend vraag ik, met de juiste nadruk in mijn stem: 'Wat zegt u??' Daadkracht, de subtiliteit zelve, kijkt me aan alsof ik achterlijk ben, en blaft maar nog eens: 'Tasje! En het is een cadeau.' Ze kijkt naar de oranje sjerp die over mijn borst hangt en snuift: 'Queen? Queen van wát? Koningin van de nacht zeker!! ' Tegen zoveel onbeschoftheid kan en wil ik niet op. Ik doe alsof ik haar niet hoor. Ik geef haar haar tasje met het peper-en- zoutstel, en ga maar snel verder. Van de weduwvader krijg ik een dankbare, hartelijke blik. 'Zeer vriendelijk bedankt, hoor!' fluistert hij, terwijl hij naar me knipoogt. Arme man. In zijn heupfles zit hoestdrank, daar kun je de donder op zeggen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten